Dwarriël, een eigenzinnig engeltje

 

download

Een hemels kerstverhaal

Dwarriël:
Ik ga daar niet aan mee doen!
Heb je die tekst gelezen?
‘Vrede op aarde’!  Daar geloof je toch niet in.
Dat ga ik echt niet zingen Gabri
ël.
Ik stap uit het engelenkoor.

Gabriël:
Luister eens Dwarri
ël,
Jij bent een engel, dus je zingt in het engelenkoor.
De tekst, daar ga jij niet over.
En je weet dat we binnenkort als engelen aan de bak moeten.
Het grootste optreden ooit!
Dus opgefladderd! Naar de repetitie.


Verteller:

Het was niet de eerste keer dat Dwarriël  zo tegendraads was. Ze was een eigenzinnig engeltje, met een eigen mening. Maar denk niet dat Dwarriël nou een vervelende engel was. Hij was juist lief en zorgzaam. Maar ze hield nou eenmaal niet van de gebaande paden, of beter gezegd, van de vaste vliegroutes.
Het gebeurde eens dat ze haar vleugels roze had geverfd. Dat gaf wel wat consternatie in de hemel.
`Ja, alle engelen zien er ook hetzelfde uit´ had ze gezegd.
´De mensen op aarde, die zijn man, vrouw, of wat dan ook, maar wij zijn allemaal gender-neutraal’!
Dat roze is nooit helemaal uit haar vleugels gegaan. Net als haar streken trouwens, die bleven ook altijd haar doen en laten kleuren.

En nu dus weer die scene met niet mee willen zingen.
Terwijl er een groots optreden op stapel stond. Nog nooit vertoond! En dat alles ter gelegenheid van de geboorte van het hemelse kind op aarde. Het publiek zou in eerste instantie niet veel voorstellen. Slechts een handjevol herders. Maar daarna, en eeuwenlang door, zou hun lied een grote hit blijken. Ere zij God in de hoge, Gloria in excelsis Deo!
Maar Dwarriël lag weer eens dwars.  Ze gooide de kont weer eens tegen de kribbe.

D: Waarom zou ik mee moeten doen, er zijn toch engelen genoeg?
G: Zonder jouw stem is het engelenkoor niet compleet Dwarriël.
D: Maar Gabri
ël, zeg nou zelf, vrede op aarde: daar gelooft toch geen engel nog in?
G: Het is maar hoe je het bekijkt Dwarriël. Maar ik ga je niet overtuigen. Je zal het zelf        moeten ontdekken.
D: En hoe zal ik dat in ’s hemelsnaam moeten doen?
G: Je gaat mee naar het grote optreden. En ik beloof:  je hoeft niet mee te zingen. Kijk         gewoon maar eens  wat er gebeurd.

Verteller:
Het was weer een knap staaltje engelengeduld van Gabriël. Maar zou dit goed uitpakken? Als Dwarriël iets in z´n kop had, dan had hij het niet in …  nou ja, je weet wel.

De grote dag, of beter gezegd, de grote nacht was aangebroken. Gabriël daalde  met zijn hemelse engelenschaar af naar de aarde. Om precies te zijn naar de velden van Efratha vlakbij Bethlehem.
Dwarriël had zich wat achter in de rijen aangesloten. Stiekem had hij weer een paar likjes roze verf op een paar veren gesmeerd. De bengel.

Hoe het gebeurde, ze snapte er zelf ook niets van, maar van het ene op het andere moment zat ze tussen een stel herders bij een kampvuur.
Haar vleugels en witte engelenkleed waren verdwenen. Ze had herderskleren aan, met een prachtig kleed van roze stof. Wat stond dat goed! Een hele knappe engel in de hemel die dat genaaid heeft…
Het leek voor de herders of het de gewoonste zaak was dat ze bij hen zat. Zagen ze hem wel?
Ze maakten ruzie. Er waren een paar schapen kwijt geraakt en de één gaf de ander de schuld. Het ging er fel aan toe. Ze gingen bijna op de vuist!
Toen, opeens, stond Gabriël tussen hen. De herders schrokken zich lam! Dwarriël natuurlijk niet. Toch was hij onder de indruk van de woorden van Gabriël. ‘Er is een kind geboren; een redder en hij is te vinden in een stal’. Dwarriël begreep dat niet meteen. Een stal? Het was toch een kind uit de hemel? Hij dacht daar nog over na toen plots de hemel gevuld werd met het grote engelenkoor. Ere zij God in de hoge, vrede op aarde, God houdt van de mensen. Dwarriël zong het lied in gedachten mee.
Oef… dat klonk toch wel mooi.

