De lichtende steen

De herders

‘Halleluja! Hij is geboren: de Redder, de Messias, de Heer[1]!
Hier in Bethlehem, in de stal achter de herberg! Laten we blij zijn!’


Het is nog vroeg in de ochtend in Bethlehem. Een paar herders lopen vrolijk door de straten en spreken iedereen aan die ze tegenkomen.

‘Mevrouw! Heeft u het gehoord? Hij is geboren, de Redder! We gaan niet verloren, er is hoop! We hoeven niet in het donker te blijven wandelen. Er gaat licht schijnen in de duisternis!’
De vrouw, die net een sieradenwinkeltje wil binnengaan kijkt verbaasd op. Wat doen die herders zo vroeg  in de stad denkt ze, en waar hebben ze het in hemelsnaam over? Wat een paniekzaaiers. ‘Ach beste herders, trek je daar toch niets van aan. Zo donker is het toch niet? Een redder hebben we helemaal niet nodig. We kunnen onszelf prima redden, en als het even tegenzit: maak je niet druk, het komt vanzelf wel weer goed. Diegenen die het niet redden hebben het waarschijnlijk aan zichzelf te danken. Licht in de duisternis? Nee hoor, het is gewoon: na regen komt zonneschijn’.

De herders lopen verder. Niet minder enthousiast na de nonchalante, onverschillige reactie van de vrouw.
‘Halleluja! Hij is geboren: de Redder, de Messias, de Heer! Hier in Bethlehem, in de stal achter de herberg! Laten we blij zijn!’

Even verderop komen ze een man tegen. Een herder herkent hem, hij is de rabbi. ‘Rabbi! Heeft u het goede nieuws gehoord? Hij is geboren, de Messias! Hij is de koning, de hemelse koning! Hij is de lichtende ster. Kijk! Daar schijnt hij al, boven Bethlehem waar hij geboren is in een stal’.

Verbaasd blijft de rabbi staan. Zijn reactie is vol van ontkenning. ‘Daar geloof je toch niet in? Een nieuwe ster aan het firmament? Er hebben er al zoveel verkondigd dat ze de verwachtte Messias zijn. Dit is weer een typisch staaltje van nepnieuws, waarschijnlijk ingebracht door de Romeinen, die tweespalt willen zaaien onder ons Joden. Het zal wel een complot zijn! Het is niet waar! En echt, de Messias die ooit zal komen zal heus niet geboren worden in een stal’.

De rabbi loopt door en de herders kijken elkaar vertwijfeld aan. Hoe kan het nou toch dat hun blijde boodschap niet wordt gehoord? Zelfs niet door de rabbi. Iets minder enthousiast vervolgen ze hun weg terug naar het veld.
‘Halleluja! Hij is geboren: de Redder, de Messias, de Heer! Hier in Bethlehem, in de stal achter de herberg! Laten we blij zijn!’

Bijna buiten de stad lopen ze tegen een Romeinse soldaat aan die hen sommeert stil te staan. ‘In naam van de Keizer, wat roepen jullie daar?’.

‘Soldaat! Heeft u het niet gehoord? Hij is geboren, de Heer! Hij zal ons leiden als een herder. Hij zal ons de goede richting wijzen en een lichtend voorbeeld voor ons zijn’.De Romeinse soldaat reageert resoluut: ‘Wat zeg je daar? Een nieuwe leider? Eén is onze leider en dat is onze keizer die zetelt in Rome. Hij is de geheiligde, de verhevene. Hij straalt als de zon over het gehele Romeinse rijk. Niemand kan zich meten met Keizer Augustus. En zij die denken het tegen hem op te moeten nemen zullen het met de dood bekopen. Ga dat maar zeggen tegen dat zogenaamde heertje in de stal. En dat geschreeuw van jullie wil ik niet meer horen’.

Stom geslagen vervolgen de herders hun weg richting de stadspoort. ‘Horen jullie dat allemaal?’ zegt een herder, ‘ik was zo blij en vrolijk! Maar niemand lijkt het grote nieuws van de geboorte van de Redder, de Messias de Heer serieus te nemen. Verbaasd zijn ze wel maar de één is onverschillig, de ander ontkent het en een derde wijst het af. Ik word hier toch wel een beetje verdrietig van’.

De herders lopen door en komen bij de stadspoort een meisje tegen. Eén van de herders wil de boodschap nog een keer verkondigen maar komt bijna direct tot het besef dat hij een roepende in de woestijn is:  ‘Halleluja! Hij is geboren…   ach, laat ook maar’.
Ze verlaten de stad door de poort richting het veld waar hun schapen hopelijk nog grazen.

