Waarom heten zoveel Bachs Johann?

4x5 original

Johann Bach, Johann Ambrosius, Johann Andreas, Johann August, Johann Balthasar, Johann Bernard, Johann Christian, Johann Christoph, Johann Christoph Friedrich, Johann Egedius, Johann Elias, Johann Ernst, Johann Friedrich, Johann Gottfried Bernard, Johann Günther, Johann Heinrich, Johann Jacob, Johann Jonas, Johann Lorenz, Johann Ludwig, Johann Michael, Johann Nicolaus, Johann Philipp, Johann Sebastian, Johann Stephan, Johann Valentin… allemaal met de achternaam Bach.

Bekijk achterin een goede Bachbiografie het namenregister en zie hoe vaak de naam ´Johann´ als eerste naam wel niet voorkomt. Niet alleen bij de Bachs maar ook bij tal van andere Duitse families.
Die eerste naam was nooit de roepnaam. Dat was doorgaans de laatste naam.
Johann was eigenlijk een erenaam. Oorspronkelijk zelfs een protestnaam.
Zoals bij katholieken het gebruikelijk was om de naam van Maria als één van de doopnamen op te nemen (ook wel bij mannen), zo gingen na de reformatie de Lutheranen Johann (of Johanna) in hun naam zetten en wel vooraan. Johann verwijst dan naar Johannes de Doper, de prediker of profeet die opriep tot bekering omdat het Koninkrijk van God nabij was gekomen. Mensen die zich bekeerden doopte hij in de Jordaan.  Uiteindelijk liet ook Jezus zich door hem dopen. Johannes de Doper zei over hem: ‘zie het lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt’ en ‘ik ben zelfs niet goed genoeg om de riem van zijn sandalen los te maken’.

Voor de Lutheranen sprak Johannes de Doper met zijn felle prediking en zijn aankondiging van een nieuwe tijd tot de verbeelding. Zeker ook omdat Johannes er ook niet voor terugdeinsde het heersende gezag streng te bekritiseren. Dit leidde uiteindelijk tot zijn dood toen hij tijdens zijn gevangenschap bij koning Herodes onthoofd werd. Voor de Lutheranen werd Johannes de Doper, zeker in het begin van de reformatie, het symbool van de onverzettelijkheid. Ze spiegelden zich aan hem en zo werd Johann een soort geuzennaam, als alternatief voor het katholieke Maria.

En zo werd tijdens Bachs doop op 23 maart 1685 als eerste de naam Johann uitgesproken[1]. Niet naar zijn vader Johann Ambrosius zoals Christoph Wolff in zijn Bachbiografie suggereert. Ook niet naar zijn peetvader Johann Georg Koch, houtvester van de plaatselijke graaf waar Ambrosius blijkbaar een vriendschappelijke verhouding mee had en ook niet naar Johann Christoph Zerbst, de dominee die Johann Sebastian doopte. Ook zij heten allemaal Johann, naar Johannes de Doper.

Op 24 juni vierden de Lutheranen het Sint-Jansfeest. Dit zou de geboortedag van Johannes de Doper zijn, een half jaar voor de geboorte van Jezus. Bach componeerde twee cantates voor dit feest: Ihr Menschen, rühmet Gottes Liebe (BWV 167) en Christ unser Herr zum Jordan kam (BWV 7). De eerste regels van het openingskoor van de laatstgenoemde cantate:

Christ unser Heer zum Jordan kam
Nach seines Vaters Willen,
Von Sankt Johanns die Taufe nahm,
Sein Werk und Amt zu erfüllen.

[1] Sebastian is de naam van de andere peetvader, Sebastian Nagel, stadsmusicus van Gotha en vriend van Ambrosius.

Afbeelding: Johannes de Doper in de wildernis; José Leonardo (Spanje, 1601-1653)

Pasen is een hardloopfeest en Bach loopt mee!

Knipselpasen


Kommt, eilet und laufet

De hardloopkalender in het tijdschrift Runnersworld uit maart 2013, vermeldt op Eerste en Tweede Paasdag maar liefst zesendertig hardloopwedstrijden. Menig van die loopevenementen hebben ook toepasselijke namen als Paasloop, Paashaasloop en Paasjogging. Persoonlijk heb ik ook goede herinneringen aan hardlopen met Pasen: mijn eerste marathon liep ik in 2008 op Tweede Paasdag in Utrecht. In 2012 was ik weer van de partij.
Pasen staat synoniem voor het begin van de lente. Vanuit dat perspectief is het grote aantal hardloopwedstrijden goed te verklaren. De winter is voorbij, buiten wordt het zachter. Het blijft langer licht, dus je kunt ’s avonds weer het bos in. Voor de hardlopers breekt er weer een aangename tijd aan. Ook vanwege de trimlopen en  hardloopwedstrijden die georganiseerd worden; om te beginnen met Pasen!
Dat Pasen strikt genomen een christelijk feest is, zal aan veel deelnemers van deze Paaslopen voorbijgaan. Hier onderscheiden zij zich overigens weinig van al die anderen die na het nuttigen van een Paasbrunch meubelboulevards of pretparken bezoeken. Om over chocolade eieren en paashazen nog maar te zwijgen. Met het christelijke paasfeest heeft het allemaal weinig te maken. Hoewel? Het Bijbelse Paasverhaal blijkt nader beschouwd vol met hardloopelementen te zitten, en omdat Bach veel muziek heeft geschreven voor de Paasdagen wordt er in de muziek van Bach ook volop gerend! Vanuit dit perspectief past het dus heel goed om hard te gaan lopen op Pasen en blijkt de haas als snelrennend wezen toch een passend symbool te kunnen zijn op de Paasdagen.

In de Bijbel wordt in de evangeliën van Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes het leven van Jezus beschreven. Als leraar trekt hij door Israël met een boodschap van liefde, solidariteit en bevrijding. Sommigen zien hem als de Zoon van God die door zijn lijden en sterven de zonden zal dragen voor de mensheid. Anderen zien hem als de Messias die het volk Israel zal verlossen van de Romeinse overheersing. Hoe het ook zij, zijn boodschap roept vooral bij de gezagsdragers van het Joodse volk ergernis op wat uiteindelijk leidt tot zijn gevangenneming, berechting en kruisiging.  Deze laatste episode van zijn leven, het ‘lijdensverhaal’, is door Bach op indrukwekkende wijze op muziek gezet in zijn Matthäüs-  en Johannes-Passion. Het verhaal van Jezus eindigt echter niet met zijn dood. Zijn graf werd op de derde dag (de eerste dag van de week) leeg bevonden. Aan verschillende mensen zou hij zijn verschenen. Jezus is opgestaan en leeft! Dat wordt gevierd met Pasen. Bach schreef hierover verschillende cantates voor de eerste, tweede en de in die tijd ook nog bestaande derde Paasdag. Daarnaast componeerde Bach een uitgebreider Oster-Oratorium[1].

Acht hardloopscènes.