En opeens waren de engelen verdwenen, maar bevond Dwarriël zich nog bij de herders. Ze leken haar nog steeds niet op te merken. ‘Kom’ zeiden ze, ‘we gaan zoeken naar dat kind’. Dwarriël sloot zich aan bij de groep. ‘Maar waar kunnen we dat kind vinden’ zei één van de herders. Voordat Dwarriël  er erg in had wenkte ze van: ‘kom, volg mij maar, ik denk dat ik het weet’ en de herders liepen zo achter hem aan!
In zijn hoofd galmde het lied van de engelen nog na. ‘Vrede op aarde’. Wat betekende dat toch? En gek, maar al lopend voelde Dwarriël al iets van vrede in haar hart.
Het was niet ver. Dwarriël was onbekend in deze omgeving. Maar op de één of andere manier wist ze precies waar ze moesten zijn. ´Daar, in dat schuurtje, daar is het´, wees ze.
De herders gingen naar binnen en vonden het kindje. Het lag te slapen in een kribbe.
Vol verwondering keek ook Dwarriël  er naar. Dit kind, is dit nou de reddende engel? Het kind van de Allerhoogste, die voor ‘vrede op aarde’ gaat zorgen?
Even voelde Dwarriël het protest weer in zich naar boven komen. ‘Dat kan toch helemaal niet’.
Maar toen zag hij hoe al die ruziënde herders stil waren geworden en voor het kindje knielden. Er was vrede in de stal. En op dat moment begon er iets te dagen bij Dwarriël…
Dit kind gaat de vrede niet regelen, dit kind is de vrede.
De Allerhoogste heeft het gegeven. Klein en kwetsbaar. Het laat zien dat als je je open stelt voor de liefde die daar van uit gaat, als je jezelf klein maakt, er vrede in je wordt opgewekt. Dwarriël ziet het aan de herders: ze zijn nog steeds stoer en sterk maar ze zijn ook veranderd. De herders zijn vrienden van elkaar zijn geworden. Als ze de stal verlaten beginnen ze zelfs het lied van de engelen te zingen: Ere zij God in hoge, vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.
Voor dat Dwarriël de stal verlaat knielt ze ook neer bij de kribbe. Dan gaat ze naar buiten en sluit ze zich aan bij de herders. Als vanzelf zingt Dwarriël met ze mee: ‘Vrede op aarde’ en in een flits beseft hij dát hij het zingt…
… en op hetzelfde moment staat ze weer als engel tegenover Gabriël in
het hemelrijk.


G: Zo Dwarriël, heb je je vleugels weer eens roze geverfd?
D: Oeps… sorry Gabri
ël, tja, het wil  er niet meer af…
G: Ach, je blijft een buitenbeentje. Maar vertel; hoe staat het met de vrede op aarde?
D: Ik heb de vrede gezien Gabri
ël! Het was een hemels kindje in een armoedige stal,          maar ik had daar het gevoel alsof ik in de zevende hemel was!
G: Ik hoorde je net zelfs meezingen: Vrede op aarde.
D: Ja, want ik begrijp nu een beetje wat er mee bedoeld wordt.
G: En?
D: De Allerhoogste heeft het mooiste van zichzelf gegeven:  Vrede, liefde, vergeving…
Niet als iets wat vanzelf komt, maar om te volgen, om te doen.
Klein durven zijn, net als dat kind.
Durven te dienen, net zoals het kind zal doen als het groot is.
Dan komt vrede vanzelf. Ik zag het bij de herders!
G: Mooi Dwarriël. Dus je zingt voortaan weer met ons mee?
D: Als dat mag, met m’n roze vleugels…
G: Natuurlijk. Die horen toch bij jou?

 

 

Illustratie: Jan Toorop, 1920

Elke vogel zingt zijn lied

Kerstverhaal Kerstavond NoorderLichtgemeente 24-12-2014

NLG kerst 2014 ┬® foto Fred Manschot IMG_9743

Als alle mensen in het dorp slapen, en het ook rondom de kerk stil en donker is, gebeurd er soms iets wonderlijks. Vorige week nog.
De haan boven op te toren klimt voorzichtig naar beneden.
De duif op de deksel van het doopvont klapwiekt, en vliegt de kerk in.
De adelaar op de lezenaar schudt het gebeden boek van zich af en springt op een kerkbank.
De drie vogels ontmoeten elkaar op het podium waar net die dag een kerstboom is neergezet.

Fijn dat jullie zijn gekomen zegt de duif. Ik wil wat met jullie bespreken.
De haan en de adelaar kijken vragend naar de duif. Ze heeft altijd iets bijzonders.
Waarom kijk je eigenlijk altijd achterom, duif?
O, dat komt omdat ik de hoop op een goede toekomst verbeeldt. Daarom ga ik voorop, en kijk ik achterom of jullie mij wel volgen.

