Fietstocht naar Assisi

5 mei – 2 juni 2024

Dag 1: Roermond – Düren, 75 kilometer

Vijftien jaar na mijn fietstocht naar Rome (toen vijftig jaar oud) ben ik opnieuw op de fiets gestapt voor een langere solo-fietstocht. Wederom met de routeboekjes van Hans Reitsma. De route door Duitsland is anders (na Heidelberg) en in Italië ga ik de oostelijke route volgen. Genoeg afwisseling dus vergeleken met de vorige keer. Einddoel is dit keer Assisi. Over vier weken hoop ik gezond en wel met de Cycletour bus vanuit Tuoro del Trasimeno terug naar Nederland te rijden.

De etappes door Nederland hou ik dit keer voor gezien. Met de trein reis ik naar Roermond waar ik de route van Reitsma oppak. Tot Eindhoven zijn er veel PSV-supporters die het landskampioenschap vanmiddag gaan vieren. Vanwege de regenval de afgelopen dagen kies ik voor de zogenaamde ‘asfaltroute’ en vermijdt ik de waarschijnlijk modderige route langs de rivier de Rur waarvan het fietspad onverhard is. Minder mooi, maar wel zo prettig. Het is zondagmiddag en het is zeer rustig in de dorpjes en op het platteland. Zo nu en dan moest ik afremmen voor wandelende gezinnen met kleine kinderen maar dat deed ik graag. Het fietsen deed ik rustig aan. De conditie is goed, maar de marathon van Hamburg, een week geleden gelopen, zit nog in m’n benen merkte ik. Sowieso heb ik vanwege de training voor de marathon weinig gefietst, laat staan getraind, voor deze lange fietstocht. De ‘fietsconditie’ gaat vanzelf wel komen.
Maar het was een mooie dag. Het werd steeds zonniger en op de camping Echtzer Badesee, even buiten Düren, hadden ze een goed glas bier waar een grote hamburger met ‘Pommes’ bij werd geserveerd. Hier ontmoette ik ook de eerste twee Rome-gangers. Twee dames met elektrische fietsen en elk een tent.

Echtzer Badesee

Dag 2: Düren – Remagen, 106 kilometer

Vandaag van Düren naar Re(ma)gen. Het was een dag dat de regen lang duurde. Tot Zülpich was het lichte motregen (waar je ook behoorlijk nat van wordt) maar vanaf daar tot aan Remagen regende het onophoudelijk flink. Deze etappe is op zichzelf al niet zo spectaculair, door de regen viel hij helemaal in het water. Je scant de omgeving, maar een prettige beleving erbij ontbreekt. Opvallend waren de vele akkers met nieuw ingeplante asperges. De tweede lichting dit jaar naar ik meen. Het gele koolzaad bloeide daarentegen volop op de vele andere akkers. In Euskirchen een kamertje in Remagen geboekt vanuit het boekje van Reitsma. De kamer bleek over een keukenblokje te beschikken dus na een warme douche en droge kleren nog boodschappen gedaan (het was inmiddels droog!) om een eigen potje te koken.

De verrassing vandaag was in het Kottenforst, het grote woud onder Bonn. Elf jaar geleden fietste ik daar in tegenovergestelde richting met Cisca doorheen na een ronde Eifel – Moezel – Rijn. Op een open plek in he bos waren we getuige van het ophalen van houten altaarstukken voor een kerk in Bonn. Een kunstenaar had ze daar ter plekke gemaakt van de stam van een omgevallen historische eik. Een deel van de eik is blijven liggen als ‘Denkmall Die dicke Eiche’. Over deze gebeurtenis heb ik een verhaal geschreven ( Der dicke Eiche | Wim Faas ). Een paar jaar geleden toen ik nog eens door het Kottenforst fietste kon ik dat Denkmall op de open plek niet vinden. Ondanks de regen viel mijn oog er nu wel op; een stukje verderop, twintig meter links van het fietspad. Natuurlijk een selfie gemaakt!

Denkmall Der dicke Eiche, Kottenforst

Dag 3: Remagen – St. Goar, 84 kilometer.

De route langs de Rijn van Remagen naar St. Goar heb ik meerdere malen in verschillende richtingen gefietst. Fietsen langs de Rijn blijft mooi. Al zijn de fietspaden hier en daar niet al te best. Het was vandaag bewolkt. De regendampen hingen nog tegen de hellingen wat het aanzicht van het Rijndal wat mysterieus maakte. De zon deed zijn uiterste best om er doorheen te komen maar toen ik Koblenz uitreed gooide hij de handdoek in de ring toen het weer begon te regenen. Voor Koblenz moest ik even van de route afwijken om in Muhlheim Campingcenter Berger te bezoeken. In Düren bleek mijn opblaaskussentje lek.
Bij de imposante Marksburg kon ik stoppen om mijn regenkleding weer uit te doen en ook deze keer weer een foto te maken van het indrukwekkende kasteel aan de overkant van de Rijn. Vanaf Boppard gaat het fietspad in ruime bochten langs de rivier en gaat het fietsen bijna vanzelf. Vanwege de nattigheid die bleef dreigen toch maar gekozen voor een overnachting in de Jeugdherberg waar dit keer wel heel veel jeugd verbleef. Op mijn kamer was het rustig. Ik had nog energie over voor een klim naar de burcht zo’n beetje recht boven de jeugdherberg. Op het menu van de jeugdherberg stond pasta. Dat kon ik goed gebruiken!

Sankt Goar

Dag 4: St. Goar – Leeheim, 98 kilometer.

Vandaag scheen de zon weer! Dus het onderste deel van de broek afgeritst. Eerst langs de legendarische Lorelei en dan verder langs de Rijn tot Bingen. Het water staat erg hoog op het moment en dat geeft weidse blikken. Onderweg zag ik denk ik net zoveel cruiseschepen als fietsers!
Ieder stadje heeft z’n eigen burcht of bijzondere toren. In Bingen de St. Martinus basiliek bezocht. Veel oude kunst is er te zien maar een beeld van Hildegard kon ik niet ontwaren.
Het tweede deel van de etappe gaat door glooiend landschap waarin vooral akkerbouw plaatsvindt. Hier en daar een steilere heuvel die wat inspanning vergde. Een goede training voor als het straks echt menens wordt denk ik. Bij Nierstein steek ik de Rijn over en fiets ik nog een paar kilometer door naar de camping aan de Riedsee bij Leeheim. Op een mooi trekkersveld aan het meer zet ik mijn tentje weer op. Ik ontmoet een Zwitser die vanuit Zwitserland de Rijn afdaalt. De camping wordt overigens niet genoemd in het boekje van Reitsma.

De Rijn voor Bingen

Dag 5: Leeheim – Schlierbach (bij Heidelberg), 93 kilometer.

Heerlijk ontspannen gefietst vandaag. Een grotendeels vlakke etappe. Vanwege de vrije Hemelvaartsdag waren er veel mensen op de weg. Wandelende of fietsende gezinnen. In de dorpjes worden voorbereidingen getroffen voor een feest later op de dag. Uitgezonderd een paar stukken bos gaat de route door akkerbouwland. De mais staat nog laag, het koren al hoger. Aardbeien worden al geplukt. De nog lege kisten staan naast de bedden. Maar vandaag wordt er niet geplukt en ik ben niet zo vrij om er een paar te proeven met zoveel Duitsers op het fietspad.
Langzamerhand komen de heuvels langs het Neckardal in het zicht. Het laatste deel van de etappe voert langs deze rivier. Bij Heidelberg liggen er brede grasstroken langs het water. Honderden mensen brengen daar hun dag door want het is prachtig zonnig weer. Er klinkt muziek, er wordt bier gedronken en ijs geschept. Op de Alte Brücke is het een drukte van jewelste. Jonge mediterrane en Japanse meisjes laten zich fotograferen door hun geliefde. Ik moet nog een paar kilometer verder naar de camping, maar ik ga vanavond zeker nog even weer terug naar de stad!

Heidelberg

Dag 6: Schlierbach – Oedheim (bij Bad Wimpfen), 89 kilometer.

Vandaag ging de route verder langs de Neckar. Het is een rustige rivier met weinig scheepvaart. Ook vandaag mooi weer met veel fietsers op de fietspaden vanwege het vrije weekend. De meeste Duitsers fietsen elektrisch. Ook de ATB’s zijn meestal elektrisch. Regelmatig worden schilderachtige dorpjes gepasseerd met vakwerkhuizen. Hoger op de heuvels pronken burchten of ruïnes daarvan. De Neckar is een belangrijke naamgever geweest voor de stadjes. Ik noem ze: Neckargemünd, Neckar-Steinbach, Neckarhausen, Neckarhausenhof, Neckarwimmersbach, Neckargerach, Neckarelz, Neckarzimmern, Neckarmühlbach, Neckarsulm. Tien stuks!
Het stadje Bad Wimpfen ga ik natuurlijk even bezoeken. Zo’n mooie naam. Op een terras drink ik een koude alcoholvrije bier en ben ik getuige van een foto-shoot van een bruidspaar. Ik overnacht op de camping van Oedheim. Het trekkersveld is erg vol en ik krijg op mijn verzoek een mooi plekje bij het water toegewezen op een ruim veld waar ook caravans staan. Van mijn Duitse buurman krijg ik spontaan een stoel en een aangesloten stekkerdoos te leen. Van de kwakende kikkers ga ik denk ik vannacht het meeste last krijgen!