Magdalena

Magdalena is vroeg van huis gegaan. Met haar moeder en broertje woont ze in een klein huisje vlakbij de stadspoort. Haar vader is een paar jaar geleden overleden. Haar moeder is kleermaakster maar verdiend weinig geld. Het lukt vaak niet om rond te komen. Nu is de olie op en kan de enige lamp die ze hebben niet branden. Magdalena heeft bedacht om een mooie steen, die ze ooit van haar grootvader heeft gekregen, te verkopen. Dan zou ze daarmee weer een kruik olie kunnen kopen. Het is een bijzondere steen. Grootvader heeft gezegd dat hij licht kan geven. Was dat maar zo, dacht Magdalena, dan hadden we helemaal geen olie nodig gehad. Toch klopte er wel iets van wat grootvader had gezegd. Overdag lijkt het een gewone steen maar bij maanlicht twinkelen er allemaal mini-kristalletjes en dan is hij echt bijzonder. Toch jammer dat ze de steen moet verkopen. Maar echt licht is toch belangrijker.

Magdalena ziet de herders door de poort de stad uitlopen. Vreemd, denkt ze, die zie je normaal nooit zo vroeg op de dag. Ze hoort wat een herder roept: ‘hij is geboren!’ Magdalena roept hem na: ‘Herder, wie is er geboren?’. Maar de herder hoort haar niet. Ze zijn de stadspoort al door.
Magdalena loopt de stad in en gaat naar een sieradenwinkeltje. Ze laat de steen zien aan de vrouw die achter de toonbank staat. ‘Mevrouw, ik heb een mooie lichtgevende steen. Wilt u die van me kopen?’. ‘Ach meisje’ zegt de vrouw, ‘dat is toch helemaal geen mooie steen? En hij geeft helemaal geen licht. En al zou hij dat doen, wat heb je eraan?  Ik heb hier veel mooiere edelstenen en blinkende sieraden. Het is me wat vandaag. Lichtgevende baby’s en nu weer lichtgevende stenen. Het moet toch niet gekker worden, anders wordt ik nog licht in mijn hoofd’.

Magdalena loopt het winkeltje uit. Ze denkt na over wat de vrouw tegen haar zei. Geen mooie steen… het is toch een prachtige steen. En wat zei ze nou over een baby die licht geeft.  De herder had het ook al over een geboorte. Zou er toch iets bijzonders aan de hand zijn?


Toen Magdalena dat dacht lichtte haar steen heel eventjes op.


Zag ik dat nou goed? Mijn steen gaf even een helder licht. Verbeeldde ik me dat nou of zou het iets te maken kunnen hebben met de geboorte van dat kind?

Toen zag Magdalena de rabbi van de synagoge aankomen wandelen. ‘Rabbi, ik heb een mooie lichtgevende steen. Hij gaf net nog echt licht. Wilt u die van me kopen? Het geld hebben we nodig voor olie om thuis onze lamp te laten branden. En de olie is zo duur geworden de laatste tijd’. De rabbi keek Magdalena verbaasd aan. ‘Ach meisje. Een steen kan geen licht geven. Laat je toch niets wijs maken. Allemaal nep. Net als die nieuw geboren Messias waarvan ik zo even hoorde, een nieuwe ster… dan is jouw steen zeker een rockstar ha ha ha! Maar even serieus, jammer dat jullie thuis in het donker zitten. Hier heb je wat geld om olie te kopen, want een steen gaat je daarbij echt niet helpen’.
Magdalena bedankte de rabbi voor het geld. Gelukkig, ik heb wat geld gekregen voor olie. Dat is voor een paar dagen wel weer genoeg. Maar hoorde ik nou goed wat de rabbi zei? Hij had het ook al over de geboorte van een kind. Een nieuwe ster. Een Messias. Wat dat is zou ik niet weten, maar het is vast heel bijzonder.


En precies op dat moment lichtte haar steen weer op. En nu een paar keer!

Kijk! Mijn steen geeft weer licht. Ik zag het echt. Hoe kan dat nou? Dit kan toch geen toeval zijn. Het moet te maken hebben met de geboorte van die Messias. Daar komt een Romeinse soldaat aan. Misschien weet hij er meer van. ‘Soldaat, mag ik u wat vragen? Klopt het dat er een bijzonder kind is geboren? Een Messias, iemand die licht zal brengen?’. De soldaat hield halt en luisterde bedachtzaam naar Magdalena. ‘Daar heb ik geen officiële berichten over gehoord, meisje.  Maar er was zo juist wel een herder die iets dergelijks vertelde. Over een heer, een nieuwe leider, die geboren zou zijn in een stal. Een raar verhaal. Maar ook gevaarlijk denk ik. Er kan opstand van komen.  Ik zal het doorgeven aan mijn centurion. Wij dulden geen nieuwe leider, de keizer is onze heer. Pas maar op met dit soort verhalen, meisje’. En de soldaat vervolgde zijn weg.