Maar luister, zoals jullie zien staat die boom er weer. De haan en de adelaar knikken.
En jullie weten wat dat betekent. De haan en de adelaar knikken weer.
Kerstversieringen, kerststallen, kerstverhalen…en wij doen weer niet meer mee.
Het hele jaar zijn we trouw aanwezig in de kerk, en nota bene op het belangrijkste feest worden we buitenspel gezet. Een ezel mag Maria rijden, een os en een ezel staan in de stal, een stel schapen komen achter de herders aan. Er staat er hier nota bene ieder jaar eentje met zijn neus vooraan. Het valt me nog mee dat ze hier geen rendieren neergezet hebben. Maar wij, vogels, mogen nooit mee doen. Dat moet dit jaar anders.
Helemaal mee eens, zegt de haan.
Wij willen dit jaar ook een rol in het kerstverhaal.
Helemaal mee eens, zegt de adelaar, en dan denk ik dat ik de hoofdrol wel mag spelen.
Ahum? zegt de duif.
Ja, ik ben de oudste hier in de kerk en ben van blinkend brons.
Oh…zegt de duif. Ik sta altijd vooraan op het podium, en ik ben van zuiver zilver. Die hoofdrol die komt mij toe.
Nee nee, zegt de haan. Die hoofdrol is natuurlijk voor mij. Ik sta altijd al aan de top en ben bovendien van glanzend goud.
Ach haantje de voorste, hou toch op. Je komt net kijken, je staat pas een paar maanden op de toren, zegt de adelaar. Het gaat er toch ook om welke rol je kan spelen in het kerstverhaal? Ik ben sterk, ik kan het kerstkindje met mijn adelaarsvleugels beschermen.
Nee joh, dat doet Jozef wel. Ik kan als postduif het blijde nieuws aan iedereen berichten.
Dat is helemaal niet nodig. Als het kerstkindje is geboren kraai ik op m’n hardst en weet iedereen het. Kukeleku!

En zo kibbelden, kwetterden en kakelden de drie vogels verder en was het helemaal niet meer gezellig daar onder de kerstboom.
Nietes, welles! Nietes!
Ik. Nee ik. Nee ik!
Ach jij ook altijd.
Vlieg op!
Vlieg zelf op.

De vogels waren zo aan het ruziën dat ze niet in de gaten hadden dat er een klein vogeltje aan kwam vliegen. Het was een musje.
Zeg vogels, houden jullie eens even je snavels!
De adelaar, de haan en de duif keken verbaasd op. Waar kom jij nou vandaan  mus?

Ik woon hier ook in de kerk.
Da’s waar, zei de Adelaar, dat staat in het boek: zelfs vindt de mus een huis o Heer.
Klopt zei de mus. Maar vandaag ben ik ook een engeltje, want ik heb een belangrijke boodschap voor jullie.
Een engel? Laat me niet lachen kraait de haan. Die zien er heel anders uit.
Niet waar zei de duif, een engel kan verschillende gedaanten aannemen. Ja zei de adelaar, laten we naar hem luisteren.

Goed zo, zei de mus.
Mijn boodschap is dat jullie mee mogen spelen in het kerstverhaal.
Echt waar? Zeiden de vogels.
Ja, maar jullie moeten daar natuurlijk geen ruzie over maken. Dat past toch helemaal niet.
Kerstfeest gaat juist over vrede. Over dat God van mensen houdt. Over een kind dat de mensen weer hoop geeft.
Ja, dat is waar ook zei de duif. Maar wat moeten we dan spelen? Zei de adelaar. Precies, welke rol krijg ik dan? Zei de haan.

De boodschap van Jezus is dat ieder mens gelijk is. De een is niet meer dan de ander. Als iedereen daar naar zou leven zal vrede op aarde al een stuk dichter bij komen.

Ja. En? Wat betekent dat voor onze rol?

Jullie moeten gewoon jullie eigen rol spelen, jezelf zijn. Accepteer jezelf en respecteer elkaar. Zo heeft God het bedoeld.
Elke vogel zingt zijn lied!

Dus ik blijf gewoon het boek dragen? Zei de adelaar.
Ja, zei de mus. Het boek moet open blijven. Het verhaal moet verteld blijven worden. De oude verhalen uit de bijbel, het kerstverhaal, maar ook de verhalen van de mensen van nu zoals die staan in het gebedenboek.

En ik blijf gewoon op het doopvont zitten, lieve mus?
Natuurlijk duifje. Maar bedenk: de kerststal is over een week  weer weg. Maar jij bent het hele jaar zichtbaar als teken van vrede en hoop. Je verbeeld immers de geest van God in de hemel? Met jou is het elke week een beetje kerst in de kerk en natuurlijk helemaal als er een kindje wordt gedoopt.

