Segne die, so uns regieren

Uitgelicht

Sopraanaria uit BWV 29

Met de zoveelste Corona-persconferentie van premier Rutte nog in het hoofd doe ik mijn tweewekelijkse krachttraining in de huiskamer. Ik eindig met een serie plankingoefeningen. Er staat altijd muziek op. Nu had ik een willekeurige Bach-cd uit de kast getrokken met cantates. Na bijna vier minuten planken blijf ik plat op mijn buik liggen en puf ik even uit. Op dat moment begint er een aria. Direct wordt ik geraakt door de schoonheid van het instrumentale ritornel. Een lopende bas, een prachtige, vloeiende melodie door violen en hobo gespeeld. Ik blijf liggen en luister eerst nog buiten adem en daarna ademloos naar de muziek.
De aria heb ik vaker gehoord maar ik kan hem niet thuisbrengen. Ik herken het ritme van de siciliano. Dan begint de sopraan met haar lied. Ze zingt dezelfde melodische lijnen als van het instrumentale voorspel. De muziek en haar zingen raken me. Het is troostend, liefdevol. Opvallend is dat tijdens de zang de lage tonen (contrabas en cello) van het continuo zwijgen en vervolgens weer klinken als het ritornel terugkomt. Zo gaat het de hele aria door die ik liggend op mijn buik beluister. Opstaan is geen optie. De hobo speelt de melodie mee van de sopraan. Alleen bij het B-gedeelte heeft de hobo een contrasterende stem. Op de tekst ben ik niet gefocust en ik ben me dan ook totaal niet bewust welke woorden ze zingt.
Als de aria beëindigd is sta ik op en loop ik meteen naar de cd kast en lees in het boekje dat ik naar de aria ‘Gedenk an uns mit deiner Liebe’ heb geluisterd uit cantate 29 Wir danken dir Gott, wir danken dir.  Het gaat hier om een zogenaamde ‘Ratswechselcantate’ die Bach voor het eerst op  27 augustus 1731 uitvoerde. Rond die datum werd er in Leipzig een nieuwe gemeenteraad geïnstalleerd waarbij er in de Nicolaikirche een gebedsdienst met een cantate werd gehouden.  Voor zijn ‘Ratswahlcantates’ hergebruikte Bach vaak ouder werk zoals ook in deze cantate. Het grootse instrumentale openingsstuk is een bewerking van het preludium voor vioolsolo, BWV 1006. Maar ook het koor en de aria’s hebben waarschijnlijk een eerder leven gehad waarschijnlijk in een verloren gegane cantate. (De muziek van het koor gebruikte Bach later nog weer in de Hohe Messe).
Ik lees de tekst van de sopraanaria:

Gedenk an uns mit deiner Liebe,
Schleuss uns in dein Erbarmen ein.  

Ja denk ik, deze tekst past precies bij de muziek. Laat je omsluiten door Gods liefde. De muziek voelde ook als een warme deken. Zou het aan- en afwezig zijn van de bas kunnen duiden op het aan- en afwezig zijn van Gods erbarmen?  Bij het afwezig zijn van de bas voel je geen ondergrond, heb je het gevoel dat je wegzakt. Maar dan is hij er weer en wordt je weer gedragen…
Maar dan gaat de tekst verder (het B-gedeelte van de aria):

Segne die, so uns regieren, die uns leiten, schützen, führen,
Segne, die gehorsam sein.

Zegen hen die ons regeren.  Ik begrijp in eerste instantie niet hoe deze woorden passen op de hemelse muziek van Bach tot ik me realiseer dat er oorspronkelijk een andere – wellicht meer passende – tekst is geweest, meer in de trant van het A-gedeelte (wat na het B-gedeelte nog weer herhaald wordt).
Ondertussen is de tekst van het tweede  gedeelte meer dan actueel.  Na de zoveelste persconferentie van onze premier en minister van volksgezondheid denk ik inderdaad: laat ze gezegend worden met wijsheid. Maar ook dat wij gezegend worden. De gehoorzamen. En wat mij betreft ook de ongehoorzamen…
En dat de muziek van Bach ons mild mag stemmen en ons rust en vertrouwen geeft.

Bachs laatst geschreven noten op papier

Uitgelicht

Op 28 juli 1750 om 20.15 uur stierf Johann Sebastian Bach op vijfenzestigjarige leeftijd in zijn huis in de Thomasschule te midden van zijn vrouw en kinderen. Er was een jaar aan vooraf gegaan waarin zijn krachten steeds meer afnamen en waarin hij zo goed als blind werd, waarschijnlijk ten gevolge van diabetes. Maar toch ook een jaar waarin hij – als hij de energie had – nog muzikaal actief probeerde te zijn zoals bij de uitgave van zijn Kunst der Fuge en het complementeren van zijn Hohe Messe. Beide meesterwerken heeft hij niet volledig af kunnen ronden. Als laatste ‘compositie’ wordt gezien een nieuwe harmonisatie van het koraal Vor deinen Thron tret ich hiermit (BWV 668) welke de zo goed als blinde Bach vanuit zijn ziekbed waarschijnlijk dicteerde aan zijn leerling Johann Christiaan Kittel. Dit zou in april – mei moeten hebben plaatsgevonden. Het laatste wat Bach zelf aan het papier heeft toevertrouwd moet in de maanden daarvoor hebben plaatsgevonden: op nog leeg muziekpapier noteerde hij bij het dubbelkorige motet van Johann Christoph Bach Lieber Herr Gott, wecke uns auf de partijen voor acht verschillende instrumenten die de koorstemmen ‘colla parte’ zouden moeten begeleiden. Dezelfde noten dus. Zijn handschrift was zwak geworden en hij schreef alleen het begin van iedere partij op zodat het later verder uitgeschreven kon worden met het oog op de uitvoering.
Algemeen wordt er van uitgegaan dat die uitvoering de begrafenisdienst van Bach zelf moet zijn geweest en dat Bach dus bewust met het oog daarop deze bewerking van het motet van zijn oudoom Johann Christoph Bach heeft gemaakt. Het motet stamde uit 1672.
Johann Christoph Bach (1642-1703) was organist in de Georgenkirche te Eisenach toen Johann Sebastian daar opgroeide. Van hem zal Bach zijn eerste orgellessen hebben gehad. Johann Christoph heeft prachtige vocale muziek geschreven er wordt gezien als de grootste Bach voordat Johann Sebastian kwam. Hij noemde zijn oom ‘der profunde Komponist’ (de diepzinnige componist). In Bachs tijd was het gebruikelijk dat er motetten werden gezongen bij begrafenisdiensten. Bach schreef er zelf ook verschillende. Natuurlijk is het speculeren waarom Bach voor dit motet van Johann Christoph heeft gekozen. In de eerste plaats natuurlijk om de tekst. Maar kan het ook gezien worden als een eerbetoon aan zijn oudoom? Of om een verbinding te maken met het begin van zijn (muzikale) leven? Het zijn een mooie gedachten. De muziek van Johann Christoph omspande in elk geval zijn leven: hij speelde orgel bij zijn doop, zijn huwelijkscantate Mein Freundin du bist schön klonk waarschijnlijk in 1708 op Bachs bruiloft met Maria Barbara en bij zijn begrafenis werd uitgevoerd Lieber Herr Gott, wecke uns auf met aanvullende instrumentatie van Bach zelf.

Lieber Herr Gott, wecke uns auf,
dass wir bereit sein, wenn dein Sohn kommt,
ihn mit Freuden zu empfangen
und dir mit reinem Herzen zu dienen,
durch denselbigen, deinem lieben Sohn,
Jesum Cristum, unsern Herren. Amen

Meer over Johann Christoph Bach, de diepzinnige Bach, valt te lezen in het gelijknamige hoofdstuk in mijn boek ‘Johann Sebastian Bach, zijn land, zijn tijdgenoten’ (2019).

Portret van Johann Christoph Bach, schilder onbekend © Archiv für Kunst und Geschichte, Berlin

‘Johann Sebastian Bach, zijn land, zijn tijdgenoten’

Uitgelicht

Faas_BachLandTijdgenoten_CVR_v4

 

Op 9 november is mijn derde Bachboek gepresenteerd:

Johann Sebastian Bach, zijn land, zijn tijdgenoten

 
Na ‘Dansen met Bach’ en ‘Alla maniera Italiana’ wordt Bach in mijn nieuwe boek geportretteerd tegen de achtergrond van het toenmalige Duitsland en in samenhang met mensen waar hij mee heeft geleefd en gewerkt. Na de Franse en de Italiaanse staat nu dus de Duitse barok centraal.
Tijdens de boekpresentatie speelden Beniamino Paganini (klavecimbel, orgel en traverso) en Nele Vertommen (hobo, blokfluit en zang) muziek van Bach en tijdgenoten. Dit talentvolle jonge barokduo uit Leuven heeft al samengewerkt met grote namen uit de barok muziek. Zie  https://beniaminopaganini.com/i-suonatori-poetici-2/
Het eerste exemplaar is overhandigd aan Govert Jan Bach.

 

Recensies:

Opus Klassiek:

https://www.opusklassiek.nl/boeken/faas_bach3.htm?fbclid=IwAR0gxmxJUVe73z2rTkBN5nMeg-Ezkf8r4fzevkIJPxBT8dSWkMi2mAa0CLc

Stretto:

Wim Faas over “Johann Sebastian Bach, Zijn land zijn tijdgenoten”, een magnifieke uitgave van Aspekt. Niet te missen!

 

 

De Kilimanjaro beklimmen

Uitgelicht

28 december 2011, dag 1: Jambo! (Goedendag)

Om half tien rijdt het busje voor. Hij zit al half vol met Tanzaniaanse jongens die de komende week ons zullen bijstaan in de klim. Met z’n achten hebben we voorlopig voor het laatst comfortabel in een hotel in Arusha geslapen. Onze rugtassen worden ingeladen en daarna kunnen we zelf plaatsnemen. De bus zit tjokvol. Via een korte tussenstop bij het bureau die onze trekking organiseert vertrekken we rond half elf echt: op naar de Machama-gate, de poort op 1900 meter hoogte vanwaar we de start gaan maken van de eerste etappe. Op weg naar de top. De top van de Kilimanjaro.

*

Oktober 2010

Maarten stuurt een mail met daarin een plan: hij wil met een groep de Kilmanjaro gaan beklimmen rond de jaarwisseling 2011-2012. Meteen ben ik enthousiast. Deze kans wil ik aangrijpen. Zo’n onderneming zou ik anders nooit gaan doen. In het voorjaar van 2011 wordt duidelijk dat er 8 mensen mee willen: Maarten en Afien (broer, schoonzus), Willem Hendrik (neef), Julia en Kaei (dochter en schoonzoon), Jan en Ewout (vriend van Maarten en zoon). In mei hebben we een eerste voorbereidingsontmoeting. Maarten toont een video van de Kilimanjaro, we bespreken de reis, de kosten, de voorbereidingen die nodig zijn zoals inentingen, materiaal, kleding. In november komen we nog een keer bij elkaar. We zetten de puntjes op de i. Iedereen is er klaar voor. Op 27 december komen we allemaal aan in Arusha, Tanzania. De volgende dag gaat de beklimming beginnen.

*

Na twee uur rijden komen we aan bij de Machama-gate. We worden ingeschreven, betalingen worden geregeld, we maken kennis met de gidsen: Beltram, Dani en nog een derde waarvan ik de naam kwijt ben. De porters (dragers) verdelen hun ballast: onze rugtassen, manden met voedsel, tenten, potten, pannen, gasstellen. . . . . noem maar op. Alles gaat mee naar boven. We krijgen allemaal een lunchpakketje: een pakje drinken, een stuk fruit, een sandwich, een muffin en een kippenpootje!