Magdalena’s hart bonsde van spanning. Het is dus echt waar. Er is een bijzonder kind geboren. Iedereen heeft het erover. Allemaal zijn ze  verbaasd maar ze trekken zich er vervolgens niets van aan. Ze geloven het gewoon niet! Ik moet er meer van weten. De soldaat had het over een stal. Dat moet dan de stal achter de herberg zijn.

Bij die gedachte begon de steen plots weer op te lichten. Hij knipperde zachtjes en ging niet meer uit.  

Magdalena keek er vol verwachting naar. Ik ben er vlakbij! Toen ze opkeek zag ze even verderop de herberg met daar achter de stal. Hoog daarboven scheen een grote blinkende ster. Toen begreep ze het: die ster steekt mijn steen aan. Ze wist het zeker. Ik ga naar de stal. Ik ga mijn steen aan het kindje geven.
Voorzichtig deed ze de staldeur open en ging naar binnen.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is tekeningklasina2.jpg
Tekening van Klasina van Schothorst

Het licht

Nog helemaal vol van alle indrukken van wat ze had meegemaakt was Magdalena later die morgen weer thuis gekomen. Ze kon niet ophouden haar moeder te vertellen wat ze allemaal had gezien en beleefd.
‘Het was zo mooi. Een kindje, in doeken gewonden, lag lief te slapen in een voederbak.
En wat zo bijzonder was, toen ik het kindje zag begon mijn steen fel te schijnen. Het verlichte de hele stal en ging niet meer uit.
Ik vertelde de ouders hoe ik de stal had gevonden. Zo grappig vonden ze dat: ik vond hem via drie mensen die er juist niks mee te maken wilde hebben!
Ik wilde de lichtende steen aan het kindje geven. Maar van de ouders mocht ik de steen houden.
Dan zouden we thuis altijd licht hebben.
‘Wie gering is geeft hij aanzien’[2] zei de moeder, toen ze haar kindje liefdevol uit de voederbak optilde en in haar armen nam. Apart hè?

Kijk, de steen brandt nog steeds. Is hij niet schitterend?


[1] Lukas 2:11: vandaag is in de stad van David voor jullie een redder geboren. Hij is de Messias, de Heer.

[2] Lukas 1:52: heersers stoot hij van hun troon en wie gering is geeft hij aanzien. (Lofzang van Maria).

De herberg in de steigers

Kerstspel NoorderLichtgemeente 2018

(Inspiratie: de NoorderLichtkerk in Zeist stond in 2018 in de steigers wegens renovatie)

Scene 1 – 2018

Het is eind november. De NoorderLichtkerk in Zeist heeft een half jaar in de steigers gestaan. Een grondige renovatie heeft plaatsgevonden. De koster en de aannemer lopen een rondje om het gebouw. De aannemer legt uit: ‘zoals u ziet vordert het werk gestaag. De toren is al uit de steigers. We zijn nu met de linkerzijkant van de kerk bezig. Het glas in lood wordt gerepareerd, er komt nieuwe dubbele beglazing voor en we plaatsen zinken regenpijpen. Wat denkt u ervan, meneer de koster? Deze knikt tevreden: ‘het ziet er allemaal prachtig uit. Volgens mij lopen we precies op schema zodat over een paar weken met kerst de kerk er weer als nieuw uitziet’. ‘Daar mag u op rekenen’ antwoord de aannemer. ‘Maar wat is dit nou? Kinderen hebben hier een tent gebouwd met     allemaal rommel uit de container als ik het zo bekijk. Dat moet u toch niet toelaten? Dat staat toch niet hier, bij zo’n mooie opgeknapte kerk?’. ‘Ach, dat is van kinderen hier uit de buurt. Ik heb daar niet zoveel moeite mee. Ze spelen alsof het hun eigen kerkje is. Dat neem je toch niet van ze af?’. De aannemer kijkt bedenkelijk. ‘Nou, ik had de zaak allang terug in de container gemikt. Maar goed, het is uw kerk…’. De aannemer en de dominee gaan de kerk binnen. Op het zelfde moment komt er een meisje aangerend. ‘Yara, kijk eens wat ik in de container gevonden heb: een sterretje!’. Uit de tent steekt het hoofd van Myrthe. Yara en Myrthe zijn vriendinnen. De afgelopen weken hebben ze spelenderwijs van allemaal bouwafval uit de container een tent gemaakt. ‘Ze zijn zeker ook de kelder van de kerk aan het opruimen. Het sterretje is wel een beetje kapot maar dat geeft niets’. ‘O, wat mooi’ zegt Myrthe, ‘die hangen we op in onze tent’. ‘Ja, dat past heel goed want het is over een paar weken kerst’. ‘Net liep die meneer van de bouw hier rond. Hij wilde de tent hier weg hebben omdat het niet mooi stond bij de opgeknapte kerk. Gelukkig was de koster van kerk het er niet mee eens’. ‘Super! Trouwens, er liggen ook nog een paar ouwe kussens in de container. Je weet wel, die op         de kerkbanken lagen. Laten we er een paar gaan pakken, dan kunnen we nog beter in onze kerk zitten’. ‘We kunnen er wel een keer in slapen’. ‘Dat zal wel niet mogen. Het is in december ook veel te koud’. Myrthe en Yara rennen naar de container en slepen een paar kussen naar hun tent. Zo spelen ze nog een uurtje in hun zelfbedachte kerk waar ze het sterretje bij de ingang ervan hebben opgehangen. Dan begint het te schemeren en begeven de kinderen zich naar  huis.