Wim bij Bad Wimpfen

Dag 7: Oedheim – Ellwangen, 119 kilometer.

Vandaag een dubbele etappe gefietst. Dat kon best. De route volgde steeds kleine riviertjes maar dat betekende niet dat het een vlakke rit was. Verschillende vervelende hellinkjes moesten overwonnen worden. Ik ben daarbij erg tevreden met mijn nieuwe Santos met Rohlofnaaf. Het schakelen gaat altijd goed. Met een derailleur met zeven achter- en drie voorbladen ging het schakelen in het verleden regelmatig mis omdat ik me bijvoorbeeld vergiste met links en rechts schakelen en ik op een steile helling zowat stil kwam te staan. Maar dat is nu verleden tijd.
Het landschap wordt vooral bepaald door graslanden waar de boeren gemaaid hebben en het gras ligt te drogen. Het zal maandag binnengehaald worden. Het riviertje de Kocher gaat nog door een diep dal waar tegen de westelijke heuvel wijngaarden zijn geplant. Daarna volgen de de rivieren Brühl en de Jagt die door het heuvelachtige boslandschap kronkelen. De fietspaden kunnen de riviertjes niet altijd volgen waardoor je verschillende keren uit het dal moet klimmen. Als de route een oud spoorweg tracé volgt is de route even lekker vlak. 
De camping in Ellwangen is dit jaar gesloten vanwege een grote renovatie. Speciaal voor Reitsma-fietsers is een strook vrij gelaten met basic-faciliteiten. Ik ontmoet een echtpaar dat onderweg is naar Rome maar ik sluit me aan bij een groep Duitsers die hier normaal hun caravan hebben staan en vanavond gaan barbecueën.

Alternatieve ‘Reitsma-camping’ bij Ellwangen

Dag 8: Ellwangen – Dillingen an der Donau, 80 kilometer.

Een heerlijke fietstocht vandaag van Ellwangen naar Dillingen an der Donau. Na Lauchheim even een fikse klim maar verder een makkelijke etappe. Veel dorpjes met barokke kerkjes. De torenspitsen hebben de vorm van een ui. In Dischingen zo’n kerkje bezocht. Wat een rijkdom aan beelden en schilderingen. Ook over het hele plafond.
Het landschap werd bepaald door glooiende heuvels en kleine riviertjes die er tussen stroomden. Het deed me een beetje denken aan Zuid-Limburg. Hele stukken door het land of het bos kwam ik niemand tegen. Het leek soms of ik in m’n eentje door Duitsland aan het fietsen was. Tot ik een grote weg over moest steken en wel vijf minuten moest wachten tot een colonne van motorrijders voorbij was gereden.
Ik was redelijk op tijd op de camping pal aan de Donau. Tijd genoeg om een wasje te doen en in de zon op te hangen en daarna nog de Altstadt te bezoeken. Naast de grote Basiliek  stapte ik een kleiner kerkje binnen waar net een vesper begon. Het bleek het ‘Mutterhaus der Franciscarinnen’ te zijn, het enige nonnenklooster van Franciscus van Assisi wat nog bestaat begreep ik. Dit moest zo zijn, zei de non die ik sprak. Als je naar Assisi fietst is dit geen toeval.
Terug op de camping heerlijk op het terras daar gegeten.

Mutterhaus der Franciscarinnen, Dillingen an der Donau

Dag 9: Dillingen an der Donau – Utting am Ammersee, 118 kilometer.

Vandaag weer een ‘dubbele’ etappe gefietst van Dillingen via Augsburg naar Utting am Ammersee. Het was een heerlijk zonnige dag met aan het eind van de middag dreigend onweer die net de camping aan de Ammersee voorbij ging.
De boeren haalden het gemaaide en opgedroogde gras op. Het werd in kolossale vrachttractors geblazen. Nooit gezien. Je ziet hier geen hooibalen verspreid over het land liggen.
Vanwege de lange etappe heb ik het centrum van Augsburg rechts laten liggen. Ik hoopte de stad vanaf het fietspad langs de Lech te kunnen aanschouwen maar dat viel erg tegen. Je reed voortdurend tussen bosschages. Een grote stuwdam met kapelletje was verrassend.

Na Augsburg begin je de Alpen te ruiken. Hier en daar al een typisch alpenhuis met karakteristiek houten balkon, een koe met een bel en de begroetingen die opeens ‘Gruß Gott’ zijn geworden. Dan kom ik aan de rand van een dorpje de straatnaam ‘Alpenblicke’ tegen. En jawel, als ik de hoek om het dorp uit fiets zie ik in de verte de eerste tekening van het gebergte.
Op de camping bij Utting ontmoet ik Stefan en Harriët uit Assen die onderweg zijn naar Rome en een Duitse vrouw die twee keer bij me komt praten en duidelijk meer van mij wil dan ik van haar.

De Ammersee

Dag 10: Utting – Garmisch Partenkirchen, 88 kilometer.

Wat een mooie fietsdag! Prachtig weer en heerlijke fietspaden met de Alpen letterlijk in het vooruitzicht.
Vanmorgen om half negen vertrokken. Het eerste stuk langs de Ammersee, helaas niet er vlak langs. Dan verder door rustig landelijk gebied met veel grazend vee. Ik haal twee Rome-gangers in (die echt al in de zeventig moeten zijn) die ik op mijn reis nog vaker tegen zal komen. Tweemaal werd een oude stad doorkruist. Weilheim en Murlau. De huizen van de stadjes zijn geschilderd in pasteltinten. In Murlau torent midden in de winkelstraat een Mariabeeld hoog uit boven het winkelende publiek. Een vriendelijke politieagente houdt me aan omdat ik (weliswaar) zachtjes fiets op het voetgangersgebied. Het heeft verder geen consequenties.
Het laatste deel van de etappe gaat bijna rakelings langs de voet van de Alpen. Bijzonder is het toch hoe hier het redelijk vlakke land in één keer over gaat in een stijl bergmassief.
De camping ligt een paar kilometer buiten Garmisch Partenkirchen en heeft een mooi uitzicht op de Zugspitze en andere nog witte bergtoppen.
Stefan en Harriët komen hier ook weer aan en gaan dankbaar gebruik maken van mijn waterkokertje.

Camping bij Garmisch-Partenkirchen

Dag 11: Garmisch Partenkirchen – Stamms, 67 kilometer.

Vandaag een spannende dag. De Alpen in! Twee fikse klimmen stonden op het programma met daar tussen in een vlakker gedeelte. Dan een lange steile afdaling.
Het klimmen ging prima. Ik merk dat ik de afgelopen week al flink wat fietsconditie heb opgebouwd. ’s Nachts wordt ik wakker van spierpijn in m’n bovenbenen. Sinds gisteren ben ik begonnen de spieren te masseren en te rekken. Dat had ik eerder moeten doen.
In het toeristische Mittenwald koffie gedronken en de van buiten kleurrijke kerk bezocht. Daarna de klim naar de Buchener Höhe die over een autoweg ging, dus dat was oppassen. Boven was het uitzicht over het dal spectaculair. Het meeste zag ik vandaag op tegen de afdeling van deze hoogte. Zes kilometer lang zo’n tien procent. Ik wilde niet harder gaan dan vijftig kilometer per uur en moest daarom voortdurend de remmen iets indrukken. Ondanks de spanning was het heerlijk zo naar beneden te vliegen. Met een minuut of tien reed ik Telfs binnen en heb ik mezelf getrakteerd op een Tiroler koek want inmiddels ben ik ook in Oostenrijk aangeland. Dan nog een stukje doorfietsen naar de camping bij Stamms van waar je een prachtig uitzicht hebt op de besneeuwde bergen. Nadat ik me heb gedoucht wandel ik nog even naar de iets lager gelegen abdij en de Stiftskirche. Veel barokke pracht.
Op de camping zijn mijn fietsmaatjes ook weer gearriveerd. We eten gezamenlijk en ik introduceer hen het gemak van de diepvries wokschotels in plastic zak die ik vaak onderweg al koop samen met een blikje bier. Die stop ik bij elkaar in de tas. Als ik ga koken is de maaltijd ontdooid en het blikje bier koud.

Uitzicht op Telfs

Dag 12: Stamms – Nauders, 94 kilometer.

De tocht ging vandaag van Stamms naar Nauders. Ik koos ervoor om de etappe te verlengen met het zwaarste deel van de beklimming naar de Reschenpas. De weersverwachting van morgen was slecht en ik had weinig zin om de beklimming in de regen te gaan doen. Helaas bleek voorbij Pfunds juist deze week het fietspad met haarspeldbochten omhoog gesloten. Door het extreme weer zijn er stenen op de weg gekomen die daarbij ook beschadigd is. Juist deze week zijn de herstelwerkzaamheden. Ik probeerde nog een stukje maar werd door een boer overtuigd dat het echt niet kon. Wat te doen? Met de bus naar Nauders (de fiets kan achter de bus worden opgehangen) of fietsen over de autoweg. Voor het laatste gekozen. Het leek me niet erg druk. Achteraf gezien was het niet de goede keus. Ik ben veilig in Nauders aangekomen, maar het was vooral in de tunnels doodeng. Daar waren wel fietspaden, maar eigenlijk te smal voor een fiets met volle fietstassen links en rechts. Om niet tegen de zijwand te komen moest ik tegen de linkerkant van het fietspad fietsen. Doodeng. Ik raad het iedereen af.
In Nauders was het regenachtig en vooral koud. Een kamer geboekt bij Haus Sigrid. De eigenaar heeft vroeger veel prijzen gewonnen met langlaufen. Het hele huis staat vol met bekers.
Was het laatste deel van de etappe hectisch, voor de rest was het prachtig fietsen langs de Inn die woest tussen de bergen door stroomt. Hier en daar bijzondere overdekte bruggen en bij wijdere gebieden prachtige uitzichten op bergmassieven en toppen. Het grasland is bloemrijk. Landbouw zie je nauwelijks meer. Wel zijn er veel houtbedrijven die boomstammen verwerken tot planken en brandhout.