Helaas begint het flink te regenen. Gelukkig staan we droog onder een grote overkapping. Zo’n drie, vier andere groepen staan ook klaar voor vertrek. We trekken onze regenjassen aan. Als de regenbui opeens stopt lijkt dat het startsein. Daar gaan we dan. Omhoog!
We lopen een bospad in. Aapjes zitten aan de kant. Jammer genoeg begint het al weer snel te regenen. Gelukkig is het niet koud. Ik schat een graad op 20. Voortdurend worden we ingehaald door zwaarbepakte porters. Het is waarschijnlijk lang droog geweest want het pad is niet modderig. We lopen feitelijk door het regenwoud. Hoge bomen, soms helemaal bemost, soms met lianen, kolossale varens, watervalletjes. . . . hoewel we nauwelijks op uitzichten worden getrakteerd (ook vanwege het mistige weer) valt er genoeg te zien. Na een uur of 5 lopen komen we aan bij het Machama-kamp. 2950 meter. We hebben 1050 meter hoogte gewonnen. In een blokhut moeten we ons weer inschrijven. Hier spreek ik kort met een blinde Koreaanse jongen die met twee begeleiders ook de Kilimanjaro gaat beklimmen. ‘With God is everything possible’ antwoord hij als ik mijn respect naar hem uitspreek.
De porters hebben inmiddels ons kampement al opgezet: twee 2-persoonstenten, een 4-persoonstent, en een ‘eettent’ (Mess genoemd). Daarnaast natuurlijk ook hun eigen slaaptenten en de ‘keuken’ tent. De kok stelt zich aan ons voor: Said. Hij heeft twee hulpkoks. Samen met de 3 gidsen en de 16 porters hebben we dus een begeleidingsgroep van 22 Tanzanianen. Met ons erbij een groep van totaal 30!
De koks wijzen ons naar de Mess. Daar staat thee en popcorn klaar. Op de grond, in de kring blikken we zo terug op onze eerste dag.

Er wordt behoorlijk geklaagd, want verschillende matjes en slaapzakken zijn nat geworden. Dat is niet prettig.
We hebben een uurtje om de slaapplekken klaar te maken en wat te relaxen. De 2 stelletjes betrekken de 2-persoonstenten. Jan en Ewout de ene kant van de 4 persoonstent, Willem Hendrik en ik de andere kant. Wel een krappe plek voor 2 volwassen personen vind ik.
Door een van de keukenhulpen wordt er bakje heet water met een stukje zeep in de tent gezet, we kunnen ons even opfrissen voor het eten. De warme maaltijd die opgediend wordt is de volgende verrassing. Gloeiend hete preisoep vooraf, daarna gebakken aardappels, een groentemix van boontjes, worteltjes e.d. en rundvleesstukjes. Als toetje stukken mango en ananas. Het smaakte prima! Na nog weer een kop thee gedronken te hebben gingen we rond een uur of 9 slapen.


29 december 2011, dag 2: Karibu! (Welkom)

Ik heb redelijk goed geslapen. We zouden om 7 uur gewekt worden, maar tegen die tijd zijn we ons al aan het opmaken voor de tweede dag. Om half 8 ontbijten we in de Mess. Alweer en verrassing: eerst krijgen we pap: Porruche. Even wennen, maar met wat suiker erin is het wel te eten. Maar niet teveel. Daarna werd er een grote schaal neergezet met geroosterd brood, pannenkoekjes, omeletten, worstjes en fruit. Met zo’n ontbijt moeten we de dag wel aankunnen.
Vandaag hebben we een iets kortere etappe voor de boeg. Een wandeltocht van een dikke 3 uur naar het Shira-plateau, op 3700 meter hoogte. 750 meter verder omhoog dus. Al snel lopen we nu het regenwoud uit. De vegetatie wordt korter en kaler. Het terrein wordt langzamerhand rotsachtiger. Bij mooi weer betekent dit dat we meer van de uitzichten kunnen gaan genieten. Maar helaas, vandaag is het alweer regenachtig en mistig. Het prachtige uitzicht op de top van de Kilimanjaro wat ons ‘door de boekjes’ aan het eind van de tocht wordt beloofd wordt ons niet gegund.

Het lopen gaat ons allemaal nog prima af. Soms wordt ons evenwicht getest als we via wat stenen een stroompje moeten overbruggen. Alleen Jan kampt met een flinke hoofdpijn. Bij aankomst in het Shira-kamp duikt hij direct in zijn slaapzak.
In de Mess krijgen we vandaag thee met zoute pinda’s. We hebben wat meer tijd tot aan het avondeten, maar tot veel activiteiten komen we niet. Een beetje rondhangen, liggen, onderzoeken waar je het best naar ‘het toilet’ kan (of anders dan maar ergens tussen de struiken, buiten het kamp). Ook op dit kamp is het weer druk. Ik schat dat er wel zo’n 7 groepen met ons naar boven trekken. Met alle porters e.d. erbij maakt dat er zich wel zo’n 300 mensen in dit kamp begeven.
Het warme eten gaat er weer prima in. Zo’n beetje hetzelfde als gisteren. Nu echter wortelsoep en in plaats van aardappels vandaag rijst.
Tijdens de koffie/thee komt de hoofdgids Beltram de tent binnen(‘laat de beltrom horen’ zeggen we steeds, het is immers net kerst geweest). Op zijn hurken zittend vraagt hij hoe het met ons gaat. En dan verteld hij wat het plan is voor de volgende dag: 7 uur wekken, warm water, half 8 ontbijten en half 9 vertrek naar het Barranco-kamp. We laten onze veldflessen vullen met gekookt water. Extra veel drinken wordt vanwege de hoogte toenemend nodig. De tweede nacht. Slapen is wederom geen probleem.


30 december 2011, dag 3: Hakuna Matata (Maak je geen zorgen)

Vandaag staat er een zware tocht op het programma. Een stevig ontbijt is dus van belang. Maar ik voel me niet lekker. Hoofdpijn, een beetje misselijk, het rommelt in m’n buik. Ik begin nog wel aan de pap, maar die maakt me alleen maar misselijker. Eén geroosterd sneetje krijg ik weg, en wat plakjes ananas. Hier moet ik het dan maar mee doen. Het is wederom bewolkt en regenachtig weer. Eenmaal is er een stevige bui. Ondanks de beschermende kleding begint toch alles nat te worden en aangezien het ondertussen niet meer zo warm is op deze hoogte dringt de kou door tot op m’n lijf. De handschoenen zijn in deze fase onmisbaar.
Van wandelen is al lang geen sprake meer. Het terrein is rotsachtig, vele kleine en grote (lava) stenen liggen bezaaid op wat het pad moet lijken. Eén gids loopt voorop en kiest steeds de makkelijkst begaanbare route. De blinde Koreaan passeren we weer. Ik vind het ongelofelijk dat hij in staat is dit te doen. Hoe zou hij de omgeving in zich opnemen? Voor ons blijven de vergezichten door de mist (we lopen voortdurend in de wolken) ons niet gegund. Wel lopen we in dit gebied langs de kolossale lobelia’s, planten die alleen op de Kilimanjaro schijnen voor te komen.
Vandaag is een soort acclimatisatie-dag. We stijgen tot 4200 meter en dalen dan weer naar 3950 meter tot het Barranco-kamp. Op deze manier kunnen we ook een beetje wennen aan de hoogte. Jan is weer aardig opgeknapt. Maar vandaag heeft Kaei het moeilijk. De afgelopen dagen was hij al niet lekker, maar vandaag gaat hij kapot. Gelukkig komt er halverwege de tocht een splitsing met een kortere route naar het Barranco-kamp. Hij neemt die met een gids. Wij nemen de route, via de Lava-tower, een indrukwekkend groot rotsmassief,tot 4200 meter en dalen dan weer af. Dit blijkt niet gemakkelijk. Door alle regen van de afgelopen dagen zijn de kleine stroompjes groot geworden en het vraagt veel klim en balanceerwerk om al dit soort hindernissen te overbruggen. Uiteindelijk komen we tegen vieren in het Barranco-kamp. Voor de eerste keer voel ik me erg moe en slap. Hoewel de hoofdpijn is weggetrokken begin ik wel op te zien tegen de laatste etappes. Zou ik het halen?
Het weer is gelukkig opgeknapt. Op een gegeven moment trekt het even helemaal open en zien we plotseling de top van de Kilimanjaro. Ontzagwekkend, en, wat hoog nog! Sta ik daar overmorgen vroeg? Ik kan het bijna niet geloven.
Van de warme maaltijd, later in de Mess, neem ik van alles een beetje. Ik moet eten, maar het smaakt we niet en het staat me tegen. Kaei blijft in bed liggen. Hij eet bijna helemaal niets. Hoe zal dat aflopen? Onze gids Beltram stelt voor dat Kaei en ik een eigen gebrouwen drankje drinken van de kok. Dat zou heilzaam zijn. Hij raadt af om diamox, tegen de hoogteziekte te gebruiken. Ik laat het me aanleunen en drink de hete thee met verschillende kruiden en o.a. veel gember op.
Om negen uur liggen we allemaal in onze slaapzakken. Morgenvroeg de één na laatste etappe naar het Barafu-kamp.


31 december 2011, dag 4: Lama salama (weltrusten)

Weer sta ik niet lekker op. Beetje zeurende hoofdpijn en een misselijk gevoel. Ik probeer in elk geval veel te drinken. Dat is sowieso belangrijk gezien de hoogte. De pap laat ik aan me voorbij gaan. Het lukt me om één sneetje geroosterd brood naar binnen te krijgen. Eigenlijk veels te weinig, maar het is niet anders. Vandaag en vannacht wordt het de dag van de waarheid. We stijgen 660 meter naar het Barafu-kamp, over een afstand van zo’n 13 kilometer. Als eerste moeten we de Barranco-wall, ook wel ‘breakfast-wall’ geheten, beklimmen. Een steile ‘muur’ van 250 meter hoog. We kijken omhoog en zien een lang zigzaggend lint van mensen die ons voorgaan. Stapje voor stapje beginnen wij ook aan de beklimming. Soms is het letterlijk klimmen en klauteren, of moet je voorzichtig van een rots afglijden. Het is zwaar.

Hier en daar ontstaan files. Regelmatig hoor ik de gidsen: “Pole, pole” zeggen, Swahili voor: rustig, rustig. Degenen die geen moeite hebben met dit soort beklimmingen zijn de porters. Met speels gemak worden we links en rechts ingehaald; springen ze van steen naar steen. En daarbij zijn ze dan nog zwaar bepakt met (onze rugtassen) en op hun hoofd of schouder tenten of grote manden met proviand. Ongelofelijk, wat zijn dit een kanjers. Als wij vanmiddag in het volgende kamp aankomen staan onze tenten alweer overeind. Wij hebben alleen ons ‘dagrugtasje’ bij ons met een fles drinken, wat eten, reservekleding en een fototoestel.
Boven op de Barranco-wall hebben we weer zicht op de top van de Kilimanjaro. Nog steeds lijkt het ontzettend hoog en ver. We nemen een korte rustpauze en vervolgen dan onze weg via de Karanga vallei. Langzaam stijgen we nu tot 4600 meter. Om een uur of 3 arriveren we in het Barafu kamp. Het is even zoeken naar de tenten. Er is veel hoogteverschil en de verschillende tenten staan ver uit elkaar. Ik rol mijn slaapmatje uit en duik meteen in mijn slaapzak. Rust, rust, denk ik alleen maar. Net als Ewout waarschijnlijk, want ook hij ligt in no-time in zijn slaapzak.
Weer een etappe achter de rug. Maar ga ik de volgende, laatste etappe halen? Ik fantaseer dat ik vannacht niet mee omhoog ga. Het is gewoon te zwaar. Pech gehad, ik kan er ook niets aan doen dat ik niet fit ben.
Na de warme maaltijd (ook nu weer wat gegeten, al was het niet veel) komt Beltram weer gehurkt bij ons zitten. In langzame, zorgvuldig gekozen zinnen beschrijft hij wat het plan is: zo meteen allemaal naar bed (20.00 uur). Om 23.00 worden we gewekt (als we zelf al niet wakker zijn). Aankleden, warme spullen aantrekken,dubbele handschoenen aan. Om 23.30 drinken we koffie/thee met (gember)biscuitjes en dan, om 0.00 uur, nota bene tijdens de jaarwisseling vertrekken we naar de top. Beltram hamert erop dat het rustig aan moet gaan. Het zal fors gaan vriezen. Dat we geen lange pauzes nemen, alleen zo nu en dan even een staande pauze om iets te eten of te drinken. Het zal een tocht van zo’n 6 uur worden tot we boven op de kraterrand, bij Stella Point arriveren. Hij adviseert om niet op je horloge te kijken, niet te gaan vragen: hoe lang nog. Loop alleen maar, stap voor stap voor stap, achter mij aan. Als we er bijna zijn zal ik het zeggen. . .