Tegen middernacht loopt een man over het kerkplein. Hij zoekt een slaapplek. Zijn oog valt op de tent die staat achter de container met puin. Met een zaklampje inspecteert hij de binnenzijde van de tent. De lichtbundel verlicht het sterretje wat bovenin de tent hangt. Dan ziet hij ook de kussens op de grond liggen. ‘Dit is een goede slaapplek voor vannacht’ zegt de man in zichzelf en hij neemt zijn intrek in de tent.

Scene 2 – het jaar 0

‘Kinderen, het is al bijna donker. Het wordt tijd om naar binnen te gaan’. De herbergier loopt een rondje om zijn herberg die volledig in de steigers staat. Hij heeft zich erbij neergelegd dat hij vanwege de verbouwing geen gasten kan ontvangen. Anders had hij zeker vol gezeten vanwege al die reizigers die zich in Bethlehem moesten inschrijven vanwege de volkstelling. Toch een strop voor hem maar hij wist dit nou eenmaal ook niet van te voren.
‘Ah, papa, nog even. We hebben de tent net weer mooier gemaakt. U moet zo even komen kijken’. De zoons van de herbergier hebben van allerhande bouwafval een soort tent gemaakt. De kinderherberg noemen ze het. ‘Ik heb het daar veels te druk voor jongens. Er moeten nog een paar dingen af vandaag. Ik loop al achter op het schema van de verbouwing. Over een paar maanden is het paasfeest, en dan moet de herberg weer open zijn. Morgen moeten jullie die tent maar eens gaan opruimen. Er is al rommel genoeg’. ‘Nee toch papa?’zegt Jacob, ‘hij is zo mooi gemaakt! Met allemaal spullen die u zelf hebt weggegooid. We kunnen er zelfs in slapen want er ligt een oud matras uit de herberg in. Die had u ook weggedaan’. ‘Nou, daar gaan we mooi niet aan beginnen jongens. Bovendien staat die tent ook nog eens in de weg als we morgen met de steigers aan de slag gaan. We hebben als haast geen ruimte. En straks komt er nog een vreemdeling in die tent slapen. Dat moeten we echt niet hebben’.

Terwijl de kinderen nog even verder gaan met hun spel en de herbergier de klus waarmee hij bezig was afrond komen een meisje en een jongen aangelopen. Duidelijk is dat het meisje hoogzwanger is. De jongen spreekt de herbergier aan: ‘beste herbergier, heeft u voor ons nog een plekje om te overnachten?’. De herbergier kijkt verbaasd op. ‘Nee helaas beste man. We hebben op dit moment helemaal geen gasten. We zijn aan het verbouwen! Volgend jaar hebben we de mooiste herberg van de stad. Kom dan nog maar eens terug’. De jonge man laat zich echter niet zomaar wegsturen. ‘Maar mijn vrouw is hoogzwanger en het wordt al laat. Weet u, ik ben timmerman van beroep en als ik zo naar uw herberg kijk heb ik de indruk dat er nog wel het een en ander te doen is. Als u ons een paar dagen een slaapplek geeft, help ik u met alle timmerklussen. En als ik het zo zie kunnen er volgens mij ook wel wat steigers verstevigd worden’. De herbergier blijft echter bij zijn standpunt: ‘Dat is een mooi aanbod kerel, maar echt, er is nu geen plaats in de herberg. Ik heb niet eens bedden.  Probeer het een eind verderop nog maar’.
Het jonge stel gaat zichtbaar teleurgesteld verder. Als ze langs de tent komen kijkt de jongen nog even geïnteresseerd om. Op het zelfde moment komen de kinderen de tent weer uit. ‘Papa, mogen we de schaar lenen?’  zegt Jacob, en Matthias vult aan: ‘ja we willen een gat knippen uit het doek. Dan hebben we een raampje. ‘Waar is dat nou weer voor nodig. Het is zo goed als donker. En morgen gaat de tent toch al op de brandstapel’. ‘ Nee papa dat moet u niet doen! , heeft u die grote ster niet gezien die hier recht boven aan de hemel staat?’ ‘Als we een raampje hebben kunnen we de ster vanuit de tent zien en is het er binnen ook wat lichter’. De herbergier ziet ook dat de ster recht boven de herberg een bijzondere is. ‘Nou goed, voor deze keer dan. Ik zal een schaar gaan halen. Maar morgen gaan we opruimen en zo meteen: naar bed! De kinderen zijn enthousiast: ‘Ja papa. Dankjewel papa!’.
De herbergier geeft de kinderen een schaar en die knippen meteen een gat uit de oude stof. Ze kijken door het raampje naar de ster en gaan daarna de herberg binnen.

