Francesco Gasparini

In 2013 deed de Leipzigger Bach-onderzoeker Peter Wollny een bijzondere ontdekking. In de bibliotheek van het Schütz-Haus in Weissenfels stuitte hij op een nog onbekend handschrift van Johann Sebastian Bach. Het ging om een kopie van het Kyrie en Gloria uit de Missa Canonica van de Italiaanse componist Francesco Gasparini. Bach kopieerde de vierstemmige Mis met basso continuo uit 1705 op hetzelfde papier als waar hij zijn Tweede Wohltemperiertes Klavier op noteerde. Dit moet dus rond 1740 geweest zijn. Daarbij voegde Bach er partijen voor strijkinstrumenten, hobo’s, zinken, trombones en orgel aan toe wat duidt op daadwerkelijke uitvoeringen in de kerken van Leipzig. De mis van Gasparini bevat kunstige canons en bewijzen zijn meesterschap op het gebied van contrapunt.
Gasparini werd geboren in Camaiore, Toscane, 1661. Hij studeerde korte tijd in Bologna en daarna in Rome onder andere bij Corelli. Hier bracht hij in 1702 zijn eerste opera uit. Hierna vertrok hij naar Venetië waar hij één van de belangrijkste componisten en muziekleraren werd, onder andere van Benedetto Marcello. Hij schreef een belangrijke verhandeling over het klavecimbelspel wat honderd jaar na verschijnen nog in Italie gebruikt werd. Er verschenen drieëntwintig opera’s en vijftien oratoria van zijn hand. Ten slotte was hij als muzikaal directeur van het Ospedale della Pietà verantwoordelijk voor het in dienst nemen van Vivaldi als vioolleraar en faciliteerde hij dat deze zijn vioolconcerten kon schrijven met het oog op uitvoeringen van het beroemde meisjesorkest. In 1720 keerde Gasparini terug naar Rome waar hij in twee kerken kapelmeester werd. Hier werd hij ook korte tijd de leraar van Johann Joachim Quantz (1697 – 1773) die van hem lessen in contrapunt ontving wat blijkbaar een specialisme was van Gasparini wat ook blijkt uit de belangstelling van Bach voor zijn in oude stijl geschreven mis. Quantz kwam later te werken in het hoforkest van Frederik de Grote in Potsdam waar ook Bachs zoon Carl Philipp Emanuel in dienst was. Wellicht dat Bach via Quantz en zijn zoon de Missa Canonica in zijn bezit kreeg.
Francesco Gasparini overleed in 1727.

Rond 1740 bewerkte Bach ook Pergolesi’s Stabat Mater, muziek in de nieuwe galante stijl. Zijn kopie van Gasparini’s Missa Canonica bewijst dat hij zich op latere leeftijd tegelijkertijd ook bleef verdiepen in de benadering van de stile antico met z’n polyfonie en canons van andere componisten. In de latere jaren veertig kwam dat nog weer ten uiting kwam in zijn Musicalischer Opfer en Der Kunst der Fuge.

Boekpresentatie ‘Johann Sebastian Bach, zijn land, zijn tijdgenoten’

Uitgelicht

Faas_BachLandTijdgenoten_CVR_v4

 

Op 9 november a.s. hoop ik mijn derde Bachboek te presenteren:

Johann Sebastian Bach, zijn land, zijn tijdgenoten

 
Na ‘Dansen met Bach’ en ‘Alla maniera Italiana’ wordt Bach in mijn nieuwe boek geportretteerd tegen de achtergrond van het toenmalige Duitsland en in samenhang met mensen waar hij mee heeft geleefd en gewerkt. Na de Franse en de Italiaanse staat nu dus de Duitse barok centraal.
Tijdens de boekpresentatie spelen Beniamino Paganini (klavecimbel, orgel en traverso) en Nele Vertommen (hobo, blokfluit en zang) muziek van Bach en tijdgenoten. Dit talentvolle jonge barokduo uit Leuven heeft al samengewerkt met grote namen uit de barok muziek. Zie  https://beniaminopaganini.com/i-suonatori-poetici-2/

De boekpresentatie gaat plaatsvinden op 9 november, 15.30 uur in de NoorderLichtkerk, Bergweg 92, te Zeist. De toegang is vrij!

             

Van harte welkom!

Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ (BWV 639)

Uitgelicht

Paradise on earth                                                                  Gott und Bach sind auf deiner Seite

           I don’t believe in god or anything but damn these songs are good

                                                                        To listen is to rest in the very arms of God

            Dit juweel van Bach brengt mijn diepste emoties naar de oppervlakte. Ja, ik krijg tranen in mijn ogen, niet van bedroefdheid, maar van geluk. Ik voel me geborgen, getroost. Dat een man als Bach zo een emotie teweeg kan brengen verbaast me iedere keer weer.

Zomaar wat reacties onderaan YouTube-filmpjes van uitvoeringen van Bachs beroemde koraalbewerking. De compositie is een zeer geliefd werk van Bach. Dikwijls staat het dan ook op orgelconcertprogramma’s. Het stuk wordt vaak ook als transcriptie uitgevoerd op piano of gitaar.
Hoe komt het toch dat deze compositie van Bach zo geliefd is. Wat heeft Bach met de muziek willen uitdrukken. En, waar gaat het koraal eigenlijk over? Ik ga me eens verdiepen in dit prachtige werk.

Als eerste is het dan van belang om te weten wat de tekst van het koraal is. Het gaat om een kerklied van vijf strofen. De tekstdichter en waarschijnlijk ook componist van de melodie is Johannes Agricola een vriend en volgeling van Maarten Luther. Hij schreef het in 1530.

Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ,
ich bitt, erhör mein Klagen,
verleih mir Gnad zu dieser Frist,
laß mich doch nicht verzagen;
den rechten Glauben, Herr, ich mein,
den wollest du mir geben,
dir zu leben,
mein’m Nächsten nütz zu sein,
dein Wort zu halten eben.
Ik roep tot u, Heer Jezus Christus,
ik bid u: hoor mijn klagen,
geef mij genade in deze tijd,
laat mij toch niet versagen;
het ware geloof, Heer, denk ik,
dat wilde u mij geven,
om voor u te leven,
mijn naaste dienstbaar te zijn,
uw woord trouw te bewaren.
Ich bitt noch mehr, o Herre Gott,
du kannst es mir wohl geben:
daß ich werd nimmermehr zu Spott;
die Hoffnung gib darneben,
voraus, wenn ich muß hier davon,
daß ich dir mög vertrauen
und nicht bauen
auf alles mein Tun;
sonst wird mich’s ewig reuen.
Ik vraag daarnaast nog, Here God,
– gij kunt het mij zéker geven –
dat ik nooit meer tot spot word,
en verder: geef mij alvast hoop,
dat ik, wanneer ik vanhier moet gaan,
mijn vertrouwen op u mag stellen
en niet zal bouwen
op al mijn eigen werken,
anders zal mij dat eeuwig berouwen.
Verleih, daß ich aus Herzens Grund
mein Feinden mög vergeben,
verzeih mir auch zu dieser Stund,
gib mir ein neues Leben;
dein Wort mein Speis laß allweg sein,
damit mein Seel zu nähren,
mich zu wehren,
wenn Unglück geht daher,
das mich bald möcht abkehren.
Geef dat ik uit de grond van mijn hart
mijn vijanden mag vergeven,
vergeef mij ook op dit moment,
schenk mij een nieuw leven;
uw woord zij heel mijn weg mijn spijs,
om mijn ziel te voeden,
zodat ik mij kan verweren
als ongeluk op mij afkomt
dat zich hopelijk snel van mij afwendt.
Laß mich kein Lust noch Furcht von dir
in dieser Welt abwenden,
Beständigsein ans End gib mir,
du hast’s allein in Händen;
und wem du’s gibst, der hat’s umsonst:
es kann niemand ererben
noch erwerben
durch Werke deine Gnad,
die uns errett’ vom Sterben.
Laat mij geen lust, geen vrees
in deze wereld van u scheiden.
Geef dat ik ten einde toe standvastig ben,
’t ligt enkel in uw handen;
en wie gij ’t geeft, die krijgt ’t voor niets:
niemand kan erven
of door zijn werken verwerven
uw genade,
die ons redt van ’t sterven.
Ich lieg im Streit und widerstreb,
hilf, o Herr Christ, dem Schwachen!
An deiner Gnad allein ich kleb,
du kannst mich stärker machen.
Kömmt nun Anfechtung, Herr, so wehr,
daß sie mich nicht umstoße.
Du kannst maßen,
daß mir’s nicht bring Gefahr;
ich weiß, du wirst’s nicht lassen.
Ik lever strijd en bied verzet,
help mij, Heer Christus, ik ben zwak!
Alleen aan uw genade houd ik vast,
gij kunt mij sterker maken.
Als er nu verzoekingen komen, Heer, maak dan
dat die mij niet omverduwen.
Gij kunt ervoor zorgen
dat het niet gevaarlijk voor me wordt;
ik weet, gij zult dat niet toelaten.[1]