Zoals al genoemd wordt er in dit passie- en Paasverhaal en ook in de muziek van Bach daarover, opvallend veel hardgelopen. De eerste hardloopscène komen we tegen bij de gevangenneming van Jezus die plaatsvindt in de hof van Gethsemane. Zijn afvallige discipel Judas verraadt hem met een kus. Van de andere discipelen wordt door Mattheüs verteld: Daarop lieten alle leerlingen hem in de steek en vluchten weg[2].  Ze gingen er als een haas vandoor. Als de evangelist in de Matthäus-Passion deze scène zingend verhaalt (‘Da verliessen ihn alle Jünger, und flohen’) zou je misschien verwachten dat Bach dit woord met snelle noten accentueert, maar dat doet hij niet. De dramatiek klinkt wel door in de dalende toonsprong op ‘flohen’, en de kwart rust die hierna valt om de maat vol te maken. Een uitbeelding om even te voelen dat Jezus nu echt door zijn vrienden alleen gelaten is? Hierna volgt dan ook direct de instrumentale opening van het slotkoor van het eerste deel: ’O Mensch bewein dein Sünden gross’.
De tweede hardloopscène wordt alleen  door Markus verhaald. Hij geeft nog een vervolg op de bovengenoemde scène uit Mattheüs. Markus maakt er een spannende beschrijving van: Een jongeman, die alleen een linnen kleed aan had, probeerde bij hem te blijven, maar toen ook hij werd vastgegrepen, liet hij het kleed in hun handen achter en vluchtte naakt weg[3]. Het is zo’n mysterieus stukje uit de Bijbel. Je zou willen weten wie deze jongen was, wat er van hem geworden is, maar het blijft in nevelen gehuld. Zo is het trouwens ook met Bachs Markus-Passion (BWV 248), die Bach op Goede Vrijdag 1731 heeft uitgevoerd. Weliswaar keurig een BWV-nummer, maar er is alleen maar een tekst beschikbaar, want de muziek is verloren gegaan. Men neemt aan dat verschillende koren en aria’s hun oorsprong hebben in de Trauerode Lass, Fürstin, lass noch einen Strahl’ (BWV 198)[4]. De muziek van de evangelietekst is echter volledig onbekend, wat dus ook betekent dat het gissen blijft hoe Bach het tekstgedeelte over de naakt wegrennende jongen op muziek heeft gezet. Van de Markus-Passion bestaan verschillende reconstructies. Ton Koopman maakte er ook één. Hiervoor componeerde hij zelf de recitatieven in de stijl van Bach. In tegenstelling tot in Bachs Matthäus-Passion componeert hij het ‘flohen’ van de leerlingen met een hele reeks van stijgende korte nootjes, en beeldt hij het woord inderdaad treffend uit. Als een lettergreep op meerdere noten wordt gezongen, dan wordt dat een melisme genoemd. Hetzelfde woord ‘flohen’ wordt bij de wegvluchtende naakte jongeman echter maar op drie nootjes gezet. Alsof Koopman als componist even verlegen is met de penibele situatie…
De hardloopscènes drie en vier staan niet in de Bijbel maar komen uit de Johannes-Passion (BWV 245). In het Bijbelverhaal blijkt dat Petrus en een andere discipel Jezus uiteindelijk toch volgen naar de plek hij wordt voorgeleid. Na het recitatief waarin dit wordt gezongen volgt de sopraan-aria ‘Ich folge dich gleichfalls mit freudigen Schritten’. Zoals bekend zijn de aria’s persoonlijke reacties of toepassingen op het gebeuren, want natuurlijk volgde Petrus Jezus niet met een vrolijke tred. Hij was doodsbenauwd, even later zou hij warempel tot drie maal ontkennen dat hij bij Jezus hoorde. De aria wil blijkbaar meegeven dat ondanks alles het volgen van Jezus uiteindelijk vreugdevol mag zijn. Bach zet de aria daarom in een dansachtige 3/8 maatvorm, en de woorden ‘folge’ en ‘freudigen’ worden achtereenvolgens met stijgende en dalende notenreeksen uitgebeeld. In een huppelpas achter Jezus aan!
De vierde hardloopscène heeft een heel ander karakter. Als verderop in het verhaal Jezus het kruis op zijn rug moet dragen en naar Golgotha moet lopen waar de kruisiging plaats zal vinden voegt Bach in de Johannes-Passion een beschouwende aria toe: ‘Eilt, ihr angefochten Seelen’. In een vlot tempo wordt gezongen dat gelovigen zich moeten haasten om naar Golgotha te gaan. ‘Flieht’  wordt zelfs gezongen. Ga vliegensvlug, ijlings, want op Golgotha is het heil te vinden. Bach componeert deze aria op het vlugge, ietwat onrustige ritme van een courante. In een snel loopje van stijgende noten wordt de start van de run uitgebeeld. Deze oude Franse hofdans is vanwege zijn snelle ritme heel geschikt voor deze tekst, beter nog dan de snelle gigue die meer een huppelend karakter heeft. In de Matthäus-Passion wordt bij dit tekstgedeelte niet hardgelopen. Integendeel, de zware gang met het kruis op de rug wordt door Bach treffend uitgebeeld met de instrumentele omlijsting van de bas-aria ‘Komm süsses Kreuz’. De aria bezingt de vraag aan Jezus om als het lijden van de mens te zwaar wordt, of hij dan wil helpen dat kruis te dragen. Het stroeve ritme  van de aria met de stotende, zware streken van de gamba symboliseren het pijnlijke zwoegen van degene die het kruis moet dragen.

Hardloopscène vijf begint op paasmorgen, en  is een meidenrun. Op de eerste dag van week gaan Maria van Magdala en een andere Maria in alle vroegte naar het graf. Ze zien de steen weggerold en ontmoeten een engel die tegen hen zegt dat Jezus is opgestaan. De engel maant de vrouwen snel naar de leerlingen te gaan om dit nieuws te melden. Ontzet en opgetogen verlieten ze haastig het graf[5]  schrijft Mattheüs. Terug in de stad vertellen de vrouwen het nieuws buiten adem aan de leerlingen. In de cantate voor Eerste Paasdag Der Himmel lacht! Die Erde jubilieret (BWV 31) wordt dit rennen als metafoor gebruikt voor het achterlaten van het oude zondige leven. De opstanding van Jezus mag de gelovige ertoe aan zetten een nieuw leven te beginnen. In het recitatief (van het vijfde deel) worden in dit kader onder andere de volgende regels gezongen: ‘Tritt an den neuen Lebenslauf!’ en even later: ‘Ein Christe flieht, ganz eilend von dem Grabe’. Begin je nieuwe levensloop, en wel zo snel als je kunt. Weg van dat graf; opstaan en rennen maar! Bach laat de tenor de woorden ‘Lebenslauf’,  ‘flieht’ en ‘eilend’ in razendsnelle zestiende nootjes zingen. De laatste twee woorden eerst stijgend, dan weer dalend.
Dan volgt de zesde hardloopscéne die uitmondt in een ware wedstrijd. Er zijn verschillende versies: Lucas vertelt dat de leerlingen het verhaal van de vrouwen maar kletspraat vonden. Behalve Petrus. Lucas schrijft: Petrus echter stond op en rende naar het graf[6].  De evangelist Johannes vertelt dat er nog iemand anders naar het graf rende. Als een echte sportverslaggever verslaat hij deze hardloopscène: Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf[7]. Petrus verliest de run van de andere leerling die blijkbaar over een goede eindsprint beschikte. Johannes zelf?
Al dit rennen op de eerste Paasdag komt treffend terug in het Oster-Oratorium (BWV 249). De cantate opent met een vrolijke sinfonia. Trompetten dragen bij aan de feestvreugde. In tegenstelling tot de ‘Eilt-aria’ uit de Johannes-Passion heeft hier de muziek wel het aan de gigue verwante ritme. Dansend en huppelend wordt de opstanding van Christus gevierd en omdat het hier om feestmuziek gaat, wordt het ritme ondersteund door paukenslagen. Maar dan wordt er even een pas op de plaats gemaakt. In een adagio klinkt de stille verwondering door; je moet ook wel even stilstaan om te beseffen wat er is gebeurd; heb je wel in de gaten hoe groot dit wonder is? Hierna zet echter het orkest de sinfonia opnieuw in en kort daarop volgt het koor met de volgende tekst: Kommt, eilet und laufet ihr flüchtige Füsse wat vertaald kan worden als: Komt, loop in ijltempo gij vliegensvlugge voeten. Ren naar de plek waar het wonder is geschied. Prachtig hoe Bach de sfeer van het rennen en vliegen op die vroege Paasmorgen in zijn muziek verbeeldt. Het snelle tempo van de gigue, de melismes op ‘eilet’ en ‘laufet’. Bach maakt er echt een hardloopfeest van.

De eerste hardloopscènes waren als gevolg van het wegvluchten te typeren als echte sprinten. De laatste hardloopscènes zijn te duiden als middenafstandlopen. De afstand tussen de stad Jeruzalem en de graftuin buiten de stadspoort zal zo´n anderhalf tot twee kilometer geweest zijn. Ten slotte kan er ook nog een lange afstandsloop hebben plaatsgevonden en dat wordt dan hardloopscène zeven.  Lucas vertelt over de zogenoemde Emmaüsgangers, enkele leerlingen van Jezus die, nog onder de indruk van wat er zich in Jeruzalem allemaal heeft afgespeeld, ´s middags terugwandelen naar hun woonplaats Emmaüs. Lucas noemt een exacte afstand: zestig stadia, wat ongeveer twaalf kilometer is. Dan voegt Jezus zich bij hen, maar zij herkennen hem niet. Jezus wandelt met hen op en ze spreken over datgene wat er in Jeruzalem is geschied de afgelopen dagen. Aangekomen in Emmaüs nodigen ze Jezus bij hen thuis, want het is bijna avond. Als Jezus aan tafel het brood breekt, herkennen ze hem pas, maar dan verdwijnt Jezus ook plots uit hun zicht. Lucas vertelt dan verder: Ze stonden op en gingen meteen terug naar Jeruzalem, waar ze de elf en de anderen aantroffen[8]. Het wordt niet expliciet vermeld, maar het kan haast niet anders dan dat deze leerlingen hardlopend terug zijn gegaan want het was al avond en ze wilden zo snel mogelijk hun ervaring delen met de anderen. In de lutherse kerk werd dit verhaal op de Tweede Paasdag gelezen. Bach componeerde hierbij de cantate Bleib bei uns, denn es will Abend werden (BWV 6). In deze cantate, met het overigens magistrale openingskoor op het ritme van de sarabande, wordt niet hardgelopen. Wellicht toch meer passend bij het Bijbelverhaal wordt er echter wel gewandeld, en dat is dan loopscène acht. In de cantate gaat het over de zondige mens die wandelt in de duisternis, maar die door het licht van Christus’ woord op het rechte pad kan gaan. In het bas-recitatief van deel vier klinkt het woord ‘gewandelt’ op driemaal een gelijke G als kwartnoot. Je ziet als het ware de stappen: recht vooruit. Dan volgt de tenor-aria met de tekst die het thema van de cantate samenvat:

Jesu, lass uns auf dich sehen,
Dass wir nicht auf den Sündenwegen gehen.
Laß das Licht deines Worts uns heller scheinen,
Und dich jederzeit treu meinen.

Violen omlijsten de aria  met motieven die de tekst kracht bij zetten. Van Hengel omschrijft het als volgt: ‘Motieven die – blijkens de teksten van de tenor – vooral de zware stappen in beeld brengen van de vermoeide reiziger die, onzeker struikelend langs een kronkelig pad, dreigt af te glijden op de ‘Sündenwegen.’

Pasen en hardlopen. Ze horen bij elkaar. En niet alleen vanwege het aangename hardloopweer, maar zeker ook omdat het Paasverhaal zelf een hardloopverhaal is. In dit opzicht past de snelle haas dus uitstekend bij dit feest. En Bach loopt onmiskenbaar mee!
Dat het de vele lopers en zeker de hazen[9] op de Paaslopen mag inspireren.
Kommt, eilet und laufet!

[1] Ostern is Pasen.

[2] Mattheüs 26:56b.

[3] Markus 14:51-52.

[4] Zie ook hoofdstuk ‘Bach in de hemel (in h-Moll)’.

[5] Mattheüs 28:8.

[6] Lucas 24:12a.

[7] Johannes 20:4.

[8] Lucas 24:33.

[9] Een haas is in de hardloopwereld iemand die in een wedstrijd wordt ingehuurd om een tempo aan te geven.

BWV 333 op Bachs 333ste geboortedag

Herr Jesu Christ, du hast bereit’t

Op 21 maart 2018 is het 333 jaar geleden dat Johann Sebastian Bach het levenslicht zag. Vanwege dit bijzondere getal en misschien ook omdat het nog zo lang duurt voordat we weer van een echt Bachjaar mogen spreken (2035, Bachs 350ste geboortedag of 2050, Bachs 300ste sterfdag) wordt zijn geboortedag dit jaar aangegrepen om iets bijzonders te doen. Het TV-programma Podium Witteman organiseert een uitvoering van het Derde Brandenburgse concert gespeeld door maarliefst 333 strijkers. Een leuk idee, wat je er verder ook van vindt. In elk geval zeker passend bij het getal 333, want Bach schreef dit concert voor 3 violen, 3 altviolen en 3 cello’s (en continuo). In dit geval is 3 + 3 + 3 dus geen 9 maar 333! Hoe dit spektakel ook moge klinken, Bach krijgt er in elk geval weer de verdiende aandacht mee.
Het bracht mij op een ander idee: welke compositie van Bach is BWV 333?
In 1950 zijn alle Bachwerken door Wolfgang Schmieder gerangschikt en hebben een BWV-nummer gekregen (Bach Werke Verzeichnis). Na de cantates, motetten, missen en oratoria en passies volgen een groot aantal vierstemmige koralen waarvan BWV 333 er één van is. Het gaat dan om het koraal Herr Jesu Christ, du hast bereit’t. Op internet zijn tekst, notenschriften en uitvoeringen van dit koraal te vinden en je hoeft geen musicoloog of musicus te zijn om na het beluisteren ervan te concluderen dat Bachs vierstemmige harmonisatie een juweeltje is.

Vierstemmige koralen, BWV 253 – 438

Bach heeft een groot aantal Lutherse koralen van een vierstemmige zetting voorzien. Op welke manier hij deze verzameling zelf ordende is niet bekend. Wellicht verzamelde hij ze in speciale mappen die hij bewaarde in zijn komponierstube. Hij componeerde de koraalzettingen voor zijn cantates en passies, maar vast ook voor het zingen van koralen in de eredienst. Tussen 1784 en 1787 (dus meer dan 34 jaar na zijn dood) verzamelden muziektheoreticus Johann Philipp Kirnberger en Bachs zoon Carl Philipp Emanuel maarliefst 371 koraalzettingen en gaven die in vier bundels uit. Een groot gedeelte van deze koralen hebben de BWV-nummers 253 – 438 gekregen. Veel minder dus dan de genoemde 371, want 162 zettingen die ook in cantates en passies voorkwamen en 23 koralen met een gelijke melodie of (gedeeltelijk) gelijke tekst hebben geen eigen BWV-nummer gekregen. Hoe dan ook, Kirnberger en Bachs zoon hebben blijkbaar de grote rijkdom ingezien van al deze koraalzettingen van Bach en hebben ervoor gezorgd dat al dit werk bewaard is gebleven; en dat is zeker van belang geweest voor al die koraalzettingen die niet in cantates terecht zijn gekomen. Die hadden anders zomaar verloren kunnen gaan. Eén zo’n losse koraalzetting is Herr Jesu Christ, du hast bereit’t.

BWV 333

https://www.youtube.com/watch?v=ivPlIT2OQWM

Image_BWV_0333

Het koraal is een avondmaalslied en stamt uit 1638. Het telt acht strofen. De strekking van het lied is dat de mens als arme zondaar door Christus in genade wordt aangenomen en van hem brood en wijn ontvangt als teken van zijn lichaam en bloed wat hij heeft gegeven ter vergeving van de zonden. De tekstschrijver is Samuel Kinner. Over wie deze persoon precies was bestaat geen zekerheid. Misschien was het een arts afkomstig uit Breslau. Dit koraal is ook het enige wat van hem bekend is. Wie de componist van de melodie is is niet duidelijk. Er wordt in elk geval niet vanuit gegaan dat die van Bach zelf is. Wel weten we dat er een dag is geweest dat Bach zijn ganzenveer in zijn inktpot doopte en een vierstemmige zetting van dit koraal aan het papier toevertrouwde. Hoe deed Bach dat? Kwam dat zomaar vanzelf uit zijn pen of was hij daar toch wel even mee bezig? Wat mij betreft is het duidelijk dat Bach bij dit koraal geen muzikale tekstuitbeelding wilde bewerkstelligen (zoals hij wel deed bij koraalzettingen in zijn Passionen en hij op die manier bepaalde woorden extra inhoud kon geven). Dan had in dit koraal bijvoorbeeld de harmonisatie op het woord ‘Sündenlasst’ een dissonant geklonken. Bachs zetting is dan ook niet alleen voor de eerste strofe maar ook voor de zeven die daar nog op volgen. Nee, wat Bach doet is eenvoudigweg een prachtig klinkende vierstemmige harmonisatie neerschrijven, misschien toch nog wel geinspireert door de mooie en diepzinnige tekst van het koraal. We weten immers – dat is vastgelegd in de analen van de kerk – dat hij regelmatig aan het avondmaal ging. En hoewel het koraal in g-klein staat krijgt het door de harmonisatie – en zeker door de tenorpartij – een opgetogen karakter. Bach sluit het koraal dan ook af in G-groot.
Beluister het koraal een paar maal of speel de muziek heel rustig op je klavecimbel, orgel of piano en je wordt gepakt door de prachtig vloeiende lijnen in de zich op elkaar volgende akkoorden.

Meesterwerken heeft Bach geschreven. De Matthäus Passion (BWV 244)  , de Chaconne (BWV 1004, vijfde deel), het Derde Brandenburgse concert (BWV 1048)… maar ook een kleine BWV 333 is een knap staaltje vakwerk in al zijn schijnbare eenvoud.