1 januari 2012, dag 5: Pole pole (rustig aan)

Eerst kan ik niet slapen. Het is een bizar idee. Straks alweer op staan en dan om 0.00 uur gaan lopen, de hele nacht. Toch wordt ik om 23.10 wakker van het licht en gerommel van Willem Hendrik en besef ik dat ik toch nog een uur of 2 heb geslapen. We maken ons allemaal, zwijgend, gereed. Even later zitten we aan de thee en de koekjes. Het is droog buiten. Helder zelfs, dus ook koud. Het waait een beetje. Tegen twaalven is het wachten nog op Jan. Als hij zich bij de groep schaart staan Julia en Kaei klaar met sterretjes. Het is Nieuwjaar! 2012. We omhelzen elkaar. De gidsen zijn ook enthousiast en krijgen ook sterretjes. Maar dan, als de sterretjes gedoofd zijn is het zover. We hangen onze rugzakjes op de rug, zetten onze hoofdlampjes aan en we vertrekken. Naast de 3 vaste gidsen gaan ook nog 2 ervaren porters mee. Daar gaan we, met z’n dertienen. Beltram voorop. Op naar de top van de Kilimanjaro.

Op een gegeven moment zie ik dat het begint te lichten. Aan de horizon veranderd het zwart in donkerrode en donkerblauwe tinten. Het betekent dat het tegen zessen is. Het betekent ook dat we de kraterrand moeten naderen. 6 uur hebben we er dus op zitten. Ik heb het in een soort trance gelopen. Geen stappen tellen of wat dan ook; alleen maar lopen, schuifelen kan je beter zeggen en: pole, pole. Het gevoel voor tijd raakte ik kwijt. Ik richtte me alleen op Beltram die voor me liep. 3 kleine stapjes, even rust. 3 kleine stapjes, even rust enzovoort, enzovoort. Op een gegeven moment stak er een harde, koude wind op. Die was zeker niet prettig. Een extra fleece aangetrokken. Mijn handen steenkoud, maar op een gegeven moment werden mijn handen weer warm. Het enige wat ik me verder herinner zijn de enkele korte pauzes die we hebben gehad. Een begeleider heeft algauw mijn rugzak overgenomen, en hem moest ik dan steeds hebben voor een paar slokken water. Op een gegeven moment was mijn water half bevroren. Halverwege (?) is het Julia die er helemaal doorheen zit, ze heeft het ijskoud. Ze krijgt extra lagen om zich heen en gaat dan ook weer mee verder.
Rond kwart over zes waren we dan eindelijk op de kraterrand: Stella Point; 5745 meter. Het eerste euforische moment. Het besef ook: we gaan het halen! Ik omhels Julia en Kaei. Voor m’n gevoel was ik op dat moment niet moe en was ik in staat om nog 3 kwartier flink door te lopen tot het hoogste punt. Het hele stuk heeft echter Beltram naast me gelopen, gearmd. Daar moet toch een reden voor geweest zijn. Ongecontroleerd lopen? Gedesoriënteerd? Ik weet het niet. Desalniettemin bereikte ik even na zevenen Uhuru-peak. Het hoogste punt van Afrika. De hoogste losstaande berg van de wereld! Weer euforie! We gaan met z’n zessen op de foto. Julia en Kaei zijn er nog niet. Die zijn toch niet afgehaakt? Dan komen ze er toch aan! Ik fotografeer ze. Maar een groepsfoto met z’n achten lukt niet meer. Sommigen zijn alweer terug. Ik maak nog een paar foto’s van de omgeving.

Dan ga ik ook weer terug. Weer gearmd met Beltram. En ook nog een ander? Ik weet het niet meer. Langzamerhand merk ik dat mijn benen niet meer willen. Ze beginnen loodzwaar aan te voelen. Terug bij Stella-point nemen we even rust. Vanuit hier nemen we een andere afdaling. Schuin naar beneden, door lavapuin en gruis. Alleen lopen gaat niet meer. Ik ben helemaal kapot, uitgeput. Beltram en Dani begeleiden me, maar ze lopen veel te hard naar beneden. Ik moet steeds oppassen dat ik niet struikel. Roep steeds: “Easy, easy! Walk slowly! ” Ik heb echter niet in de gaten dat ik zélf geen controle meer heb over m’n benen en het zelf ben die naar beneden dendert. Op een gegeven moment houden Beltram en Dani me niet meer. Ik glij uit, tol op de grond, kom met mijn hoofd op een rotsblok. Bam! Er gebeurd gelukkig niks. Mijn muts en capuchon fungeren als een soort schokbreker. Gelukkig. Maarten, Afien, Julia, Kaei en Jan komen erbij staan. Je hebt hoogteziekte zeggen ze. . .ik weet het niet, behalve dat ik helemaal uitgeput ben. Ze stoppen een Diamox in m’n mond. Vanaf hier lukt het om rustiger aan de 3 uur durende afdaling terug naar het Barafu-kamp te lopen, met Beltram aan m’n zij. Julia, Kaei en Willem Hendrik lopen met ons op. Elk half uur moet ik even 5 minuten rusten. Om half elf komen we eindelijk aan in het kamp. Er staan bekers met vruchtensap klaar. In een paar teugen drink ik er één leeg om vervolgens totaal uitgeteld in mijn tent in de slaapzak te kruipen.
Ik wil er niet aan denken dat we maar 2 uur mogen rusten en dat er vanmiddag nog een afdaling van 4 uur op het programma staat naar het Mweka-kamp. De Kilimanjaro is killing.
Er zit niets anders op. Om half 2 vertrekken we uit het Barafu-kamp. Ik voel me gelukkig weer iets uitgerust. Maar 4 uur afdalen, ik zie er als een berg tegenop. We gaan in 2 groepjes. Afdalen moet je in je eigen tempo doen. Maarten, Jan en Ewout zijn meer ervaren bergwandelaars en gaan dus vooruit. Ondanks de zwaarte is het een mooi wandeling. De zon schijnt, het is warm. (Julia verbrand haar neus; er komen zelfs blaasjes op). We dalen van 4600 meter naar 3000 meter. In één klap 1600 meter; 16 Domtorens! Het betekent dat elk half uur het landschap veranderd. Eerst alleen nog gruis en rotsblokken, dan lage heideachtige beplanting en grassen, dan struiken, hier en daar een boompje en op het laatst bos, regenwoud. We lopen langs de rand van een dieperliggende vallei wat een prachtig uitzicht geeft. En kijk je achterom dan zie je de witte top van de Kili boven alles uitsteken. Daar stonden we vanochtend!
Het pad is soms rotsachtig, soms drassig met veel trapachtige verlagingen. Bij moeilijke stukken ondersteund Beltram me, want na een paar uur lopen ben ik weer erg moe en voelen de benen loodzwaar.Wat ben ik deze Afrikaan dankbaar.
Om half 5 lopen we het Mweka-kamp binnen. De dag zit er op. Vanaf 0.00 uur met één rustpauze van 2 uur continue geklommen of gedaald. 1 januari 2012: zowel het hoogtepunt als dieptepunt van het jaar waarschijnlijk al beleeft. Ik ga naar het toilet. Mijn ontlasting komt er als chocolademelk uit.

2 januari 2012, dag 6: Asante sana! (bedankt)

Gelukkig slaap ik goed, maar ’s morgens blijk ik nog steeds fors aan de dunne te zijn. Dit zal nog 2 dagen aanhouden. Voordat we vertrekken nemen we afscheid van de groep Tanzanianen: de 3 gidsen, de kok, de 2 hulpkoks en de porters. Ze hebben fantastisch werk geleverd. Zonder hen zou de beklimming een mission impossible zijn. Maarten deelt enveloppen met ‘tips’ uit, en de groep zingt voor ons een paar Afrikaanse liederen. Er wordt enthousiast bij gedanst!
Hierna de laatste wandeling, naar de Mweka-gate. Nog weer 1150 meter afdalen tot 1850 meter. Een uur of 3 lopen. Dat moet wel gaan. We lopen weer in 2 groepjes.
Na een uurtje kunnen we tussen de bomen door de Kilimanjaro weer zien. Kaei wijst naar de top. “Daar is de hel” zegt hij. Ook hij heeft zware dagen gehad. Het heeft veel van ons gevergd. Tegelijk beginnen we ons trots te voelen. We hebben het gehaald! Ieder voor zich, maar ook als groep. En dat is niet vanzelfsprekend, want zo onderweg komen we ook mensen tegen die het niet gehaald hebben.
Aangekomen bij de gate heeft Maarten ons al uitgeschreven en kunnen we direct in de bus stappen. Terug naar Arusha waar we 2 nachten in een hotel verblijven en van een rustdag mogen genieten. Vandaar uit gaan we nog 5 dagen op Safari! Onderweg naar Arusha maken we nog een tussenstop voor een hapje eten. De laatste maaltijd van onze kok! Nog steeds krijg ik er weinig in, maar een ijskoud colaatje smaakt me prima!

‘Effatha’. Inleiding bij cantate 69a.

13 september 2020

Optimistisch sprak de voorzitter in zijn welkomstwoord op 1 maart nog over een  Bachvirus wat toch wellicht sterker was dan het toen opkomende corona-virus. Een paar weken later echter bleek corona ook Bach in zijn greep te hebben en was er geen cantate op 5 april. Maar vandaag, God zij geloofd, weer een cantate in de Geertekerk. Een cantate die past bij deze tijd. Over doof en stom zijn, over horen en spreken. Niet eerder zagen we zo vaak een doventolk. Niet eerder is ons spreken zo bemoeilijkt door het dragen van een mondkapje. Niet eerder is zingen een risico gebleken voor je gezondheid. We hebben een tijd achter de rug waarin we Bachs muziek hoofdzakelijk digitaal konden beluisteren. Vandaag mogen we weer live een cantate horen. We hebben er naar uit gekeken.

De cantate Lobe den Herrn, meine Seele schreef Bach voor zondag 15 augustus 1723 en het lijkt erop dat ook hij er naar uit heeft gekeken deze jubelcantate uit te voeren. De cantates van de weken daarvoor waren vol kommer en kwel. Alleen de titels al: Herr, gehe nicht ins GerichtSchauet doch und sehet, ob irgendein Schmerz sei, en Meine Herze schwimmt in Blut. Deze zondag kon er weer gejubeld worden en werden de paukenist en de trompettisten weer eens opgetrommeld. Voor het openingskoor koos Bach een tekst uit psalm 103: Prijs de Heer mijn ziel, vergeet niet één van zijn weldaden.
Maar was het wel geëigend om juist deze zondag zo hoog van de toren te blazen? De verdere tekst van de cantate is duidelijk geïnspireerd op het evangeliegedeelte uit Marcus 7 wat deze zondag gelezen werd. Jezus genas een man die doof was en gebrekkig sprak. Hij stak zijn vingers in zijn oren en raakte met speeksel zijn tong aan. Handelingen die in ons nieuwe-normaal onvoorstelbaar zijn geworden. Toen zei hij: ‘Effatha’, wat betekent: ‘Ga open’ en de man kon weer horen en spreken. Jezus riep de omstanders vervolgens op om te zwijgen over dit wonder, maar hoe strenger hij dit verbood, hoe meer ze het rondvertelden…
En ja, ook Bach lukt het niet om te zwijgen en hij verliest zich in uitbundige lofmuziek. Het openingskoor is vrolijk en fabuleus. Van Jezus had het wel wat minder gemogen.

Volg je de tekst van de recitatieven en aria’s dan is het duidelijk dat deze geschreven zijn met de evangelietekst in het achterhoofd. Steeds gaat het over vertellen, spreken en verkondigen. Gaat het over mond, lippen en tongen. 1000 tongen zou ik willen hebben om Gods goedheid te verkondigen zingt de sopraan in het eerste recitatief. De tekst kritisch doornemend lokt dan wel de vraag uit: wat heeft God dan allemaal voor goeds gedaan? In de tenoraria wordt het ook geopperd: ‘Auf, erzähle’, ‘Vertel het’! Het is een wonderschone aria waarin een fluit en hobo da caccia excelleren in een gemoedelijke pastorale sfeer. Maar er wordt niet één weldaad genoemd. Gods goedheid wordt niet concreet.  Misschien moeten we daarom de tekst opvatten als een oproep aan een ieder persoonlijk om voor zichzelf na te gaan hoe Gods goedheid in het eigen  leven gestalte krijgt. Ook als je niet geloofd: dat je bewust bent van al het goede in je leven. 
En nee, het leven is niet altijd voorspoedig. Treffend vind ik dan ook de bede in de basaria: ‘Sta me bij in kruis en lijden’.  Ook Bach kende immers de zware kant van het leven. Hij was al op jonge leeftijd wees en verloor zijn vrouw en een tiental  kinderen aan de dood.  Toch kon hij blijkbaar ook bij rouw en verdriet de nabijheid en troost van God ervaren. Prachtig wordt dit gezongen op basis van een aanstekelijk, aansprekend ritme.