Bachs koraalbewerking wordt meesterlijk gespeeld door Leo van Doeselaar op het orgel van de Katharinakirche in Hamburg, te bekijken/beluisteren op AllofBach:

http://allofbach.com/nl/bwv/bwv-639/

De koraalbewerking is onderdeel van het zogenaamde Orgelbüchlein, een verzameling koraalvoorspelen welke Bach maakte in Weimar. Bachs bedoeling was alle 164 liederen uit het Luthers gezangboek van een koraalbewerking te voorzien. Hij heeft er jammer genoeg 46 voltooid.
Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ heeft de vorm van een trio. In dit geval betekent dit dat er een duidelijk te onderscheiden bovenstem is: de versierde melodie die met de rechterhand gespeeld wordt. Een middenstem voor de linkerhand, bestaande uit zestienden die voortdurend gebroken akkoorden spelen en ten slotte de bas in het pedaal met zijn slepende achtste noten.
Ofschoon het lied als ‘u Here Jezus roep ik aan’ in zowel het oude als het nieuwe Liedboek staat is mijn indruk is dat de melodie van het koraal toch niet heel bekent is. Hieronder de koraalharmonisatie die Bach ook maakte van het koraal (BWV 1124) en een link naar de uitvoering ervan:Ich ruf zu dir

https://www.youtube.com/watch?v=NZLgfB7YbS8)

De eerste twee regels van het koraal worden herhaald waarna een tweede deel volgt dat ritmisch onderbroken wordt door een korte zevende regel. Dit is ook de basisstructuur van de koraalbewerking van Bach. Het is heel apart. Ook al ken je de originele melodie, dan nog valt hij niet direct op als je luistert naar de koraalbewerking BWV 639. Voor een deel komt dit natuurlijk omdat Bach de melodie versiert, maar belangrijker is denk ik dat hij hem langzaam laat spelen waardoor de oorspronkelijke melodie minder opvalt . Het is aan te raden om de koraalbewerking (nog een keer) te beluisteren en tegelijk ‘mee te lezen’ met de melodielijn (bovenste stem) van de hierboven geplaatste zetting. Dan zie en hoor je dat de melodie in de koraalbewerking heel langzaam gespeeld wordt, zeker vergeleken met de gewone koraalzetting, BWV 1124. Het zal dan ook opvallen dat de versieringen niet heel uitbundig of ingewikkeld zijn. Eigenlijk zitten die alleen aan het einde van de eerste en tweede regel (en in de herhaling regel 3 en 4). Naast verschillende trillers voegt Bach vooral verbindingsnoten toe tussen de intervallen. Het tweede deel van de koraalmelodie wordt niet of nauwelijks versierd. Bach volgt gewoon de koraalmelodie op een enkele verbindingsnoot op het laatst na.

Leo van Doeselaar heeft in  zijn toelichting over de koraalbewerking een duidelijk standpunt wat betreft het affect van de compositie. Die is volgens hem diep droevig. Hij verbindt dat aan de tweede regel van het eerste vers: ‘Ich bitt, erhör mein klagen’ en koppelt dat vervolgens  aan de toonsoort waarin de bewerking is geschreven: f-mineur, de toonsoort die in de barok dikwijls gebruikt werd om droefheid en smart uit te drukken. Een toonsoort met soms schrijnende akkoorden. Ook de almaar voortrollende zestienden ziet van Doeselaar aan voor een voortdurend, zwaar en schrijnend klaagpatroon.

‘Het wordt er eigenlijk ingewreven, het is niet zomaar klagen, het is in en in droevig’  aldus van Doeselaar.