Adige voor Pfunds

Dag 13: Nauders – Algund, 84 kilometer.

Van Nauders was het vanmorgen nog zo’n zeven kilometer klimmen om het hoogste punt van de Reschenpas te bereiken. Voor de fietsers is dat net wat hoger dan het bord wat bij de autoweg staat. Het is in de ochtend nog koud op deze hoogte dus voor het eerst op mijn fietstocht trek ik mijn handschoenen aan. Er hangen veel wolken tegen de bergen aan en ook hoog in de lucht drijven veel wolken. Zo nu en dan verschijnt er een streepje blauwe lucht. De Reschensee staat zo goed als droog. De kerktoren van Graun steekt nu boven het zand uit. Later bij de stuw zie ik dat men bezig is op de bodem van het meer. De leegstand is dus kunstmatig geregeld.
Bij het meer kun je kiezen om links of rechtsom te gaan. Vijftien jaar geleden heb ik de zwaardere route rechtsom genomen en ik neem me voor om nu linksom te gaan. Deze lichtere route blijkt echter gesloten dus toch rechtsom. Een mooi fietspad met veel hellingen op en neer. Voorbij St. Valentin begint dan de lange afdaling naar de Vinschau die ik in Burgeis even onderbreek voor m’n eerste Italiaanse koffie.
Ik verheug me op de route door de Vinschau met de mooie uitzichten op de Ortlergruppe. Het wolkendek verhinderd dit helaas. Soms zie ik een glimp van een witte bergtop.
Het fietsen gaat verder heerlijk. Het wordt elk uur warmer. Bovenin de lucht trekt het langzaam open maar de Ortlergruppe heb ik dan al achter me gelaten. De route gaat door kilometerslange appelboomgaarden. Bij Saturns stopt ik even omdat direct naast het fietspad een voetbalwedstrijd wordt gespeeld. Een jeugdteam jongens tegen een jeugdteam meisjes. Ze zijn aan elkaar gewaagd. Een doelpunt laat echter te lang op zich wachten.
De route eindigt vandaag op camping ‘Claudia Augusta’ in Algund, vernoemd naar de oude Romeinse handelsroute waarvan een deel van de fietsroute naar Rome over gaat.

Zicht op de Vinschau vanuit Burgeis

Dag 14: Algund – Nave S. Felice, 89 kilometer.

Ik ben op de helft wat betreft het aantal dagen van mijn reis! En qua kilometers er al over heen. Vandaag gefietst van Algund naar Nave S. Felice. Vlakbij de camping in Algund heb ik bij de fietsenmaker eerst mijn banden op de goede spanning laten brengen. In Meran was het even zoeken om op de goede route te blijven maar eenmaal buiten de stad richting Bozen liep alles gesmeerd. Voorbij Bozen was het weer klimmen geblazen (niet de lichte variant genomen) maar dan wordt je uiteindelijk beloond op een magnifiek uitzicht op het dal wat je achtergelaten hebt. De stad Bozen en vierkante kilometers vol met appelboomgaarden. Voorbij Kaltern gaat het weer naar beneden en kom je in de zogenaamde Süd-Tirolische Weinstraße. Steeds minder appelboomgaarden, steeds meer wijngaarden. Aan weerszijden van de route torenen hoge bergmassieven op. Soms komen ze dicht bij elkaar en ga je in lange bochten er tussendoor. Het weer was mooi maar de laatste twintig kilometer had ik een fikse tegenwind.
Nave S. Felice is een dorpje van niets. De camping behoort bij een oud hotel wat ligt tussen een autoweg en een spoorlijn. De treinen denderden op 50 meter afstand langs de tent. Wat een herrie! Gelukkig reden er ’s nachts geen treinen en heb ik nog best goed geslapen. Misschien kwam dat ook door het lekkere glas witte wijn wat ik voor het slapen nog op het terras van het hotel heb gedronken.

Zicht op Bozen en appelboomgaarden

Dag 15: Nave S. Felice – Bassano del Grappa, 127 kilometer.

Vandaag was weer zo’n dag dat alles anders liep (fietste) dan het plan was. Het plan: naar Trento fietsen, daar de trein naar Pérgine Valsugana nemen en vandaar rustig afdalen naar Bassano del Grappa. Het was zondag eerste Pinksterdag en ik vond dat ik het wel een keertje rustig aan mocht doen. De klim vanuit Trento is bijna 5 kilometer met steeds zo’n 6 tot 9% en een uitschieter van een stukje 13%. Die klim wilde ik aan me voorbij laten gaan. Rond negen uur kwam ik aan op het station van Trento en daar bleek de eerste trein naar Pérgine pas om 14.00 uur te vertrekken. Er gingen alleen bussen en daar kon de fiets niet mee mee. Het plan toen bijgesteld: toch maar klimmen en dan nog een kilometer of vijftien fietsen naar het Lago di Caldonazzo en daar m’n tentje op zetten en verder genieten van de dag en zwemmen in het meer.
De klim uit Trento was superzwaar. Het was ook warm! Ik moest een paar keer af stappen om even uit te puffen maar uiteindelijk kon ik vanaf Cognola rustig afzakken richting Lago di Caldonazzo. Ik kwam daar om twaalf uur aan. Een prachtig meer maar erg toeristisch. Het was vanwege het mooie weer het een drukte van jewelste met allemaal dagjesmensen. Daartussen voelde ik me helemaal niet thuis. Dus weer mijn plan bijgesteld: op naar Bassano del Grappa. Een prachtig stuk door het dal van de Brinta. Langzamerhand werd de rivier ruiger en de bergen aan weerszijden kwamen steeds dichter naast de rivier. Op een gegeven moment fiets je kilometers lang door een smalle kloof. Spectaculair. Dan worden de bergen om je heen lager en fiets je – letterlijk – voor Bassano de Alpen uit. In deze mooie stad – het was inmiddels tegen zessen – was het erg druk. Helaas was de camping aan de andere kant van de Brinta nog weer zeven kilometer de heuvels op fietsen (de minicamping bij de zorgboerderij was gesloten).
Zo had deze Pinksterdag veel verrassingen in petto. Gelukkig was er naast de camping een prima restaurant waar ik genoten heb van pizza en bier.

Bassano del Grappa

Dag 16: Bassano del Grappa – Oriago, 95 kilometer.

Vandaag dan eindelijk een makkelijke rit. Vanuit de camping weer afgedaald naar Bassano del Grappa. Een gedeelte ging over het parcours van de Giro die hier volgende week wordt gereden. Veel roze versieringen langs de weg en bij cafés.  In Bassano de route richting Venetië opgepakt. Vergeleken met gisteren een saaie etappe. Veel langs agrarisch gebied en door weinig opzienbare dorpjes. Opvallend zijn wel de hoge, ranke kerktorens die naast de kerk zelf staan. De stad Citadella, geheel ommuurd en met mooie poorten was eigenlijk het hoogtepunt van de etappe. Verder is het opvallend dat er veel boerderijen maar ook villa’s en kleine kastelen leegstaan, de kozijnen dichtgetimmerd. Tegelijk zie je heel veel moderne, nieuwe villa’s geheel omheind en met elektronische poorten en camera’s. Jammer dat de tegenwoordige rijken de bouwvallige kastelen en villa’s niet hebben gekocht en opgeknapt. Dat zou de omgeving zeer verfraaien.
Halverwege de middag kom ik op camping Serenissima aan. Ik kies een tentplek maar nog voor ik de tent opzet besluit is een cabin te huren (alleen een bed, open kast, stoel, tafel). Er komt een flinke bui aan zag ik op internet. Bovendien, ik blijf hier twee dagen want ik wil morgen met de bus naar Venetië. Dan staan mijn spullen meteen veilig.
Mijn buren op de camping zijn twee vrouwen die fietsend onderweg naar Rome zijn en vandaag Venetië hebben bezocht. In gesprek bleek al snel dat ik bij één van de twee in de klas op de middelbare school in Ede heb gezeten. Dus dat werd herinneringen ophalen.

Citadella

Dag 17: Oriago – Venetie – Oriago, met de bus. Een toeristisch dagje.

Regen op het San Marcoplein

Dag 18: Oriago – Baone, 78 kilometer.