‘Waar het hart vol van is stroomt de mond van over’. Dit zal de reden zijn dat de getuigen van het wonder van Jezus hun mond voorbij praatten. En ook dat Bach zich niet in kon houden. Toch heeft die oproep van Jezus wel wat.  In de luwte wilde hij zijn werk doen. Het ging hem niet om zichzelf maar om de ander. Hoe anders zien we dit ook nu nog steeds. Hoeveel aandacht krijgen de grootste schreeuwers niet. In de media, in de politiek. Ook in deze coronatijd. Hoe meer iets verboden wordt hoe meer sommigen het juist wel doen. Naar wie luister je? Wie spreekt de waarheid? Het verhaal van Jezus wordt behoorlijk actueel als je voor ‘doofheid’ invult: alleen maar willen horen wat je wilt horen en voor ‘gebrekkig spreken’: alleen maar zeggen wat in je eigen belang is. Jezus geneest daadwerkelijk maar hij zegt niet: wordt horend of spreek weer. De essentie van het verhaal is blijkbaar niet dat trommelvliezen of tongen weer functioneren. Jezus zegt: ‘Effatha’. Ga open. Ik interpreteer dit als: stel je open voor de wereld om je heen, voor mensen hoe verschillend ze ook zijn. Voor God? Durf vooroordelen los te laten. Oordeel sowieso niet te snel. Spreek je niet te snel uit. ‘Het hart op de tong hebben’ heeft niet voor niets een negatieve connotatie. Al eerder in Markus 7 horen we Jezus als het gaat over wat wel of niet verboden is om te eten: ‘niet wat je mond in komt maakt een mens onrein, maar wat van binnenuit, uit het hart, naar buiten komt maakt hem onrein’.

‘Effatha’. ‘Ga open’. Aan het eind van het altrecitatief wordt het woord zo treffend gezongen in een krachtig  G-majeur-akkoord van D naar B naar G, terwijl het voorafgaande in mineur stond. In een dalende lijn omdat het woord klinkt vanuit de hemel naar de aarde. Deze drie noten zijn voor mij de kern van de cantate. Ook het continuo staat open voor deze roep en komt op dat moment plots tot leven.
Dat het u en mij ook zo mag vergaan:
Sta met open mond, met open ogen en oren in deze wereld. Met een open hart voor mensen dichtbij en ver weg. En wees zeker niet doof zijn voor de kwetsbaren in de samenleving. Ook zij hebben hun stem!
Leef in de geest van het slotkoraal: wees dankbaar voor al het goede en weet dat je ook bij tegenslag wordt vastgehouden en dat kan ook heel goed door middel van mensen om je heen die naar je luisteren, die je moed inspreken. Het zal leiden tot een wereld met meer begrip, gerechtigheid en harmonie.
En laat Bachs muziek, troostend en vreugdevol, ten alle tijden klinken!
Lobe den Herrn, meine Seele.
Ik wens u veel plezier bij het horen van deze cantate.
En tegen het orkest en koor zou ik willen zeggen: ‘Effatha’, ga open! Speel en zing!

1. Koor
Lobe den Herrn, meine Seele, und vergiß nicht, was er dir Gutes getan hat!
2. Recitatief, sopraan
Ach, daß ich tausend Zungen hätte!
Ach wäre doch mein Mund
Von eitlen Worten leer!
Ach, daß ich gar nichts redte,
Als was zu Gottes Lob gerichtet wär!
So machte ich des Höchsten Güte kund;
Denn er hat lebenslang so viel an mir getan,
Daß ich in Ewigkeit ihm nicht verdanken kann.
3. Aria, tenor
Meine Seele,
Auf! erzähle,
Was dir Gott erwiesen hat!
  Rühme seine Wundertat,
  lass ein Gott gefällig Singen
  durch die frohen Lippen dringen!
4. Recitatief, alt
Gedenk ich nur zurück,
Was du, mein Gott, von zarter Jugend an
Bis diesen Augenblick
An mir getan,
So kann ich deine Wunder, Herr,
So wenig als die Sterne zählen.
Vor deine Huld, die du an meiner Seelen
Noch alle Stunden tust,
Indem du nie von deiner Liebe ruhst,
Vermag ich nicht vollkommnen Dank zu weihn.
Mein Mund ist schwach, die Zunge stumm
Zu deinem Preis und Ruhm.
Ach! Sei mir nah
Und sprich dein kräftig Hephata,
So wird mein Mund voll Dankens sein.
5. Aria, bas
Mein Erlöser und Erhalter,
Nimm mich stets in Hut und Wacht!
Steh mir bei in Kreuz und Leiden,
Alsdenn singt mein Mund mit Freuden:
Gott hat alles wohlgemacht.
6. Koraal
Was Gott tut, das ist wohlgetan,
Darbei will ich verbleiben.
Es mag mich auf die rauhe Bahn
Not, Tod und Elend treiben:
So wird Gott mich
Ganz väterlich
In seinen Armen halten.
Drum laß ich ihn nur walten.

Trinitatis: Allein Gott in der Höh sei ehr

De eerste zondag na Pinksteren heeft de naam Trinitatis. Met de uitstorting van de Heilige Geest op Pinksteren heeft de Drievuldigheid zijn volledige verschijningsvorm gekregen. Op Trinitatis  wordt dit traditioneel gevierd en wordt de Drie-enige God de lof toe gezongen. Bach schreef hiervoor bijvoorbeeld de cantate Gelobet sei dir Herr (BWV 129) waarbij achtereenvolgens de Vader, de Zoon en de Heilige Geest geloofd worden.  Ook in zijn orgelwerken komt  het  thema aan de orde.

In de jaren veertig bundelde Bach een serie orgelkoralen die hij al in Weimar (1708 – 1717) had gecomponeerd. Men vermoedt dat het Bachs doel was een reeks van koraalbewerkingen aan te leggen die gespeeld konden worden tijdens de avondmaalsviering. Bij de meeste koraalbewerkingen bracht Bach verbeteringen aan. De bewerkingen zijn trio’s (er zijn steeds drie stemmen hoorbaar) waarbij de melodie van het koraal, sterk versierd, door één stem wordt uitgevoerd. In deze zogenaamde Achtzehn Chorale (BWV 651 – 668), ook wel Leipzigger Chorale genoemd bevinden zich drie bewerkingen van het koraal Allein Gott in der Höh sei ehr (BWV 662, 663, 664). Dit vroege reformatielied van Nikolaus Decius is geïnspireerd op het ‘Gloria in excelsis Deo’ oftewel het ‘Ere zij God in den hoge’, het lied van de engelen.  De vier strofen van het lied behandelen achtereenvolgens de eer aan God en daarna aan diens drie persoonlijkheden: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Zonder dat Bach dit zelf concreet heeft aangegeven wordt er van uitgegaan dat zijn drie bewerkingen achtereenvolgens de eer aan de Vader, de Zoon en de Heilige Geest verklanken. De eerste koraalbewerking heeft een troostend karakter en zou de overgave aan de goedheid van de Vader kunnen uitbeelden.  De derde is speels en dansend van vorm. De koraalmelodie is bij deze bewerking het meest verhuld. Onzichtbaar zoals ook een geest is…
Van de drie bewerkingen is de tweede (BWV 663) het meest beroemd. Door een prachtig thema in de sopraan, waar de melodie van het koraal al in verborgen ligt, vlecht Bach de versierde melodielijn in de tenor-ligging; van het trio de tweede of middelste partij en in die zin dus een verwijzing naar Christus, de tweede naam van de triniteit. Overigens lijkt ook de maatvorm, 3/2, bewust door Bach zijn gekozen. De lage tonen van het pedaal ondersteunen het geheel van stemmen terwijl hier ook weer delen van de koraalmelodie in terugkomen. Uit het stuk klinkt een eerbiedige verwondering en dankbaarheid jegens Jezus die door zijn lijden en sterven verlossing heeft gebracht.
Voor alle drie de koraalbewerkingen geldt: wonderschone, contemplatieve muziek zoals alleen Bach die kon maken. Harmonie, fantasie, melodie, ritme en zeggingskracht. Alles in perfecte balans. Zo is de muziek van Bach. Ter ere van de Allerhoogste.

Allein Gott in der Höh sei ehr, BWV 663, gespeeld door Jean Baptiste Dupont, Toulouse:
https://www.youtube.com/watch?v=hKNIiDmlfjM

 

Bach speelt Alessandro Scarlatti

Ter gelegenheid van de geboortedag van Alessandro Scarlatti, 2 mei, 1660.

Met zijn Collegium Musicum heeft Bach in Café Zimmerman (en zomers in Zimmermans tuin) ruim vijfhonderd concerten verzorgd. Natuurlijk voerde hij eigen werk uit, maar dikwijls ook werk van andere componisten. Helaas is hier weinig van overgeleverd. Zeker is in elk geval dat hier werk van verschillende Italianen tussen heeft gezeten, onder andere de cantate Se amor con un contento van Alessandro Scarlatti. Deze cantate in Napolitaanse stijl[1] is een solocantate voor een mezzosopraan met continuo-begeleiding. Bach componeerde zelf ook een dergelijk cantate, Amore Traditore (BWV 203). Dit werk, voor een bas, heeft ook een Italiaanse tekst en een eenvoudige continuo-begeleiding. Dit soort kleinschalige werken konden zonder lang repeteren uitgevoerd worden. Bach bespeelde immers zelf het klavecimbel. Zo was er meer tijd om met het gehele Collegium te repeteren voor het concert de week erop. Italiaanse cantates als van Scarlatti waren populair. En zeker in Leipzig, waar sinds 1720 geen opera-gebouw meer was, was het een buitenkansje om in Café Zimmerman dit genre te beluisteren.
Scarlatti werd geboren in Palermo, Sicilië in 1660. Hij kwam uit een muzikale familie. Vanaf zijn negentiende jaar, toen zijn eerste opera werd opgevoerd, heeft hij verschillende aanstellingen gehad als kapelmeester bij adellijke hoven in Rome, Florence en Napels. In Rome vervulde hij ook nog een periode de functie van koordirigent aan de vermaarde Santa Maria Maggiore. Scarlatti schreef een omvangrijk oeuvre van voornamelijk vocale muziek: cantates, oratoria en tientallen opera’s. Helaas is veel van zijn werk veloren gegaan. Ook wordt zijn werk niet veel meer uitgevoerd. In zijn tijd waren zijn composities echter erg populair, vooral ook door de humoristische elementen die hij in zijn opera´s invoegde. Een andere bijzonderheid was dat hij als één van de eerste de zogenaamde da-capo-aria introduceerde; een aria met een A-B-A opzet waarbij dus het eerste deel na het tweede deel herhaald wordt. Deze ariavorm zou Bach later veelvuldig toepassen in zijn cantates en passies. Bach zal over Scarlatti’s werk geïnformeerd zijn door zijn latere vriend Johann Adolf Hasse die een periode in Napels verbleef en een leerling van Scarlatti was.
Scarlatti overleed in Napels in 1725.

Alessandro Scarlatti mogen we niet verwarren met zijn zoon Dominico Scarlatti, de beroemde klavecinist en componist. Toch wordt Dominico Scarlatti dikwijls in één adem genoemd met Bach en Händel; ze zijn alle drie in 1685 geboren.

Deze tekst is gepubliceerd in ‘Johann Sebastian Bach en de Italiaanse barok’ (Alla maniera Italiana) van Wim Faas.