Ik kan me niet in de mening van van Doeselaar vinden. Het is een te snelle 1 +1 = 2 (klagen + f-mineur = diepe droefheid).  Zijn aanname dat Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ een klaaglied is klopt ook niet. Lees de tekst maar na. Er is geen sprake van nood, zonde, pijn of verlies. Het roepen tot de Heer is niet ‘Aus der Tiefe’. Het woordje klagen komt weliswaar een keer voor in het eerste couplet maar lijkt mij eerder gekozen zodat de dichter een rijmwoord heeft op het woord versagen uit regel 4. Hoe dan ook, het is geen klaag- of boetelied. Naar mijn overtuiging kan de tekst gezien worden als een gebed van een gelovige die Christus bidt om een goed christen te zijn. Een gebed om geloof, kracht, om goed te doen, om volharding. De gelovige erkent zijn zwakheid en stelt zijn vertrouwen in Christus. Zeker geen klaaglied dus. Bach laat de bewerking dan ook in majeur eindigen.
Als ik luister naar de koraalbewerking maakt dat bij mij een gevoel van vertrouwen en rust los en zeker geen droefheid. Daarvoor hoef ik de tekst van het koraal niet eens te kennen. De hierboven geplaatste reacties op YouTube geven iets dergelijks aan.
Zou het kunnen zijn dat Bach deze sfeer van rust en vertrouwen juist heeft willen oproepen, en dat hij wil uitdrukken dat bij het uitspreken van het gebed je mag geloven dat Christus de aanroeping hoort en verhoort?

Het geheim van de schoonheid van Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ zit hem naast de emotievolle toonsoort f-mineur in de combinatie van de kalme, vertrouwenwekkende melodielijn, de rustig begeleidende bastonen die het geheel een zeker fundament geven, en vooral de verbindende middenstemmen van gebroken akkoorden. Het klinkt allemaal zo eenvoudig maar Bach heeft deze drie lagen weergaloos knap geharmoniseerd. Hierin was hij de absolute meester. Dit wordt nog duidelijker als je luistert naar transcripties voor gitaar of piano waarbij alle stemmen dezelfde klank hebben.
Alles klopt.
Ook al heb je er technisch geen verstand van, je voelt dat diep van binnen.
Je kunt je er volledig aan overgeven.

voraus, wenn ich muß hier davon,
daß ich dir mög vertrauen

 

Gitaar:
https://www.youtube.com/watch?v=MUdXJj0RO-w

Piano:
https://www.youtube.com/watch?v=tT19lmeMI6c

[1] Vertaling Jaap H. van der Laan.

Albinoni is meer dan zijn Adagio en Bach wist dat.

Het Adagio in g van Albinoni is zo’n compositie die haast iedereen wel kent. Boven een eenvoudig basisthema van strijkers en orgel spelen violen een droevig klinkende melodie die gemakkelijk in het gehoor ligt.  Het stuk komt dikwijls op klassieke verzamel cd´s terecht.
Tomasso Giovanni Albinoni was een talentvol componist die het geluk had rijke ouders te hebben. Hierdoor was hij in staat zich primair op de muziek te richten. Hij hoefde niet in een kerk te werken zoals de meeste van zijn collega-componisten. Feitelijk was hij autodidact die zichzelf een ‘dilettante Veneto’ noemde.  De hierboven aangehaalde ´klassieke hit´ is echter niet van Albinoni. Op enkele maten uit een triosonate van Albinoni componeerde de Italiaanse musicoloog Remo Giazotto in de vijftiger jaren van de vorige eeuw een melodie, waarna hij suggereerde een nieuw muziekstuk van Albinoni ontdekt te hebben. Natuurlijk kwam deze misleiding algauw aan het licht, maar door alle publiciteit werd dit Adagio vreemd genoeg wel Albinoni’s bekendste werk.
Tomaso Giovanni Albinoni werd op 8 juni in 1671 in Venetië geboren, waar hij zijn hele leven verbleef. Waarschijnlijk studeerde hij bij Legrenzi. In zijn tijd was hij vooral bekend als operacomponist, maar het zijn vooral zijn instrumentale werken die tegenwoordig nog uitgevoerd worden. Hieronder bevinden zich viool- en hoboconcerten en sinfonia’s. Alles bij elkaar heeft hij een omvangrijk oeuvre bij elkaar gecomponeerd. De laatste jaren van zijn leven leidde hij een teruggetrokken bestaan. Na twee jaar bedlegerig te zijn geweest stierf hij in 1750, hetzelfde sterfjaar als Bach.
Bach kende het werk van Albinoni. Hij gebruikte viermaal een thema van hem voor een klavierfuga: BWV 946, 950, 951 en 951a. Zeker Bachs Fuga in b-klein (BWV 951) blinkt uit door de mooie melodie die Bach leende van Albinoni. Het is afkomstig uit het tweede deel uit diens Trio Sonata no. 8, opus 1.  Bach bewerkte deze melodie tot een rustgevende voortmeanderende fuga van ruim vijf minuten. Zo blijkt dat Albinoni zeer wel zelf in staat was mooie melodieën af te leveren. Door Giazotto´s toedoen zouden we bijna het tegenovergestelde gaan denken: een componist die zijn bekendheid ontleend aan een werk dat niet van hem is, die wordt toch niet serieus genomen?
Gelukkig zag Bach dat al anders.

