Muziek voor Bevrijdingsdag in Leipzig, 1745

Frederuj de Grote_resizedFrederik de Grote

Tijdens de tweede Silezische oorlog (1744 – 1745) werd Leipzig op 30 november 1745 bezet door het Pruisische leger en maakte Bach voor het eerst een oorlog aan de lijve mee. Een hevige strijd om Leipzig werd niet geleverd, die had in september al rond Dresden plaatsgevonden waarbij het Saksische leger een grote nederlaag te verwerken kreeg en de hoofdstad door de Pruisen werd ingenomen. 

Sinds  het keurvorstendom Brandenburg en het hertogdom Pruisen in 1701 verenigd werden tot het koninkrijk Pruisen en werd geregeerd door de ‘soldatenkoning’ Frederik I, een telg uit het roemrijke geslacht van de Hohenzollerns, bevond Pruisen zich in een ongekende opmars wat betreft economische groei, politieke en militaire macht en uitbreiding van het grondgebied. Berlijn werd de definitieve hoofdstad en voor het wapen werd de beeltenis van een krachtige adelaar gekozen, nog steeds het symbool in het wapen van Duitsland. De al eeuwenlange heerschappij van het Heilige Roomse Rijk onder leiding van de Oostenrijkse Habsburgerse keizers was langzaam maar zeker tanende. Lang kon deze macht in stand gehouden worden als gevolg van de talloze zwakke, onderling verdeelde Duitse vorstendommen. Door het steeds sterker wordende Pruisen kwam daar verandering in en kregen de Duitsers hun zelfrespect terug. Binnen het grotere geheel van de Oostenrijkse Successieoorlog (1740 – 1748) waarbij veel Europese landen (ook de Nederlanden) betrokken waren zette Frederik II vanaf 1740 de politiek van zijn vader succesvol voort wat hem de bijnaam Frederik de Grote bezorgde. Na de dood van Keizer Karel VI lijfde hij tijdens de Eerste Silezische oorlog in 1740 Silezië in (heden ten dage Zuid-West Polen). Volgens een oud verdrag zou hij aanspraak maken op dit vruchtbare en welvarende land wat rijk was aan mineralen. Karels opvolger, dochter Maria Theresia deed tijdens de Tweede Silezische oorlog nog een poging de annexatie ongedaan te maken maar slaagde daar niet in. Op 25 december 1745 werd de vrede van Dresden getekend en vertrokken de Pruisen uit Leipzig. Voor de Leipzigers een reden om feest te vieren waarbij Bach voor de gelegenheid de cantate Gloria in Excelsis Deo (BWV 191) uitvoerde tijdens een dankdienst in de Paulinerkirche die waarschijnlijk ´s middags plaatsvond. De muziek hiervan, ook passend bij eerste kerstdag, was niet nieuw. Bach hergebruikte drie delen uit het ‘Gloria’ dat hij reeds in 1733 naar keurvorst August III in Dresden had gestuurd, met het verzoek hem te benoemen tot ‘hofcompositeur’. Bach zou de delen later ook in zijn Hohe Messe plaatsen. Voor de dankdienst schreef Bach de partituren helemaal opnieuw uit en hij veranderde hier en daar de instrumentatie.
Zou het een bewuste keus van Bach geweest zijn om juist deze muziek, die hij indertijd feitelijk voor Dresden had gecomponeerd (en daar misschien ook is uitgevoerd), weer uit te voeren? Dresden had grote verliezen geleden in de beëindigde oorlog. De Saksen hadden het  onderspit gedelfd ten opzichte van het nog weer machtiger geworden Pruisen.

Bach bleef zijn land echter trouw en zal dat wellicht hebben willen laten blijken met de keus voor dit Gloria.

 

(Dit is een voorpublicatie uit het boek: Johann Sebastian Bach, zijn land, zijn tijdgenoten van Wim Faas wat in het najaar van 2019 verschijnt).

Bachs verjaardag in 1728

Uitgelicht

Met de ‘Happy Bachdag’ wordt het een traditie om jaarlijks stil te staan bij de geboortedag van Johann Sebastian Bach. Elk jaar wordt zijn verjaardag gevierd! Maar hoe vierde Bach zijn verjaardag zelf? Concreet weten we daar niets van. Wellicht zal er in de familiekring aandacht aan zijn gegeven. Verjaardagen werden immers wel gevierd, dat weten we bijvoorbeeld van de verschillende verjaardagscantates die Bach schreef voor prins Leopold van Anhalt-Köthen, zijn broodheer in Köthen als ook voor verschillende leden van het keurvorstelijke hof in Dresden. En net als wij zongen ze in Bachs tijd ook ‘lang zal hij leven’. De verjaardagscantate Tönet, ihr Pauken, erschallet, Trompeten  (BWV 214) die Bach in 1729 schreef voor de verjaardag van koningin/keurvorstin Maria Josepha eindigt er mee: ‘Königin, lebe, ja lebe noch lang’.

Bachs verjaardag op 21 maart viel altijd in de lijdenstijd. In deze periode, tot aan Goede Vrijdag, werden er in de kerk geen cantates uitgevoerd. Alleen op 25 maart werd er een uitzondering op deze regel gemaakt. Dan werd het feest van Maria-verkondiging gevierd (Annunciatie) waarin wordt herdacht dat de engel Gabriel aan Maria aankondigt dat ze zwanger zal worden van een zoon. 25 maart is negen maanden voor 25 december. Vandaar die datum…
Was Bach dan altijd op zijn verjaardag vrij? Eén keer in elk geval niet. Het gebeurde wel dat Maria-verkondiging in het Paasweekend viel. In dat geval werd het feest verplaatst naar de zondag daarvoor. En zo viel 25 maart in 1728 op Witte Donderdag. Ook geen dag om het Maria-feest te vieren en om die reden werd het verplaatst naar 21 maart en zodoende was het die zondag in Thomaskirche driemaal feest: Palmpasen, Maria-verkondiging en de verjaardag van de cantor!

Bach voerde op deze bijzondere zondag de cantate Himmelskönig, sei wilkommen (BWV 182) uit en wat mij betreft gaf hij zichzelf daarmee een cadeautje omdat dit een lievelingscantate van hem geweest moet zijn. Hij voerde hem namelijk al voor de vijfde keer uit[1]. De eerste keer was op 25 maart 1714 toen Maria-verkondiging en Palmzondag samenvielen. Die maand was Bach gepromoveerd tot concertmeester aan het hof van Saksen-Weimar waar aan verbonden was dat hij maandelijks voor een nieuw gecomponeerde cantate diende te zorgen. Himmelskönig, sei wilkommen was in dit kader zijn eerste cantate. Duidelijk is dat Bach goed voor de dag wilde komen. In Arnstadt en Mühlhausen had hij reeds enkele cantates geschreven maar die waren voor een belangrijk deel nog geënt op de oude Duitse motetstructuur. Met Himmelskönig, sei wilkommen schreef Bach zijn eerste geestelijke cantate die de richting op gaat van het Italiaanse model, dat wil zeggen met aria’s en recitatieven[2]. De cantate opent met een wonderschone sonate; een duet tussen viool en blokfluit. Met het gepunteerde ritme doet het denken aan een Franse ouverture waarin de binnenkomst van de koning wordt verbeeld. Daar gaat immers de cantate over. Tegelijk is dit echter ook Bachs ouverture: zijn eerste cantate in Weimar. ‘Kantatekönig, sei wilkommen’, zo schreef iemand op een website. Ik wil hier niet te diep ingaan op de cantate zelf. Lees hiervoor bijvoorbeeld de tekst op de website van van Hengel. Bach heeft in elk geval willen laten horen dat zijn promotie terecht was en dat hij alle muzikale stijlen beheerste: kamermuziek, koorfuga’s, aria’s met obligate instrumenten maar ook de oude Duitse motetstijl zoals die nog klinkt in deel zeven: ‘Jesu, deine Passion’.
Meerdere keren voerde Bach de cantate in Weimar uit. Ook in Leipzig in 1724 toen Annunciatie op zaterdag viel[3]. Hij breidde hierbij de instrumentatie uit met een extra viool en een hobo.