Bach, 333 jaar.
Nu toch ook benieuwd geworden naar Cantate 33 deel 3…

Dwarriël, een eigenzinnig engeltje

 

download

Een hemels kerstverhaal

Dwarriël:
Ik ga daar niet aan mee doen!
Heb je die tekst gelezen?
‘Vrede op aarde’!  Daar geloof je toch niet in.
Dat ga ik echt niet zingen Gabri
ël.
Ik stap uit het engelenkoor.

Gabriël:
Luister eens Dwarri
ël,
Jij bent een engel, dus je zingt in het engelenkoor.
De tekst, daar ga jij niet over.
En je weet dat we binnenkort als engelen aan de bak moeten.
Het grootste optreden ooit!
Dus opgefladderd! Naar de repetitie.


Verteller:

Het was niet de eerste keer dat Dwarriël  zo tegendraads was. Ze was een eigenzinnig engeltje, met een eigen mening. Maar denk niet dat Dwarriël nou een vervelende engel was. Hij was juist lief en zorgzaam. Maar ze hield nou eenmaal niet van de gebaande paden, of beter gezegd, van de vaste vliegroutes.
Het gebeurde eens dat ze haar vleugels roze had geverfd. Dat gaf wel wat consternatie in de hemel.
`Ja, alle engelen zien er ook hetzelfde uit´ had ze gezegd.
´De mensen op aarde, die zijn man, vrouw, of wat dan ook, maar wij zijn allemaal gender-neutraal’!
Dat roze is nooit helemaal uit haar vleugels gegaan. Net als haar streken trouwens, die bleven ook altijd haar doen en laten kleuren.

En nu dus weer die scene met niet mee willen zingen.
Terwijl er een groots optreden op stapel stond. Nog nooit vertoond! En dat alles ter gelegenheid van de geboorte van het hemelse kind op aarde. Het publiek zou in eerste instantie niet veel voorstellen. Slechts een handjevol herders. Maar daarna, en eeuwenlang door, zou hun lied een grote hit blijken. Ere zij God in de hoge, Gloria in excelsis Deo!
Maar Dwarriël lag weer eens dwars.  Ze gooide de kont weer eens tegen de kribbe.

D: Waarom zou ik mee moeten doen, er zijn toch engelen genoeg?
G: Zonder jouw stem is het engelenkoor niet compleet Dwarriël.
D: Maar Gabri
ël, zeg nou zelf, vrede op aarde: daar gelooft toch geen engel nog in?
G: Het is maar hoe je het bekijkt Dwarriël. Maar ik ga je niet overtuigen. Je zal het zelf        moeten ontdekken.
D: En hoe zal ik dat in ’s hemelsnaam moeten doen?
G: Je gaat mee naar het grote optreden. En ik beloof:  je hoeft niet mee te zingen. Kijk         gewoon maar eens  wat er gebeurd.

Verteller:
Het was weer een knap staaltje engelengeduld van Gabriël. Maar zou dit goed uitpakken? Als Dwarriël iets in z´n kop had, dan had hij het niet in …  nou ja, je weet wel.

De grote dag, of beter gezegd, de grote nacht was aangebroken. Gabriël daalde  met zijn hemelse engelenschaar af naar de aarde. Om precies te zijn naar de velden van Efratha vlakbij Bethlehem.
Dwarriël had zich wat achter in de rijen aangesloten. Stiekem had hij weer een paar likjes roze verf op een paar veren gesmeerd. De bengel.

Hoe het gebeurde, ze snapte er zelf ook niets van, maar van het ene op het andere moment zat ze tussen een stel herders bij een kampvuur.
Haar vleugels en witte engelenkleed waren verdwenen. Ze had herderskleren aan, met een prachtig kleed van roze stof. Wat stond dat goed! Een hele knappe engel in de hemel die dat genaaid heeft…
Het leek voor de herders of het de gewoonste zaak was dat ze bij hen zat. Zagen ze hem wel?
Ze maakten ruzie. Er waren een paar schapen kwijt geraakt en de één gaf de ander de schuld. Het ging er fel aan toe. Ze gingen bijna op de vuist!
Toen, opeens, stond Gabriël tussen hen. De herders schrokken zich lam! Dwarriël natuurlijk niet. Toch was hij onder de indruk van de woorden van Gabriël. ‘Er is een kind geboren; een redder en hij is te vinden in een stal’. Dwarriël begreep dat niet meteen. Een stal? Het was toch een kind uit de hemel? Hij dacht daar nog over na toen plots de hemel gevuld werd met het grote engelenkoor. Ere zij God in de hoge, vrede op aarde, God houdt van de mensen. Dwarriël zong het lied in gedachten mee.
Oef… dat klonk toch wel mooi.

En opeens waren de engelen verdwenen, maar bevond Dwarriël zich nog bij de herders. Ze leken haar nog steeds niet op te merken. ‘Kom’ zeiden ze, ‘we gaan zoeken naar dat kind’. Dwarriël sloot zich aan bij de groep. ‘Maar waar kunnen we dat kind vinden’ zei één van de herders. Voordat Dwarriël  er erg in had wenkte ze van: ‘kom, volg mij maar, ik denk dat ik het weet’ en de herders liepen zo achter hem aan!
In zijn hoofd galmde het lied van de engelen nog na. ‘Vrede op aarde’. Wat betekende dat toch? En gek, maar al lopend voelde Dwarriël al iets van vrede in haar hart.
Het was niet ver. Dwarriël was onbekend in deze omgeving. Maar op de één of andere manier wist ze precies waar ze moesten zijn. ´Daar, in dat schuurtje, daar is het´, wees ze.
De herders gingen naar binnen en vonden het kindje. Het lag te slapen in een kribbe.
Vol verwondering keek ook Dwarriël  er naar. Dit kind, is dit nou de reddende engel? Het kind van de Allerhoogste, die voor ‘vrede op aarde’ gaat zorgen?
Even voelde Dwarriël het protest weer in zich naar boven komen. ‘Dat kan toch helemaal niet’.
Maar toen zag hij hoe al die ruziënde herders stil waren geworden en voor het kindje knielden. Er was vrede in de stal. En op dat moment begon er iets te dagen bij Dwarriël…
Dit kind gaat de vrede niet regelen, dit kind is de vrede.
De Allerhoogste heeft het gegeven. Klein en kwetsbaar. Het laat zien dat als je je open stelt voor de liefde die daar van uit gaat, als je jezelf klein maakt, er vrede in je wordt opgewekt. Dwarriël ziet het aan de herders: ze zijn nog steeds stoer en sterk maar ze zijn ook veranderd. De herders zijn vrienden van elkaar zijn geworden. Als ze de stal verlaten beginnen ze zelfs het lied van de engelen te zingen: Ere zij God in hoge, vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.
Voor dat Dwarriël de stal verlaat knielt ze ook neer bij de kribbe. Dan gaat ze naar buiten en sluit ze zich aan bij de herders. Als vanzelf zingt Dwarriël met ze mee: ‘Vrede op aarde’ en in een flits beseft hij dát hij het zingt…
… en op hetzelfde moment staat ze weer als engel tegenover Gabriël in
het hemelrijk.


G: Zo Dwarriël, heb je je vleugels weer eens roze geverfd?
D: Oeps… sorry Gabri
ël, tja, het wil  er niet meer af…
G: Ach, je blijft een buitenbeentje. Maar vertel; hoe staat het met de vrede op aarde?
D: Ik heb de vrede gezien Gabri
ël! Het was een hemels kindje in een armoedige stal,          maar ik had daar het gevoel alsof ik in de zevende hemel was!
G: Ik hoorde je net zelfs meezingen: Vrede op aarde.
D: Ja, want ik begrijp nu een beetje wat er mee bedoeld wordt.
G: En?
D: De Allerhoogste heeft het mooiste van zichzelf gegeven:  Vrede, liefde, vergeving…
Niet als iets wat vanzelf komt, maar om te volgen, om te doen.
Klein durven zijn, net als dat kind.
Durven te dienen, net zoals het kind zal doen als het groot is.
Dan komt vrede vanzelf. Ik zag het bij de herders!
G: Mooi Dwarriël. Dus je zingt voortaan weer met ons mee?
D: Als dat mag, met m’n roze vleugels…
G: Natuurlijk. Die horen toch bij jou?

 

 

Illustratie: Jan Toorop, 1920

Vioolspel bij de kribbe

 

Kerstverhaal                                                                          NoorderLichtgemeente 24-11-2011

Situatie: Het podium leeg; alleen de verhalenverteller zit op de baal stro. Het is donker. Van achter uit de kerk wordt het podium met een lichtbundel belicht richting de plek waar er een activiteit plaatsvindt.