Tekst is afkomstig uit het boek Johann Sebastian Bach en de Italiaanse barok.

Muziek voor Bevrijdingsdag in Leipzig, 1745

Frederuj de Grote_resizedFrederik de Grote

Tijdens de tweede Silezische oorlog (1744 – 1745) werd Leipzig op 30 november 1745 bezet door het Pruisische leger en maakte Bach voor het eerst een oorlog aan de lijve mee. Een hevige strijd om Leipzig werd niet geleverd, die had in september al rond Dresden plaatsgevonden waarbij het Saksische leger een grote nederlaag te verwerken kreeg en de hoofdstad door de Pruisen werd ingenomen. 

Sinds  het keurvorstendom Brandenburg en het hertogdom Pruisen in 1701 verenigd werden tot het koninkrijk Pruisen en werd geregeerd door de ‘soldatenkoning’ Frederik I, een telg uit het roemrijke geslacht van de Hohenzollerns, bevond Pruisen zich in een ongekende opmars wat betreft economische groei, politieke en militaire macht en uitbreiding van het grondgebied. Berlijn werd de definitieve hoofdstad en voor het wapen werd de beeltenis van een krachtige adelaar gekozen, nog steeds het symbool in het wapen van Duitsland. De al eeuwenlange heerschappij van het Heilige Roomse Rijk onder leiding van de Oostenrijkse Habsburgerse keizers was langzaam maar zeker tanende. Lang kon deze macht in stand gehouden worden als gevolg van de talloze zwakke, onderling verdeelde Duitse vorstendommen. Door het steeds sterker wordende Pruisen kwam daar verandering in en kregen de Duitsers hun zelfrespect terug. Binnen het grotere geheel van de Oostenrijkse Successieoorlog (1740 – 1748) waarbij veel Europese landen (ook de Nederlanden) betrokken waren zette Frederik II vanaf 1740 de politiek van zijn vader succesvol voort wat hem de bijnaam Frederik de Grote bezorgde. Na de dood van Keizer Karel VI lijfde hij tijdens de Eerste Silezische oorlog in 1740 Silezië in (heden ten dage Zuid-West Polen). Volgens een oud verdrag zou hij aanspraak maken op dit vruchtbare en welvarende land wat rijk was aan mineralen. Karels opvolger, dochter Maria Theresia deed tijdens de Tweede Silezische oorlog nog een poging de annexatie ongedaan te maken maar slaagde daar niet in. Op 25 december 1745 werd de vrede van Dresden getekend en vertrokken de Pruisen uit Leipzig. Voor de Leipzigers een reden om feest te vieren waarbij Bach voor de gelegenheid de cantate Gloria in Excelsis Deo (BWV 191) uitvoerde tijdens een dankdienst in de Paulinerkirche die waarschijnlijk ´s middags plaatsvond. De muziek hiervan, ook passend bij eerste kerstdag, was niet nieuw. Bach hergebruikte drie delen uit het ‘Gloria’ dat hij reeds in 1733 naar keurvorst August III in Dresden had gestuurd, met het verzoek hem te benoemen tot ‘hofcompositeur’. Bach zou de delen later ook in zijn Hohe Messe plaatsen. Voor de dankdienst schreef Bach de partituren helemaal opnieuw uit en hij veranderde hier en daar de instrumentatie.
Zou het een bewuste keus van Bach geweest zijn om juist deze muziek, die hij indertijd feitelijk voor Dresden had gecomponeerd (en daar misschien ook is uitgevoerd), weer uit te voeren? Dresden had grote verliezen geleden in de beëindigde oorlog. De Saksen hadden het  onderspit gedelfd ten opzichte van het nog weer machtiger geworden Pruisen.