Vanmorgen weer op de fiets gestapt van camping Serenissima naar Agriturismo camping Alba, tussen Monsélice en Este. Het was een makkelijke rit, veelal over dijken langs rustige riviertjes. Er was veel bewolking en links en rechts waren regelmatig onweersbuien zicht- en hoorbaar. Grotendeels ben ik er tussen door gefietst. Twee maal fietste ik door een buitje heen waar ik mijn regenjas haast niet voor aan hoefde te trekken. De omgeving is wijds en aan de westkant doemden de heuvels op gevormd door vulkanische activiteiten in het verre verleden. Onderweg groet ik Mariette en Joop die aan het lunchen zijn op een bankje. Ik ben ze al vaker tegengekomen. Later ontving ik foto’s die Joop van me heeft gemaakt terwijl ik aan kwam fietsen.
Het stadje Monsélice fiets ik door. Later in de middag, als ik me heb geïnstalleerd op de camping wil ik nog weer terug om de ‘Santuario delle sette Chiesa’ te bezoeken. Zeven kapellen die vroeger bezocht konden worden om aflaten te verdienen. Boven op de heuvel, waar de kapellen staan, is er een prachtig uitzicht over de omgeving. Tenslotte de moderne Duomo bezocht. Wat een ruimte. Bijzonder. Zelfs nog even op het orgel gespeeld.

Uitzicht bij Monsélice

Dag 19: Baone – Ferrara, 72 kilometer.

Vandaag weer naar een grote stad, Ferrara. Een zonnige dag en een etappe zo vlak als een strak gestreken laken. Ik moest denken aan een gedichtje wat ik vijftien jaar geleden schreef:

‘Fietsen langs de Po
Is dat niet saai ofzo?’
‘Het waren meer de bergen die mij pakten
Maar ik hou me nu maar even op de vlakte’.

Net als gisteren weer veel op dijkjes langs riviertjes gefietst. Dit gaf mooie uitzichten over het uitgestrekte landschap. Veel dieren zag ik: fazanten, zilverreigers, hagedissen en zelfs een bever die vlug het riet indook toen ik aan kwam fietsen. Hoogtepunt was een havik die vlak voor mijn neus een wegschietende hagedis probeerde te grijpen. De vogel hing al een tijdje boven me en wachtte blijkbaar op het moment dat een hagedis wegschoot. Dat zie je regelmatig gebeuren.
Het water in de Po stond erg hoog. Hele ‘uiterwaarden’ (heet dat in Italië ook zo?) stonden onder water.
In Fratta Polésine – het moest zo zijn – zaten op een terras Stephan en Harriët (die via Verona waren gefietst), Mariëtte en Joop en ook nog Ton. Allemaal fietsers onderweg naar Rome (of Assisi) maar vandaag naar Ferrara. We spreken af vanavond daar met elkaar ergens te gaan eten. Omdat er geen camping is in Ferrara boek ik een kamer in dezelfde B&B als waar Stephan en Harriët zijn. Een zeer luxe kamer! Het etentje was erg gezellig!

Ferrara ’s avonds

Dag 20: Ferrara – Quartiere, 26 kilometer.

Ferrara – Ravenna zou in één dag te doen zijn maar in Ferrara wil ik nog de tijd nemen om de basiliek San Francesco te bezoeken. Dat was zeer de moeite waard. Wat een rust in deze grote kerk die net buiten het drukke stadscentrum staat.
’s Middags dan een korte etappe naar Quartiere, een gehuchtje bij Porto Maggiore. De ontvangst op Agriturismo ‘Unicorno’ is echter groots. Een oude vrouw van 82 jaar leidt me rond. Ik ben de enige gast en kan mijn tent opzetten bij het gastenverblijf waar ik ook gebruik kan maken van de huiskamer en de keuken. De oude boerderij wordt nu gebruikt als verblijfplaats voor paarden van mensen uit de omgeving. Maar over het terrein lopen ook kippen, ganzen en pauwen. Leuk!

Basiliek San Francisco, Ferrara

Dag 21: Quartiere – Ravenna, 89 kilometer.

Vanmorgen werd ik tijdens het inpakken verrast door de eigenares van de Agriturimo met twee sneetjes geroosterd brood met daarop twee spiegeleitjes. Hoe lief! Ik heb haar bij het afrekenen een flinke fooi gegeven. Ook heb ik één van mijn bidons achtergelaten, maar dat was niet de bedoeling.
Het fietsen door deze streek is na een dag of vijf niet meer zo spannend. Alleen de steden en kleine stadjes geven nog wat bekijks. De camping bij Ravenna ligt zo’n vier kilometer voorbij de stad. Vanwege het mindere weer huur ik een kamer. Eind van de middag fiets ik terug naar de stad. De Basiliek San Francesco bezocht op het gelijknamige piazza. Een oude Romaanse kerk met veel schilderijen. (Hoe dichter je bij Assisi komt, hoe meer je San Franciscus tegen komt). Naast de basiliek staat de tombe van Dante, die hier heeft gewerkt en is overleden. Voor de beroemde mozaïeken in de stad had ik helaas te weinig tijd. Het ging me ook vooral om de sfeer te proeven. Die vond ik overigens wat matjes. Weinig volk op de pleinen terwijl het toch zaterdagavond was. Ook geen straatmuzikanten die vaak voor wat sfeer zorgen. Alleen op het Piazza del Populi leek het gezellig.
Morgen gauw verder. De Po-vlakte uit.

Vleugel mozaïek in Ravenna

Dag 22: Ravenna – Porta Messa, 100 kilometer.

Drie weken ben ik nu onderweg en het einddoel komt in zicht. Wat een heerlijke dag vandaag. Lekker weer en een prachtige etappe. Dat had ik wel nodig na vier dagen fietsen door de Po-vlakte. Het eerste deel gaat door een bijzonder bos met veel zogenaamde paraplubomen die je ook veel in Ravenna ziet. Naaldbomen met een hoge, brede kruin. Vervolgens langs toeristische kustplaatsen aan de Adriatische zee. Het was er vrij druk vanwege de combinatie zondag en strandweer. Na Cesenatico rustig gefietst richting de Apennijnen die steeds dichterbij komen. Op een weg is kilometers lang de naam van Pantani geschilderd. De legendarische wielrenner komt uit deze omgeving en is begraven in Cesenatico. Langzaam gaat de etappe dan licht omhoog. Ik genoot van de mooie uitzichten, de vele bloeiende planten en struiken en de bijzondere vogels die ik zag. Bij de rivier de Rubicon kon ik nog een bever fotograferen. Die zijn hier toch niet heel schuw. Het laatste deel van de etappe was onverhard. Langs de Rubicon waren hele stukken van het oorspronkelijk fietspad ingestort en moesten er korte omleidingen worden gemaakt. Dat was even opletten.
In Porta Messa, aan de voet van de Apennijnen, kon ik mijn tent opzetten op een strak groen gazon. Dat zie je niet veel. Samen gegeten met een jong Belgisch stel (net afgestuurde huisarts en tandarts) die een rondrit maken door Europa.
Morgen weer klimmen.

Weg bij Cesenatico

Dag 23: Porta Messa – Sansepolcro, 58 kilometer.

De één-na-laatste dag van de fietstocht naar Assisi gaat over de Apennijnen. Eerst een paar kilometer vlak en dan grosso modo vijfentwintig kilometer omhoog en dan vijfentwintig kilometer weer omlaag. Het was warm vandaag en de klim was op een paar stukken na erg zwaar. Ik heb de tijd genomen en een paar keer gerust. Halverwege de klim koffiegedronken in Badia Tedalda. Daar kwam ik Ton weer tegen (zie dag 19). De uitzichten waren prachtig, vooral bij de lange afdaling. Een paar keer afgestapt om hier van te genieten. Anders ben je immers zo beneden.
Vanuit Sansepolcro naar de camping gefietst, even buiten de stad. Een oude herenboerderij met zelfs een kapelletje waar in het voorportaal zwaluwen hun jongskens voerden (Psalm 84!). Ook hier weer verschillende fietsers ontmoet die naar Rome fietsen of daar vandaan kwamen.
Eind van de middag het oude centrum van de ommuurde stad bezocht. De moeite waard! In de Dom was niemand. In het koor stond een groot orgel wat ik aan kon zetten. Het pijpwerk bevond zich links en rechts hoog in het koor. Natuurlijk weer even gespeeld, zelfs even met het volle werk. Heerlijk!

Brug over de Rubicon

Dag 24: Sansepolcro – Assisi, 95 kilometer.

Al drieënhalve week fiets ik naar Assisi, maar vandaag fiets ik er echt heen! Het einddoel van mijn tocht. Een etappe met nog veel klim- en daalwerk. De meters kunnen tegen elkaar weggestreept worden. De benen kunnen het onderhand wel aan. Het eerste stuk gaat langs de Tiber, de rivier die verder stroomopwaarts ook door Rome stroomt. Qua omgeving is het eerste deel van de etappe niet heel bijzonder. De ommuurde stad Citadella komt voor de koffie eigenlijk te vroeg maar lijkt te mooi om zo maar voorbij te fietsen. Dus toch maar door één van de stadspoorten gefietst en het centrale plein opgezocht. Om de hoek daarvan staat een grote kerk die gewijd is aan San Francisco. Deze natuurlijk bezocht. In het gelijknamige koffietentje er tegenover drink ik mijn Latte Machiato.
Zoals Hans Reitsma beschrijft wordt de route halverwege mooier. Glooiende landschappen, wijngaarden, vergezichten. Mooi om doorheen te fietsen.
En dan komt Assisi in zicht. Eerst nog Santa Maria del Angeli met haar grote gelijknamige kathedraal (die grotendeels in de steigers staat), dan nog een paar kilometer stijgen om de tegen een heuvel opgebouwde stad te bereiken. Zij schittert in de zon. De stad van Franciscus. Ik rijd via de Porta San Pietro Assisi binnen. Over de kasseien moet ik nog een stukje klimmen om de Citalla Ospetalità te bereiken. Hier zal ik vier nachten vertoeven om dan zaterdag via Perugia naar het meer van Trasimeno te fietsen vanwaar ik met de cyclebus terug reis naar Nederland.