Himmelsk

En toen werd het zondag 21 maart 1728. Bach werd drieënveertig. Drie feesten op één dag en de jarige mocht deze keer muziek maken! Hij koos weer voor de cantate waar hij zulke goede herinneringen aan had. En opnieuw veranderde hij de instrumentatie. Er zijn manuscripten uit 1728[4] waarin bij één partij bovenaan de sonate staat aangetekend: viool of hobo[5]. De andere partij is alleen voor de viool. Blijkbaar heeft Bach de blokfluit ingewisseld voor de viool en getwijfeld of hij de tweede partij door de viool of de hobo zou laten uitvoeren. Het levert veel vragen op. Waarom geen blokfluit meer, het instrument wat zo mooi bij de lijdenstijd past? En waarom nu de keus: hobo of viool? Musicologen en dirigenten komen er niet uit. Georg Christoph Biller van het Thomanerchor uit Leipzig kiest voor de sonate zelfs voor de combinatie  hobo / blokfluit. Nog weer anders.

Een uitvoering met twee violen komt voor zover ik weet nooit voor. En toch had dat wel eens de combinatie kunnen zijn waar Bach op 21 maart 1728 voor heeft gekozen. De viool, dat was toch zijn instrument?
In principe de hobo, maar deze keer de viool.
Samen met de eerste violist van zijn ensemble speelde hij zo de sonate voorafgaand aan de koorfuga ‘Himmelskönig, sei wilkommen’.
Het was toch immers zijn verjaardag?
Leve de jarige!
Lang leve Bach!

[1] Volgens de bronnen zou Bach de cantate zes maal hebben uitgevoerd, en is het de meest uitgevoerde cantate door Bach zelf.

[2] In 1713 had Bach al een ‘wereldlijke’ cantate geschreven naar Italiaans model: Was mir behagt ist nur die muntre Jagt (BWV 208), de zogenoemde Jachtcantate.

[3] Een andere cantate voor Annuncuatie is Wie schön leuchtet die Morgenstern (BWV 1).

[4] www.bach-digital.de

[5] Zie illustratie, door de stempel is dit niet goed leesbaar.

Corelli en Bach

19. corelli

Op zijn sterfdag, 8 januari, klinken er in het Pantheon in Rome ieder jaar concerti grossi en triosonates van Corelli. Het is het muzikale genre waar deze musicus zijn stempel op heeft gezet. Corelli was één der grootste Italiaanse barokcomponisten en is in deze bijzondere kerk bijgezet.
Corelli werd op 17 februari 1653 geboren nabij Ravenna. Algauw bleek hij een talent voor het vioolspel te hebben. Op zijn dertiende vetrok hij naar Bologna, destijds een belangrijk centrum voor kamermuziek. Hier ontwikkelde hij zich tot een uitmuntend violist. Op zijn negentiende vervolgde hij zijn studie in Rome, de stad waar hij altijd zou blijven. Hij kreeg aanstellingen als concertmeester bij de naar Rome uitgeweken koningin Christina van Zweden en later bij de machtige kardinalen Panfilli en Ottoboni. Het maakte dat Corelli zich in financiële zin nooit zorgen hoefde te maken. Naast componist bleef hij vermaard als violist en kreeg hij een belangrijke reputatie als vioolleraar.
Corelli componeerde alleen instrumentale muziek: concerti grossi, triosonates en sonates voor viool.  Het is niet zo dat hij deze vormen ontwikkeld heeft, maar met de kwaliteit van zijn werken bewerkstelligde hij wel dat deze vormen met hun specifieke opbouw de standaard werden tot aan het eind van de barokperiode. Ook Bachs triosonates grijpen dus terug op die van Corelli.
Met zijn (viool)muziek streefde Corelli geen virtuositeit na. Voor hem ging het om bewogen, lyrische  composities met mooie ‘zang’lijnen en harmonieën. Vergeleken met iemand als Vivaldi is zijn oeuvre klein, maar daar staat tegenover dat al zijn werken van hoge kwaliteit zijn. Hij bleef dan ook altijd aan zijn composities schaven voordat hij tot publicatie overging. Publiceren deed Corelli net als veel andere Italianen bij de Amsterdamse uitgever Estiene Roger. Via Prins Johann Ernst van Saksen-Weimar die hier bladmuziek aanschafte, leerde Bach zo ook het werk van Corelli kennen. In één werk van Bach is de inbreng van Corelli evident: de Fuga in b-klein (BWV 579). Deze orgelcompositie krijgt gewoonlijk dan ook de ondertitel ‘op een thema van Corelli’ mee. Bach heeft het thema geleend uit de Sonata da chiesa in b- minor (opus 3, no. 4), een compositie voor strijkinstrumenten. Het tweede deel van deze triosonate, een Vivace, bestaat uit slechts 39 maten en telt twee thema´s. Bach spint deze thema’s uit tot een fuga van maar liefst 102 maten waarbij hij de harmonie aanpast en een vierde stem toevoegt. Met hulp van Corelli creëerde Bach zo een uitermate boeiend en mooi orgelwerk.

Op zijn sterfdag, 8 januari, klinken er in het Pantheon in Rome ieder jaar concerti grossi en triosonates van Corelli. Het is het muzikale genre waar deze musicus zijn stempel op heeft gezet. Corelli was één der grootste Italiaanse barokcomponisten en is in deze bijzondere kerk bijgezet.
Arcangelo Corelli werd op 17 februari 1653 geboren nabij Ravenna. Algauw bleek hij een talent voor het vioolspel te hebben. Op zijn dertiende vetrok hij naar Bologna, destijds een belangrijk centrum voor kamermuziek. Hier ontwikkelde hij zich tot een uitmuntend violist. Op zijn negentiende vervolgde hij zijn studie in Rome, de stad waar hij altijd zou blijven. Hij kreeg aanstellingen als concertmeester bij de naar Rome uitgeweken koningin Christina van Zweden en later bij de machtige kardinalen Panfilli en Ottoboni. Het maakte dat Corelli zich in financiële zin nooit zorgen hoefde te maken. Naast componist bleef hij vermaard als violist en kreeg hij een belangrijke reputatie als vioolleraar.
Corelli componeerde alleen instrumentale muziek: concerti grossi, triosonates en sonates voor viool.  Het is niet zo dat hij deze vormen ontwikkeld heeft, maar met de kwaliteit van zijn werken bewerkstelligde hij wel dat deze vormen met hun specifieke opbouw de standaard werden tot aan het eind van de barokperiode. Ook Bachs triosonates grijpen dus terug op die van Corelli.
Met zijn (viool)muziek streefde Corelli geen virtuositeit na. Voor hem ging het om bewogen, lyrische  composities met mooie ‘zang’lijnen en harmonieën. Vergeleken met iemand als Vivaldi is zijn oeuvre klein, maar daar staat tegenover dat al zijn werken van hoge kwaliteit zijn. Hij bleef dan ook altijd aan zijn composities schaven voordat hij tot publicatie overging. Publiceren deed Corelli net als veel andere Italianen bij de Amsterdamse uitgever Estiene Roger. Via Prins Johann Ernst van Saksen-Weimar die hier bladmuziek aanschafte, leerde Bach zo ook het werk van Corelli kennen. In één werk van Bach is de inbreng van Corelli evident: de Fuga in b-klein (BWV 579). Deze orgelcompositie krijgt gewoonlijk dan ook de ondertitel ‘op een thema van Corelli’ mee. Bach heeft het thema geleend uit de Sonata da chiesa in b- minor (opus 3, no. 4), een compositie voor strijkinstrumenten. Het tweede deel van deze triosonate, een Vivace, bestaat uit slechts 39 maten en telt twee thema´s. Bach spint deze thema’s uit tot een fuga van maar liefst 102 maten waarbij hij de harmonie aanpast en een vierde stem toevoegt. Met hulp van Corelli creëerde Bach zo een uitermate boeiend en mooi orgelwerk.