De haan hoorde het allemaal aan. Dus ik moet maar weer gewoon m’n plek op de toren opzoeken?  Ik zit daar altijd zo ver van alles vandaan, zei hij een beetje verdrietig.
Tja, zei de mus. Dat is eenmaal jouw taak. De mensen wakker houden. Zorgen dat ze waakzaam  en scherp blijven. Als jij er niet meer zou staan komt er straks geen kip meer in de kerk, en daar kraait dan geen haan meer naar.
Maar, je hoeft niet direct naar je vaste plek. Voor deze keer mag je samen met de os, de ezel en de schapen wat rondscharrelen in de stal. Uiteindelijk ben jij ook een boerderijdier. Dan kun je het grote wonder wat is geschied nu  ook eens van heel dichtbij bekijken.
Mag dat echt? Wat vind ik dat geweldig. Dank je wel mus, je bent een engel… of uhh… dank je engel, je bent een mus… uhh… laat ook maar…

De haan nam zijn plek in in de kerststal. Om goed in de kribbe te kunnen kijken sprong hij op de rug van de os en vandaar af op de rand van de kribbe.
En toen het kindje in de kribbe de haan boven zich zag staan, kraaide het van plezier.

NLG kerst 2014 ┬® foto Fred Manschot IMG_9733

De vroedvrouw van de koning

de-geboorte-van-christus

Een kerstverhaal

Monoloog aangevuld met enkele stemmen

Zal ik jullie eens vertellen wie ik ben?
Ik ben de vroedvrouw van de koning.
Ja, dat klinkt hè. En jullie denken zeker dat ik daar wel trots op ben. Dat is ook zo hoor, maar denk niet dat dit altijd zo leuk is geweest.
Luister maar naar mijn verhaal.

Jullie weten toch wel wat een vroedvrouw is? Tegenwoordig heet dat een verloskundige. Ik heb altijd vrouwen bijgestaan bij de zwangerschap en bij de bevalling. Heel veel kinderen heb ik op de wereld geholpen.
Heel lang geleden, ik was net begonnen als vroedvrouw, is er iets bijzonders gebeurd. Ik werd  geroepen om eerste hulp te verlenen. Er was een reizende koopman in onze stad gekomen. Hij handelde in dure stoffen en was afkomstig uit een ver land in het oosten. Hij had zich fors in zijn hand gesneden toen hij een lap stof wilde halveren. Men had hem naar mij toe gestuurd, want ik zou in zijn staat om de wond te hechten, zo had men gezegd. Er was blijkbaar geen dokter in de buurt. Ik heb de arme man geholpen. Het was een nare wond die hij had. Gelukkig lukte het hechten. Om de hand rust te geven om te kunnen genezen legde ik zijn arm in een doek die ik om zijn hals bond. Na een paar dagen kon hij weer verder reizen. Hij was zo blij voor wat ik voor hem gedaan had dat ik een bijzonder geschenk van hem kreeg. Nooit zal ik meer vergeten wat hij tegen mij zei:

Stem:

Lieve vroedvrouw, door jouw kundige handelen en zorgzaamheid zal mijn hand weer helemaal genezen. Ik ben je zo dankbaar. Als blijk daarvan wil ik je dit stapeltje linnen doeken geven. Het is het meest kostbare linnen wat er bestaat. Door de beste weefsters uit mijn land geweven uit de meest zuivere vlasvezels. Wees hier heel zuinig op. Ik heb een droom gekregen, en die droom zal uitkomen.
Jij zult de vroedvrouw van de koning worden. En het kind wat geboren wordt zal je wikkelen in deze doeken.

Toen vertrok de koopman. Ik heb hem nooit meer gezien. Het linnen was inderdaad van een prachtige kwaliteit. Glanzend en witgoud van kleur, geen enkele oneffenheid. Een heerlijke geur ook. Zorgvuldig heb ik het opgeborgen.
Zou ik echt de vroedvrouw van de koning worden? Ik kon het me haast niet voorstellen. Maar diep van binnen geloofde ik die mysterieuze koopman uit het verre oosten. Ik besloot me te gaan melden in het paleis waar de koning woonde. Men moest toch van mij weten. De koning kreeg ik niet te spreken. Ik mocht mijn verhaal doen bij een adviseur van de koning. Hij leek me weinig serieus te nemen. Ik moest even wachten, dan zou ik een antwoord krijgen. Na een paar minuten kreeg ik dat. Ik geloof niet eens dat hij het met de koning heeft overlegd.