Vaak gaan kerstverhalen over vroeger.
Maar dit kerstverhaal gaat over vandaag. Sterker nog, het speelt zich voor een groot gedeelte af op dit moment.  Ja, zelfs op deze plek!
Het gaat over Henry. Henry is een violist.
Met z’n vioolkist onder zijn arm kwam hij zojuist de kerk binnen wandelen.
Gelukkig had hij zijn vioolkist bij zich, want anders had hij zeker met zijn ziel onder zijn arm gelopen.
De hele dag was Henry al op pad. Op zoek, kan je beter zeggen. Op zoek om ergens viool te spelen.
Want dat deed hij het liefst:  viool spelen.
Nog liever:  viool spelen in de kerk.
Maar het allerliefst:  viool spelen in de kerk tijdens de kerstnacht.
Bij verschillende kerken was hij al langs geweest.  Maar nergens was meer een plaats.
‘Wij hebben al een koor’ kreeg hij een paar keer te horen.  ‘Wij hebben  2  trompettisten bij het orgel’  hoorde hij.  ‘Wij doen dit jaar een musical’. . . .
Zo liep Henry vandaag door Zeist.
Natuurlijk, de deuren van de kerken zouden vanavond open gaan. Ook wel voor hem. Maar zijn vioolkist zou dicht blijven, en dat stemde hem  in mineur.  Hij wilde zo graag spelen. Niet alleen voor de kerkgangers, nee vioolspelen wilde hij vooral voor dat kind in de kribbe.

Het was inmiddels avond en Henry had zich er zo onderhand bij neergelegd dat hij deze kerstavond niet op zijn viool zou spelen.  Maar opeens hoorde hij in de verte gezang. Hij luisterde nog eens goed: ja, hij hoorde duidelijk Christmas carols zingen. Zijn hart ging weer sneller kloppen. Hij ging op het gezang af. Even later zag hij inderdaad een koor voor een kerk gebouw zingen. ’Zou hij hier dan . . . .?’

Het was tegen half 8 toen hij het kerkplein opliep. Het  koor stopte juist  met zingen.  Met de koorleden en nog een paar late kerkgangers ging Henry mee naar binnen. In de hal zag hij links de deur van een toilet.  ‘Daar moet ik eerst even heen’ dacht onze violist. Toen hij uit het toilet kwam was de hal leeg, en bleek de kerkdienst reeds begonnen. Hij zag op tafel nog een liturgie liggen.  ‘Kerstnachtdienst van de Noorderlichtgemeente. Met medewerking van: een organist, een pianist, een carolkoor, een kinderkoor . . . .’.  De moed schoot hem in zijn schoenen.  Dan zal hier waarschijnlijk helemaal  geen plaats meer zijn voor een violist.
‘Wat nu?’ zei Henry in zichzelf. ‘Toch naar binnen gaan? Gewoon maar doen. Wie niet waagt, die niet wint’ besloot Henry.  Hij luisterde aan de deur. Hij hoorde iemand een verhaal vertellen.
Zachtjes opende hij de deur, liep naar binnen en beklom het podium.

Henry komt nu binnen, en volgt verder met gebaren,  mimiek e.d. samen met de andere genoemde personen  het verhaal.

De man die een verhaal aan het vertellen was keek verbaasd op.  Ordeverstoring? Gelukkig was de koster snel ter plaatse.  Deze vroeg aan Henry wat hij wel kwam doen.  ‘Ik wil viool spelen. Voor het kerstkind’ zei Henry.  ‘Tja’ zei de koster, ‘maar we zitten al midden in de dienst, en er is al zo veel muziek, dat gaat niet meer lukken hoor’.
De organist boven in de kerk keek over de balustrade om te zien wat er aan de hand was beneden. Henry kreeg hem in de gaten.  ‘Organist, mag ik niet samen met u wat spelen’.  De organist zwaaide echter afkeurend met zijn armen.
Henry liep verder over het podium. Daar stond dat koor wat daarstraks buiten stond te zingen. De dirigent leek hem wel een vriendelijke man. ‘Dirigent, zou het niet leuk zijn als ik viool speel bij een kerstlied wat jullie nog gaan zingen?’ De dirigent keek eens naar zijn koor, maar hij zag verschillende nee-schuddende gezichten. ‘Nee beste violist, dat gaat ook niet. Wij zingen de kerstliederen  a-kapella’.

Bijna had Henry zich erbij neergelegd dat het ook in deze kerk niet zou lukken, maar toen zag hij nog iemand achter een vleugel zitten. ‘Mijn laatste kans’ dacht hij. Hij liep op de pianist af en stelde wederom dezelfde vraag: ‘Ik zou zo graag vioolspelen. Voor het kerstkind’.  De pianist reageerde  anders dan de anderen. Hij legde uit dat het natuurlijk eigenlijk niet kan; zomaar een kerkgebouw inlopen om viool te spelen. En dan nog wel tijdens de kerstnachtdienst. Alles is tot in de puntjes voorbereid en ingestudeerd. Dan kun je toch niet op het laatste moment aankomen om even mee te doen?
Maar misschien, zei de pianist, als de verhalenverteller het goed vindt,  mag je wel even solo voor het kerstkind een lied spelen. De pianist keek de verhalenverteller aan; en die knikte: Ja.

Henry liep naar de kribbe. Hij trok zijn jas uit.
Hij mocht spelen! Wat voelde hij zich gelukkig. Hij moest weer denken aan zijn kinderjaren toen hij in een combo ook tijdens dit soort diensten in de kerk mocht spelen. Nu kwam hij eigenlijk weinig meer in de kerk. Het geloof in God; ergens diep van binnen was het er wel, maar zo veel dingen begreep hij niet. Het gekste vond hij eigenlijk nog Kerst. De zoon van God, als baby in een kribbe. Om later redder van mensen te worden. Kan je dat begrijpen?

Hij deed zijn vioolkist open en haalde zijn viool eruit.
Maar tegelijk, hij voelde diep van binnen dat het toch iets heel bijzonders was, datgene waar het met kerst omging.  Daarom wilde hij met kerst toch altijd weer naar de kerk.  Licht schijnt in het donker. Vrede op aarde.  Hoop op een betere wereld . . . .  en, een kind  dat niet zomaar een baby was, maar alles te maken had met die mooie woorden.

Hij nam de strijkstok en bracht  die op spanning.
“Woorden” bedacht Henry. Dat is het precies wat ik zo moeilijk vind om eraan te geven.  Ik zou iets willen zeggen tegen dat kerstkind, maar ik weet gewoon niet wat. Ik zou willen bidden, maar zou niet weten  wat ik moet zeggen.  Maar op de één of andere manier zou ik een dankbaar gevoel willen uiten omdat ik toch geloof dat wat  uitgaat van dit kerstkind van de grootste waarde is.
Gelukkig heb ik mijn viool . . . . .

Hij zet het instrument  onder zijn kin en begint  te spelen.

Henry speelt ingetogen solo  ‘o kindeke klein o kindeke teer’.
Na één couplet mengt de pianist zich in zijn spel. Tijdens dit spel komt het kinderkoor erbij staan en zingen tenslotte het eerste couplet nog eenmaal mee.

Elke vogel zingt zijn lied

Kerstverhaal Kerstavond NoorderLichtgemeente 24-12-2014

NLG kerst 2014 ┬® foto Fred Manschot IMG_9743

Als alle mensen in het dorp slapen, en het ook rondom de kerk stil en donker is, gebeurd er soms iets wonderlijks. Vorige week nog.
De haan boven op te toren klimt voorzichtig naar beneden.
De duif op de deksel van het doopvont klapwiekt, en vliegt de kerk in.
De adelaar op de lezenaar schudt het gebeden boek van zich af en springt op een kerkbank.
De drie vogels ontmoeten elkaar op het podium waar net die dag een kerstboom is neergezet.

Fijn dat jullie zijn gekomen zegt de duif. Ik wil wat met jullie bespreken.
De haan en de adelaar kijken vragend naar de duif. Ze heeft altijd iets bijzonders.
Waarom kijk je eigenlijk altijd achterom, duif?
O, dat komt omdat ik de hoop op een goede toekomst verbeeldt. Daarom ga ik voorop, en kijk ik achterom of jullie mij wel volgen.