Beluister/bekijk het werk:


In het boek ‘Johann Sebastian Bach en de Italiaanse barok’ staan o.a. 19 portretten van Italiaanse componisten waar Bach mee aan het werk is geweest.

Bachs Derde Brandenburgse concert: kinderspel?

9200000014954274 (1)

 

Drie maal drie is negen, ieder zingt zijn eigen lied…
Dit vrolijke en speelse kinderliedje zou zomaar bij je naar boven kunnen komen als je luistert en kijkt naar een uitvoering van het Derde Brandenburgse concert. Zeker als een gezelschap zoals bijvoorbeeld Holland Baroque dit speelt (zie link onderaan). Bach laat de musici ook bijna letterlijk een spel met elkaar spelen. Drie violisten, drie altviolisten en drie cellisten, aangevuld met een klavecinist en een contrabassist die het continuo vormen, zetten in acht maten een vlot thema neer. Snelle drieklanken (tie-da die, tie-da die…) bepalen het karakter van het eerste deel. En dan begint het spel pas echt. De drie groepen gaan het tegen elkaar opnemen. Concerteren betekent letterlijk ook wedijveren. Om beurten gaan ze met het thema aan de haal en werken het verder uit. En dit is nog niet alles; elk individuele instrument heeft binnen zijn groep ook nog eens zijn eigen partij. Zo kan er nog meer harmonie klinken of worden solistische loopjes aan elkaar doorgegeven. Bach speelt met negen stemmen hoog spel.

Bach componeerde meestal functioneel. Hij moest muziek hebben om uit te voeren. Orgelwerken ontstonden toen hij organist was, cantates en passies tijdens zijn functie als cantor. De composities voor orkest zijn grotendeels ontstaan in de periode dat hij violist/organist en concertmeester in Weimar was of kapelmeester in Köthen. In Weimar maakte Bach kennis met een nieuwe muziekvorm afkomstig uit Italie: het concerto. Een solo-instrument of kleine instrumentengroep (het concertino) neemt het daarin op tegen het orkest (het ripieno). Bach kreeg onder andere de beschikking over vioolconcerten van Vivaldi. Hij voerde ze wellicht uit maar hij bewerkte ze ook voor orgel of klavecimbel. Op deze manier kreeg hij deze compositiekunst van strakke thema’s en virtuoze omspelingen, opgedeeld in drie delen (snel-langzaam-snel), onder de knie. En Bach zou Bach niet zijn als hij de muzikale spelregels niet wat ruimer op zou vatten.

Bach droeg zijn ‘Six concertos avec plusiers instruments’ op aan markgraaf Christian Ludwig van Brandenburg. Belangrijker dan vragen rondom het ontstaan en de bedoeling ervan is de vaststelling dat deze verzameling concerten een hoogtepunt vormen in het genre barokconcert. Alle facetten van de toenmalige muziek komen in deze concerten terug en Bach onderzoekt daarbij allerlei mogelijkheden met instrumentencombinaties waardoor klankkleuren ontstaan die nooit eerder geklonken hebben. Neem het concertino van het derde concert: drie violen, drie altviolen en drie celli terwijl het ripieno alleen gevormd wordt door het continuo. Een dergelijke combinatie was niet eerder vertoond. En zo zit elk van de zes concerten vol met verrassingen. Er klinkt een jachttafereel of een Poolse dans (eerste concert), dan weer een ongewoon concertino met trompet, blokfluit, hobo en viool (tweede concert), een klavecimbel die op een gegeven moment vrij spel krijgt en 65 maten mag soleren (vijfde concert, het ‘eerste klavierconcert’) of ‘oude’ vijfsnarige gamba’s die tegenover de ‘nieuwe’ viersnarige altviolen en celli’s worden geplaatst (zesde concert). Ieder concert is uniek in zijn soort.

Terug naar het Derde Brandenburgse concert. Het tweede deel is een Adagio van slechts twee maten. Het lijkt erop alsof Bach de musici even laat uitblazen en meteen weer diep laat inademen om genoeg lucht te hebben voor het derde deel. Bij dit Allegro kan je denken aan een schoolplein waarin kinderen heen en weer rennend een tikspelletje spelen. Je ziet het gebeuren: ‘tikkie, jij bent ‘m’. Zo vliegen de stemmen in een dansende 12/8 (drievoudige!) maat met stijgende en dalende loopjes om elkaar heen. Steeds neemt daarbij een andere stem de beurt over want in dit concert speelt geen enkel instrument de eerste viool. De cellisten en de contrabassist moeten net zo hard rennen als de violisten en gelukkig is er de klavecinist die met het verbindende spel alle partijen in het gareel houdt.
Zo zou je bijna  denken dat Bachs Derde Brandenburgse concert kinderspel is, maar dat is geenszins het geval.  Vakkundig is de compositie en van het hoogste nivo. Vernieuwend, inventief en vol vernuft. Maar vooral ook vrolijk. Zeker als het met een kinderlijke onbevangenheid wordt gespeeld, en er op die manier naar geluisterd wordt. Want dat mag. Ook bij Bach.

Ich elender Mensch, wer wird mich erlösen (BWV 48)

Inleiding uitgesproken tijdens de Bachcantate Utrecht, Geertekerk, 7 oktober 2018

 

Ich elender Mensch, wer wird mich erlösen vom Leibe dieses Todes?

Het openingskoor van de cantate van vanavond bestaat uit slechts één zin. En wat voor één.
Ik ellendig mens, wie verlost mij van dit lichaam van de dood?
Tot treurens toe horen we de stemmen deze zin herhalen in klagende dalende notenreeksen. Achtentwintig keer. Elke stem zeven maal.
Voor de koorleden moet het bijna een kwelling geweest zijn om dit ingestudeerd te krijgen. Dat er na de repetitie van vrijdag niemand is afgehaakt vind ik bijna een wonder.
Ich elender Mensch. Het wordt er ingewreven. De muziek laat het je voelen. Je gaat het bijna geloven.

De cantate werd voor het eerst uitgevoerd op 3 oktober 1723 en staat in de context van de evangelielezing over de genezing van de verlamde man. Door vrienden wordt hij op een matras bij Jezus gebracht. Die zegt tegen hem: ‘je zonden worden je vergeven’ en vervolgens:  ‘sta op, neem je bed op en wandel’.
In de Lutherse theologie van die tijd lag de overtuiging besloten dat het lijden van de mens het gevolg was van begane zonden. Het mensbeeld daarbij  was ook niet echt hoopvol:  ‘onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad’. Vandaar dat de (onbekende) tekstdichter voor het openingskoor woorden heeft gekozen uit Romeinen 7: Ik ellendig mens, wie verlost mij van dit lichaam van de dood?

Ik heb in twijfel gestaan wat ik met deze inhoud aanmoest voor mijn inleiding. Zou ik hem moeten vertalen naar een hedendaags kader zodat het voor iedereen toegankelijk wordt? Of de tekst gewoon buiten beschouwing laten. Maar doe ik Bach daarmee recht? De bedoeling van de cantate was toch echt dat de luisteraar zich verwant zou moeten voelen met de ik-persoon. Of zou Bach met zijn muziek de teksten zelf becommentariëren? Laten we eerst vanuit dat perspectief de cantate eens nader beschouwen.