[1] De Napolitaanse stijl kenmerkt zich vooral door virtuoze zangpartijen (belcanto) in solo’s en duetten. De verhaallijn van de cantate of opera was hierbij ondergeschikt. Een driedelige sinfonia (snel – langzaam –  snel) opent het werk en de aria’s zijn van het da-capo-type.

Erbarm’ dich unser, o Jesu. De Matthäus-Passion in Corona-tijd.

Agnus_Dei_(The_Lamb_of_God),_by_Francisco_de_Zurbaran,_c._1635-1640_-_San_Diego_Museum_of_Art_-_DSC06627
Dit jaar klinkt er nergens ‘live’ een Matthäus-Passion.
Corona houdt de wereld in haar greep.
Desondanks kunnen we bij het thuis beluisteren er hoop en troost uit putten.

In het magistrale openingskoor wordt de luisteraar de passie ingetrokken. Twee koren (als allegorische figuren) gaan een dialoog met elkaar aan. In een vraag en antwoordspel worden we op de weg gezet die Christus gaat. De bruidegom, die als lam geslacht wordt. Tegelijk klinkt daarboven in de sopraan een derde koor met het oude koraal O Lamm Gottes, unschuldig[1]:

O Lamm Gottes, unschuldig
Am Stamm des Kreuzes geschlachtet,
Allzeit erfund’n geduldig,
Wiewohl du warest verachtet,
All’ Sünd’ hast du getragen,
Sonst müssten wir versagen.
Erbarm’ dich unser, o Jesu!

De plaatsing van de tekstregels van dit koraal passen naadloos op de woorden die koor 1 en 2 zingen. Als er bijvoorbeeld wordt gezongen: ‘Sehet – was?  – seht die geduld’, klinkt in het koraal de zin: ‘Allzeit erfund’n geduldig’.

Het koraal O Lamm Gottes, unschuldig is in 1522 geschreven door Nicolaus Decius, en is gebaseerd (zowel tekst als muziek) op het Agnus Dei uit een gregoriaanse mis: ‘Agnus Dei, qui tolllis peccata mundi, misere nobis’ (Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm u over ons).

Als dit koraal een zo centrale plek heeft in de opening van Matthäus-Passion, kan ook gezegd worden dat de passie begint met een Kyrie-eleison (Grieks voor ‘Heer ontferm u’), net zoals iedere mis begint. Denk aan de eerste maten uit de Hohe messe waarin het ‘Kyrie’ indrukwekkend klinkt.
Bach onderstreept in het openingskoor dit ‘Kyrie’ zeer krachtig. Op het moment dat het ‘Erbarm’ dich unser, o Jesu’ aanvangt is het vraag en antwoordspel van koor 1 en 2 beëindigd. Het vragende koor 2 is overgehaald en gaat deelnemen aan de passie. Zo wordt het ‘unser’ benadrukt. Gezamenlijk zingen de koren dan: ‘Sehet ihn aus Lieb und Huld, Holz zum Kreuze selber tragen’ waarna ze ook samen de beginregels van het openingskoor herhalen.

Kyrie-eleison
Erbarme dich
Heer ontferm u

Deze roep neemt Bach op in de proloog van zijn grootste werk. Het zijn woorden van alle tijden. Maar ze klinken krachtiger, worden dieper beleefd in tijden van nood, van oorlog, van ziekte. De betekenis die een ieder er aan geeft kent grote verschillen en dat geldt net zo voor woorden als ‘All’ Sünd’ hast du getragen’. Uiteindelijk denk ik dat het ‘Kyrie’ voortkomt uit een universeel menselijk gevoel dat wij mensen, hoe groot we ons soms denken, we uiteindelijk klein, en kwetsbaar zijn. Dat we zoveel kunnen, maar daarmee ook zoveel kapot hebben gemaakt. Het ‘Kyrie’  is daarbij een uitroep van de mensheid naar God, naar Christus of naar wie of wat dan ook. Geadresseerd in elk geval naar iets wat boven ons uit stijgt. Ontferm u, sta ons bij, help ons, houdt ons vast, laat ons wijs zijn. Een belijdenis in het nederig zijn. Zoals Jezus uiteindelijk nederig en dienstbaar zijn weg ging.

Dit jaar klinkt er nergens ‘live’ een Matthäus-Passion.
Corona houdt de wereld in haar greep.
Een crisis die voor ons mensen uit het westen sinds lange tijd echt voelbaar en beangstigend is.
Terwijl er wereldwijd al zoveel crises waren: de klimaatcrisis, de oorlogen, vluchtelingen, noem maar op. ‘All’ Sünd’ …’.
De Matthäus-Passion zal dit jaar thuis beluisterd en bekeken worden en de nood van de wereld en onze eigen zorgen en angsten zullen daar meer dan ooit in gevoeld worden.

‘Sonst müssten wir versagen’ klinkt in de één na laatste regel van het koraal: toch hoeven we niet te wanhopen.  Een lichtpuntje.

Dat gezongen blijft worden:
Erbarm’ dich unser, o Jesu.

 

Tekst en vertaling

Chor I und II
Kommt ihr Töchter helft mir klagen.
Sehet—wen?—den Bräutigam,
Seht ihn—wie?—als wie ein Lamm,
Sehet—was?—seht die Geduld,
Seht—wohin?—auf unsre Schuld.
Sehet ihn aus Lieb’ und Huld Holz zum Kreuze selber tragen.

Choral
O Lamm Gottes, unschuldig
Am Stamm des Kreuzes geschlachtet,
Allzeit erfund’n geduldig,
Wiewohl du warest verachtet,
All’ Sünd’ hast du getragen,
Sonst müssten wir versagen.
Erbarm’ dich unser, o Jesu!

Koor I en II
Komt o dochters, helpt mij klagen.
Ziet Hem—wie?—de Bruidegom.
Hem—hoe?—zoals een lam.
Ziet dan—wat?—ziet Zijn geduld.
Ziet—waarheen?—op onze schuld.
Ziet Hem uit liefde en genade zelf het kruishout dragen.

Koraal
O Lam van God onschuldig,
Dat aan het kruishout werd geslacht.
Altijd was u geduldig,
hoewel u werd veracht.
Alle zonden hebt u gedragen
De wanhoop is verslagen.
O Jezus, ontferm u over ons!

 

 

[1] Zie complete tekst en vertalingen onderaan.

Schilderij van Francisco de Zurbarán (1598 – 1664)

Extra bier op Bachs dertigste verjaardag

Ter gelegenheid van ‘Happy Bachdag’ 2020 (335ste geboortedag van Johann Sebastian Bach).

Woensdag 20 maart 1715.
Hertog Wilhelm Ernst van Saksen-Weimar heeft zijn concertmeester en hoforganist Johann Sebastian Bach ontboden in zijn werkkamer.

‘Wat zou hij van me willen’ denkt Bach.
Ruim een jaar geleden heeft hij promotie gemaakt in het hoforkest. Concertmeester was hij geworden. Daar zat de opdracht bij ingesloten dat hij eens per maand voor een cantate moest zorgen. Aanstaande zondag zou dat weer een heel mooie worden: Alles, was von Gott geboren[1].
‘Als hij maar niet weer op het laatste moment met een speciale wens aankomt…alles is al klaar’. ‘En morgen ben ik nota bene jarig, dat wil ik ook nog graag vieren met vrouw en kinderen’.

Bach werkte van 1708 tot 1717 aan het hertogelijk hof in Weimar. Bij zijn aanstelling ging hij er qua salaris al fors op vooruit vergeleken met zijn organistenpost in Mühlhausen. Naast een jaarsalaris van 150 florijnen (omgerekend naar nu, zo’n €10.000,-) ontving hij als goederen achttien schepels[2] tarwe, twaalf schepels gerst, vier vadem[3] brandhout en dertig emmers belastingvrij bier. Bij zijn promotie tot concertmeester, 2 maart 1714 had hij nog weer opslag gehad en verdiende hij bijna evenveel als kapelmeester Johann Drese en diens zoon, de vice-kapelmeester.
Hertog Wilhelm Ernst moet uitermate tevreden geweest zijn met de jonge musicus. Carl Philipp Emanuel schreef daarover in de Necrologie: ‘Het plezier dat zijn spel bij de hertog wekte, vuurde bij hem het verlangen aan om in zijn behandeling van het orgel alle mogelijke kunstzinnigheden uit te proberen’. Zo was de toch ook strenge hertog een inspirator voor Bach. Gaat de aantekening hierboven over zijn orgelspel, de hertog zal ook zeer content zijn geweest over de cantates die Bach maandelijks uitvoerde. Een jaar na zijn promotie staat dan ook opgetekend in de hertogelijke notulen op 20 maart:

‘Medegedeeld is aan de kapelmeesters, Drese senior en junior, op bevel van Zijne Meest Doorluchtige Hoogheid de Regerend Hertog, dat bij de verdeling van de emolumenten en honoraria de concertmeester Bach voortaan de gage van een kapelmeester zal ontvangen’.

Bach betreedt de kamer van de hertog en maakt een beleefde buiging.
‘Sire, u had mij ontboden?’
‘Mijnheer Bach! Het is alweer een jaar geleden dat u een salarisverhoging hebt genoten. Ik blijf meer dan tevreden over uw prestaties. Het is duidelijk dat u de beste musicus van het hof bent. Daarom heb ik besloten uw salaris als ook de extra goederen die u wekelijks ontvangt gelijk te stellen met de hofkapelmeester en zijn zoon. Ik heb hen reeds op de hoogte gesteld.
À propos, u bent morgen toch jarig, dertig jaar als ik het wel heb? Het leek mij een mooi moment voor dit besluit. Ik zal morgen al een extra emmer bier op uw huisadres laten bezorgen. Een prettige verjaardag!’[4].

 

[1]De muziek is helaas verloren gegaan. Volgens de literatuur is de cantate uitgevoerd op 24 maart 2015 of 15 maart 2016. Hij heeft wel een BWV-nummer: 80a, omdat van verschillende delen de muziek later is hergebruikt voor BWV 80: Ein feste Burg ist unser Gott.

[2] Een schepel is ongeveer 10 liter.

[3] Een vadem hout was ongeveer 6 voet in het vierkant.

[4] Cursief is gedeeltelijk fictie.

Het stralende licht

‘Ik ga niet mee vannacht!’
David schreeuwt het nog een keer luid uit.

David is twaalf jaar. En volgens de gewoonte van de familie ga je dan voor het eerst ’s nachts mee om op de schaapskudde te passen. Zo is het altijd gegaan. Ook bij zijn vader en bij zijn grootvader.
David komt uit een familie van herders. En zijn vader heeft een grote kudde. De grootste van de omgeving. Daar is David altijd trots op geweest. En herder, ja dat zou hij ook gaan worden. Dat stond vast. Hij wilde niets liever. Maar de kudde weiden in de nacht… dat zou hij nooit doen.

‘Ik ga niet mee vannacht!’

Vader wist het wel. David is bang in het donker. Dat is hij altijd al geweest. Er moest altijd een lichtje branden bij zijn bed als hij ging slapen. Nog steeds! Anders durfde hij niet te gaan slapen. Hij had geen idee waar die angst vandaan kwam. Maar nu hij twaalf is geworden zal hij er toch aan moeten geloven. Bang of niet. Over de kudde moet ook ’s nachts gewaakt worden. Vooral ’s nachts! Als er veedieven rondsluipen of roofdieren! De laatste tijd waren het vooral wolven die het op de schapen gemunt hebben. Ze waren uit het naburige land hun omgeving in getrokken en bezorgden veel overlast. Maar een herder is toch nergens bang voor. Niet voor wolven en zeker niet voor het donker.

‘Je zal vannacht toch echt meemoeten David!’

Ja, waarom was David eigenlijk bang voor het donker? Eigenlijk wist hij dat zelf niet. ‘Omdat je niets ziet!’ was meestal zijn antwoord. Want verder was David eigenlijk niet bang uitgevallen. Hij was best sterk en slim en kon ook een goed potje vechten. Zelfs voor wolven was hij niet bang dacht hij. Maar in het donker voelde hij zich onveilig, angstig. Als hij ‘s nachts wakker werd en zijn olielampje was uitgegaan raakte hij in paniek en kon hij het wel uitgillen. En nu moest hij ’s nachts mee… Stel je voor dat het ging regenen, en het licht van de maan en de sterren achter de wolken verborgen bleef. En het kampvuur zou doven… pikdonker zou het dan zijn op het veld. Hij moest er niet aan denken.
‘Ik ga niet mee vannacht!’