2000 kilometer gefietst.
Het zit er op.

Sie werden allen aus Saba kommen

De cantate Sie werden aus Saba alle kommen (BWV 65) klonk voor het eerst op donderdag 6 januari 1724, toen in Leipzig het feest van Driekoningen werd gevierd. Bach ronde er zijn eerste Kerstcyclus mee af, en hij deed dat groots. Met Driekoningen, of Epifanie, wat zoiets betekent als ‘verschijning’ wordt gevierd dat Jezus aan de wereld getoond wordt als koning en verlosser. Centraal staat het verhaal uit het evangelie van Mattheüs over de Wijzen uit het Oosten die een bijzondere ster hebben gezien. Volgens hen was de betekenis daarvan dat er een belangrijke koning is geboren. Met de geschenken goud, wierook en mirre gaan ze achter de ster aan op zoek naar de koning om hem eer te bewijzen.
Met het instrumentele thema van het openingskoor suggereert Bach de karavaan die op weg is naar Bethlehem, met de hoorn, als koninklijk begroetingsinstrument voorop. Sluit je ogen, en in je verbeelding zie je de kamelenkaravaan uit Saba aankomen.

Kwamen de wijzen uit Saba? En, waren de wijzen koningen? De verbeelding heeft het verhaal in de loop der tijden aangedikt. In het Oude Testament staat de geschiedenis van de koningin van Sheba, of Saba, het huidige Jemen zegt men. Zij kwam de machtige Joodse koning Salomo met geschenken bezoeken. Met zijn wijsheid was Salomo in zijn tijd ook een licht in de wereld. De profeet Jesaja herinnert later aan dit gebeuren met de tekst die voor het openingskoor wordt gebruikt, maar Jesaja doelde eigenlijk op de wederopbouw van Jeruzalem, na de ballingschap van de Joden. Het verhaal van de Wijzen uit het Oosten is een echo op deze twee oudtestamentische gedeelten. Nog weer later werden de wijzen, of magiërs, gepromoveerd tot koningen, want dat zou het bezoek aan het geboren kind nog meer bijzonder maken. En het werden er drie vanwege de drie geschenken. Uiteindelijk kregen ze ook namen: Balthasar, Melchior en Caspar. En ze kregen een eigen feest. Driekoningen.

Laten we de verbeelding maar voor lief nemen. Ook bij het beluisteren van deze cantate. Het maakt de muziek nog mooier. Je beleeft het intenser. In het tweede deel van het openingskoor ontspint er een fuga. Eerst met de zangstemmen, slechts begeleid door het continuo. Later mengen de andere instrumenten zich in de beweging richting Bethlehem. Van alle richtingen lijken ze aan te komen. En aan het eind van het openingskoor komen ze daadwerkelijk samen aan en wordt daarom bijna unisono de lof aan de Heer verkondigd.

Bach plaatst, nogal ongewoon, na het openingskoor direct een koraal in de cantate. Een strofe uit het middeleeuwse kerstlied ‘Een kind geboren te Bethlehem’. Een koraal vertolkt altijd de stem van de gemeente. De luisteraar wordt betrokken bij het verhaal. Op deze manier worden wijzelf, als het ware met de koningen, ook de stal ingetrokken. Verbeeld het maar. De bas zingt het in zijn recitatief: ‘muß ich mich auch zu deiner Krippen kehren‘. Tja, en wat hebben wij dan als geschenk te bieden… Geen goud, zingt de bas. Dat is slechts een ijdel geschenk, diep uit de aarde gedolven. Het woordje ‘schlecht’ klinkt dan ook neerbuigend laag in de aria. Nee, geef Jezus je hart. ‘Jesus will das Herze haben’. Dat is het meest kostbare geschenk. En dat is toch wat anders dan ‘Last Christmas, I gave you my heart’.
In het tenorrecitatief en ook in de daaropvolgende aria volgt er een uitleg wat dat wel in zou kunnen houden, je hart aan Jezus geven. Ik vind dat daar mooie dingen in staan. Als eerste een betekenisgeving aan de geschenken van de wijzen. Het goud staat voor het geloof, de wierook voor het gebed en de mirre voor het geduld. De laatste is misschien wat minder voor de hand liggend. Maar tegelijk vind ik het van wijsheid spreken. Geduld als gave. Alles hoeft niet in één keer goed te zijn. Durf af te wachten tot de tijd rijp is. En hou je vast aan die andere twee gaven. Het geloof in God, of wat mij betreft, in het goede. Van jezelf, van de ander. En blijf in contact, biddend, sprekend, luisterend met de mensen om je heen.
In de prachtige tenoraria verschijnt een tweede drieluikje bij ‘Alles was ich bin’. Dat is: wat ik denk, wat ik zeg en wat ik doe. De woorden rijmen inhoudelijk op het geloof, het bidden en het geduld. Want inderdaad, hoe je ook je best doet er is geduld voor nodig om te bereiken wat je wilt. Een jaar is niks.

Je hart aan Jezus geven. Je leven aan Hem wijden. De tekstdichter van de cantate moedigt de luisteraars in Leipzig aan dat ook in het nieuwe jaar 1724 te doen. Wat moeten wij met die oproep in 2024? Kan je er als gelovige of niet-gelovige überhaupt wat mee?
Aan het eind van het evangelie van Mattheüs verteld Jezus een gelijkenis. Hij zegt: ik had honger en jullie gaven mij te eten, ik had dorst en jullie gaven mij te drinken. Ik was een vreemdeling en jullie namen mij op. Ik was naakt en jullie kleedden mij. Ik was ziek en jullie bezochten mij. Ik zat gevangen en jullie kwamen naar mij toe. De hoorders hiervan antwoorden: maar Heer, wanneer hebben wij dat gedaan, wij hebben u niet hongerig, dorstig, als vreemdeling, naakt, ziek of gevangen gezien. Jezus zegt dan: alles wat jullie hebben gedaan voor een ander, dat hebben jullie voor mij gedaan. Aangevuld met het begraven van de doden werden dit de zeven daden van barmhartigheid. In het Latijn: misericordia, hart hebben voor hen die in de misère zijn.
Zie hier, Jezus heeft zelf zijn verlanglijstje op papier laten zetten. De voorbeelden liggen bij wijze van spreken hier in Utrecht op straat * of zijn dagelijks te zien in de krant of op de televisie. Heb hart voor de ander met wat je denkt, zegt of doet.

Met alles wat ik ben. Bach laat het heerlijk horen in de tenoraria op het ritme van het menuet. En natuurlijk wordt dat ‘alles’ met van alles geaccentueerd. Een lange melisme van korte nootjes, en het hele orkest: hoorns, fluiten, hobo’s en strijkers, ze laten zich allemaal horen, ze hebben allemaal hun aandeel. Vullen elkaar aan, volgen elkaar op en beelden op die manier ook samenwerking uit. Ik doe dit, en jij doet dat. Je hoeft niet alles alleen te doen. Met deze cantate heeft Bach ons aan het begin van dit jaar een prachtig geschenk gegeven. Je voelt zijn hart er in kloppen. Het koor en orkest van Bachcantates Utrecht gaat dit geschenk voor ons uitpakken.
Ik wens u een gelukkig, muzikaal en geduldig nieuwjaar toe.

Bachcantates Utrecht, 7 januari 2024

* Tijdens het uitspreken van de inleiding kon ik hier concreet noemen de aanwezigheid van vrijwilligers van de Wensambulance Utrecht die met iemand die nog één keer een Cantatedienst wilde bijwonen aanwezig waren.

Wir danken dir Gott, wir danken dir

Toelichting gehouden op 7 oktober 2023 bij ‘Rondom de Cantates’ in de St. Franciscus Xaviriuskerk te Amersfoort.

Bij mijn wekelijkse krachttraining in de huiskamer trek ik vaak blind een Bach cd uit de kast. Trainen met Bach… Ik eindig met een serie plankingoefeningen.  Na vier minuten puf ik, liggend op mijn buik uit. Op dat moment begint er een aria. Direct wordt ik geraakt door de schoonheid van de instrumentale opening. Een lopende bas, een prachtige, vloeiende melodie van violen en hobo. Ik blijf liggen en luister eerst nog buiten adem en daarna ademloos naar de muziek.
De aria ken ik wel maar ik kan hem niet direct thuisbrengen. Ik herken het ritme van de siciliano. Dan begint de sopraan met haar lied. Ze zingt dezelfde melodie als van het voorspel. De muziek en haar zingen raken me. Het is troostend, liefdevol. Opvallend is dat tijdens de zang de lage tonen (contrabas en cello) van het continuo zwijgen en vervolgens weer klinken als het refrein terugkomt. Zo gaat het de hele aria door die ik liggend op mijn buik beluister. Opstaan is geen optie. De hobo speelt de melodie mee van de sopraan. Alleen bij het B-gedeelte heeft de hobo een contrasterende stem. De woorden die gezongen worden hebben nog niet mijn aandacht.
Als de aria beëindigd is sta ik op en loop ik meteen naar de cd kast en lees in het boekje dat ik naar de aria ‘Gedenk an uns mit deiner Liebe’ heb geluisterd uit cantate 29 Wir danken dir Gott, wir danken dir.  Ik lees verder. Het gaat hier om een ‘Ratswechselcantate’ die Bach voor het eerst op 27 augustus 1731 uitvoerde. Rond die datum werd er in Leipzig een nieuwe gemeenteraad geïnstalleerd waarbij er in de Nicolaikirche een gebedsdienst werd gehouden.  Voor deze cantate hergebruikte Bach ouder werk van hem. Het grootse instrumentale openingsstuk is een bewerking van een preludium voor vioolsolo, BWV 1006. Maar ook het koor en de aria’s hebben waarschijnlijk een eerder leven gehad in verloren gegane cantates. Ik lees de tekst van de sopraanaria:

Gedenk an uns mit deiner Liebe,
Schleuss uns in dein Erbarmen ein.  