Op pulserende bastonen openen de strijkers met steeds herhalende motiefjes de cantate. De beweging is stijgend, alsof er een weg wordt gezocht naar God.
Dan zetten als eerste de sopranen en alten hun klaagzang in met steeds de mismoedige dalende noten op ‘elender Mensch’. Vervolgens voegen de tenoren en bassen in en vlecht Bach kunstig een vierstemmige fuga. Tussen de regels door keren de motiefjes van de strijkers voortdurend terug.

Door dit alles heen klinkt de trompet met een koraal, direct daarna in canon gevolgd door de hobo’s, een paar tonen lager. En wat blijkt? Het is de melodie van het slotkoraal van de cantate wat volgens mij niets anders betekent dan dat Bach gelijktijdig met de vraag: ‘Ik ellendig mens, wie verlost mij?’ het antwoord al geeft: Herr Jesu Christ, einiger Trost.

Zo is dit prachtige openingskoor te vergelijken met een schilderij waarin verschillende taferelen die in tijd na elkaar komen tegelijk op één doek worden afgebeeld. Bach laat in het vragende openingskoor het antwoord al doorklinken en zo blijkt het begin van de cantate veel minder zwaar dan het lijkt. Al zullen de koorleden na het intensief instuderen van de fuga op ‘Ich elender Mensch’ dit nog niet zo beleefd hebben.

Tussen openingskoor en slotkoraal wordt het gegeven van de zondige mens die alleen verlost kan worden door Jezus’ verzoende werk verder uitgewerkt.
‘Laat mij maar lijden op de aarde, dat is verdiend, als straks mijn ziel maar in de hemel komt’ is de strekking van het drieluik alt-recitatief, koraal en altaria. De laatste overigens prachtig ingeleid en omspeeld door de hobo. En warempel, de muziek wordt al opgewekter.
Uiteindelijk komt het helemaal goed als de gelovige zich kan overgeven aan het verlossende werk van Jezus. De tenor kondigt dit in zijn recitatief als een wonder aan en in de afsluitende aria klinkt de vreugde en dankbaarheid om deze verlossing door. Violen en hobo’s zetten een hoopvol thema neer waarop de tenor kan zingen:  ‘Als hij mijn zonden vergeeft, dan zullen mijn lichaam en ziel gezond worden’. Dit geloof is met het verstand haast niet te volgen. Is het daarom dat het ritme van de aria ook moeilijk te volgen is? Is het nou een twee- of drievoudige maat? De maataccenten lijken zich steeds te verplaatsen doordat Bach noten van de laatste tel van de maat aan de eerste tel verbindt. Een hemels dansje wordt het op die manier.
Wat jammer dat de twee wonderschone aria’s uit de cantate zo kort zijn. Ze missen de herhaling van het eerste deel. Tekstueel is dit begrijpelijk, maar muzikaal is het zonde!

*

‘Ik ellendig mens, wie verlost mij?’
‘Jezus Christus!’.
Mocht het zo zijn dat u niks met deze cantatetekst kan, dat u zich niet kan identificeren met de ik-persoon,  laat ik u dan een handreiking doen om op een andere manier naar de tekst te kijken.

Die ‘elender Mensch’, dat bent u niet zelf, maar dat is een ander.
U hoeft de vraag niet te stellen, maar de vraag wordt aan u gesteld.
Bedenk daarbij dat ‘ellendig’ oorspronkelijk ‘uit-landig’ betekent. Iemand dus die vaste, veilige grond onder z’n voeten verloren heeft. Letterlijk of figuurlijk. Het zou een asielzoeker kunnen zijn, een bijstandsmoeder diep in de schulden, een chronisch psychiatrisch patiënt door iedereen ontweken. En ja, dat is inderdaad zonde. Want zo is de mens niet bedoeld. Dat is namelijk de letterlijke betekenis van het woord zonde: ‘je doel voorbij schieten’. En is die verslaafde, die werkloze die depressief is geworden daar zelf schuldig aan? Of staat dat in een groter perspectief waarin je zou kunnen zeggen dat onze welvaartsmaatschappij daar een deelverantwoordelijkheid in heeft. Ga eens in gesprek met een verkoper van de daklozenkrant. Die zal u zijn eigen persoonlijke verhaal vertellen.

Zo kan de vraag ‘Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen’ op allerlei manieren persoonlijk naar ons toekomen. Wat mij betreft neemt u iemand in gedachten die die vraag stelt. Herhalend wellicht. Iemand die u misschien wel wekelijks tegenkomt.

‘Wie?’
‘Ik?’, kan je dan afvragen. Kan ik wat doen? Kan ik het lijden doen verzachten?
Het antwoord daarop zal u zelf moeten bedenken. Maar wat zou het mooi zijn als die mens na eerst zijn vragende klaaglied gezongen te hebben later de woorden van het tenorrecitatief over u kan zingen:

Er weiß im geistlich Schwachen
den Leib gesund, die Seele stark zu machen.

Anders gezegd: met jouw hulp ben ik van zwak weer gezond en sterk geworden.
Om je daarna met een vrolijk, dansant lied als de tenoraria te bedanken.

 

Tekst:

1  Koor

 

Ich elender Mensch,
wer wird mich erlösen
vom Leibe dieses Todes?

 

 

Ik ellendig mens,
wie zal mij verlossen
van dit lichaam van de dood?


2    Recitatief (alt)
O Schmerz, o Elend, so mich trifft,
indem der Sünden Gift
bei mir in Brust und Adern wütet:
Die Welt wird mir ein Siech- und Sterbehaus,
der Leib muß seine Plagen
bis zu dem Grabe mit sich tragen.
Allein die Seele fühlet den stärksten Gift,
damit sie angestecket;
drum, wenn der Schmerz
den Leib des Todes trifft,
wenn ihr der Kreuzkelch bitter schmecket,
so treibt er ihr ein brünstig Seufzen aus.
O smart en ellende, waardoor ik word getroffen,
doordat het gif van de zonde
in mijn borst en aderen woedt:
De wereld wordt voor mij een plek van ziekte en dood,
mijn lichaam moet zijn kwellingen
tot aan het graf met zich meedragen.
Maar mijn ziel voelt het gif
waarmee ze is besmet het sterkst;
daarom, wanneer de pijn
het sterfelijke lichaam treft,
wanneer de beker van het kruis mijn ziel bitter smaakt,
dan ontlokt dit lijden haar een vurig zuchten.

3    Koraal
Solls ja so sein, daß Straf und Pein
auf Sünde folgen müssen,
so fahr hie fort
und schone dort
und laß mich hie wohl büßen.
Wanneer het zo moet zijn, dat straf en pijn
op de zonde moeten volgen,
ga dan hier vandaan
en ontzie mij daarginds
en laat mij hier boeten

4    Aria (alt)
Ach lege das Sodom der sündlichen Glieder,
wofern es dein Wille, zerstöret darnieder!
Nur schone der Seele und mache sie rein,
um vor dir ein heiliges Zion zu sein.
Ach, laat het Sodom van mijn zondig lichaam,
als dat Uw wil is, in puin terneerliggen!
Ontzie alleen mijn ziel en maak haar rein,
om voor U een heilig Sion te zijn

5    Recitatief (tenor)
Hier aber tut des Heilands Hand
auch unter denen Toten Wunder.
Scheint deine Seele gleich erstorben,
der Leib geschwächt und ganz verdorben,
doch wird uns Jesu Kraft bekannt.
Er weiß im geistlich Schwachen
den Leib gesund, die Seele stark zu machen.
Hier echter doet de hand van de Heiland
ook aan de doden wonderen:
Al lijkt je ziel gestorven,
je lichaam verzwakt en geheel te gronde gegaan,
toch leren wij Jezus´ kracht kennen.
Hij weet bij de geestelijk zwakke mens
het lichaam gezond en de ziel sterk te maken.