Maar David wist het. Hij moet mee. Twaalf jaar was hij. Het kon niet anders. Hij moest herder worden. Zijn moeder had hem een extra grote olielamp meegegeven. Samen gingen ze op pad.

*

Koud was het. En pikdonker. Geen ster te zien. Gelukkig hadden ze een flink kampvuur gestookt. Dat was heerlijk warm, en het gaf ook een beetje licht…
Het leek erop dat het een rustige nacht zou worden maar op een gegeven moment was er onrust in de kudde. Vader wist het meteen: er zijn wolven in aantocht. Kom mee David. Die moeten weggejaagd worden…
David was al een beetje slaperig geworden maar direct was hij klaarwakker. Voor hij er erg in had liep hij achter zijn vader aan het veld in. ‘Je hoeft niet bang te zijn hoor David, de wolven zullen vluchten vanwege onze fakkels en ons geschreeuw’. Maar David had geen fakkel gepakt. Hij had zijn lampje meegenomen. En zou hij kunnen schreeuwen? Zijn hart bonkte in zijn keel.
‘Doorlopen’ zei vader, ‘anders komen we te laat en zijn we een lammetje kwijt’. David versnelde zijn pas. Maar toen gebeurde het ergste. Hij struikelde over een steen en zijn lampje viel stuk op de grond. ‘Au au, help, help!’ gilde David het uit, want hij was hard op zijn knie gevallen.
‘Dat was de perfecte schreeuw’ lachte vader. ‘Hoor, de wolven huilen, ze vluchten er van weg!’.

Terug in het kamp vertelde vader aan de andere herders hoe David de wolven had weggejaagd. Maar David was helemaal niet trots op zichzelf. Dit was een stom ongeluk of moet je zeggen stom geluk… en nu zat hij zonder lampje helemaal in het donker.
Of toch niet? Het leek of de lucht helderder werd. Er verscheen iets van licht aan de hemel. David verwachtte dat de maan te voorschijn zou komen, maar die was het niet. Het was een felle ster die plots stond te schijnen boven hun stadje Bethlehem.

David wilde zijn vader wijzen op de ster maar op datzelfde moment gebeurde er iets wat hij zijn hele leven niet meer zou vergeten. Uit die ster kwam plotseling een felle lichtflits recht op de herders af en in dat licht verscheen een blinkende gedaante die in hun midden kwam staan. Davids vader en ook de andere herders, ze vielen achterover van schrik. ‘Help’ gilden ze het uit. ‘Help!’
David schrok niet. Hij keek zijn ogen uit. Licht, het is licht! En wat een schitterend wezen stond er voor hem. Dit moet een engel zijn. David kon zijn ogen er niet van af houden. Het was zo wonderlijk, want niet die engel was lichtgevend, nee, die engel stond in het licht. Het mooiste licht wat hij ooit gezien heeft. De herders hielden hun handen nog voor hun ogen en trilden van angst, maar David was niet bang. Hij keek zijn ogen uit. Licht! En wat voor licht: een heerlijkheid.

80782395_3144238575592677_7331368264984952832_o
Even keek de engel hem aan en gaf hem een knipoogje. Toen zei de engel: ‘wees niet bang! wees niet bang, want ik kom jullie groot nieuws brengen waar iedereen blij mee zal zijn. Deze nacht is er een kindje geboren. En dat kindje zal een redder zijn. Voor jullie allemaal. Ga het kindje maar zoeken. Jullie zullen het vinden; in een voederbak, gewikkeld in doeken’.
De engel was nog niet uitgesproken of aan de hemel verscheen een gigantisch koor van engelen die zongen het hoogste lied:

Eer aan God in de hoogste hemelen
en vrede op aarde voor alle mensen die hij liefheeft

Zo plotseling als het engelenkoor was gekomen, zo plotseling waren ze weer verdwenen en ineens was het weer stil en donker op het veld. Aardedonker zelfs. De ogen van David moesten er weer aan wennen. Maar gek, hij vond het niet meer eng. Het warme licht had hem van binnen rust gegeven. De herders om hem heen en zelfs zijn vader nog leken nog na te beven van alles wat er was gebeurd. Ze waren helemaal van hun stuk. ‘Wat moeten we nu’, zeiden ze.
‘Wat moeten we nu?’, zei David, ‘we gaan naar Bethlehem. Met de hele kudde! We gaan het kindje de eer brengen!’.
Op dat moment was er opeens een prachtige lamp waar een schitterend zacht licht vanuit straalde. Waar kwam die nou ineens vandaan? Zo’n mooi exemplaar had hij nog nooit gezien. Was het wel een lamp? Het had niet eens vorm. En hij leek ook niet op olie te branden, hij brandde vanzelf. Op lichtenergie van de hemel bedacht David. Dat was nog eens energiezuinig. David nam het stralende licht in zijn handen en zei tegen de herders: ‘kom, laten we naar Bethlehem gaan. Ik ga voorop!’.

*

En zo kwamen ze even later in Bethlehem aan. Het licht in Davids handen wees met een lichtbundel de richting die ze op moesten. Aan de rand van de stad vonden ze zo een oude stal. Voorzichtig opende David de deur. Binnen scheen het zelfde zachte licht als van zijn lamp. En warempel, zijn lamp verdween uit zijn handen en het licht ervan ging op in het licht van de stal. In het midden lag een moeder op een geïmproviseerd bed en naast haar, in een voederbak lag een stralende baby. David knipperde met zijn ogen: het warme, zachte licht wat hij zojuist nog bij zich had gedragen kwam van dit kind.
David en de andere herders konden niet anders dan knielen voor dit lichtende kind.

80394250_3144238278926040_7405677328124084224_o

Hierna vertelde hij aan de jonge ouders wat ze hadden meegemaakt op het veld. De moeder hoorde het met open mond aan. Haar kind. Een lichtend voorbeeld… een reddende engel…

Toen was het tijd om te gaan. De herders trokken met hun schapen weer terug naar het veld. Het was nog steeds donker. De nacht was nog niet voorbij.

David had geen licht meer in zijn handen. Het licht brandde in zijn hart.
Hij was niet meer bang voor het donker. Nooit meer.

 

(Foto’s: kerstspel NoorderLichtkerk Zeist, 24 december 2019)

De herberg in de steigers

Kerstspel NoorderLichtgemeente 2018

(Inspiratie: de NoorderLichtkerk in Zeist stond in 2018 in de steigers wegens renovatie)

Scene 1 – 2018

Het is eind november. De NoorderLichtkerk in Zeist heeft een half jaar in de steigers gestaan. Een grondige renovatie heeft plaatsgevonden. De koster en de aannemer lopen een rondje om het gebouw. De aannemer legt uit: ‘zoals u ziet vordert het werk gestaag. De toren is al uit de steigers. We zijn nu met de linkerzijkant van de kerk bezig. Het glas in lood wordt gerepareerd, er komt nieuwe dubbele beglazing voor en we plaatsen zinken regenpijpen. Wat denkt u ervan, meneer de koster? Deze knikt tevreden: ‘het ziet er allemaal prachtig uit. Volgens mij lopen we precies op schema zodat over een paar weken met kerst de kerk er weer als nieuw uitziet’. ‘Daar mag u op rekenen’ antwoord de aannemer. ‘Maar wat is dit nou? Kinderen hebben hier een tent gebouwd met     allemaal rommel uit de container als ik het zo bekijk. Dat moet u toch niet toelaten? Dat staat toch niet hier, bij zo’n mooie opgeknapte kerk?’. ‘Ach, dat is van kinderen hier uit de buurt. Ik heb daar niet zoveel moeite mee. Ze spelen alsof het hun eigen kerkje is. Dat neem je toch niet van ze af?’. De aannemer kijkt bedenkelijk. ‘Nou, ik had de zaak allang terug in de container gemikt. Maar goed, het is uw kerk…’. De aannemer en de dominee gaan de kerk binnen. Op het zelfde moment komt er een meisje aangerend. ‘Yara, kijk eens wat ik in de container gevonden heb: een sterretje!’. Uit de tent steekt het hoofd van Myrthe. Yara en Myrthe zijn vriendinnen. De afgelopen weken hebben ze spelenderwijs van allemaal bouwafval uit de container een tent gemaakt. ‘Ze zijn zeker ook de kelder van de kerk aan het opruimen. Het sterretje is wel een beetje kapot maar dat geeft niets’. ‘O, wat mooi’ zegt Myrthe, ‘die hangen we op in onze tent’. ‘Ja, dat past heel goed want het is over een paar weken kerst’. ‘Net liep die meneer van de bouw hier rond. Hij wilde de tent hier weg hebben omdat het niet mooi stond bij de opgeknapte kerk. Gelukkig was de koster van kerk het er niet mee eens’. ‘Super! Trouwens, er liggen ook nog een paar ouwe kussens in de container. Je weet wel, die op         de kerkbanken lagen. Laten we er een paar gaan pakken, dan kunnen we nog beter in onze kerk zitten’. ‘We kunnen er wel een keer in slapen’. ‘Dat zal wel niet mogen. Het is in december ook veel te koud’. Myrthe en Yara rennen naar de container en slepen een paar kussen naar hun tent. Zo spelen ze nog een uurtje in hun zelfbedachte kerk waar ze het sterretje bij de ingang ervan hebben opgehangen. Dan begint het te schemeren en begeven de kinderen zich naar  huis.

Tegen middernacht loopt een man over het kerkplein. Hij zoekt een slaapplek. Zijn oog valt op de tent die staat achter de container met puin. Met een zaklampje inspecteert hij de binnenzijde van de tent. De lichtbundel verlicht het sterretje wat bovenin de tent hangt. Dan ziet hij ook de kussens op de grond liggen. ‘Dit is een goede slaapplek voor vannacht’ zegt de man in zichzelf en hij neemt zijn intrek in de tent.

Scene 2 – het jaar 0

‘Kinderen, het is al bijna donker. Het wordt tijd om naar binnen te gaan’. De herbergier loopt een rondje om zijn herberg die volledig in de steigers staat. Hij heeft zich erbij neergelegd dat hij vanwege de verbouwing geen gasten kan ontvangen. Anders had hij zeker vol gezeten vanwege al die reizigers die zich in Bethlehem moesten inschrijven vanwege de volkstelling. Toch een strop voor hem maar hij wist dit nou eenmaal ook niet van te voren.
‘Ah, papa, nog even. We hebben de tent net weer mooier gemaakt. U moet zo even komen kijken’. De zoons van de herbergier hebben van allerhande bouwafval een soort tent gemaakt. De kinderherberg noemen ze het. ‘Ik heb het daar veels te druk voor jongens. Er moeten nog een paar dingen af vandaag. Ik loop al achter op het schema van de verbouwing. Over een paar maanden is het paasfeest, en dan moet de herberg weer open zijn. Morgen moeten jullie die tent maar eens gaan opruimen. Er is al rommel genoeg’. ‘Nee toch papa?’zegt Jacob, ‘hij is zo mooi gemaakt! Met allemaal spullen die u zelf hebt weggegooid. We kunnen er zelfs in slapen want er ligt een oud matras uit de herberg in. Die had u ook weggedaan’. ‘Nou, daar gaan we mooi niet aan beginnen jongens. Bovendien staat die tent ook nog eens in de weg als we morgen met de steigers aan de slag gaan. We hebben als haast geen ruimte. En straks komt er nog een vreemdeling in die tent slapen. Dat moeten we echt niet hebben’.