Maar luister, zoals jullie zien staat die boom er weer. De haan en de adelaar knikken.
En jullie weten wat dat betekent. De haan en de adelaar knikken weer.
Kerstversieringen, kerststallen, kerstverhalen…en wij doen weer niet meer mee.
Het hele jaar zijn we trouw aanwezig in de kerk, en nota bene op het belangrijkste feest worden we buitenspel gezet. Een ezel mag Maria rijden, een os en een ezel staan in de stal, een stel schapen komen achter de herders aan. Er staat er hier nota bene ieder jaar eentje met zijn neus vooraan. Het valt me nog mee dat ze hier geen rendieren neergezet hebben. Maar wij, vogels, mogen nooit mee doen. Dat moet dit jaar anders.
Helemaal mee eens, zegt de haan.
Wij willen dit jaar ook een rol in het kerstverhaal.
Helemaal mee eens, zegt de adelaar, en dan denk ik dat ik de hoofdrol wel mag spelen.
Ahum? zegt de duif.
Ja, ik ben de oudste hier in de kerk en ben van blinkend brons.
Oh…zegt de duif. Ik sta altijd vooraan op het podium, en ik ben van zuiver zilver. Die hoofdrol die komt mij toe.
Nee nee, zegt de haan. Die hoofdrol is natuurlijk voor mij. Ik sta altijd al aan de top en ben bovendien van glanzend goud.
Ach haantje de voorste, hou toch op. Je komt net kijken, je staat pas een paar maanden op de toren, zegt de adelaar. Het gaat er toch ook om welke rol je kan spelen in het kerstverhaal? Ik ben sterk, ik kan het kerstkindje met mijn adelaarsvleugels beschermen.
Nee joh, dat doet Jozef wel. Ik kan als postduif het blijde nieuws aan iedereen berichten.
Dat is helemaal niet nodig. Als het kerstkindje is geboren kraai ik op m’n hardst en weet iedereen het. Kukeleku!

En zo kibbelden, kwetterden en kakelden de drie vogels verder en was het helemaal niet meer gezellig daar onder de kerstboom.
Nietes, welles! Nietes!
Ik. Nee ik. Nee ik!
Ach jij ook altijd.
Vlieg op!
Vlieg zelf op.

De vogels waren zo aan het ruziën dat ze niet in de gaten hadden dat er een klein vogeltje aan kwam vliegen. Het was een musje.
Zeg vogels, houden jullie eens even je snavels!
De adelaar, de haan en de duif keken verbaasd op. Waar kom jij nou vandaan  mus?

Ik woon hier ook in de kerk.
Da’s waar, zei de Adelaar, dat staat in het boek: zelfs vindt de mus een huis o Heer.
Klopt zei de mus. Maar vandaag ben ik ook een engeltje, want ik heb een belangrijke boodschap voor jullie.
Een engel? Laat me niet lachen kraait de haan. Die zien er heel anders uit.
Niet waar zei de duif, een engel kan verschillende gedaanten aannemen. Ja zei de adelaar, laten we naar hem luisteren.

Goed zo, zei de mus.
Mijn boodschap is dat jullie mee mogen spelen in het kerstverhaal.
Echt waar? Zeiden de vogels.
Ja, maar jullie moeten daar natuurlijk geen ruzie over maken. Dat past toch helemaal niet.
Kerstfeest gaat juist over vrede. Over dat God van mensen houdt. Over een kind dat de mensen weer hoop geeft.
Ja, dat is waar ook zei de duif. Maar wat moeten we dan spelen? Zei de adelaar. Precies, welke rol krijg ik dan? Zei de haan.

De boodschap van Jezus is dat ieder mens gelijk is. De een is niet meer dan de ander. Als iedereen daar naar zou leven zal vrede op aarde al een stuk dichter bij komen.

Ja. En? Wat betekent dat voor onze rol?

Jullie moeten gewoon jullie eigen rol spelen, jezelf zijn. Accepteer jezelf en respecteer elkaar. Zo heeft God het bedoeld.
Elke vogel zingt zijn lied!

Dus ik blijf gewoon het boek dragen? Zei de adelaar.
Ja, zei de mus. Het boek moet open blijven. Het verhaal moet verteld blijven worden. De oude verhalen uit de bijbel, het kerstverhaal, maar ook de verhalen van de mensen van nu zoals die staan in het gebedenboek.

En ik blijf gewoon op het doopvont zitten, lieve mus?
Natuurlijk duifje. Maar bedenk: de kerststal is over een week  weer weg. Maar jij bent het hele jaar zichtbaar als teken van vrede en hoop. Je verbeeld immers de geest van God in de hemel? Met jou is het elke week een beetje kerst in de kerk en natuurlijk helemaal als er een kindje wordt gedoopt.

De haan hoorde het allemaal aan. Dus ik moet maar weer gewoon m’n plek op de toren opzoeken?  Ik zit daar altijd zo ver van alles vandaan, zei hij een beetje verdrietig.
Tja, zei de mus. Dat is eenmaal jouw taak. De mensen wakker houden. Zorgen dat ze waakzaam  en scherp blijven. Als jij er niet meer zou staan komt er straks geen kip meer in de kerk, en daar kraait dan geen haan meer naar.
Maar, je hoeft niet direct naar je vaste plek. Voor deze keer mag je samen met de os, de ezel en de schapen wat rondscharrelen in de stal. Uiteindelijk ben jij ook een boerderijdier. Dan kun je het grote wonder wat is geschied nu  ook eens van heel dichtbij bekijken.
Mag dat echt? Wat vind ik dat geweldig. Dank je wel mus, je bent een engel… of uhh… dank je engel, je bent een mus… uhh… laat ook maar…

De haan nam zijn plek in in de kerststal. Om goed in de kribbe te kunnen kijken sprong hij op de rug van de os en vandaar af op de rand van de kribbe.
En toen het kindje in de kribbe de haan boven zich zag staan, kraaide het van plezier.

NLG kerst 2014 ┬® foto Fred Manschot IMG_9733

Dansen met Bach

9789461533722

Ten tijde van het koningschap van Lodewijk de Veertiende van 1643 (Lodewijk was toen vier jaar oud) tot aan zijn dood in 1715, werden balletten en opera’s waarin werd gedanst tomeloos populair aan het hof van Versailles. Was het dansen in eerste instantie voorbehouden aan geschoolde dansers en danseressen, en diende het dansen dus alleen om naar te kijken in het theater, al gauw wilden de edele dames en heren zelf ook de dansen leren uitvoeren. Lodewijk zelf ging hen hierbij voor, want hij was een fervent dansliefhebber. Hij danste als tiener al mee in balletten. Op deze manier ontstonden de pompeuze balfeesten in de rijkversierde balzalen van Versailles en Parijs. Dit had een grote uitstraling naar de gegoede burgerij zowel in binnen- als buitenland en zeker in Duitsland was men in de ban van de Franse hofdansen.
Zo’n ‘bal’ was altijd strak georganiseerd op grond van allerlei regels. Het stond vast waar je moest zitten of staan en welke plek je op de dansvloer kreeg. De voornaamste gasten kregen natuurlijk de beste plek. Ook de volgorde van wanneer men zich op de dansvloer mocht begeven was van te voren bepaald.
Er werd aan het hof natuurlijk niet ‘gevolksdanst’. De gebruikte dansritmes kwamen weliswaar voort uit de oorspronkelijke volksdansen, zoals het menuet en de gavotte, maar de dansvormen zelf, zoals de pasjes en de bewegingen, werden ontwikkeld vanuit de balletkunst. De door Lodewijk de Veertiende in 1661 gestichte ‘Koninklijke academie voor de Dans’ heeft daarbij een grote invloed gehad. Hieruit kregen de ‘hoofse dansen’ verder hun vorm en eigenlijk werd hier de basis van het moderne ballet gelegd.
Karakteristiek voor de ‘hoofse dansen’ was dat er gestileerd en elegant in groepjes werd gedanst. Dit gebeurde gewoonlijk in rijen of in kringen. Soms ook wel in paren, maar dan ging het niet om vaste paren zoals dat tegenwoordig gewoon is, maar steeds met afwisselende paren. Het is dus niet te vergelijken met het huidige stijldansen. Verder waren de dansen gebonden aan strenge regels en houdingsvormen. Zo moest de rug recht blijven en mochten bij het bewegen van de armen de schouders niet opgetrokken worden. Ten slotte waren de grondpatronen die op de dansvloer afgelegd moesten worden misschien wel net zo belangrijk als de lichaamsbewegingen zelf. In deze patronen vallen dezelfde barokelementen op (zoals symmetrie en versieringen) die we ook herkennen in de architectuur van paleizen met de daarbij horende tuinen uit die tijd (zie illustratie). Alles bij elkaar hadden deze hoofse dansen veel rituele kenmerken. Zaken als discipline, in balans zijn en het bezitten van een zekere waardigheid konden op deze manier uitgedrukt worden. Al deze zaken waren terug te voeren op het strenge hofleven onder Lodewijk de Veertiende; hoe beter je kon dansen hoe hoger je status was aan het hof.
Dit hoofse dansen bleef natuurlijk niet voorbehouden aan het hofleven. Ook de gegoede burgerij ging dit overnemen en op die manier ontstond er een nieuwe (dans)cultuur die zich verspreidde over West-Europa. Franse hoffelijkheid raakte zogezegd in de mode waarbij ook het taalgebruik werd beïnvloed. Een gezegde als ‘iemand het hof maken’ was afkomstig van het hof waar het oorspronkelijk de betekenis had van ‘in de gunst van de koning komen’. In de nieuwe betekenis ging dit meer de kant op van in de gunst van een meisje komen waar je je oog op hebt laten vallen. De hofdansen, waarbij  in rijen werd gedanst en je dus steeds een andere partner voor je kreeg, bleken uitermate geschikt bij het op zoek gaan naar een geschikte partner. Ook om deze reden waren deze georganiseerde bals erg populair.
Belangrijk voor de ontwikkeling en het aanleren van deze dansvormen waren de Franse dansmeesters. Deze kunstenaars waren daarnaast ook dikwijls musicus en componist. Jean Baptiste Lully was zo’n veelkunner, evenals verschillende van zijn leerlingen. Met twee van hen zullen we in dit hoofdstuk nader kennismaken omdat onder andere deze twee de Franse dans- en muziekkunsten binnen de Duitse hoven introduceerden. Omdat Bach vanwege zijn belangstelling en zijn werk in contact stond met deze hoven, leerde hij deze dansmeesters uit Parijs ook kennen. Zij fungeerden als een belangrijke inspiratiebron voor hem, zeker voor wat betreft de Franse muziek.