6    Aria (tenor)
Vergibt mir Jesus meine Sünden,
so wird mir Leib und Seel gesund.
Er kann die Toten lebend machen
und zeigt sich kräftig in den Schwachen;
er hält den längst geschloßnen Bund,
daß wir im Glauben Hilfe finden.
Wanneer Jezus mijn zonden vergeeft,
dan worden mijn lichaam en mijn ziel gezond.
Hij kan de doden tot leven wekken
en toont Zijn kracht in de zwakke mensen;
Hij houdt vast aan het sedert lang gesloten verbond,
zodat wij in het geloof hulp vinden
7    Koraal
Herr Jesu Christ, einiger Trost,
zu dir will ich mich wenden;
mein Herzleid ist dir wohl bewußt,
du kannst und wirst es enden.
In deinen Willen seis gestellt,
machs, lieber Gott, wie dirs gefällt:
Dein bin und will ich bleiben.
Heer Jezus Christus, mijn enige troost,
tot U wil ik mij wenden;
mijn diepe smart is u bekend,
U kunt en wilt daaraan een einde aan maken.
Ik laat het over aan Uw wil,
doe, lieve Heer, zoals het U belieft:
ik ben van u en wil dat blijven.

Fietsen  door de streek van Bachs jeugd

SAMSUNG DIGITAL CAMERA
Georgenkirche Eisenach

Eisenach

Als het aan Ambrosius Bach had gelegen was Eisenach niet de geboorteplaats van zijn jongste zoon Johann Sebastian geweest. In 1684, een jaar voor diens geboorte solliciteerde hij naar een functie in Erfurt, zijn geboorteplaats. Het stadsbestuur van Eisenach weigerde echter zijn ontslagaanvraag toe te kennen. Als ´Stadtspfeiffer´was Ambrosius zeer geliefd in de stad en men zag hem dus niet graag vertrekken. Tja, en in die tijd bestonden er nog geen CAO’s met  opzegtermijnen van één of twee maanden. Je was letterlijk in vaste dienst.
En zo kwam Johann Sebastian ter wereld op 21 maart 1685. Te Eisenach.

Eisenach, aan de voet van de Wartburg waar Luther in 1521 bescherming vond en het Nieuwe Testament vertaalde, behoorde in Bachs tijd tot het vorstendom Saksen-Eisenach. Het paleis van de hertog stond op het marktplein. Vader Ambrosius speelde daar mee met het hoforkest.  In de Georgenkirche, ook op het marktplein gelegen, bespeelde zijn neef Johann Christoph Bach het orgel. In deze kerk is Johann Sebastian op 23 maart 1685 gedoopt. Het originele doopvont staat nog steeds voor in de kerk. Het is begrijpelijk dat de kerk hiermee pronkt. In het voorportaal staat een meer dan menshoog beeld van een strengkijkende Johann Sebastian. Maar naar mijn mening had hier toch oom Johann Christoph moeten staan die zijn muzikale leven aan deze kerk heeft gewijd en met zijn prachtige composities als belangrijkste Bach vóór Johann Sebastian gezien wordt. Johann Sebastian die zijn oom ‘de diepzinnige Bach’ noemde.
Waar Bach precies is geboren is niet bekend. In elk geval niet in het Bachhaus aan het Frauenplan zoals men ooit heeft willen geloven. Ambrosius heeft wel een periode (1671 – 1674) direct achter dit Bachhaus gewoond in de Rittergasse. Een plaquette herinnert hieraan. Waarschijnlijk is Bach geboren in de toenmalige Fleischgasse, een verdwenen straatje waar nu ongeveer de Lutherstrasse ligt. De Lutherstrasse is overigens de  verbinding met het Bachhaus en het marktplein (fietsend of wandelend). De afstanden zijn klein tussen de Bachbezienswaardigheden in Eisenach. Op een steenworp afstand van het plein staat achter de Predicherkirche het woonhuis van Johann Christoph op het pleintje ‘An der Munze’. Hier bevond zich ook de Latijnse school; de school die de kleine Bach bezocht.

Ik fiets deze week de route van Bikeline: Thüringer Städtekette. Kronkelend door Thüringen langs de steden Eisenach, Gotha, Erfurt, Weimar, Jena, Gera, Altenburg en vervolgens nog 75 kilometer noordwaarts om de week in Leipzig af te sluiten.
In deze reisbeschrijving richt ik me vooral op de plaatsen waar Bach zijn kinderjaren heeft doorgebracht en die van betekenis waren voor zijn voorgeslacht: Eisenach, Ohrdruf, Wechmar en Erfurt. Elders op mijn weblog zijn verslagen van andere Bachfietsreizen te vinden.

Zo wandelend en fietsend door het oude stukje Eisenach is het niet moeilijk een jonge Sebastian voor te stellen. Vanuit de Fleischgasse kon hij zijn vader horen als die ´s ochtends en ´s avonds de uursignalen blies vanaf de toren van de Georgenkirche, de kerk waarin hij ook meezong met het knapenkoor. En met wat verbeelding zie je hem, acht, negen jaar oud, met zijn vader meegaan naar een repetitie met het hoforkest of alleen de Georgenkirche in wandelen als zijn oom daar aan het orgelspelen was. Vast en zeker zal Johann Christoph hem ook de binnenkant van het orgel hebben laten zien en is toen al de basis gelegd voor de grote deskundigheid die hij later zou ontwikkelen over de werking van het orgel.
Ondanks dat het Bachhaus niet het geboortehuis van Bach is is het de moeite van het bezoeken waard. Een aantal keren per dag worden oude tentoongestelde instrumenten bespeeld.

SAMSUNG DIGITAL CAMERA
In het Bachhaus: zo zou de werkkamer van Ambrosius Bach er uit hebben kunnen zien…

Eind 1694 en begin 1695 kwam er een abrupt einde aan deze zorgeloze kinderjaren toen kort na elkaar Johann Sebastians moeder en vader overleden. Zijn zusjes werden bij familie van moederskant ondergebracht in Erfurt. Johann Sebastian ging wonen bij zijn oudste broer, Johann Christoph, in Ohrdruf zo´n vijfendertig kilometer ten zuid-oosten van Eisenach. Hij zou vijf jaar bij zijn broer inwonen.

Vanuit Eisenach gaat de fietstocht eerst naar het oude stadje Gotha. Niet echt een Bachstad. Een belangrijke link naar Bachs kinderjaren is wel dat de Stadtspfeiffer van deze stad, Sebastian Nagel, goed bevriend was met de vader van Johann Sebastian. Juist bij Bachs geboorte was deze Nagel een tijdje in Eisenach en zo is het waarschijnlijk gekomen dat Sebastian deze voor de familie Bach bijzondere naam heeft gekregen. Die kwam tot dan toe nog niet voor. Sebastian Nagel werd peetvader van Johann Sebastian.
Veel later, in 1717, zou Bach in Gotha op Goede Vrijdag een passie hebben uitgevoerd. Helaas is de muziek hiervan verloren gegaan.

Fietsen door Thüringen is absoluut aangenaam te noemen. Wijde landschappen, glooiend, soms heuvelachtig afgewisseld met bossen. Regelmatig fiets je langs riviertjes wat maakt dat de route redelijk vlak blijft. Een aantal keren wordt er enige inspanning van je gevraagd bij het beklimmen van een heuvel. De route gaat voornamelijk over rustige landweggetjes en fietspaden door de bossen. Drukkere autowegen worden gemeden. Heel anders zal het land vanuit deze fietstocht bekeken er in de tijd van Bach niet uitgezien hebben.