Ja denk ik, deze tekst past precies bij de muziek. Laat je omsluiten door Gods liefde. De muziek voelde ook als een warme deken. Maar dan gaat de tekst verder (het B-gedeelte van de aria):

Segne die, so uns regieren, die uns leiten, schützen, führen,
Segne, die gehorsam sein.

Zegen hen die ons regeren.  Ik begrijp in eerste instantie niet hoe deze woorden passen op de hemelse muziek van Bach tot ik me realiseer dat er oorspronkelijk een andere – wellicht meer passende – tekst is geweest, meer in de trant van het A-gedeelte. Ondertussen is de tekst van dit gedeelte meer dan actueel met de verkiezingen volgende maand en daarna de formatie van een nieuwe regering. Inderdaad: laat ze gezegend worden met wijsheid.

De sopraanaria is het hart van de cantate. Natuurlijk heb ik in de voorbereiding van deze toelichting me verder verdiept in de deze cantate. Bij het begin wordt je meteen overrompeld door een sinfonia voor orgel en orkest. Zoals gezegd een bewerking of beter gezegd een uitwerking van het preludium uit de derde partita voor vioolsolo. Het kan niet anders dan dat Bach zelf achter het orgel plaats heeft genomen. Zich bewust van de aanwezigheid van hoogwaardigheidsbekleders zal hij zich van zijn beste kant hebben willen laten horen en zien. In één lange lijn van vier minuten excelleert de organist krachtig en sprankelend samen met een volledig orkest, dus met trompetten en pauken.
Het daarop volgende openingskoor is muzikaal van een heel andere orde. Met woorden uit psalm 75 wordt God dankgezegd om de wonderen van zijn hand. Maar Bachs muzikale verwerking van deze woorden zijn ook een wonder. In de oude motetstijl, met instrumenten die unisono met de zangpartijen meespelen, laat Bach met de vier koorstemmen een groots, gedragen harmonisch geheel ontstaan. Twee jaar later gebruikte hij de muziek voor het Gratias uit het Kyrie en Gloria wat nog weer later onderdeel werd van de Hohe Messe.

Als luisteraar heb je bijna al genoeg aan deze twee openingsdelen en dan moet de cantate inhoudelijk eigenlijk nog beginnen. In de eerste aria neemt Bach wat gas terug zodat de luisteraar even op adem kan komen. Begeleid door het continuo en een concerterende vioolpartij zingt de tenor opgetogen over God die zelf zijn stad Sion bewoont en die bewaard voor het nageslacht. Voor Sion mag dan natuurlijk Leipzig gelezen worden. De hoogste toon van de aria, een B, valt vanzelfsprekend op ‘Allerhöchsten’.

Het eerste recitatief borduurt voort op de tenoraria. God beschermt en zegent de stad en bezorgt haar welvaart. Na de centrale sopraanaria volgt het tweede recitatief dat verder gaat met het gebed uit de aria. En, als God zijn stad blijft begunstigen, zal het volk hem prijzen met dank en eer. Met een plechtig ‘amen’ van het koor worden deze woorden bekrachtigd waarop de alt een reprise geeft van de tenoraria, dit keer met het orgel als obligate partij waardoor er een mooie brug wordt geslagen met het begin van de cantate.
De cantate eindigt met een uitbundig en rijk georkestreerd slotkoraal waarin nogmaals God wordt geloofd om zijn weldaden.

*

De hoogwaardigheidsbekleders zullen in 1731 de teksten van de cantate vergenoegzaam en met instemming hebben beluisterd. Ze zijn trots op hun stad. Maar zijn ze zich wel bewust geweest van de wonderschone muziek die ze hebben gehoord? Voor ons roepen juist de teksten soms weerstand op. Zo’n overtuiging uit het eerste recitatief: ‘Waar is een volk zoals wij, waarvoor God zo goed en genadig is’, dat kan toch niet meer?
Laat daarom het hart van de cantate blijven spreken. Die adembenemende sopraanaria. Op het wiegende ritme van een pastorale siciliano. ‘Segne so, die uns regieren’. Dat we gezegend worden met een overheid die regeert in gehoorzaamheid, en haar burgers beschermt. In het bijzonder de kwetsbare mensen in de samenleving.
Zo mag de cantate wat mij betreft klinken bij de installatie van een nieuwe regering volgend jaar. Misschien helpt het.

Christ lag in Todes Banden

Waar moet je beginnen als je een Bach cantate moet toelichten. Waar de aandacht op vestigen. Er zijn zoveel invalshoeken: tekst, theologie, geschiedenis en natuurlijk de muziek zelf.

Met Christ lag in Todes Banden (BWV 4) zou je kunnen beginnen bij 1400 voor Christus. Globaal het jaartal waarin de uittocht van het volk Israël uit Egypte zou hebben plaatsgevonden. Daaraan refereert het zesde deel van de cantate met de woorden ‘Das Blut zeichnet unser Tür’. Als laatste plaag zullen alle eerstgeborenen in Egypte sterven. Dan zal de Farao Israël laten gaan. Het bloed van het geslachte paaslam op de deurposten van de Israëlieten is het teken voor de engel des doods om het huis voorbij te gaan. Bloed redt.

Beginnen kan je ook in het jaar 33, waarin Jezus’ lijden, sterven en opstanding heeft plaatsgevonden. Jezus wordt dan als het ware Paaslam gezien. Zijn bloed reinigt ons van onze zonden en redt ons van de dood. Zijn opstanding heeft ons het leven gebracht.

Of moeten we beginnen in de elfde eeuw omdat de melodie van de cantate teruggaat naar het Gregoriaanse misgezang ‘Victimae Paschali laudes’, ‘laten we lof brengen aan het Paaslam’. Het werd eeuwenlang in de oude kerk gezongen voorafgaand aan de evangelielezing en afgesloten met een ‘Halleluja’.

Ook kan ik beginnen in 1524. In dat jaar publiceert Maarten Luther zijn eerste bundel gezangen waaronder ‘Christ lag in Todes Banden’. Luther schreef 39 kerkliederen. Dikwijls hadden die een catechetisch doel, uitleg geven aan het vernieuwde Christelijk geloof. Dit is hier ook de functie. Vaak componeerde Luther een eigen melodie maar nu greep hij terug naar het oude misgezang wat hij als kind tijdens Pasen vaak gezongen zal hebben. In zeven strofen legt hij de Paastheologie uit: Christus die de dood overwint en ons het leven schenkt. Ingewikkelde kost en zeker voor de tegenwoordige niet-gelovige cantate-bezoeker moeilijk te bevatten.

Misschien moet ik daarom beginnen in 1707 als Johann Sebastian Bach in april van dat jaar als auditie voor een organistenpost in Mühlhausen naast een orgelbespeling een cantate moet afleveren. De net 22-jarige Bach kiest voor een bewerking van Luthers Paaslied wat hij als koorknaap vaak gezongen zal hebben. De vroege cantates van Bach volgen nog de oude motetstructuur die hij bijvoorbeeld kende van Buxtehude. Alle woorden en zinnen krijgen hun eigen muzikale verwerking. Nog geen recitatieven en expressieve aria’s naar Italiaans model die Bach later zou gaan componeren.

De cantate begint met een korte, zwaarmoedige sinfonia passend bij de eerste woorden van de tekst. De zeven delen die volgen plaats Bach in een symmetrisch geheel: een koor, een duet, een solo, centraal een koor, en dan weer terug: een solo, een duet en een slotkoor. Elk deel krijgt een specifieke bewerking passend bij het karakter van tekst waarbij de melodie van het koraal steeds het uitgangspunt is.
Je zou dan een lange inleiding kunnen houden over de talrijke plaatsen waar Bach de tekst muzikaal verbeeldt en de woorden nog meer zeggingskracht geeft. Vaak hoorbaar, maar soms ook niet. Op internet zijn diverse technische besprekingen te vinden. Ik beperk me tot een drietal voorbeelden. Als eerste het uitbundige Hallelujakoor aan het eind van de eerste strofe. Begon de cantate zwaarmoedig, met dit koor is de vrolijke toon voor Pasen gezet. Prachtig is ook de muzikale schildering in de derde strofe, met overigens een virtuoze viool partij. Na het ‘nichts’ valt er een stilte, want van de macht van de dood blijft niets over. En in de vijfde strofe wordt de dood nog een keer de afgrond in geduwd met een dalende sprong van twaalf noten tussen ‘dem’ en ‘Tode’ wat lang en diep aangehouden wordt.