Stem:

Beste jongedame. Uw verzoek om de vroedvrouw van de koning te worden is met de koning besproken. De koning moest hier erg om lachen.  Als er iemand een vroedvrouw nodig zou hebben is het wel de koningin, zei hij. Maar laat ik er geen doekjes om winden. Uw verzoek is totaal misplaatst. U denkt toch niet dat, mocht de koningin in verwachting zijn, wij de geboorte laten begeleiden door een simpele vroedvrouw als u? Wij beschikken over de beste doktoren en vrouwenartsen die alle kennis en vaardigheden hebben om een mogelijk toekomstige koning op de wereld te zetten. Blijft u maar gerust de kindjes halen in uw eigen stadje. Gegroet.

Teleurgesteld keerde ik terug naar huis. Zou de koopman uit het oosten toch niet zo wijs geweest zijn als ik dacht? Ik keek nog weer eens in de kast. Haalde het stapeltje linnen eruit en streek er over met mijn handen, ik drukte het tegen mijn wangen. Het was zo zacht als een netgeboren baby… nee…het moet echt waar zijn wat de koopman heeft voorspeld.
Een paar dagen later was ik op weg naar een gezin waar een kindje was geboren. Er stonden een paar mensen op straat die met elkaar aan het smoezen waren. Ze wezen met hun vingers naar me. Toen riep er iemand: ‘Kijk, daar gaat de vroedvrouw van de koning’. Het hele groepje proestte het uit van het lachen. Het bleek dat het verhaal van mijn mislukte sollicitatie was uitgelekt. Het werd de roddel van het jaar. Men vond het blijkbaar van hoogmoed spreken dat ik, een eenvoudig meisje, wel even dacht de vroedvrouw van de koning te kunnen zijn. Ik heb het geweten, want de scheldpartijen waren een tijdje niet van de lucht.

Stemmen:

(Vrouw)  Buig mensen, daar komt de vroedvrouw van de koning

(Man)  Hé vroedvrouw wanneer ga je weer eens wat bevroeden?

(Kind)  Hallo! Is er al een koning geboren vandaag?

(Vrouw)  Vroedvrouw, doe nog weer eens iets uit de doeken?

(Kind)  Vroedvrouw, waarom vraag je niet of je koningin mag worden?

(Man)  Verloskundige! Kun je ook jezelf verlossen?

Ik liet het beledigen over me heen komen. Wat kon ik anders? Gelukkig werd het naroepen na verloop van tijd minder. Op een gegeven moment stopte het gelukkig helemaal. Maar als vroedvrouw ben ik nooit meer serieus genomen. Ik werd de tweede keus. Men ging liever niet naar mij. En de bevallingen die de andere vroedvrouwen liever niet wilden doen, die kreeg ik. Van arme mensen, gehandicapten, hoeren, de vrouwen van de tollenaars. Van die laatste groep kreeg ik nog wel eens wat extra’s zodat ik wel altijd in mijn levensonderhoud kon voorzien.
Met nog wat spaarcentjes geniet ik nu van mijn oude dag. Ik heb achter mijn huis een paar geitjes die ik kan melken en waar ik soms het vlees van kan eten. Ik heb het niet breed. Soms heb ik in twijfel gestaan om de linnen doeken te verkopen. Dat zou me veel geld opleveren. Gelukkig heb ik dit nooit gedaan, want wat er gisteren gebeurde…

Een jong stel klopte bij mij aan. Het meisje… hoogzwanger, ik zag het meteen, en ik voelde dat de bevalling aanstaande was. Ze hadden nog nergens een plek gevonden om te overnachten. Een herbergier had hen naar mij verwezen. Natuurlijk bood ik hen onderdak!

En wat ik al had aangevoeld gebeurde: het meisje beviel die nacht van een zoon en ik mocht haar als vroedvrouw helpen.
Zoveel baby’s heb ik geboren zien worden, maar deze geboorte was de meest bijzondere. En het jongetje wat ter wereld kwam, zo mooi was hij. Opeens kwam het in me op dit jongetje in de lang bewaarde linnen doeken te wikkelen. Ik bedacht niet eens dat dit eigenlijk niet de bedoeling was. Toen het meisje haar in doeken gewikkelde kind zag klaarde ze op. ´Wat blinken die doeken prachtig´, zei ze. ´Zijn eerste koningskleed. Want weet je, dit kind zal later een koning worden. Een engel heeft het mij gezegd ´.
Talloze gedachten  schoten toen door mij heen. De koning! Dit is hem! Dit is wat de reizende koopman mij ooit heeft voorspeld. De doeken waren voor dit kind! Ik legde het kindje in de voederbak van de geitjes die door de jonge vader was omgetoverd tot een wiegje. Ik kon mijn ogen niet van hem afhouden.
Alles van mijn lange leven viel in deze nacht op z’n plaats.
De vroedvrouw van de koning. Altijd was ik het al geweest.
Maar nu was ik het echt.