20180606_102238
Dorpsgezicht Ohrdruf

Ohrdruf

Ohrdruf ligt niet op de route van Bikeline dus ik moet na Gotha wat verder naar het zuiden afzakken om dit dorpje te bezoeken. Net er buiten ligt het renaissanceslot Ehrenstein. De hekken zijn dicht. Johann Christoph gaf hier ooit concerten en wie weet hielp zijn kleine broertje wel mee. Ohrdruf is niet groot en als vanzelf fiets je eerst richting de hoogste toren. De Michaelskirche, waar Bachs broer organist was, is in 1945 ingestort maar de toren is behouden. Voor de toren is in 2000 (het tweehonderdvijfstigste sterfjaar van Bach) een gedenkteken geplaatst wat moet herinneren aan de tijd dat Bach in het dorpje verbleef. Een wat rommelig geheel, door jongeren ontworpen tijdens een symposium, wat later in brons is gegoten: de toren van de kerk die overgaat in een orgelpijp waar vanuit takken groeien die blijkbaar de groei naar volwassenheid moet uitbeelden. De bladeren lijken op die van een linde wat verwijzen kan naar Leipzig (oorspronkelijk Lipsia = Linde). Links van de toren staan een serie orgelpijpen en rechts wordt een gesmeed kasthekwerk uitgebeeld met daardoor heen gestoken een rol bladmuziek. Dit herinnert aan de anekdote dat de jonge Bach bij maanlicht stiekem muziek van zijn broer overschreef wat hij uit de kast ontvreemde. Onder het beeld staat op een sjerp de bekende uitspraak van Beethoven: ‘Nicht Bach, Meer sollte er heissen’.

SAMSUNG DIGITAL CAMERA
Monument in Ohrdruf

Het kan niet anders dan dat Bach in Ohrdruf tot het besef is gekomen dat in hem een groot talent schuilde. Hij kreeg klavecimbel- en orgellessen van zijn broer, die zelf leerling van Johann Pachelbel in Erfurt was geweest. Ook kreeg hij vioolles. In deze periode zullen ook zijn eerste composities zijn ontstaan al is hier niets van bewaard gebleven.
Op de plaquette op de Volrathstrasse 5, een zijstraat van de Marktstrasse, valt te lezen dat op die plek het huis van Johann Christoph heeft gestaan. Dat was in de toenmalige Lappengasse. Johann Sebastian vertrok vanaf hier, vlak voor zijn vijftiende verjaardag, naar Lüneburg en zou vanaf die tijd voor zichzelf gaan zorgen.

De route gaat dan richting Wechmar waarbij een paar kilometer noordwaarts eerst Hohenkirchen gepasseerd wordt, de geboorteplaats van Georg Böhm, een ver familielid van de Bachs die later in Lüneburg organist werd en toen de vijftienjarige Bach daar kwam zich over hem ontfermde.
Om de drukke provinciale weg zonder fietspad te mijden gaat er een route door het akkerland. Een zeer hobbelig stukje helaas. Maar wel zo veilig…

 

SAMSUNG DIGITAL CAMERA
Bachhaus Wechmar

Wechmar

De geschiedenis van de familie Bach begint in Wechmar als Veit Bach zich daar rond 1580 vestigt als bakker en molenaar. In verband met de contrareformatie vluchtte hij uit het toenmalige Hongarije naar het protestante Thüringen. In de geschiedschrijving over zijn familie schrijft Johann Sebastian dat deze Veit tussen de bedrijven door op de cythringen speelde. Veit werd zo de voorvader van een wijdvertakte muzikale Bachfamilie in Thüringen. Hij was de betovergrootvader van Johann Sebastian. ‘Bach-stammort’ staat er op een bord als je Wechmar binnen fietst is. Het is nog steeds een klein dorp van zo’n 3000 inwoners. Aan de huidige Bachstrasse staat het Bachhaus, de oorspronkelijke woning en bakkerij van Veit. Hier is nu een museum gevestigd wat de geschiedenis van de familie Bach verhaalt. Het is ingericht als woonhuis zoals het er rond 1700 uitzag. Ook worden er oude muziekinstrumenten tentoongesteld. Het is open op dinsdag en donderdag en in het weekend. Noordwaarts ligt aan de Mühlestrasse aan de rand van het  dorp de Obermühle waar Veit zijn molenaarswerk deed.

SAMSUNG DIGITAL CAMERA
Oberm
ühle van Veit Bach

De moeite van het bezoeken waard is nog de Sint Vituskirche, nieuw gebouwd in 1832. Een opvallend grote kerk met een hoge torenspits. Bijzonder zijn de fraaie schilderijen bij het altaar en het schip van de kerk wat de plattegrond van een cirkel heeft.
Of Bach Wechmar heeft bezocht is niet bekend. Je zou het toch wel denken. Vanuit Ohrdruf was het maar zo’n acht kilometer lopen. Als het zo is zal dat vooral vanuit nieuwsgierigheid zijn geweest. Er was in zijn tijd geen Bach meer werkzaam in Wechmar.

Ik overnacht op een kleine camping in Mühlberg, drie kilometer ten zuid-oosten van Wechmar. Helaas is er veel lawaai van de dichtbij gelegen A4.
Langs smalle riviertjes en kleine dorpjes als Apfelstadt, Neudietendorf en Ingersleben fiets ik de volgende dag naar Erfurt.

Erfurt kan gezien worden als de hoofdstad van Thüringen en is zeker een Bachstad te noemen omdat er vele Bachs hebben gediend als stadsmusicus of organist. ’Een Bach’ was hier zelfs een bijnaam voor een stadsmusicus. Je kon in Erfurt dus een Bach zijn zonder een Bach te zijn. De beroemde Johann Pachelbel, leraar van Bachs broer Johann Christoph was organist geweest in de Predigerkirche. Bachs ouders kwamen uit Erfurt en als het aan zijn vader had gelegen dan waren ze daar weer naar teruggekeerd. Dan had het Bachhaus niet in Eisenach gestaan maar in Erfurt. Bach zelf zal verschillende keren Erfurt bezocht hebben. Er wordt zelfs gesuggereerd tijdens een korte huwelijksreis in 1708 met Maria Barbara. Of voor de uitvoering van de beroemde Actus Tragicus (BWV 106) die dan voor zijn overleden oom Tobias Lämmerhirt geschreven zou zijn. Het enige gedocumenteerde bezoek is echter van 1716 toen hij vanuit Weimar het Sterzing-Schröter orgel in de Augustiner-Kirche is komen keuren. Helaas is dit orgel niet bewaard gebleven.
Voor Duitse begrippen is het historische centrum van Erfurt goed in tact gebleven. Bijzonder zijn de grote vakwerkhuizen die over het riviertje de Gera zijn gebouwd en indrukwekkend de op een heuvel gebouwde Dom Sankt Marien en de daarnaast gelegen Severikirche. Vanaf het Domplein per brede trap te bereiken.

SAMSUNG DIGITAL CAMERA
De Gera in het Centrum van Erfurt

Na Erfurt gaat de fietstocht verder naar Jena (met een heel leuke camping net buiten de stad), Gera, Altenburg en van daaruit noordwaarts naar Leipzig. Vijftien kilometer voor Leipzig bezoek ik nog het kerkje in Störmthal waar Bach in 1723 een klein Hildebrandt-orgel heeft gekeurd en bij de ingebruikname daarvan de cantate Höchsterwünschtes Freudenfest (BWV 194) heeft uitgevoerd. Dit orgel is nog wel in gebruik! In Leipzig nestel ik me weer op de camping aan de Auensee ten noordwesten van de binnenstad en staat er nog een mooi Bachweekend te wachten.

20180603_111347
Hildebrandtorgel in St
örmthal

Pasen is een hardloopfeest en Bach loopt mee!