Terwijl de kinderen nog even verder gaan met hun spel en de herbergier de klus waarmee hij bezig was afrond komen een meisje en een jongen aangelopen. Duidelijk is dat het meisje hoogzwanger is. De jongen spreekt de herbergier aan: ‘beste herbergier, heeft u voor ons nog een plekje om te overnachten?’. De herbergier kijkt verbaasd op. ‘Nee helaas beste man. We hebben op dit moment helemaal geen gasten. We zijn aan het verbouwen! Volgend jaar hebben we de mooiste herberg van de stad. Kom dan nog maar eens terug’. De jonge man laat zich echter niet zomaar wegsturen. ‘Maar mijn vrouw is hoogzwanger en het wordt al laat. Weet u, ik ben timmerman van beroep en als ik zo naar uw herberg kijk heb ik de indruk dat er nog wel het een en ander te doen is. Als u ons een paar dagen een slaapplek geeft, help ik u met alle timmerklussen. En als ik het zo zie kunnen er volgens mij ook wel wat steigers verstevigd worden’. De herbergier blijft echter bij zijn standpunt: ‘Dat is een mooi aanbod kerel, maar echt, er is nu geen plaats in de herberg. Ik heb niet eens bedden.  Probeer het een eind verderop nog maar’.
Het jonge stel gaat zichtbaar teleurgesteld verder. Als ze langs de tent komen kijkt de jongen nog even geïnteresseerd om. Op het zelfde moment komen de kinderen de tent weer uit. ‘Papa, mogen we de schaar lenen?’  zegt Jacob, en Matthias vult aan: ‘ja we willen een gat knippen uit het doek. Dan hebben we een raampje. ‘Waar is dat nou weer voor nodig. Het is zo goed als donker. En morgen gaat de tent toch al op de brandstapel’. ‘ Nee papa dat moet u niet doen! , heeft u die grote ster niet gezien die hier recht boven aan de hemel staat?’ ‘Als we een raampje hebben kunnen we de ster vanuit de tent zien en is het er binnen ook wat lichter’. De herbergier ziet ook dat de ster recht boven de herberg een bijzondere is. ‘Nou goed, voor deze keer dan. Ik zal een schaar gaan halen. Maar morgen gaan we opruimen en zo meteen: naar bed! De kinderen zijn enthousiast: ‘Ja papa. Dankjewel papa!’.
De herbergier geeft de kinderen een schaar en die knippen meteen een gat uit de oude stof. Ze kijken door het raampje naar de ster en gaan daarna de herberg binnen.

Het is donker geworden. Het jonge stel loopt weer langs de herberg. Nog steeds hebben ze geen slaapplek gevonden. Het meisje is doodop. Ze ziet de tent die naast de herberg staat. ‘Zouden we daar niet in kunnen slapen?’. De jongen bekijkt de tent aan de binnenkant en constateert dat er zelfs twee oude matrassen in liggen. ‘Ja, dit is een goede slaapplek voor vannacht’.

*

De volgende ochtend komen de kinderen weer naar de tent en tot hun grote schrik komt net de jongeman daar uit naar buiten. Hij stelt ze meteen gerust. ‘Kom eens binnen kijken?’. En dan ontdekken ze tot hun stomme verbazing dat er in de tent zich een moeder en een heel kleine baby bevindt…

De pauken in het Weihnachts-Oratorium

Over slagwerk in de barok

8 december 1733.
Het is Koninginnedag in Saksen!
Maria Josepha van Oostenrijk, keurvorstin van Saksen en koningin van Polen is jarig en Bach gaat ter gelegenheid daarvan met zijn Collegium Musicum in Café Zimmerman een feestelijke cantate uitvoeren. Ter ere van de vorstin. Hij zal groots uitpakken, want het vorstenhuis in Dresden mag best te horen krijgen dat die Bach uit Leipzig een capabele en trouwe musicus is. Een musicus die ze misschien eens naar Dresden moeten halen! Zo zal Bach gedacht hebben. Hij heeft een mooi uitgewerkte partituur op laten sturen naar het Saksische hof.
Naast de gebruikelijke strijkers, hoboïsten en continuo-spelers staan er in het orkest ook fluitisten en trompettisten opgesteld. En aan de zijkant van het orkest zit de paukenslager met zijn twee pauken voor zich in het gelid. Sinds de eerste kerstdag van twee jaar geleden is deze orgelleerling Bachs vaste paukenist. En hij heeft er zin in vanavond, zeker ook omdat hij een belangrijk aandeel in de compositie zal hebben, sterker nog, hij heeft zelfs een rol gespeeld in de totstandkoming daarvan! Hij hoopt dat het zal slagen!
Het koffiehuis is tot de nok toe gevuld.
De orkestleden staan op hun plek, de instrumenten zijn gestemd.
Bach, zittend achter zijn klavecimbel, staat op. Het publiek valt stil.
Hij zoekt oogcontact met de paukenist en geeft hem een knipoog.
Met zijn handen slaat Bach een driekwartsmaat en op de eerste tel van de volgende maat volgt de eerste slag van de paukenist op het vel van de kleine pauk.

Pom   –   pom  –   pom   –   pom   Pom!
Pomperdepompompompom Pom Pom!

*

Slagwerk

Op schilderijen met muzikanten uit de middeleeuwen en de renaissance valt een keur aan slagwerkinstrumenten te ontdekken: allerlei soorten trommels, bekkens, tamboerijnen, rommelpotten en kleppers. Op ‘De tuin der lusten’ van Jeroen Bosch (1450 – 1516) kun je als je goed zoekt op het rechterpaneel zelfs een triangel vinden. Te samen met oude instrumenten als draailier, vedel, doedelzak en schalmei werd er destijds lustig muziek gemaakt, gezongen en gedanst. De schilderingen betreffen veelal huistaferelen, dorpsfeesten, kermissen of kroegscènes. Met andere woorden: we zien de muziek van het gewone volk.
Vanaf 1600, het begin van de barok, werd klinkende muziek steeds meer gecultiveerd. Voor het eerst werd er gecomponeerd voor muzikale gezelschappen. Er kwamen opera’s, concerto grossi en suites. Ze werden uitgevoerd in de nieuwe concertzalen en operahuizen. De componisten haalden daarbij hun inspiratie en ideeën dikwijls uit de volksmuziek, en zeker geldt dat voor de ritmes. De Franse balletten en suites, de Italiaanse opera´s en conserto grossi uit de zeventiende eeuw: ze zitten vol met dansvormen afkomstig uit de regio.  Al heb je geen kennis van wat precies een bourrée, een gigue of een gavotte is, je voelt bij het horen van barokmuziek de aanstekelijke ritmes in je lijf. Heel vreemd is het dan eigenlijk dat in de barok één instrumentengroep is gaan schitteren door afwezigheid: het slagwerk. Hooguit twee pauken staan er opgesteld in een barokorkest. En dan nog meestal bij uitzondering. Alleen als er uitbundige feestmuziek wordt uitgevoerd, zoals de gelukwenscantate voor de vorstin, of soms  – juist tegengesteld – bij rouwmuziek, om de treurmars te accentueren. In de jazz- en popmuziek wordt het karakter van de muziek voor een belangrijk deel bepaald door het geluid van het slagwerk. Het geeft het tempo en het ritme aan. In de barok heeft het basso-continuo deze rol op zich genomen; bijvoorbeeld de combinatie  klavecimbel en contrabas. Zeker het klavecimbel heeft door zijn korte schelle klanken een duidelijke ritmische functie. Zo heb ik een klavecinist wel eens horen zeggen ´ik ben de drummer van het barokorkest´.
Praetorius (1571 – 1621) toonzette in zijn Terpsichore Musarum een paar honderd dansen uit de renaissance. Divers slagwerk is hier nog prominent op aanwezig. Een voortdurende slagwerkbegeleiding bij een muziekstuk (zoals bij de Bolero  van Ravel) zal echter vanaf 1600 langzamerhand uit de klassieke muziek verdwijnen. In de barokmuziek kom je het nog een enkele keer tegen bijvoorbeeld bij dansen uit een balletten of suites van Lully en zijn (ook wel Duitse) navolgers. Als Telemann naar het voorbeeld van de Franse componisten later tientallen suites schrijft is het slagwerk hier echter nagenoeg uit verdwenen. Zijn er bij een uitvoering al pauken aanwezig, dan zorgen deze vooral om op bepaalde momenten het ritme te beklemtonen. Ze bepalen het echter niet. In deze periode van de late barok waar ook Bach en Handel onder vallen blijft de rol van het slagwerk  dus beperkt tot het geven van accenten, al zijn de pauken in Handels Music of the Royal fireworks wel prominent aanwezig.
Waarom miste het slagwerk grotendeels de slag bij het begin van de barok, terwijl deze instrumentengroep tijdens de middeleeuwen en renaissance  haast niet was weg te slaan? Misschien dat twee schilderijen van de Haarlemse schilder Jan Miense Molenaer (1610 – 1668) dat duidelijk maken.[1]

Barokcomponisten waren of in dienst van een kerk of in dienst van een hof alwaar hun muziek door het hoforkest werd uitgevoerd. Zoals genoemd raakte muziek vanaf de barok steeds meer gecultiveerd. Was voorheen het spel van de musici aan het hof vooral bedoeld om de zangers of de dans te begeleiden, in toenemende mate mocht muziek klinken om de muziek zelf, en werd er instrumentale muziek gecomponeerd gewoon om te spelen of naar te kunnen luisteren. Deze nieuwe muziek, toch vooral voor de aristocratie bedoeld, mocht natuurlijk niet als volksmuziek klinken. Doedelzakken en draailieren kwamen het hof, de huizen van de gegoede burgerij en later de concertzalen dan ook niet of nauwelijks binnen. En zeg nou zelf, zie je de keurige dame met de cister[2] op een rommelpot (of foekepot) spelen zoals de jongen met de rode hoed? Daarbij was het zo dat de instrumenten zich in de barokperiode razendsnel ontwikkelden wat betreft kwaliteit van geluid en technische speelmogelijkheden. De viool kwam in plaats van de vedel, de hobo in plaats van de schalmei. Bij dit nieuwe, verfijndere en meer zuivere geluid was er geen plaats meer voor tamboerijnen en rommelpotten. Bovendien zou al dit slagwerk het kleine ensemble met strijkers, luit en klavecimbel overstemmen.
Bleef het slagwerk verslagen achter op het platteland, de barokcomponisten namen de stijlen en ritmes van de volksmuziek wel mee, maar gingen die gestileerd (en zeg maar gerust deftiger) toonzetten.  De dansen behielden daarbij hun eigen naam afkomstig uit elke streek. We kennen ze uit de suites van onder andere Couperin, Telemann (zij schreven er tientallen) en Bach. Sterker nog, verschillende dansvormen kregen zelfs de naam van het muziekinstrument die het karakter van de dans bepaalde zoals de loure en de musette wat doedelzakken waren, of de  tambourin, een snelle barokdans die naar het gelijknamige begeleidingsinstrument is genoemd.

De slag gemist, maar toch niet verslagen. Ritmes en dansvormen klinken prominent in de barokmuziek al zijn de oorspronkelijk ‘veroorzakers’ er van niet of nauwelijks meer hoorbaar. Enkele uitzonderingen daargelaten heeft het slagwerk in de ontwikkeling van de klassieke muziek steeds de functie van accentuering en het vergroten van effecten behouden. Wel is in de loop der tijd het instrumentarium weer steeds verder uitgebreid. Het aantal pauken waar de paukenist in een modern orkest over beschikt kan oplopen tot vijf en die hebben zelfs pedalen waarmee de toonhoogte per pauk nog weer aangepast kan worden. In de grote symfonieën die in de negentiende- en twintigste  eeuw geschreven zijn  horen we naast de pauken dan ook weer triangels, bekkens, houtblokken, xylofoons, de grote gong  en allerlei  trommels zoals de grote trom of de snaardrum. Alleen de rommelpot is niet meer teruggekeerd. Gelukkig is zijn naam nog lang in ere gehouden door het oude liedje wat in het oosten van het land wel door kinderen gezongen werd als ze op de laatste dag van carnaval langs de deuren liepen om snoep op te halen met een eigengemaakte foekepot[3]. Maar ook deze traditie zal langzaamaan verleden tijd zijn:

Foekepotterij, foekepotterij
Geef me een cent en ik ga voorbij

‘k Heb geen geld om brood te kopen
Daarom moet ik met de foekepot lopen

Foekepotterij, foekepotterij
Geef me een cent en ik ga voorbij

Tönet, ihr Pauken

In het oeuvre van Bach (van wat ons althans is overgeleverd) komen we slagwerk ook maar mondjesmaat tegen. In twee van de vier ouvertures spelen pauken een rol[4]. Maar in al de concerten van Bach: geen slagwerk. Verder horen we de pauken in verschillende wereldlijke- en geestelijke cantates. Het gaat dan altijd om cantates voor christelijke feestdagen zoals Kerst, Pasen en Pinksteren en voor wat betreft de wereldlijke cantates de cantates geschreven ter gelegenheid van feestelijkheden van hooggeplaatste personen.  In de Hohe Messe ten slotte begeleiden de pauken de momenten dat God de lof toe wordt gezongen bijvoorbeeld in het ‘Gloria’ en het ‘Osanna’.