 

Afbeelding: De geboorte van Christus, Wasili Wasin. http://www.wasili.nl/nl/galerie.html

De zoon van de herbergier

‘Aron, Aron! Waar ben je!’

Aron is in de oude stal, die een stukje achter de herberg staat. Hij is juist bezig de dieren te verzorgen; een os en een kleine ezel. Vroeger waren er nog meer dieren. Maar zijn vader deed ze één voor één weg. Hij had er geen tijd meer voor. Aron zou het heel erg vinden als de dieren weg zouden zijn, want hij vindt het altijd fijn om ze te verzorgen. Daar is hij nu ook weer mee bezig. Schoon stro op de grond, vers water in de waterbak en de voederbak vullen met schillen en hooi. De kribbe die hij een paar jaar geleden met zijn vader nog in elkaar had getimmerd. Hij moest er niet aan denken dat er geen stal meer zou zijn.
‘Aron, Aron! Waar zit je nou. Komen!’
Aron hoort zijn vader wel. Tjonge, wat is papa weer gestrest, denkt hij. Het is altijd hetzelfde liedje: als het druk is in de herberg moet ik weer op komen draven. Oké, het was vandaag ook een gekkenhuis in Bethlehem. Al die mensen op reis, om zich in te laten schrijven op de plek waar ze geboren zijn. Voor een volkstelling. Wat een ideeën heeft die keizer uit Rome toch. Maar vader heeft er goede zaken aan. De hele herberg zit vol. Hij heeft zelfs al een paar keer nee moeten verkopen.
Aron stapt de herberg binnen. Waar zou zijn vader zijn? In de werkplaats? In de eetzaal of in de keuken? Daar treft hij hem uiteindelijk aan.
‘Oh, Aron, daar ben je eindelijk. Waar zat je nou? Zeker weer in de stal. Luister, je moet me helpen. Het stookhout is bijna op. En we hebben vanavond nog veel nodig voor het vuur in de keuken. Er zijn veel gasten; en die moeten wij een maaltijd voorzetten. Ga jij hout halen, want anders valt er straks weinig te koken’.
‘Maar er is haast geen hout meer papa. Dat heb ik gisteren ook al gezegd’.
‘Ach, hier en daar zal best nog wel wat liggen. En wat we anders kunnen doen is die kribbe die we toen gemaakt hebben in stukken zagen. Dat is ook prima brandhout. Als de dieren weg zijn hebben we die voerbak toch niet meer nodig’.
Aron schrikt ervan. De kribbe gebruiken als brandhout? Dat mag niet. Zijn os en ezeltje kunnen toch niet zonder voederbak? ‘Maar papa, waarom halen we dan niet wat hout bij oom Jacob. Die heeft altijd wel over in zijn timmermanswerkplaats’.
De herbergier begint boos te worden. ‘Nou moet je ophouden Aron, je weet dat ik niets meer met die broer van mij te maken wil hebben sinds hij met die . . . bij die . . . ach, ik wil het er ook niet over hebben. Hup, aan de slag’.
Aron zal zijn best doen om zoveel mogelijk hout bij elkaar te sprokkelen. Hij gaat op pad. Aan de rand van het dorp staan veel oude bomen. Daar liggen vaak droge takken op de grond. Maar het is niet veel wat hij vindt. Het lijkt wel of iedereen aan het zoeken is geweest. Op de terugweg naar huis kwam oom Jacob nog tegen en maakte een praatje met hem, maar hij durfde niet om hout te vragen. Wat stom dat papa ruzie heeft met hem. Hij vindt hem juist zo’n aardige oom.

Teruggekomen in de herberg vulde hij het beetje hout in de keuken aan. Vader zag het, en was niet tevreden. ‘Veel te weinig. Dat is zo weer op. Kom op, ga die kribbe halen en zet hem in de werkplaats. Dan zoek ik zo de bijl’.
‘Ja maar papa, de dieren moeten toch ook eten’. ‘Hou toch op over die stomme os en ezel. Die moeten ook maar gauw weg. Dan kan die hele stal als stookhout dienen’.
Boos en bang loopt Aron terug naar de stal. De dieren waren nog uit de voederbak aan het eten. Hij kon toch niet hun eten uit de voederbak gooien? Maar hij moest naar zijn vader luisteren. Met tranen in zijn ogen trapt hij de kribbe om. Het beetje voedsel wat er nog in zat valt op de grond. Aron sleept de kribbe naar buiten. Hij kijkt nog even om. De os en de ezel gapen hem met verbaasde ogen aan. Ze lijken tegen hem te zeggen: ‘zorg jij zo voor ons? Een mooie ben je’.
Aron voelt zich schuldig. Tegenstrijdige stemmen gaan door zijn hoofd: ‘Je moet doen wat je vader zegt’. Maar ook: ‘Slappeling, kies partij voor de dieren!’.