Bach bleef zijn land echter trouw en zal dat wellicht hebben willen laten blijken met de keus voor dit Gloria.

 

(Dit is een voorpublicatie uit het boek: Johann Sebastian Bach, zijn land, zijn tijdgenoten van Wim Faas wat in het najaar van 2019 verschijnt).

Bachs verjaardag in 1728

Met de ‘Happy Bachdag’ wordt het een traditie om jaarlijks stil te staan bij de geboortedag van Johann Sebastian Bach. Elk jaar wordt zijn verjaardag gevierd! Maar hoe vierde Bach zijn verjaardag zelf? Concreet weten we daar niets van. Wellicht zal er in de familiekring aandacht aan zijn gegeven. Verjaardagen werden immers wel gevierd, dat weten we bijvoorbeeld van de verschillende verjaardagscantates die Bach schreef voor prins Leopold van Anhalt-Köthen, zijn broodheer in Köthen als ook voor verschillende leden van het keurvorstelijke hof in Dresden. En net als wij zongen ze in Bachs tijd ook ‘lang zal hij leven’. De verjaardagscantate Tönet, ihr Pauken, erschallet, Trompeten  (BWV 214) die Bach in 1729 schreef voor de verjaardag van koningin/keurvorstin Maria Josepha eindigt er mee: ‘Königin, lebe, ja lebe noch lang’.

Bachs verjaardag op 21 maart viel altijd in de lijdenstijd. In deze periode, tot aan Goede Vrijdag, werden er in de kerk geen cantates uitgevoerd. Alleen op 25 maart werd er een uitzondering op deze regel gemaakt. Dan werd het feest van Maria-verkondiging gevierd (Annunciatie) waarin wordt herdacht dat de engel Gabriel aan Maria aankondigt dat ze zwanger zal worden van een zoon. 25 maart is negen maanden voor 25 december. Vandaar die datum…
Was Bach dan altijd op zijn verjaardag vrij? Eén keer in elk geval niet. Het gebeurde wel dat Maria-verkondiging in het Paasweekend viel. In dat geval werd het feest verplaatst naar de zondag daarvoor. En zo viel 25 maart in 1728 op Witte Donderdag. Ook geen dag om het Maria-feest te vieren en om die reden werd het verplaatst naar 21 maart en zodoende was het die zondag in Thomaskirche driemaal feest: Palmpasen, Maria-verkondiging en de verjaardag van de cantor!

Bach voerde op deze bijzondere zondag de cantate Himmelskönig, sei wilkommen (BWV 182) uit en wat mij betreft gaf hij zichzelf daarmee een cadeautje omdat dit een lievelingscantate van hem geweest moet zijn. Hij voerde hem namelijk al voor de vijfde keer uit[1]. De eerste keer was op 25 maart 1714 toen Maria-verkondiging en Palmzondag samenvielen. Die maand was Bach gepromoveerd tot concertmeester aan het hof van Saksen-Weimar waar aan verbonden was dat hij maandelijks voor een nieuw gecomponeerde cantate diende te zorgen. Himmelskönig, sei wilkommen was in dit kader zijn eerste cantate. Duidelijk is dat Bach goed voor de dag wilde komen. In Arnstadt en Mühlhausen had hij reeds enkele cantates geschreven maar die waren voor een belangrijk deel nog geënt op de oude Duitse motetstructuur. Met Himmelskönig, sei wilkommen schreef Bach zijn eerste geestelijke cantate die de richting op gaat van het Italiaanse model, dat wil zeggen met aria’s en recitatieven[2]. De cantate opent met een wonderschone sonate; een duet tussen viool en blokfluit. Met het gepunteerde ritme doet het denken aan een Franse ouverture waarin de binnenkomst van de koning wordt verbeeld. Daar gaat immers de cantate over. Tegelijk is dit echter ook Bachs ouverture: zijn eerste cantate in Weimar. ‘Kantatekönig, sei wilkommen’, zo schreef iemand op een website. Ik wil hier niet te diep ingaan op de cantate zelf. Lees hiervoor bijvoorbeeld de tekst op de website van van Hengel. Bach heeft in elk geval willen laten horen dat zijn promotie terecht was en dat hij alle muzikale stijlen beheerste: kamermuziek, koorfuga’s, aria’s met obligate instrumenten maar ook de oude Duitse motetstijl zoals die nog klinkt in deel zeven: ‘Jesu, deine Passion’.
Meerdere keren voerde Bach de cantate in Weimar uit. Ook in Leipzig in 1724 toen Annunciatie op zaterdag viel[3]. Hij breidde hierbij de instrumentatie uit met een extra viool en een hobo.