Voordat ik echter deze dansmeesters op de dansvloer laat verschijnen, wil ik eerst nog een prangende vraag aan de orde stellen.

Als nu al een aantal hoofdstukken lang geschreven wordt over Bach en de dansmuziek die hij heeft gecomponeerd, dan is het toch eigenlijk niet zo vreemd om de volgende vraag te stellen: danste Bach zelf ook? Was Bach een danser? Het is op zichzelf al een vreemd klinkende vraag. De vraag stellen is hem beantwoorden: want hoeveel muzikale kwaliteiten we Bach ook op allerlei gebieden toedichten, we kunnen ons een dansende Bach eigenlijk niet voorstellen. Dat past eenvoudigweg niet bij het beeld dat we nu van hem hebben. We zien hem als een statige, serieuze, zware en enigszins stijve man die in zijn vrije tijd het liefst ontspannen een pijp rookte met een goed glas wijn er bij. Misschien dat hij op een familiefeest meedeed met een rondedansje, maar of hij zich mee liet voeren in het hierboven beschreven Frans gedans? Ik kan het me eigenlijk niet voorstellen. Maar hiermee is op de zo juist gestelde vraag nog geen bevredigend antwoord gegeven.

In alle literatuur die ik over Bach heb gelezen, komt een ‘letterlijk’ dansende Bach niet voor. Toch is ook dit stilzwijgen hierover nog geen bewijs dat Bach zelf niet danste. Of hij dus van dansen hield of dat hij bijvoorbeeld in zijn jeugd zelf dansles heeft gehad, op deze vragen valt niet met zekerheid een antwoord te geven. De kans dat Bach in zijn jeugd dansles heeft gehad, lijkt me overigens niet zo groot. Bach woonde tot zijn negende jaar in zijn ouderlijk huis in Eisenach. Op die leeftijd, of de jaren nog daarvoor, ging men nog niet op dansles. In zijn tienertijd, toen hij danslessen zou kunnen gaan volgen, woonde Bach reeds bij zijn oudere broer Johann Christoff in Ohrdruf. Hij had zijn twee jongste broers, Johann Jacob en Johann Sebastian in zijn gezin opgenomen nadat beide ouders waren overleden. Deze plotselinge gezinsuitbreiding kostte Johann Christoff, die als organist niet erg bemiddeld was, veel extra uitgaven. Hij zorgde dan ook voor het hoognodige, en daar zullen danslessen vast en zeker niet bij gezeten hebben. Toen Bach vijftien jaar oud werd, moest hij dan ook zelf de kost gaan verdienen. Hij kwam toen in Lüneburg terecht. Hierover dadelijk meer.

Het zou kunnen dat Bach samen met zijn vrouw Maria Barbara dansles heeft gehad van Adam Immanuel Weldig. In 1708 vestigde het jonge paar zich in Weimar en ze betrokken een woning aan het marktplein die in bezit was van deze Weldig. Hij woonde zelf ook in dit pand. Bach en zijn vrouw kregen hier hun eerste kinderen. Weldig werkte net als Bach voor het hoforkest van de hertog. Hij was een falsettist, een mannensopraan. Tevens was hij de baas van de pages aan het hof en gaf hij ook nog danslessen. Bach en Weldig raakten bevriend met elkaar wat tot uiting kwam in het feit dat deze zanger en dansleraar de peetvader werd van Bachs derde kind Carl Philipp Emanuel (Georg Philipp Telemann was de andere peetvader). Het kan toch haast niet anders dat Weldig het één en ander aan dansvormen aan het jonge stel heeft geleerd.

Ook in de fase van Bachs leven dat hij thuis kinderen had zou hij gedanst kunnen hebben (en die fase heeft tot aan zijn dood geduurd). Tim Dowley schrijft hierover dat de eenvoudige muziekstukjes uit het Notenbüchlein für Anna Magdalena uitstekend geschikt zouden zijn om op te dansen. Ook in het gezin van de Thomascantor: ‘en het kan zijn dat hun zoons en dochters ze gebruikt hebben tijdens de traditionele danslessen’. Hij doelt hier dan op de menuetten, polonaises en marsen in Anna Magdalena’s notenboekje. Maar ook hier weer: ‘het kan zijn dat…’

Al die menuetjes heb ik vroeger ook geleerd, al was dat voor orgelles. (Dansles heb ik zelf ook nooit genoten. Dat paste niet in het milieu waar ik uitkom.) De stukjes stonden in het lesboekje: ‘Doremi van pruikentijd’. Allemaal makkelijke stukjes uit de barok. Mijn orgelleraar, Gert van Surksum, vertelde daar al bij dat men vroeger met die grote pruiken op heel deftig op deze muziek kon dansen.

Een menuet was een populaire dans die zijn oorsprong had in Frankrijk rond 1670. De dans heeft een driedelige maatsoort en een vrij rustig tempo. Oorspronkelijk is het menuet afkomstig uit de provincie Poitou-Charentes (midden-west Frankrijk). De naam is afgeleid van ‘pas menus’ dat ‘kleine stapjes’ betekent. Over rituelen gesproken: lange tijd had het grondpatroon van deze dans een S-vorm, verwijzend naar ‘soleil’ (zon), de Zonnekoning dus. Het menuet werd één van de meest populaire dansen uit de klassieke muziek. Zelfs Mahler verwerkte in 1894 nog een menuet in zijn tweede symfonie. Aanvankelijk werd het menuet individueel gedanst maar later vooral in groepjes van vier. Echt een dansje om thuis met de kinderen te doen zou je zeggen. Maar of Bach dat deed? Het lijkt erop dat hij toch voornamelijk zijn menuetjes en polonaises schreef voor de klavecimbellessen van zijn kroost, en natuurlijk voor zijn Anna Magdalena.