Het is donker geworden. Het jonge stel loopt weer langs de herberg. Nog steeds hebben ze geen slaapplek gevonden. Het meisje is doodop. Ze ziet de tent die naast de herberg staat. ‘Zouden we daar niet in kunnen slapen?’. De jongen bekijkt de tent aan de binnenkant en constateert dat er zelfs twee oude matrassen in liggen. ‘Ja, dit is een goede slaapplek voor vannacht’.

*

De volgende ochtend komen de kinderen weer naar de tent en tot hun grote schrik komt net de jongeman daar uit naar buiten. Hij stelt ze meteen gerust. ‘Kom eens binnen kijken?’. En dan ontdekken ze tot hun stomme verbazing dat er in de tent zich een moeder en een heel kleine baby bevindt…

Dwarriël, een eigenzinnig engeltje

 

download

Een hemels kerstverhaal

Dwarriël:
Ik ga daar niet aan mee doen!
Heb je die tekst gelezen?
‘Vrede op aarde’!  Daar geloof je toch niet in.
Dat ga ik echt niet zingen Gabri
ël.
Ik stap uit het engelenkoor.

Gabriël:
Luister eens Dwarri
ël,
Jij bent een engel, dus je zingt in het engelenkoor.
De tekst, daar ga jij niet over.
En je weet dat we binnenkort als engelen aan de bak moeten.
Het grootste optreden ooit!
Dus opgefladderd! Naar de repetitie.


Verteller:

Het was niet de eerste keer dat Dwarriël  zo tegendraads was. Ze was een eigenzinnig engeltje, met een eigen mening. Maar denk niet dat Dwarriël nou een vervelende engel was. Hij was juist lief en zorgzaam. Maar ze hield nou eenmaal niet van de gebaande paden, of beter gezegd, van de vaste vliegroutes.
Het gebeurde eens dat ze haar vleugels roze had geverfd. Dat gaf wel wat consternatie in de hemel.
`Ja, alle engelen zien er ook hetzelfde uit´ had ze gezegd.
´De mensen op aarde, die zijn man, vrouw, of wat dan ook, maar wij zijn allemaal gender-neutraal’!
Dat roze is nooit helemaal uit haar vleugels gegaan. Net als haar streken trouwens, die bleven ook altijd haar doen en laten kleuren.

En nu dus weer die scene met niet mee willen zingen.
Terwijl er een groots optreden op stapel stond. Nog nooit vertoond! En dat alles ter gelegenheid van de geboorte van het hemelse kind op aarde. Het publiek zou in eerste instantie niet veel voorstellen. Slechts een handjevol herders. Maar daarna, en eeuwenlang door, zou hun lied een grote hit blijken. Ere zij God in de hoge, Gloria in excelsis Deo!
Maar Dwarriël lag weer eens dwars.  Ze gooide de kont weer eens tegen de kribbe.

D: Waarom zou ik mee moeten doen, er zijn toch engelen genoeg?
G: Zonder jouw stem is het engelenkoor niet compleet Dwarriël.
D: Maar Gabri
ël, zeg nou zelf, vrede op aarde: daar gelooft toch geen engel nog in?
G: Het is maar hoe je het bekijkt Dwarriël. Maar ik ga je niet overtuigen. Je zal het zelf        moeten ontdekken.
D: En hoe zal ik dat in ’s hemelsnaam moeten doen?
G: Je gaat mee naar het grote optreden. En ik beloof:  je hoeft niet mee te zingen. Kijk         gewoon maar eens  wat er gebeurd.