Himmelsk

En toen werd het zondag 21 maart 1728. Bach werd drieënveertig. Drie feesten op één dag en de jarige mocht deze keer muziek maken! Hij koos weer voor de cantate waar hij zulke goede herinneringen aan had. En opnieuw veranderde hij de instrumentatie. Er zijn manuscripten uit 1728[4] waarin bij één partij bovenaan de sonate staat aangetekend: viool of hobo[5]. De andere partij is alleen voor de viool. Blijkbaar heeft Bach de blokfluit ingewisseld voor de viool en getwijfeld of hij de tweede partij door de viool of de hobo zou laten uitvoeren. Het levert veel vragen op. Waarom geen blokfluit meer, het instrument wat zo mooi bij de lijdenstijd past? En waarom nu de keus: hobo of viool? Musicologen en dirigenten komen er niet uit. Georg Christoph Biller van het Thomanerchor uit Leipzig kiest voor de sonate zelfs voor de combinatie  hobo / blokfluit. Nog weer anders.

Een uitvoering met twee violen komt voor zover ik weet nooit voor. En toch had dat wel eens de combinatie kunnen zijn waar Bach op 21 maart 1728 voor heeft gekozen. De viool, dat was toch zijn instrument?
In principe de hobo, maar deze keer de viool.
Samen met de eerste violist van zijn ensemble speelde hij zo de sonate voorafgaand aan de koorfuga ‘Himmelskönig, sei wilkommen’.
Het was toch immers zijn verjaardag?
Leve de jarige!
Lang leve Bach!

[1] Volgens de bronnen zou Bach de cantate zes maal hebben uitgevoerd, en is het de meest uitgevoerde cantate door Bach zelf.

[2] In 1713 had Bach al een ‘wereldlijke’ cantate geschreven naar Italiaans model: Was mir behagt ist nur die muntre Jagt (BWV 208), de zogenoemde Jachtcantate.

[3] Een andere cantate voor Annuncuatie is Wie schön leuchtet die Morgenstern (BWV 1).

[4] www.bach-digital.de

[5] Zie illustratie, door de stempel is dit niet goed leesbaar.

Corelli en Bach

19. corelli

Op zijn sterfdag, 8 januari, klinken er in het Pantheon in Rome ieder jaar concerti grossi en triosonates van Corelli. Het is het muzikale genre waar deze musicus zijn stempel op heeft gezet. Corelli was één der grootste Italiaanse barokcomponisten en is in deze bijzondere kerk bijgezet.
Corelli werd op 17 februari 1653 geboren nabij Ravenna. Algauw bleek hij een talent voor het vioolspel te hebben. Op zijn dertiende vetrok hij naar Bologna, destijds een belangrijk centrum voor kamermuziek. Hier ontwikkelde hij zich tot een uitmuntend violist. Op zijn negentiende vervolgde hij zijn studie in Rome, de stad waar hij altijd zou blijven. Hij kreeg aanstellingen als concertmeester bij de naar Rome uitgeweken koningin Christina van Zweden en later bij de machtige kardinalen Panfilli en Ottoboni. Het maakte dat Corelli zich in financiële zin nooit zorgen hoefde te maken. Naast componist bleef hij vermaard als violist en kreeg hij een belangrijke reputatie als vioolleraar.
Corelli componeerde alleen instrumentale muziek: concerti grossi, triosonates en sonates voor viool.  Het is niet zo dat hij deze vormen ontwikkeld heeft, maar met de kwaliteit van zijn werken bewerkstelligde hij wel dat deze vormen met hun specifieke opbouw de standaard werden tot aan het eind van de barokperiode. Ook Bachs triosonates grijpen dus terug op die van Corelli.
Met zijn (viool)muziek streefde Corelli geen virtuositeit na. Voor hem ging het om bewogen, lyrische  composities met mooie ‘zang’lijnen en harmonieën. Vergeleken met iemand als Vivaldi is zijn oeuvre klein, maar daar staat tegenover dat al zijn werken van hoge kwaliteit zijn. Hij bleef dan ook altijd aan zijn composities schaven voordat hij tot publicatie overging. Publiceren deed Corelli net als veel andere Italianen bij de Amsterdamse uitgever Estiene Roger. Via Prins Johann Ernst van Saksen-Weimar die hier bladmuziek aanschafte, leerde Bach zo ook het werk van Corelli kennen. In één werk van Bach is de inbreng van Corelli evident: de Fuga in b-klein (BWV 579). Deze orgelcompositie krijgt gewoonlijk dan ook de ondertitel ‘op een thema van Corelli’ mee. Bach heeft het thema geleend uit de Sonata da chiesa in b- minor (opus 3, no. 4), een compositie voor strijkinstrumenten. Het tweede deel van deze triosonate, een Vivace, bestaat uit slechts 39 maten en telt twee thema´s. Bach spint deze thema’s uit tot een fuga van maar liefst 102 maten waarbij hij de harmonie aanpast en een vierde stem toevoegt. Met hulp van Corelli creëerde Bach zo een uitermate boeiend en mooi orgelwerk.