Knipselpasen


Kommt, eilet und laufet

De hardloopkalender in het tijdschrift Runnersworld uit maart 2013, vermeldt op Eerste en Tweede Paasdag maar liefst zesendertig hardloopwedstrijden. Menig van die loopevenementen hebben ook toepasselijke namen als Paasloop, Paashaasloop en Paasjogging. Persoonlijk heb ik ook goede herinneringen aan hardlopen met Pasen: mijn eerste marathon liep ik in 2008 op Tweede Paasdag in Utrecht. In 2012 was ik weer van de partij.
Pasen staat synoniem voor het begin van de lente. Vanuit dat perspectief is het grote aantal hardloopwedstrijden goed te verklaren. De winter is voorbij, buiten wordt het zachter. Het blijft langer licht, dus je kunt ’s avonds weer het bos in. Voor de hardlopers breekt er weer een aangename tijd aan. Ook vanwege de trimlopen en  hardloopwedstrijden die georganiseerd worden; om te beginnen met Pasen!
Dat Pasen strikt genomen een christelijk feest is, zal aan veel deelnemers van deze Paaslopen voorbijgaan. Hier onderscheiden zij zich overigens weinig van al die anderen die na het nuttigen van een Paasbrunch meubelboulevards of pretparken bezoeken. Om over chocolade eieren en paashazen nog maar te zwijgen. Met het christelijke paasfeest heeft het allemaal weinig te maken. Hoewel? Het Bijbelse Paasverhaal blijkt nader beschouwd vol met hardloopelementen te zitten, en omdat Bach veel muziek heeft geschreven voor de Paasdagen wordt er in de muziek van Bach ook volop gerend! Vanuit dit perspectief past het dus heel goed om hard te gaan lopen op Pasen en blijkt de haas als snelrennend wezen toch een passend symbool te kunnen zijn op de Paasdagen.

In de Bijbel wordt in de evangeliën van Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes het leven van Jezus beschreven. Als leraar trekt hij door Israël met een boodschap van liefde, solidariteit en bevrijding. Sommigen zien hem als de Zoon van God die door zijn lijden en sterven de zonden zal dragen voor de mensheid. Anderen zien hem als de Messias die het volk Israel zal verlossen van de Romeinse overheersing. Hoe het ook zij, zijn boodschap roept vooral bij de gezagsdragers van het Joodse volk ergernis op wat uiteindelijk leidt tot zijn gevangenneming, berechting en kruisiging.  Deze laatste episode van zijn leven, het ‘lijdensverhaal’, is door Bach op indrukwekkende wijze op muziek gezet in zijn Matthäüs-  en Johannes-Passion. Het verhaal van Jezus eindigt echter niet met zijn dood. Zijn graf werd op de derde dag (de eerste dag van de week) leeg bevonden. Aan verschillende mensen zou hij zijn verschenen. Jezus is opgestaan en leeft! Dat wordt gevierd met Pasen. Bach schreef hierover verschillende cantates voor de eerste, tweede en de in die tijd ook nog bestaande derde Paasdag. Daarnaast componeerde Bach een uitgebreider Oster-Oratorium[1].

Acht hardloopscènes.

Zoals al genoemd wordt er in dit passie- en Paasverhaal en ook in de muziek van Bach daarover, opvallend veel hardgelopen. De eerste hardloopscène komen we tegen bij de gevangenneming van Jezus die plaatsvindt in de hof van Gethsemane. Zijn afvallige discipel Judas verraadt hem met een kus. Van de andere discipelen wordt door Mattheüs verteld: Daarop lieten alle leerlingen hem in de steek en vluchten weg[2].  Ze gingen er als een haas vandoor. Als de evangelist in de Matthäus-Passion deze scène zingend verhaalt (‘Da verliessen ihn alle Jünger, und flohen’) zou je misschien verwachten dat Bach dit woord met snelle noten accentueert, maar dat doet hij niet. De dramatiek klinkt wel door in de dalende toonsprong op ‘flohen’, en de kwart rust die hierna valt om de maat vol te maken. Een uitbeelding om even te voelen dat Jezus nu echt door zijn vrienden alleen gelaten is? Hierna volgt dan ook direct de instrumentale opening van het slotkoor van het eerste deel: ’O Mensch bewein dein Sünden gross’.
De tweede hardloopscène wordt alleen  door Markus verhaald. Hij geeft nog een vervolg op de bovengenoemde scène uit Mattheüs. Markus maakt er een spannende beschrijving van: Een jongeman, die alleen een linnen kleed aan had, probeerde bij hem te blijven, maar toen ook hij werd vastgegrepen, liet hij het kleed in hun handen achter en vluchtte naakt weg[3]. Het is zo’n mysterieus stukje uit de Bijbel. Je zou willen weten wie deze jongen was, wat er van hem geworden is, maar het blijft in nevelen gehuld. Zo is het trouwens ook met Bachs Markus-Passion (BWV 248), die Bach op Goede Vrijdag 1731 heeft uitgevoerd. Weliswaar keurig een BWV-nummer, maar er is alleen maar een tekst beschikbaar, want de muziek is verloren gegaan. Men neemt aan dat verschillende koren en aria’s hun oorsprong hebben in de Trauerode Lass, Fürstin, lass noch einen Strahl’ (BWV 198)[4]. De muziek van de evangelietekst is echter volledig onbekend, wat dus ook betekent dat het gissen blijft hoe Bach het tekstgedeelte over de naakt wegrennende jongen op muziek heeft gezet. Van de Markus-Passion bestaan verschillende reconstructies. Ton Koopman maakte er ook één. Hiervoor componeerde hij zelf de recitatieven in de stijl van Bach. In tegenstelling tot in Bachs Matthäus-Passion componeert hij het ‘flohen’ van de leerlingen met een hele reeks van stijgende korte nootjes, en beeldt hij het woord inderdaad treffend uit. Als een lettergreep op meerdere noten wordt gezongen, dan wordt dat een melisme genoemd. Hetzelfde woord ‘flohen’ wordt bij de wegvluchtende naakte jongeman echter maar op drie nootjes gezet. Alsof Koopman als componist even verlegen is met de penibele situatie…
De hardloopscènes drie en vier staan niet in de Bijbel maar komen uit de Johannes-Passion (BWV 245). In het Bijbelverhaal blijkt dat Petrus en een andere discipel Jezus uiteindelijk toch volgen naar de plek hij wordt voorgeleid. Na het recitatief waarin dit wordt gezongen volgt de sopraan-aria ‘Ich folge dich gleichfalls mit freudigen Schritten’. Zoals bekend zijn de aria’s persoonlijke reacties of toepassingen op het gebeuren, want natuurlijk volgde Petrus Jezus niet met een vrolijke tred. Hij was doodsbenauwd, even later zou hij warempel tot drie maal ontkennen dat hij bij Jezus hoorde. De aria wil blijkbaar meegeven dat ondanks alles het volgen van Jezus uiteindelijk vreugdevol mag zijn. Bach zet de aria daarom in een dansachtige 3/8 maatvorm, en de woorden ‘folge’ en ‘freudigen’ worden achtereenvolgens met stijgende en dalende notenreeksen uitgebeeld. In een huppelpas achter Jezus aan!
De vierde hardloopscène heeft een heel ander karakter. Als verderop in het verhaal Jezus het kruis op zijn rug moet dragen en naar Golgotha moet lopen waar de kruisiging plaats zal vinden voegt Bach in de Johannes-Passion een beschouwende aria toe: ‘Eilt, ihr angefochten Seelen’. In een vlot tempo wordt gezongen dat gelovigen zich moeten haasten om naar Golgotha te gaan. ‘Flieht’  wordt zelfs gezongen. Ga vliegensvlug, ijlings, want op Golgotha is het heil te vinden. Bach componeert deze aria op het vlugge, ietwat onrustige ritme van een courante. In een snel loopje van stijgende noten wordt de start van de run uitgebeeld. Deze oude Franse hofdans is vanwege zijn snelle ritme heel geschikt voor deze tekst, beter nog dan de snelle gigue die meer een huppelend karakter heeft. In de Matthäus-Passion wordt bij dit tekstgedeelte niet hardgelopen. Integendeel, de zware gang met het kruis op de rug wordt door Bach treffend uitgebeeld met de instrumentele omlijsting van de bas-aria ‘Komm süsses Kreuz’. De aria bezingt de vraag aan Jezus om als het lijden van de mens te zwaar wordt, of hij dan wil helpen dat kruis te dragen. Het stroeve ritme  van de aria met de stotende, zware streken van de gamba symboliseren het pijnlijke zwoegen van degene die het kruis moet dragen.