De pauk[5] was ten tijde van de barok nog een eenvoudig slaginstrument. Een andere naam die vroeger werd gebruikt, keteldrum, maakt duidelijk wat een pauk feitelijk is: een koperen ketel met daarover heen een strak  gespannen vel. In de barokperiode was dat vaak de bewerkte huid van een kalf. Met een schroefsysteem kan de spanning van het vel geregeld worden en de gewenste toonhoogte worden verkregen. De pauken worden bespeeld met de mallet, een doorgaans met garen omwikkelde trommelstok. Zoals al genoemd bevinden zich in een  barokorkest maximaal twee pauken die gestemd worden naar de toonsoort van het uit te voeren werk: de kleine pauk in de toon van de toonsoort zelf en de grote pauk vier tonen lager (een kwartsprong). Tonend voorbeeld zijn wat dit betreft  de openingsmaten van het Weihnachts-Oratorium. Pom-pom-pom-pom Pom…  (D-D-D-D A).

    Pauken uit de barokperiode

De opening met de paukenslagen van de eerste cantate Jauchzet, frohlocket, auf, preiset die Tage (BWV 244-1) mag gerust uniek genoemd worden in de barokmuziek. Ik ben tot nu toe geen andere composities tegengekomen die met paukenslagen openen. In 1868 opende Edvard Grieg zijn beroemde Pianoconcert in a klein met een roffel op de pauken, maar dan zitten we al ver in de romantiek. Laten we het er op houden dat het voor de barokperiode een uitzonderlijk begin is, welke overigens zeer passend is bij het onderwerp van het openingskoor waarin wordt opgeroepen om met gejuich en vrolijkheid de Allerhoogste te eren. Daar horen natuurlijk  trompetten bij. En pauken!
Het zal voor de meeste lezers geen nieuws zijn dat Bach voor de muziek van zijn Weihnachts-Oratorium heeft geput uit enkele eerder gecomponeerde wereldlijke cantates. Zo voerde Bach een jaar voor het gereedkomen van zijn kerstoratorium op 8 december 1733 de cantate Tönet, ihr Pauken, erschallet Trompetten! (BWV 210) uit in Café Zimmerman.  Deze ‘dramma per musica’[6] schreef Bach ter gelegenheid van de verjaardag van Maria Josepha van Oostenrijk, echtgenote van August III, de keurvorst van Saksen en koningin van Polen. Naar het voorbeeld van veel opera´s uit die tijd komen figuren uit de Griekse mythologie tot leven. Van een verhaallijn is echter geen sprake. Vier ‘godinnen’ (de vier solisten) zingen na het gezamenlijke openingskoor, elk vanuit hun eigen referentiekader de koningin de lof toe: Bellona als godin van de oorlog, Pallas als godin van de Muzen en wetenschap, Irene als godin van de vrede en Fama als godin van de roem. Gevieren eindigen ze dan weer met een ‘Lang zal ze leven’: Königin, lebe, ja lebe nog lang.
Dat Bach juist in deze periode een aantal van dit soort gelukwenscantates schreef voor de keurvorstelijke familie zal ermee te maken hebben gehad dat hij onder de aandacht wilde komen als mogelijk hofkapelmeester aan het hof in Dresden. De muziek van Tönet, ihr Pauken! is dezelfde als die van Jauchzet, frohlocket. Dit zogeheten parodiëren was in deze periode een algemeen geaccepteerde werkwijze. Het bood de componist de mogelijkheid om een werk, wat in feite voor een eenmalige gelegenheid was gecomponeerd, toch vaker uit te voeren. Dit was ook wel zo efficiënt. Deze gang van zaken heeft tot een theorie geleid dat Bach bij het componeren van een dergelijke gelukwenscantate al bewust rekening hield met de uiteindelijke functie die de muziek zou krijgen. Met andere woorden, toen Bach Tönet, ihr Pauken! componeerde, had hij Jauchzet, frohlocket al in zijn hoofd.  Of dit echt zo is geweest zullen we nooit zeker weten, hoewel Kees van Houten in zijn Bachboeken met zowel sterke musicologische als tekstuele argumenten komt dat Bach op deze manier te werk ging. Wat betreft het openingskoor van het Weihnachts-Oratorium doet hij er nog een schepje boven op door te beweren dat Bach zelfs de eerste zinnen van het openingskoor dezelfde  heeft willen laten zijn als de verjaardagscantate voor de keurvorstin. In een facsilisme heeft Bach namelijk de woorden ‘Tönet, ihr Pauken’ (en wat er verder volgt) doorgestreept en vervangen door ‘Jauchzet, frohlocket, auf, preiset die Tage’.  Het zou de kerkenraad geweest zijn die niet akkoord was gegaan met deze te profaan aandoende tekst die Bach dus oorspronkelijk had bedoeld als opening van het Weihnachts-Oratorium[7]. Hieronder de eerste regels van het Weihnachts-Oratorium (volgens van Houten) en die van de Dramma per Musica:

Tönet, ihr Pauken! Erschallet, Trompeten!
Rühmet was heute der Höchste getan.
Lasset das Sagen, verbannet die Klage
Stimmet voll Jauchzen und Fröhlichkeit an!

Tönet, ihr Pauken! Erschallet, Trompeten!
Klingende Saiten, erfüllet die Luft!
Singet itzt Lieder, ihr muntren Poeten!
Königin lebe! Wird frölich geruft

Een muzikale schildering van een tekst kan niet concreter: pauken laten klinken als je over pauken zingt, trompetten laten schallen als dat letterlijk zo gezongen wordt. De uitroeptekens zijn niet van de lucht! De gelukwenscantate gaat nog verder met het tonen van de instrumenten: laat de snaren klinken en zing de liederen van de dichters. Verderop in de gelukwenscantate, komen we nog meer muziekinstrumenten tegen. In de sopraanaria van Bellona begeleiden fluiten virtuoos  ‘Blasst die wohlgegriffnen Flöten’. Opmerkelijk is overigens dat deze aria niet als parodie terugkomt in bijvoorbeeld het Weihnachts-Oratorium. De beperkte aanwezigheid van het slagwerk in het barokorkest maakt wel dat Bach het eerste recitatief niet ‘waarheidsgetrouw’ kan laten klinken. ‘Mein knallendes Metall, Der frohe Schall…’: bij het lezen van deze tekst zie en hoor je de twee bekkens tegen elkaar knallen. Daar gaat de tekst ook over. Maar in het orkest schitteren de bekkens door afwezigheid. Die waren helaas afgeschaft. Een luid en groot akkoord op het klavecimbel brengen bij sommige uitvoeringen de bekkens in herinnering, maar dat haalt het natuurlijk niet qua effect als er werkelijk bekkens gebruikt zouden worden.

Alle theorieën en discussies over parodieën en tekstwijzigingen ten spijt, zelf vind ik een andere vraagstelling over deze cantate interessanter: wie is op het idee gekomen om de verjaardagscantate met paukenslagen te beginnen. In Bachs oeuvre is een dergelijke opening sowieso uniek.
Een voor de hand liggende verklaring is natuurlijk dat Bach na het ontvangen van de tekst van de tekstdichter niet lang hoefde na te denken hoe hij de cantate zou kunnen openen. De eerste drie woorden zeggen het immers al. Toch is hier niet alles mee gezegd. Hoe is deze tekst tot stand gekomen? Heeft Bach wellicht zelf hier invloed op gehad? Had hij al het muzikale idee in zijn hoofd en heeft hij de tekstschrijver er over ingelicht. Wat was er dus eerst: de tekst of de muziek, of zijn ze misschien tegelijkertijd tot stand gekomen? We weten dat Bach dikwijls intensief samenwerkte met zijn tekstschrijvers en zeker was dat met de Leipziger postbeambte Christian Friedrich Henrici (alias Picander). Hij verzorgde de teksten van veel cantates alsook van de Matthäus-Passion. Van het Weihnachts-Oratorium is zijn auteurschap echter onzeker en ook van de gelukwenscantate is de tekstschrijver onbekend. Laten we er gemakshalve vanuit gaan dat Henrici de auteur is geweest van de cantatetekst. Ik kan me bijna niet voorstellen dat hij – uit het niets – verzint de cantatetekst te openen met: ‘Tönet, ihr Pauken’. Of Bach moet de muziek al klaar hebben gehad, wat hem, na het horen ervan, ertoe heeft gebracht deze tekst erbij te schrijven, of Bach heeft het zelf al bij hem aangedragen, want de muziek stond voor hem al vast. Maar dan nog blijven wij in het ongewisse hoe Bach zélf op het originele idee is gekomen de cantate met paukenslagen te openen.
Zou het kunnen zijn dat daar misschien de jonge paukenslager een rol in heeft gespeeld?

*

Twee jaar terug. 24 december 1731.
Bach bevindt zich met zijn orkest en koorzangers op de galerij van de Thomaskirche voor de generale repetitie van de uitvoering van de cantate
Unser mund sei voll lachens (BWV 110) die op de eerste kerstdag uitgevoerd zal worden. Voor Bach is het een bekend werk, hij heeft het al eerder uitgevoerd in 1725. Voor de meeste orkestleden is het werk echter nieuw en je voelt de spanning op het balkon: gaat het allemaal lukken, heeft ieder zijn partij goed onder de knie? Bach heeft voor deze feestcantate de maximale bezetting van het orkest benut: dus naast de strijkers, hoboïsten en het continuo doen ook fluitspelers, trompettisten en zelfs een paukenslager mee! Verder heeft hij voor de koorpartijen, naast de solisten, nog ripienisten toegevoegd om de zang in de koordelen te ondersteunen.
Ook voor Bach is het dus weer een spannende onderneming. Het is al lang geleden dat hij met een voltallig orkest een cantate uitvoert. Gaat het allemaal goed samenklinken? Het openingskoor is zeker niet makkelijk met de Franse ouverture er in verwerkt. Bach is wat onzeker over de paukenist. Zal hij niet te hard op zijn pauken slaan, en houdt hij ze wel goed gestemd? Hij heeft een leerling  van de Thomasschool die hij orgelles geeft gevraagd om het slagwerk voor zijn rekening te nemen. Normaal speelt een vast orkestlid waarvoor geen partij is geschreven op de pauken, maar voor deze uitvoering hadden al zijn instrumentalisten een rol. Trots zit de jonge student achter de twee pauken terwijl alle andere orkestleden hun instrumenten stemmen. Wat een chaotisch kabaal is dat!
Als het geroezemoes langzaam in volume vermindert gaat Bach voor het orkest staan en geeft hij de laatste instructies. Net voordat hij met de ouverture van de cantate wil beginnen bedenkt hij of de twee pauken wel goed zijn gestemd.
Hij richt zich op de paukenslager en zegt luid: ‘Tönet ihr Pauken!’.
De paukenslager kijkt op en slaat vier keer op de kleine pauk en dan eenmaal op de grote: pom-pom-pom-pom Pom… Hij doet maar wat in hem opkomt.
‘Dat klinkt goed’ zegt Bach, en in zijn hoofd galmen de vijf slagen nog na op de lettergrepen van zijn uitgesproken woorden: ‘Tönet ihr Pauken’.
‘Daar kan ik nog wel eens iets mee doen’ denkt hij in een flits, ´misschien voor een volgende kerstcantate´.

[1] ‘Jonge muzikanten en een dwerg’ en ‘Muziekmakende familie’.

[2] Kleine luit.

[3] Een conservenblikje met daarover een ballon getrokken (oorspronkelijk een varkensblaas) met in het midden een  stokje daardoorheen.

[4] Ouverture in D groot (BWV 1060) en Ouverture in g klein (BWV 1070).

[5] Of ‘timpani’, de Italiaanse naam.

[6] Oude naam voor de opera. In de barok waren dikwijls mythologische figuren het onderwerp van de opera. Dat komt in deze Dramma per Musica terug.

[7] Kees van Houten, Tönet, ihr Pauken! Erschallet, Trompeten! Het openingskoor van het Weihnachts-Oratorium van Johann Sebastian Bach (Boxtel, 2010).