Met zijn cantate en fabuleuze orgelspel begint Bach in Mühlhausen een nieuw en succesvol hoofdstuk in zijn carrière. De cantate zou hij pas een jaar later uitvoeren en ook in Leipzig stond hij in elk geval in 1724 weer op de lessenaar. 200 jaar nadat Luther de tekst ervan schreef.

Zo klinkt het Halleluja telkens opnieuw.
De Israëlieten zongen het na hun uittocht uit Egypte.
De leerlingen van Jezus, toen ze begrepen dat hun Heer was opgestaan.
De monniken in de elfde eeuw met hun ‘Victimae Paschali laudes’.
Maarten Luther met zijn nieuwe lied.
Johann Sebastian Bach met zijn cantate in Mühlhausen en Leipzig.
En vandaag hier in Amersfoort. Want de boodschap van Pasen is dat het leven altijd door gaat. Dat er na elk einde altijd weer een nieuw begin is. En hoe kan je dat wonder beter vieren dan met muziek. Nog beter, Bachs muziek.

Inleiding bij de uitvoering door ‘Rondom de cantates’ o.l.v. Bas van Ramselaar in de Franciscus Xaviriuskerk te Amersfoort. 10 juni 2023.

Vijf opmerkelijke aria’s uit wereldlijke cantates van Bach.

Deel 5: ‘Schafe können sicher weiden’




Deel 10 van de ‘Jachtcantate’ Was mir behagt ist nur die muntre Jagt. Bach schreef deze gelukwenscantate in opdracht van zijn broodheer Willem Ernst von Sachsen-Weimar bedoeld voor de verjaardag van een naburige vorst Christian von Sachsen-Weissenfels. Bach verzorgde zelf de uitvoering, waarschijnlijk tijdens een banket na een jachtpartij. Op een tekst van Salomon Franck keuvelen vier mythologische figuren over de jacht en de liefde om uiteindelijk de jarige vorst in verschillende aria’s de hemel in te prijzen. Zo ook Pales, een herdersgodin. De sopraan zingt, begeleidt door ‘herdersblokfluiten’:

Schafe können sicher weiden
wo ein guter Hirte wacht.
Wo Regente wohl regieren,
kan man Ruh und Friede spüren
und was Länder glücklich macht  

Schapen kunnen veilig grazen
daar waar een goede herder waakt.
Waar vorsten hun land goed besturen
zie je rust en vrede
en dat wat landen gelukkig maakt.


Het is één van Bachs meest geliefde aria’s bekend ook van uitvoeringen op piano (met Engelse titel ‘Sheep may safely graze’), bijvoorbeeld door de gebroeders Jussen. Dat maakt deze aria opmerkelijk: de context en afkomst van de aria binnen de Jachtcantate zal door het grootste deel van de luisteraars gemist worden. Daarbij is de tekst op zichzelf nog steeds actueel, met de oorlog in Oekraïne in gedachten.

https://youtu.be/xt3DEuw0wjM?t=32







Deel 4: ‘Mit verlangen’

Mit Verlangen
drück ich deine zarten Wangen
holder, schöner Hyazinth.
Und dein’ Augen küß ich gerne,
weil sie meine Morgensterne
Und der Seele Sonne sind.

Deze basaria is deel 5 van de cantate Geschwinde ihr wirbelnde Winde (BWV 201), ook bekend als de ‘dramma per musica’ Der Streit zwischen Phoebus und Pan. De cantate behandelt de Griekse mythe, de muzikale strijd tussen Phoebus en Pan. De sater Pan (met zijn fluit) daagt de god Phoebus (Apollo) met zijn lier uit. Wie zal de mooiste muziek maken? In deze strijd zingt Pan ‘Zu Tanze, zu Sprunge so wackelt das Herz’ een nogal platvloers lied, terwijl  Phoebus het lied ‘Mit Verlangen’ ten gehore brengt. Hij wint hiermee glansrijk.

Hyacinthus is een jonge Spartaan waar Phoebus verliefd op is. Hij sterft in de armen van Phoebus als hij bij een spel discuswerpen de discus op zijn hoofd heeft gekregen. Dat Bach ervoor gekozen heeft om Phoebus over Hyacinthus te laten zingen mag als zeer opmerkelijk gezien worden want hoe je het ook wendt of keert, het gaat in deze mythe over een homo-erotische relatie. In de Bach literatuur krijgt dit aspect nauwelijks de aandacht terwijl deze aria misschien wel het eerste expliciet homo-erotische lied uit de westerse klassieke muziekgeschiedenis is. En dat nog wel van Johann Sebastian Bach!

De aria ‘Mit Verlangen’ is één van Bachs mooiste basaria’s. De instrumentatie is breed: naast het continu spelen een viool 1, viool 2, altviool (allen ‘con sordino’, gedempt’) , traverso (fluit) en hobo d’amore (!). Gezamenlijk leiden deze instrumenten in een kalm en liefelijk samenspel de zangpartij in. Steeds neemt een ander instrument een versierinkje op zich, en zo gaat het de hele aria door.

Het is een aanrader om ‘Mit Verlangen’ via Youtube met een doorlopende partituur te beluisteren en te bekijken. Dan wordt nog beter zicht- en hoorbaar hoe Bach subtiel alle instrumenten laat samenwerken. Soms unisono dan weer aanvullend op elkaar of als echo en hoe ze uiteindelijk de stem van de bas de hele aria door omringen met warme klanken en eigen lijnen en soms muzikaal uitdrukken wat er letterlijk gezongen wordt. Zo wordt het ‘zacht tegen zich aandrukken’ uitgebeeld door achtereenvolgens de fluit, de hobo en de twee violen na elkaar steeds korte en dalende motiefjes te laten spelen die steeds lager klinken. Alsof de ander steeds dichter bij je komt.

Meer over deze aria en het verhaal over Phoebus en Hyacinthus:

https://wimfaas.com/2017/11/02/mit-verlangen-een-homo-erotische-aria-van-bach/




Deel 3: ‘Unter deinem Purpersaum’

Dit duet voor bas en sopraan is deel 4 uit de cantate Durchlauster Leopold (BWV 173a). Bach noemde het werk een Serenata. Het werd uitgevoerd op 10 december (waarschijnlijk 1723) ter gelegenheid van de verjaardag van Prins Leopold, Bachs broodheer in Köthen. Ook in deze huldigingscantate wordt de toegezongen persoon de hemel in geprezen. Daarbij ligt het voor de hand dat Bach en zijn vrouw zelf de zangpartijen voor hun rekening hebben genomen. Anna Magdalena was immers in dienst bij het hof.


Het duet ‘Unter deinem Purpursaum ist die Freude’ is uitzonderlijk in Bachs oeuvre. Een lied met drie strofen die achtereenvolgens door de sopraan, de bas en tweestemmig worden gezongen. Daarbij wordt per strofe ook de instrumentatie, de ritmiek (steeds snellere noten) en de toonsoort (G, D, A) aangepast.
Zoals vaak in Bachs feestcantates is veel muziek geënt op Franse hofdansen. Bij het genoemde duet noteerde Bach: tempo di menuetto.
Op 2e Pinksterdag 1724 kreeg de verjaardagscantate in Leipzig een tweede leven. Met nieuwe teksten, maar dezelfde muziek voerde Bach Erhöhtes Fleisch und Blut (BWV 173) uit, en werd deel 4 ‘So hat Gott die Welt geliebt’. Maar nu mocht Anna Magdalena niet meer meezingen…

Deel 2: ‘Unser trefflicher, lieber Kammerherr’

Deze korte sopraanaria is afkomstig uit de cantate ‘Mer hahn en neue Oberkeet’ (Saksisch dialect voor ‘we hebben een nieuwe overheid’, BWV 212), beter bekend als de ‘Boerencantate’. Feitelijk een ‘laat’ werk van Bach. Hij werd uitgevoerd op 10 augustus 1742 ter ere van de 36ste verjaardag van Carl Heinrich von Dieskau. De uitvoering vond plaats in Kleinzschorzen, een gehucht ten zuiden van Leipzig waar von Dieskau een landgoed had.
Een bord herinnert aan de gebeurtenis destijds:

Von Dieskau was directeur van de Leipzigger belastingen en had een belangrijke positie in het bestuur van het district. Onder de bewoners van het platteland was hij geliefd, vandaar wellicht het ‘decor’ van de cantate. Een boer en diens vrouw, die niet vies zijn van een vrijpartij en een borrel in het café, nemen hun landheer goedmoedig op de hak.

Unser trefflicher,
lieber Kammerherr
ist ein kumpabler Mann,
den niemand tadeln kann.

Onze voortreffelijke
geliefde landheer
is een capabele man
op wie niets valt aan te merken.

Het opmerkelijke is dat Bach de aria schreef op basis van ‘La Folia’. Een dansant muzikaal thema van acht maten op basis van vaste akkoorden. In heel Europa was dit deuntje bekend en talloze componisten hebben variaties geschreven op dit thema waaronder Lully, Corelli, Vivaldi en Handel. En ook Bach schaart zich dus in dit rijtje. Met een nieuwe melodie en gracieuze vioolpartij.

Beluister de aria via de volgende link:



https://www.youtube.com/watch?v=z5IIJ74b45I


Deel 1: ‘Weil die wollenreichen Herden’.