Wat wel een feit is, is dat Bach in zijn leven een aantal keren te maken heeft gehad met zeker voor die tijd bekende dansmeesters: Thomas de la Selle en Jean Baptiste Volumier. Beiden waren opgeleid aan het Franse hof en hebben wellicht ook de Dansacademie gevolgd.
Bach ging toen hij vijftien jaar was, naar Lüneburg in Noord-West Duitsland om te studeren aan het gymnasium aldaar. De jongens uit de minder bemiddelde gezinnen (en dat gold ook voor de familie Bach) werden op deze school aangenomen wanneer ze muzikaal onderlegd waren en over een goede sopraanstem beschikten. Ze konden dan zingen in het Mettenkoor van de Sankt Michaeliskerk. Hiervoor kregen ze zelfs een bescheiden salaris. Bachs broer Johann Christoff hoefde hem nu niet meer te onderhouden. Aan dit Gymnasium was ook de zogenaamde ‘Ritteracademie’ verbonden. Dit was een speciale afdeling voor de jongens van adellijke afkomst. Naast het gebruikelijke onderwijs kregen deze jongens les in de etiquette die bij hun stand behoorde. En zeker in die tijd was dat heel Frans georiënteerd. De jongens kregen les in de Franse taal en natuurlijk hoorden daar ook danslessen bij. En ook dit dansen ging op de Franse manier. Speciaal hiervoor had de school de Fransman Thomas de la Selle ingehuurd, een musicus en dansmeester die aangesteld was aan het ook zeer Frans georiënteerde hof Braunschweig-Lüneburg in Celle, zo’n tachtig kilometer van Lüneburg vandaan. Hertog Georg Wilhelm was namelijk getrouwd met een Franse Hugenote, Eléonore Desmier d’Olbreuse en deze Française zorgde er wel voor dat het er Frans aan toe kon gaan in het paleis. Zij maakte van het hof van Celle een ‘klein Versailles’. Het is zo goed als zeker dat Bach met deze Thomas de la Selle een aantal keren naar Celle heen en weer is gereisd waardoor Bach zich heeft kunnen verdiepen in de Franse muziek, de suites en de dansstijlen. Het zou goed kunnen dat deze De la Selle de vijftienjarige Sebastian de verschillende Franse dansstapjes heeft aangeleerd. Maar waarschijnlijk was Bach toch meer geïnteresseerd in de Franse muziek. Als hij zelf niet eens heeft meegespeeld met het hoforkestje van De la Selle, dan heeft hij vast wel de repetities bijgewoond. Thomas de la Selle zelf was ooit nog in de leer geweest bij de grote Jean Baptiste Lully, de hofcomponist van Lodewijk de Veertiende. Lully was naast musicus en componist ook dansmeester en had in zijn jeugd zelf ook in balletten gedanst, samen met Lodewijk de Veertiende.

Het is inmiddels een bekend gegeven: de invloeden van de Franse muziek zijn een vaste waarde geworden in het gehele werk van Bach. In cantates, in werken voor klavecimbel en andere werken voor solo-instrumenten; Franse invloeden komen steeds terug en dit zijn dan voornamelijk dansinvloeden. Ook in de orkestwerken zoals de vier Orkestsuites. De eerste suite heeft bijvoorbeeld een vorm die Lully ook al toepaste: na een dans kwam er een variatie op die dans om ten slotte de eerste dans weer te herhalen. De officiële titel die Bach aan zijn eerste suite gaf was: ‘C Dur Ouverture à 2 Hautbois 2 Violini Viola Fagotto con Cembalo di Johan Sebatian Bach’. Hij noemt dus de hele suite naar het openingsdeel en noemt daarbij de toonsoort (C-groot) en de benodigde instrumenten: twee hobo’s, twee violen, een altviool, een fagot en een klavecimbel. Een klein kamerorkestje dus. Bach schreef deze suite (BWV 1066) evenals zijn vierde (BWV 1070) toen hij aan het hof van Cöthen werkte, wellicht met het oog op een bal in het kasteel.

In die Cöthense jaren (1717 – 1723) begaf hij zich ook regelmatig in kringen van het hof van Dresden. Daar werkte voor het hoforkest ene Jean Baptiste Volumier die Bach tot zijn vriendenkring mocht rekenen. Deze Volumier was een bijzonder, en naar ik meen ook nogal excentriek persoon. Een kunstenaar die niet vies was van wat show. Naast componist en vermaard violist was hij ook dansmeester aan het hof, dat wil zeggen, hij schreef de balletten en leerde de dansen aan. Tegenwoordig noemen we zo iemand een choreograaf. Alweer dus een danser. Volumier was een Vlaming van geboorte. Zijn oorspronkelijk naam was de nu nog steeds Vlaams klinkende naam Woulmyer. Waarschijnlijk al tijdens zijn leerperiode aan het Franse hof veranderde deze naam in het Franse ‘Volumier’. Het was in die tijd niet ongewoon om je naam aan te passen aan de taal van het land waar je werkzaam was. Volumier is geen letterlijke vertaling van Woulmyer, het lijkt alsof er wat geschoven is met letters. De uitkomst van dit geschuif moet Volumier echter goed uitgekomen zijn omdat in het Frans volumier kan staan voor geluidsterkte. Een mooie naam dus voor een musicus en dansmeester!

Deze Volumier was in 1717 (toen Bach nog in Weimar werkte) degene die in Dresden de ‘klavier- wedstrijd’ organiseerde tussen Bach en de Franse organist Louis Marchand, die ook nog voor Lodewijk de Veertiende heeft gewerkt. Wat nu precies de toedracht van dit gebeuren was, is nooit duidelijk geworden. Moest de als arrogant bekend staande Marchand een lesje geleerd worden? Of wilde Volumier juist de Franse suprematie bewijzen? Het zou ook kunnen dat het Volumier ging om zijn eigen status; dat hij het voor elkaar kreeg deze twee grootheden met elkaar te laten strijden.[1] Het past overigens ook helemaal bij zijn persoonlijkheid dat hij voor het eerst in de geschiedenis de musici en dansers een gelijktijdige buiging liet maken voor het applaudisserende publiek.
Volumier bleef tot aan zijn dood in 1728 in Dresden werkzaam en Bach heeft nog regelmatig contact gehad met hem, ook in de jaren dat Bach in Leipzig werkte (vanaf 1723). Het is heel goed mogelijk dat Volumier ook één of meer van Bachs Orkestsuites heeft uitgevoerd. Dit vermoeden kan beargumenteerd worden met het feit dat Bach, ook in de periode dat hij in Leipzig verbleef, zich nog steeds bezighield met dansmuziek. In 1724 en 1725 zijn er nieuw geschreven versies van de hierboven genoemde Eerste Orkestsuite gemaakt. Dat moet natuurlijk met de bedoeling geweest zijn om uitgevoerd te kunnen worden, en wie weet was dat wel voor uitvoeringen door Volumier in Dresden. En vast en zeker kon erop deze muziek stijlvol gedanst worden op een choreografie van Volumier himself! Zeker het menuet, de vijfde beweging uit deze Orkestsuite, is typisch zo’n werkje om op te dansen. Bij het beluisteren ervan kun je je gemakkelijk inbeelden hoe de deftige dames met hoge pruiken en wit bepoederde gezichten en hun edele heren, ook bepruikt, in kleine stapjes elegant in S-vormen om elkaar heen draaiden. Op de rustige driekwartsmaat van het menuet spelen de violen een toegankelijke melodie. Na dit korte menuet volgt dan een variatie (‘alternativement’) die wat zachter wordt gespeeld. Hierna wordt het eerste deel nog een keer herhaald. Precies volgens het voorbeeld van Lully in Versailles.

1725 werd genoemd. Bachs tweede jaar in Leipzig. Hij is inmiddels veertig jaar. Op de toppen van zijn kunnen. Hij heeft zich gestort op het wekelijks componeren van een cantate. Hij is begonnen met het schrijven van zijn grote Passionen. Maar in dit jaar komt hij ook met zijn tweede Notenbüchlein für Anna Magdalena met eenvoudige menuetten en polonaises. Het jaartal wordt genoemd op het titelblad van de officiële uitgave. Ook schrijft Bach zijn oude Orkestsuites over in het net en componeert hij nieuwe. Al zullen we nooit weten of Bach zelf een danser was, zeker is wel dat het maken van dansmuziek in zijn bloed zat.

*

De balzaal in het kasteel van Cöthen. In gedachten zien we het kleine orkest aan de zijkant van de dansvloer het menuet uit de suite uitvoeren. Bach dirigeert, dit keer spelend vanachter zijn klavecimbel. Violen en hobo’s spelen hun strakke melodielijnen begeleid door een staccato lopend continuo van cello, fagot en klavecimbel. Bach beziet het deftig dansende gezelschap vanuit zijn ooghoeken. De dansmeester trippelt opgewonden heen en weer om alles in goede banen te leiden. Het menuet is niet makkelijk met dat S-patroon op de dansvloer! Horen de dames en heren wel hoe prachtig de muziek van deze dans eigenlijk is? Bach schudt zijn hoofd, hij moet glimlachen. ‘Het is toch allemaal wat verwijfd, dat Franse gedoe’, denkt hij bij zichzelf.

‘Laat mij maar gewoon muziek maken’.

[1] Lees verder over deze geschiedenis  in het hoofdstuk Musette.