Verteller:
Het was weer een knap staaltje engelengeduld van Gabriël. Maar zou dit goed uitpakken? Als Dwarriël iets in z´n kop had, dan had hij het niet in …  nou ja, je weet wel.

De grote dag, of beter gezegd, de grote nacht was aangebroken. Gabriël daalde  met zijn hemelse engelenschaar af naar de aarde. Om precies te zijn naar de velden van Efratha vlakbij Bethlehem.
Dwarriël had zich wat achter in de rijen aangesloten. Stiekem had hij weer een paar likjes roze verf op een paar veren gesmeerd. De bengel.

Hoe het gebeurde, ze snapte er zelf ook niets van, maar van het ene op het andere moment zat ze tussen een stel herders bij een kampvuur.
Haar vleugels en witte engelenkleed waren verdwenen. Ze had herderskleren aan, met een prachtig kleed van roze stof. Wat stond dat goed! Een hele knappe engel in de hemel die dat genaaid heeft…
Het leek voor de herders of het de gewoonste zaak was dat ze bij hen zat. Zagen ze hem wel?
Ze maakten ruzie. Er waren een paar schapen kwijt geraakt en de één gaf de ander de schuld. Het ging er fel aan toe. Ze gingen bijna op de vuist!
Toen, opeens, stond Gabriël tussen hen. De herders schrokken zich lam! Dwarriël natuurlijk niet. Toch was hij onder de indruk van de woorden van Gabriël. ‘Er is een kind geboren; een redder en hij is te vinden in een stal’. Dwarriël begreep dat niet meteen. Een stal? Het was toch een kind uit de hemel? Hij dacht daar nog over na toen plots de hemel gevuld werd met het grote engelenkoor. Ere zij God in de hoge, vrede op aarde, God houdt van de mensen. Dwarriël zong het lied in gedachten mee.
Oef… dat klonk toch wel mooi.

En opeens waren de engelen verdwenen, maar bevond Dwarriël zich nog bij de herders. Ze leken haar nog steeds niet op te merken. ‘Kom’ zeiden ze, ‘we gaan zoeken naar dat kind’. Dwarriël sloot zich aan bij de groep. ‘Maar waar kunnen we dat kind vinden’ zei één van de herders. Voordat Dwarriël  er erg in had wenkte ze van: ‘kom, volg mij maar, ik denk dat ik het weet’ en de herders liepen zo achter hem aan!
In zijn hoofd galmde het lied van de engelen nog na. ‘Vrede op aarde’. Wat betekende dat toch? En gek, maar al lopend voelde Dwarriël al iets van vrede in haar hart.
Het was niet ver. Dwarriël was onbekend in deze omgeving. Maar op de één of andere manier wist ze precies waar ze moesten zijn. ´Daar, in dat schuurtje, daar is het´, wees ze.
De herders gingen naar binnen en vonden het kindje. Het lag te slapen in een kribbe.
Vol verwondering keek ook Dwarriël  er naar. Dit kind, is dit nou de reddende engel? Het kind van de Allerhoogste, die voor ‘vrede op aarde’ gaat zorgen?
Even voelde Dwarriël het protest weer in zich naar boven komen. ‘Dat kan toch helemaal niet’.
Maar toen zag hij hoe al die ruziënde herders stil waren geworden en voor het kindje knielden. Er was vrede in de stal. En op dat moment begon er iets te dagen bij Dwarriël…
Dit kind gaat de vrede niet regelen, dit kind is de vrede.
De Allerhoogste heeft het gegeven. Klein en kwetsbaar. Het laat zien dat als je je open stelt voor de liefde die daar van uit gaat, als je jezelf klein maakt, er vrede in je wordt opgewekt. Dwarriël ziet het aan de herders: ze zijn nog steeds stoer en sterk maar ze zijn ook veranderd. De herders zijn vrienden van elkaar zijn geworden. Als ze de stal verlaten beginnen ze zelfs het lied van de engelen te zingen: Ere zij God in hoge, vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.
Voor dat Dwarriël de stal verlaat knielt ze ook neer bij de kribbe. Dan gaat ze naar buiten en sluit ze zich aan bij de herders. Als vanzelf zingt Dwarriël met ze mee: ‘Vrede op aarde’ en in een flits beseft hij dát hij het zingt…
… en op hetzelfde moment staat ze weer als engel tegenover Gabriël in
het hemelrijk.