Op zijn sterfdag, 8 januari, klinken er in het Pantheon in Rome ieder jaar concerti grossi en triosonates van Corelli. Het is het muzikale genre waar deze musicus zijn stempel op heeft gezet. Corelli was één der grootste Italiaanse barokcomponisten en is in deze bijzondere kerk bijgezet.
Arcangelo Corelli werd op 17 februari 1653 geboren nabij Ravenna. Algauw bleek hij een talent voor het vioolspel te hebben. Op zijn dertiende vetrok hij naar Bologna, destijds een belangrijk centrum voor kamermuziek. Hier ontwikkelde hij zich tot een uitmuntend violist. Op zijn negentiende vervolgde hij zijn studie in Rome, de stad waar hij altijd zou blijven. Hij kreeg aanstellingen als concertmeester bij de naar Rome uitgeweken koningin Christina van Zweden en later bij de machtige kardinalen Panfilli en Ottoboni. Het maakte dat Corelli zich in financiële zin nooit zorgen hoefde te maken. Naast componist bleef hij vermaard als violist en kreeg hij een belangrijke reputatie als vioolleraar.
Corelli componeerde alleen instrumentale muziek: concerti grossi, triosonates en sonates voor viool.  Het is niet zo dat hij deze vormen ontwikkeld heeft, maar met de kwaliteit van zijn werken bewerkstelligde hij wel dat deze vormen met hun specifieke opbouw de standaard werden tot aan het eind van de barokperiode. Ook Bachs triosonates grijpen dus terug op die van Corelli.
Met zijn (viool)muziek streefde Corelli geen virtuositeit na. Voor hem ging het om bewogen, lyrische  composities met mooie ‘zang’lijnen en harmonieën. Vergeleken met iemand als Vivaldi is zijn oeuvre klein, maar daar staat tegenover dat al zijn werken van hoge kwaliteit zijn. Hij bleef dan ook altijd aan zijn composities schaven voordat hij tot publicatie overging. Publiceren deed Corelli net als veel andere Italianen bij de Amsterdamse uitgever Estiene Roger. Via Prins Johann Ernst van Saksen-Weimar die hier bladmuziek aanschafte, leerde Bach zo ook het werk van Corelli kennen. In één werk van Bach is de inbreng van Corelli evident: de Fuga in b-klein (BWV 579). Deze orgelcompositie krijgt gewoonlijk dan ook de ondertitel ‘op een thema van Corelli’ mee. Bach heeft het thema geleend uit de Sonata da chiesa in b- minor (opus 3, no. 4), een compositie voor strijkinstrumenten. Het tweede deel van deze triosonate, een Vivace, bestaat uit slechts 39 maten en telt twee thema´s. Bach spint deze thema’s uit tot een fuga van maar liefst 102 maten waarbij hij de harmonie aanpast en een vierde stem toevoegt. Met hulp van Corelli creëerde Bach zo een uitermate boeiend en mooi orgelwerk.

Beluister/bekijk het werk:


In het boek ‘Johann Sebastian Bach en de Italiaanse barok’ staan o.a. 19 portretten van Italiaanse componisten waar Bach mee aan het werk is geweest.