Aron zet de kribbe in een donker hoekje van de werkplaats. Misschien denkt zijn vader er straks niet meer aan. Maar hij vergist zich, want daar stapt hij met zijn bijl de werkplaats binnen.
‘Nou, heb je dat houten geval nu eindelijk gehaald? Waar staat hij?’ Aron kan niet anders dan de kribbe uit de donkere hoek halen. Hij zet hem midden in de werkplaats neer.
‘Ah, goed zo. Kijk toch eens wat een mooi hout. Brede planken, dikke balken. Als dat in stukken is geslagen kunnen we voorlopig weer heel wat potjes koken’.
De herbergier controleert zijn bijl en wil zijn eerste slag slaan. Op dat moment wordt er aan de buitenpoort gebeld. De herbergier laat zijn bijl weer zakken. ‘Hè toch, alweer zeker gasten die ik geen plaats in mijn herberg kan bieden. Zo schiet het ook niet op’. Hij legt zijn bijl neer en gaat naar de poort.

phoca_thumb_l_IMG_6725

Aron blijft alleen achter. Hij staat te trillen op zijn benen en zijn hart bonkt in zijn keel. Als er niet was gebeld, dan had de kribbe in stukken gelegen. Maar nu staat hij er nog. Hij kan er nog steeds voor zorgen dat de kribbe wordt gered. En op dat zelfde moment, zonder verder na te denken over wat de gevolgen zouden kunnen zijn, neemt hij een besluit. Hij tilt de kribbe op en neemt hem mee naar buiten, loopt ermee naar de stal en verstopt hem daarachter tussen de struiken. Niemand die het ziet. Morgen kijken we wel verder.
Dan gaat hij terug naar de herberg en sluipt hij zachtjes naar zijn slaapkamer die zich boven de keuken bevind. Misschien vergeet papa de kribbe nu wel denkt hij. Hoopt hij.

Aron ligt op zijn bed. Hij hoort zijn vader naar de werkplaats lopen. De herbergier neemt de bijl weer in zijn hand. Verbaasd kijkt hij rond. Zijn ogen vinden niet wat hij zoekt.
‘Aron, waar heb je die kribbe gelaten. Aron, hier komen. Direct!’
De herbergier is nu echt boos. Hij loopt naar de keuken. Zijn vrouw is bezig met het voorbereiden van de maaltijd.
De herberg is erg gehorig en Aron kan het gesprek tussen zijn ouders letterlijk horen.
‘Wat zit die Aron toch vervelend te doen vandaag’ zegt de herbergier. Maar zijn vrouw gaat er niet op in. ‘Man, kom toch eens even zitten; vertel eens, wat waren dat zo net voor een jong stel mensen aan de poort. ‘O ja’ zegt de herbergier, ‘ik was het al bijna vergeten. Er stonden een jonge man en een meisje wat hoogzwanger was voor de poort. Of we nog een slaapplaats hadden’.
‘Je hebt ze toch niet weggestuurd?’ vraagt de herbergiervrouw. ‘Ik had het bijna gedaan. We hebben immers geen plek meer in de herberg? Maar ik zag het onrustige gezicht van dat meisje en de bezorgde blik van die jongen. Toen dacht ik ineens aan de stal. Daar zouden ze in elk geval beschut en zacht in het stro kunnen slapen. Nou, ze namen het maar al te graag aan. Ze leken uitgeput van hun reis’.
‘Dat was heel lief van je’ zei zijn vrouw. ‘Ik maakte me al wat bezorgd over je. Tegen Aron was je ook al steeds zo kribbig. Hier, eet wat brood. Je bent maar aan het rennen en vliegen de hele dag. Waarom vraag je je broer Jacob niet weer eens om te komen helpen als je het zo druk hebt. Hij doet dat maar al te graag’.
‘Dat weet je heel goed. Sinds hij die timmerklus bij die Romeinse hoofdman heeft aangenomen wil ik niks meer met hem te maken hebben. Een Jood gaat niet om met Romeinen, laat staan dat hij er voor werkt. Maar waar zit die Aron toch? Ik was met hem bezig het stookhout aan te vullen’.
Op dat moment wordt er weer aan de poort gebeld. Nee-schuddend gaat dit keer de herbergiervrouw kijken wie er buiten staat.
Algauw kwam ze weer terug. ‘Die goede daad die je hebt verricht met dat jonge stel wordt meteen beloond. Wie goed doet, goed ontmoet’. De herbergier kijkt vragend naar zijn vrouw. ‘Je broer Jacob staat aan de poort. Hij heeft een lading afvalhout bij zich. Hij was Aron vanmiddag tegengekomen. Die had hem verteld dat de kribbe misschien wel in stukken gezaagd zou worden. Jacob had later bedacht dat hij nog wel hout voor je had, want hij vond het zonde van die kribbe. Hij had er zelf het hout nog voor geleverd ’.
De herbergier kijkt strak voor zich uit. ‘Ik mot dat hout van Jacob niet’.
‘Wat zeg je? Maar ik wel!’ zegt de herbergiervrouw vastberaden.
‘Aron, waar zit je . . . kom je even helpen sjouwen?’
Aron had alles gehoord. Van de jongen en het meisje in de stal, van Jacobs timmerklus bij de Romeinen, zijn oom die nu met hout aan de poort stond. Natuurlijk wilde hij helpen. Als de kribbe maar bewaard kon blijven. Met een paar tellen was hij in de keuken.
‘Kom even helpen sjouwen’ zegt zijn moeder. ‘Je vader heeft last van stijfkoppigheid’.