G: Zo Dwarriël, heb je je vleugels weer eens roze geverfd?
D: Oeps… sorry Gabri
ël, tja, het wil  er niet meer af…
G: Ach, je blijft een buitenbeentje. Maar vertel; hoe staat het met de vrede op aarde?
D: Ik heb de vrede gezien Gabri
ël! Het was een hemels kindje in een armoedige stal,          maar ik had daar het gevoel alsof ik in de zevende hemel was!
G: Ik hoorde je net zelfs meezingen: Vrede op aarde.
D: Ja, want ik begrijp nu een beetje wat er mee bedoeld wordt.
G: En?
D: De Allerhoogste heeft het mooiste van zichzelf gegeven:  Vrede, liefde, vergeving…
Niet als iets wat vanzelf komt, maar om te volgen, om te doen.
Klein durven zijn, net als dat kind.
Durven te dienen, net zoals het kind zal doen als het groot is.
Dan komt vrede vanzelf. Ik zag het bij de herders!
G: Mooi Dwarriël. Dus je zingt voortaan weer met ons mee?
D: Als dat mag, met m’n roze vleugels…
G: Natuurlijk. Die horen toch bij jou?

 

 

Illustratie: Jan Toorop, 1920

De vroedvrouw van de koning

de-geboorte-van-christus

Een kerstverhaal

Monoloog aangevuld met enkele stemmen

Zal ik jullie eens vertellen wie ik ben?
Ik ben de vroedvrouw van de koning.
Ja, dat klinkt hè. En jullie denken zeker dat ik daar wel trots op ben. Dat is ook zo hoor, maar denk niet dat dit altijd zo leuk is geweest.
Luister maar naar mijn verhaal.

Jullie weten toch wel wat een vroedvrouw is? Tegenwoordig heet dat een verloskundige. Ik heb altijd vrouwen bijgestaan bij de zwangerschap en bij de bevalling. Heel veel kinderen heb ik op de wereld geholpen.
Heel lang geleden, ik was net begonnen als vroedvrouw, is er iets bijzonders gebeurd. Ik werd  geroepen om eerste hulp te verlenen. Er was een reizende koopman in onze stad gekomen. Hij handelde in dure stoffen en was afkomstig uit een ver land in het oosten. Hij had zich fors in zijn hand gesneden toen hij een lap stof wilde halveren. Men had hem naar mij toe gestuurd, want ik zou in zijn staat om de wond te hechten, zo had men gezegd. Er was blijkbaar geen dokter in de buurt. Ik heb de arme man geholpen. Het was een nare wond die hij had. Gelukkig lukte het hechten. Om de hand rust te geven om te kunnen genezen legde ik zijn arm in een doek die ik om zijn hals bond. Na een paar dagen kon hij weer verder reizen. Hij was zo blij voor wat ik voor hem gedaan had dat ik een bijzonder geschenk van hem kreeg. Nooit zal ik meer vergeten wat hij tegen mij zei:

Stem:

Lieve vroedvrouw, door jouw kundige handelen en zorgzaamheid zal mijn hand weer helemaal genezen. Ik ben je zo dankbaar. Als blijk daarvan wil ik je dit stapeltje linnen doeken geven. Het is het meest kostbare linnen wat er bestaat. Door de beste weefsters uit mijn land geweven uit de meest zuivere vlasvezels. Wees hier heel zuinig op. Ik heb een droom gekregen, en die droom zal uitkomen.
Jij zult de vroedvrouw van de koning worden. En het kind wat geboren wordt zal je wikkelen in deze doeken.

Toen vertrok de koopman. Ik heb hem nooit meer gezien. Het linnen was inderdaad van een prachtige kwaliteit. Glanzend en witgoud van kleur, geen enkele oneffenheid. Een heerlijke geur ook. Zorgvuldig heb ik het opgeborgen.
Zou ik echt de vroedvrouw van de koning worden? Ik kon het me haast niet voorstellen. Maar diep van binnen geloofde ik die mysterieuze koopman uit het verre oosten. Ik besloot me te gaan melden in het paleis waar de koning woonde. Men moest toch van mij weten. De koning kreeg ik niet te spreken. Ik mocht mijn verhaal doen bij een adviseur van de koning. Hij leek me weinig serieus te nemen. Ik moest even wachten, dan zou ik een antwoord krijgen. Na een paar minuten kreeg ik dat. Ik geloof niet eens dat hij het met de koning heeft overlegd.

Stem:

Beste jongedame. Uw verzoek om de vroedvrouw van de koning te worden is met de koning besproken. De koning moest hier erg om lachen.  Als er iemand een vroedvrouw nodig zou hebben is het wel de koningin, zei hij. Maar laat ik er geen doekjes om winden. Uw verzoek is totaal misplaatst. U denkt toch niet dat, mocht de koningin in verwachting zijn, wij de geboorte laten begeleiden door een simpele vroedvrouw als u? Wij beschikken over de beste doktoren en vrouwenartsen die alle kennis en vaardigheden hebben om een mogelijk toekomstige koning op de wereld te zetten. Blijft u maar gerust de kindjes halen in uw eigen stadje. Gegroet.