Hardloopscène vijf begint op paasmorgen, en  is een meidenrun. Op de eerste dag van week gaan Maria van Magdala en een andere Maria in alle vroegte naar het graf. Ze zien de steen weggerold en ontmoeten een engel die tegen hen zegt dat Jezus is opgestaan. De engel maant de vrouwen snel naar de leerlingen te gaan om dit nieuws te melden. Ontzet en opgetogen verlieten ze haastig het graf[5]  schrijft Mattheüs. Terug in de stad vertellen de vrouwen het nieuws buiten adem aan de leerlingen. In de cantate voor Eerste Paasdag Der Himmel lacht! Die Erde jubilieret (BWV 31) wordt dit rennen als metafoor gebruikt voor het achterlaten van het oude zondige leven. De opstanding van Jezus mag de gelovige ertoe aan zetten een nieuw leven te beginnen. In het recitatief (van het vijfde deel) worden in dit kader onder andere de volgende regels gezongen: ‘Tritt an den neuen Lebenslauf!’ en even later: ‘Ein Christe flieht, ganz eilend von dem Grabe’. Begin je nieuwe levensloop, en wel zo snel als je kunt. Weg van dat graf; opstaan en rennen maar! Bach laat de tenor de woorden ‘Lebenslauf’,  ‘flieht’ en ‘eilend’ in razendsnelle zestiende nootjes zingen. De laatste twee woorden eerst stijgend, dan weer dalend.
Dan volgt de zesde hardloopscéne die uitmondt in een ware wedstrijd. Er zijn verschillende versies: Lucas vertelt dat de leerlingen het verhaal van de vrouwen maar kletspraat vonden. Behalve Petrus. Lucas schrijft: Petrus echter stond op en rende naar het graf[6].  De evangelist Johannes vertelt dat er nog iemand anders naar het graf rende. Als een echte sportverslaggever verslaat hij deze hardloopscène: Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf[7]. Petrus verliest de run van de andere leerling die blijkbaar over een goede eindsprint beschikte. Johannes zelf?
Al dit rennen op de eerste Paasdag komt treffend terug in het Oster-Oratorium (BWV 249). De cantate opent met een vrolijke sinfonia. Trompetten dragen bij aan de feestvreugde. In tegenstelling tot de ‘Eilt-aria’ uit de Johannes-Passion heeft hier de muziek wel het aan de gigue verwante ritme. Dansend en huppelend wordt de opstanding van Christus gevierd en omdat het hier om feestmuziek gaat, wordt het ritme ondersteund door paukenslagen. Maar dan wordt er even een pas op de plaats gemaakt. In een adagio klinkt de stille verwondering door; je moet ook wel even stilstaan om te beseffen wat er is gebeurd; heb je wel in de gaten hoe groot dit wonder is? Hierna zet echter het orkest de sinfonia opnieuw in en kort daarop volgt het koor met de volgende tekst: Kommt, eilet und laufet ihr flüchtige Füsse wat vertaald kan worden als: Komt, loop in ijltempo gij vliegensvlugge voeten. Ren naar de plek waar het wonder is geschied. Prachtig hoe Bach de sfeer van het rennen en vliegen op die vroege Paasmorgen in zijn muziek verbeeldt. Het snelle tempo van de gigue, de melismes op ‘eilet’ en ‘laufet’. Bach maakt er echt een hardloopfeest van.

De eerste hardloopscènes waren als gevolg van het wegvluchten te typeren als echte sprinten. De laatste hardloopscènes zijn te duiden als middenafstandlopen. De afstand tussen de stad Jeruzalem en de graftuin buiten de stadspoort zal zo´n anderhalf tot twee kilometer geweest zijn. Ten slotte kan er ook nog een lange afstandsloop hebben plaatsgevonden en dat wordt dan hardloopscène zeven.  Lucas vertelt over de zogenoemde Emmaüsgangers, enkele leerlingen van Jezus die, nog onder de indruk van wat er zich in Jeruzalem allemaal heeft afgespeeld, ´s middags terugwandelen naar hun woonplaats Emmaüs. Lucas noemt een exacte afstand: zestig stadia, wat ongeveer twaalf kilometer is. Dan voegt Jezus zich bij hen, maar zij herkennen hem niet. Jezus wandelt met hen op en ze spreken over datgene wat er in Jeruzalem is geschied de afgelopen dagen. Aangekomen in Emmaüs nodigen ze Jezus bij hen thuis, want het is bijna avond. Als Jezus aan tafel het brood breekt, herkennen ze hem pas, maar dan verdwijnt Jezus ook plots uit hun zicht. Lucas vertelt dan verder: Ze stonden op en gingen meteen terug naar Jeruzalem, waar ze de elf en de anderen aantroffen[8]. Het wordt niet expliciet vermeld, maar het kan haast niet anders dan dat deze leerlingen hardlopend terug zijn gegaan want het was al avond en ze wilden zo snel mogelijk hun ervaring delen met de anderen. In de lutherse kerk werd dit verhaal op de Tweede Paasdag gelezen. Bach componeerde hierbij de cantate Bleib bei uns, denn es will Abend werden (BWV 6). In deze cantate, met het overigens magistrale openingskoor op het ritme van de sarabande, wordt niet hardgelopen. Wellicht toch meer passend bij het Bijbelverhaal wordt er echter wel gewandeld, en dat is dan loopscène acht. In de cantate gaat het over de zondige mens die wandelt in de duisternis, maar die door het licht van Christus’ woord op het rechte pad kan gaan. In het bas-recitatief van deel vier klinkt het woord ‘gewandelt’ op driemaal een gelijke G als kwartnoot. Je ziet als het ware de stappen: recht vooruit. Dan volgt de tenor-aria met de tekst die het thema van de cantate samenvat:

Jesu, lass uns auf dich sehen,
Dass wir nicht auf den Sündenwegen gehen.
Laß das Licht deines Worts uns heller scheinen,
Und dich jederzeit treu meinen.

Violen omlijsten de aria  met motieven die de tekst kracht bij zetten. Van Hengel omschrijft het als volgt: ‘Motieven die – blijkens de teksten van de tenor – vooral de zware stappen in beeld brengen van de vermoeide reiziger die, onzeker struikelend langs een kronkelig pad, dreigt af te glijden op de ‘Sündenwegen.’

Pasen en hardlopen. Ze horen bij elkaar. En niet alleen vanwege het aangename hardloopweer, maar zeker ook omdat het Paasverhaal zelf een hardloopverhaal is. In dit opzicht past de snelle haas dus uitstekend bij dit feest. En Bach loopt onmiskenbaar mee!
Dat het de vele lopers en zeker de hazen[9] op de Paaslopen mag inspireren.
Kommt, eilet und laufet!

[1] Ostern is Pasen.

[2] Mattheüs 26:56b.

[3] Markus 14:51-52.

[4] Zie ook hoofdstuk ‘Bach in de hemel (in h-Moll)’.

[5] Mattheüs 28:8.

[6] Lucas 24:12a.

[7] Johannes 20:4.

[8] Lucas 24:33.

[9] Een haas is in de hardloopwereld iemand die in een wedstrijd wordt ingehuurd om een tempo aan te geven.