Tevreden gaat Aron die avond naar bed. Morgenvroeg zou hij wel eens gaan kijken in de stal. Misschien was dat jonge stel er ook nog wel. Hij zou in elk geval de kribbe weer op zijn plek zetten. Met extra voer er in! Voordat hij gaat slapen kijkt hij zoals altijd even naar buiten. Het was een heldere avond. Duizenden sterren ziet hij. Wat is dat altijd prachtig. Bijna recht boven hem ziet hij een grote blinkende ster aan de hemel staan. Die ster was hem nog niet eerder opgevallen. Het leek net of de ster precies boven de stal stond.
De volgende ochtend loopt Aron naar de stal. Hoort hij nou een baby huilen? Het zal toch niet waar zijn . . . ? Aron kijkt door een kier van de deur naar binnen. Hij ziet het jonge meisje liggen op het stro. Ze heeft een kindje in haar armen, wat in doeken is gewikkeld. De jongen is bezig de stal een beetje op te ruimen en de os en de ezel kijken rustig toe.
‘Je mag wel even binnen komen hoor’ zegt de jonge moeder die Aron blijkbaar heeft opgemerkt. Schoorvoetend komt Aron de stal binnen. ‘Is het vannacht geboren?’. ‘Ja’ glimlacht ze. ‘Het is allemaal wat primitief hier, maar gelukkig is alles goed gegaan. Vind je mijn zoontje niet wonderschoon?’. De jonge vader komt er even bij staan. ‘Primitief is op zichzelf niet zo erg. Maar een stal zonder een voederbak vind ik wel heel armoedig. Ik had zo’n kribbe willen gebruiken om er een bedje voor ons kindje van te maken’.
Arons gezicht klaart ineens op. ‘Wacht maar even . . .’ zegt hij en loopt naar buiten.
Een paar tellen later komt hij weer naar binnen stappen.
‘Kijk eens wat we hier hebben!’.

Aron zet de kribbe neer bij de moeder en het kind.
Samen met de vader maken ze de kribbe een beetje schoon en vullen ze hem met schoon stro.
Dan neemt de vader het kindje over van de moeder en legt hem voorzichtig in de kribbe.
Aron knielt er even bij. Staat dan op en rent terug naar de herberg om zijn vader en moeder het grote nieuws te vertellen.
De ouders willen meteen in de stal gaan kijken en nemen allebei wat mee. De herbergier een dienblad met brood en melk. Het jonge ouderpaar zal toch moeten ontbijten! En de herbergiervrouw een wollen dekentje voor in de kribbe.
Aron wil met zijn ouders mee terug gaan maar bedenkt zich dan. Hij rent het dorp in naar het huis van oom Jacob. Ook hij moet het weten! Ook Jacob is ook verrast en gaat met Aron mee. Hij grist bij het weggaan wat stokken en een lap stof mee.
Aangekomen in de stal knielt ook oom Jacob bij de kribbe. Dan steekt hij de stok schuin achter de kribbe in de grond, plaatst er overdwars nog een stok aan en drapeert vervolgens de stof over het ontstane kruis. Zo heeft de kribbe een hemeltje gekregen is hij veranderd in een wiegje!
Iedereen is stil in de stal.
De herbergier loopt naar zijn broer en omarmt hem.
De herbergiervouw geeft haar man een kus.
Aron geeft zijn oom een high five.
De herbergier geeft zijn zoon een schouderklop. ‘We laten de stal zoals die is. Dat beloof ik’.
De jonge ouders kijken gelukkig toe.
De os laat een loei horen en de ezel balkt eenmaal. Het kindje schrikt er even van wakker, maar sluit de oogjes dan weer en slaapt verder.

phoca_thumb_l_IMG_6737