Teleurgesteld keerde ik terug naar huis. Zou de koopman uit het oosten toch niet zo wijs geweest zijn als ik dacht? Ik keek nog weer eens in de kast. Haalde het stapeltje linnen eruit en streek er over met mijn handen, ik drukte het tegen mijn wangen. Het was zo zacht als een netgeboren baby… nee…het moet echt waar zijn wat de koopman heeft voorspeld.
Een paar dagen later was ik op weg naar een gezin waar een kindje was geboren. Er stonden een paar mensen op straat die met elkaar aan het smoezen waren. Ze wezen met hun vingers naar me. Toen riep er iemand: ‘Kijk, daar gaat de vroedvrouw van de koning’. Het hele groepje proestte het uit van het lachen. Het bleek dat het verhaal van mijn mislukte sollicitatie was uitgelekt. Het werd de roddel van het jaar. Men vond het blijkbaar van hoogmoed spreken dat ik, een eenvoudig meisje, wel even dacht de vroedvrouw van de koning te kunnen zijn. Ik heb het geweten, want de scheldpartijen waren een tijdje niet van de lucht.

Stemmen:

(Vrouw)  Buig mensen, daar komt de vroedvrouw van de koning

(Man)  Hé vroedvrouw wanneer ga je weer eens wat bevroeden?

(Kind)  Hallo! Is er al een koning geboren vandaag?

(Vrouw)  Vroedvrouw, doe nog weer eens iets uit de doeken?

(Kind)  Vroedvrouw, waarom vraag je niet of je koningin mag worden?

(Man)  Verloskundige! Kun je ook jezelf verlossen?

Ik liet het beledigen over me heen komen. Wat kon ik anders? Gelukkig werd het naroepen na verloop van tijd minder. Op een gegeven moment stopte het gelukkig helemaal. Maar als vroedvrouw ben ik nooit meer serieus genomen. Ik werd de tweede keus. Men ging liever niet naar mij. En de bevallingen die de andere vroedvrouwen liever niet wilden doen, die kreeg ik. Van arme mensen, gehandicapten, hoeren, de vrouwen van de tollenaars. Van die laatste groep kreeg ik nog wel eens wat extra’s zodat ik wel altijd in mijn levensonderhoud kon voorzien.
Met nog wat spaarcentjes geniet ik nu van mijn oude dag. Ik heb achter mijn huis een paar geitjes die ik kan melken en waar ik soms het vlees van kan eten. Ik heb het niet breed. Soms heb ik in twijfel gestaan om de linnen doeken te verkopen. Dat zou me veel geld opleveren. Gelukkig heb ik dit nooit gedaan, want wat er gisteren gebeurde…

Een jong stel klopte bij mij aan. Het meisje… hoogzwanger, ik zag het meteen, en ik voelde dat de bevalling aanstaande was. Ze hadden nog nergens een plek gevonden om te overnachten. Een herbergier had hen naar mij verwezen. Natuurlijk bood ik hen onderdak!

En wat ik al had aangevoeld gebeurde: het meisje beviel die nacht van een zoon en ik mocht haar als vroedvrouw helpen.
Zoveel baby’s heb ik geboren zien worden, maar deze geboorte was de meest bijzondere. En het jongetje wat ter wereld kwam, zo mooi was hij. Opeens kwam het in me op dit jongetje in de lang bewaarde linnen doeken te wikkelen. Ik bedacht niet eens dat dit eigenlijk niet de bedoeling was. Toen het meisje haar in doeken gewikkelde kind zag klaarde ze op. ´Wat blinken die doeken prachtig´, zei ze. ´Zijn eerste koningskleed. Want weet je, dit kind zal later een koning worden. Een engel heeft het mij gezegd ´.
Talloze gedachten  schoten toen door mij heen. De koning! Dit is hem! Dit is wat de reizende koopman mij ooit heeft voorspeld. De doeken waren voor dit kind! Ik legde het kindje in de voederbak van de geitjes die door de jonge vader was omgetoverd tot een wiegje. Ik kon mijn ogen niet van hem afhouden.
Alles van mijn lange leven viel in deze nacht op z’n plaats.
De vroedvrouw van de koning. Altijd was ik het al geweest.
Maar nu was ik het echt.

 

Afbeelding: De geboorte van Christus, Wasili Wasin. http://www.wasili.nl/nl/galerie.html