De aria voor sopraan is deel 14 van Bach’s ‘Jachtcantate’ Was mir behagt ist nur die muntre Jagt. Bach schreef deze gelukwenscantate in opdracht van zijn broodheer Willem Ernst von Sachsen-Weimar bedoeld voor de verjaardag van een naburige vorst, Christian von Sachsen-Weissenfels. Bach verzorgde zelf de uitvoering, waarschijnlijk tijdens een banket na een jachtpartij. Op een tekst van Salomon Franck keuvelen vier mythologische figuren over de jacht en de liefde om uiteindelijk de jarige vorst in verschillende aria’s de hemel in te prijzen. Zo ook in deel 14:

Weil die wollenreichen Herden, durch dies weitgepriesne Feld
lustig ausgetrieben werden, lebe dieser Sachsenheld!

Terwijl de wolrijke kudden, door dit alomgeprezen veld
vrolijk worden geweid, leve deze Saksische held!

Begeleid door het continuo speelt de cello als inleiding op de zangpartij een bourée. Alleen al als dit solo gespeeld zou worden (denk de andere instrumenten weg), zou het al passen in één van Bachs cellosuites. Dan volgt de sopraan met haar lied, terwijl de cello op de achtergrond vrolijk doordanst. Als de sopraan is uitgezongen, verwacht je als afsluiting een herhaling van de instrumentale opening. Die komt er ook, maar Bach voegt onverwacht een hobo en een viool toe, en wat dan volgt is een heerlijke variatie in canon-vorm op het bourée thema. Een vrolijk trio met echo-elementen. Ik ken geen aria van Bach die op deze creatieve wijze eindigt. Bach moet zelf ook met deze aria zijn ingenomen, want hij hergebruikte (en verbeterde) het later voor de aria ‘Mein gläubiges Herze, frohlocke’  uit de cantate Also hat Gott die Welt geliebt (BWV 68).

Himmelskönig sei wilkommen (BWV 182)

Mijn inleiding voor deze cantate (Utrecht, 2 april 2023) bestaat uit het voorlezen van een verslag van Bernard George Ulrich, fagottist van het hoforkest van Saksen-Weimar ten tijde dat Johann Sebastian Bach concertmeester was.
Helaas is het geen origineel verslag. Het fictief, doch wel op feiten gebaseerd.

*

25 maart 1714

Al een aantal jaren ben ik de fagottist van het hoforkest van Saksen-Weimar. Net als andere musici heb ik daarnaast een andere functie in het kasteel. Als lakei schrijf ik de brieven voor de hertog. De sfeer in het kasteel is helaas niet altijd even prettig. Hertog Willem-Ernst is een autoritaire vorst en hanteert strenge regels voor zijn personeel. In de winter moet iedereen bijvoorbeeld al om acht uur ’s avonds naar bed! En we moeten verplicht bijbelonderricht volgen.
Mijn grootste geluk haal ik uit het meespelen met het orkest onder leiding van hofkapelmeester Johann Drese. In het orkest zitten getalenteerde musici waarbij Johann Sebastian Bach er nog eens met kop en schouders bovenuit steekt. Hij is virtuoos op de viool, en natuurlijk ook geweldig als organist van de Himmelsburg, onze kapel. Prachtige orgelwerken heeft hij hier al laten horen. Vier dagen geleden werd hij negenentwintig jaar en juist deze maand heeft hij promotie gemaakt tot concertmeester van het orkest. Er wordt gefluisterd dat hij nu zelfs meer salaris ontvangt dan Johann Drese.
Bach moet nu iedere maand een cantate schrijven en uitvoeren en vandaag was dat de eerste keer. Dit was voor mij zo bijzonder dat ik er vanmiddag direct een uitgebreid verslag over heb geschreven.
 
We keken als orkestleden er naar uit waarmee Bach op de repetitie tevoorschijn zou komen. In eerste instantie was mijn teleurstelling groot toen hij meldde dat er geen partij voor de fagot was. Maar die teleurstelling sloeg om in enthousiasme toen hij me vroeg om solo te spelen op de blokfluit. Net als veel fagottisten en hoboïsten beheerste ik dat instrument ook. Voor de opening van de cantate had Bach een duet gecomponeerd voor viool en blokfluit. Als concertmeester zou hij zelf de vioolpartij spelen. Apetrots was ik, want ook in andere delen van de cantate zou ik een prominente partij krijgen.
De cantate was voor Palmzondag. Met puntig vioolspel opende Bach de sonate en na twee maten volgde ik hem met dezelfde melodie. De begeleiding bestond uit pizzicatospel van de strijkers. Wat een mooie muzikale verbeelding van Jezus’ intocht in Jeruzalem.
Dan volgde het openingskoor: ‘Himmelskönig sei wilkommen’. Een prachtige koorfuga voor de vier zangstemmen met een volgende verrassing voor mij: speelden de violen mee met de zangstemmen, ik mocht met mijn blokfluit een vijfde stem aan de fuga toevoegen en in het tweede deel zelfs boven alles uit soleren!
Na een kort recitatief kwamen er drie aria’s op teksten van Salomon Franck, hofdichter en bibliothecaris in Weimar en dus een goede bekende van mij. De strekking van de teksten is dat Jezus, die intocht houdt in Jeruzalem, ook ontvangen moet worden in ons eigen hart.
In de eerste aria speelde Bach de solo-viool terwijl de bas zong over de liefde van Jezus. Ik mocht even rust nemen en kon geboeid Bach observeren. Wat een heerlijk thema had hij gecomponeerd, en wat speelde hij dat lichtvoetig. Ik keek over het muziekbalkon naar beneden en zag de hertog tevreden knikken. Ja, hij heeft een goede zet gedaan om Bach promotie te geven. Misschien is hij morgen wel wat minder streng met zijn overhoringen van de preek van vandaag onder zijn hofpersoneel. Verschrikkelijk zijn die bijeenkomsten…
Ondertussen hield ik mijn blokfluit warm in mijn handen want in de volgende aria mocht ik soleren. Dit was voor mij toch wel heel speciaal. Voor een fagottist zijn solo’s immers zeldzaam. Een aria waarin de alt oproept om je klein te maken voor Christus en je leven aan hem te wijden. Zijn laagste noot viel steeds op het woord unter. Met alleen begeleiding van het continuo had Bach voor mij een eerbiedig thema op muziek gezet met steeds dalende tonenreeksen. Wat galmde mijn fluit prachtig door de Himmelsburg! In het snellere middendeel had Bach zelfs een paar virtuoze loopjes voor mij in petto. Ik voelde ik me volledig in mijn element. Na afloop van de aria ontving ik een dikke knipoog van Bach.
De derde aria voor tenor werd alleen begeleid door het orgel en de cello. Maar wat een bijzondere partij had Bach voor de cellist geschreven. Het volgen van Jezus is geen gemakkelijke opgave. Zou hij dat hebben willen uitbeelden?
De cantate eindigde met twee koorstukken. Wat liet Bach hierin ook weer zijn grote klasse zien. Eerst een bewerking van de koraalstrofe ‘Jesus, deine Passion’. Iedere regel werd door de verschillende koorstemmen gevarieerd ingeleid en uiteindelijk door de sopranen afgesloten met de eigenlijke melodie van de koraalregel. Een compositievorm die al heel oud is. De tekst is diepzinnig. Het lijden van Jezus is voor ons een vreugde. Eigenlijk kan ik er zelf niet bij. En toch deed het meespelen mij heel veel. Samen met Bach op viool speelde ik de melodielijn unisono met de sopranen mee. Ik voelde me opgenomen in een groot geheel.
Was dit één na laatste koordeel gedragen en ingehouden getoonzet, uit het slotdeel klonk één en al vrolijkheid. We mogen Jezus in vreugde volgen. Hij gaat voorop. Maar wie gaat vooraan in de hem volgende stoet? Bach heeft bedacht dat dat de fluitist is! Opgetogen introduceerde ik het stijgende motief van het slotkoor gevolgd door Bach op zijn viool en daarna de stemmen van het koor.

Zo was het vandaag een heerlijke Palmzondag.
We gaan inderdaad met vreugde de Stille week in. Op weg naar Goede Vrijdag, maar ook op weg naar Pasen.
De muziek van ‘Himmelskönig sei wilkommen’ zingt nog na in mijn hoofd, maar daarbij zit ook de gedachte: ‘Concertmeister sei wilkommen’. We zien uit naar nog heel veel muzikale scheppingen van jou. En op mijn fagot of op mijn fluit wil ik daar heel graag mijn bijdragen in hebben.

Bernard George Ulrich

*

Afbeelding: Wasili Wasin (Rusland): Intocht in Jeruzalem. Lindehout, vislijm, krijtpoeder, pigment, tempera, olieverf en bladgoud.

Het geheim van de grijze

Met lopen begon hij toen hij zesendertig was. Heen en weer naar zijn werk. En in Zuid-Limburg betekent dat elke dag heuveltraining. Hoe ouder hij werd, hoe sneller hij ging lopen. Talloze marathons liep hij onder de drie uur. Ook toen hij de zeventig gepasseerd was. In Limburg kreeg hij de bijnaam ‘de grijze Keniaan’. Lang, mager, getaande huid,  bruin gezicht met grijs haar en baardje. Bijna tweeënzeventig is hij nu. Hij loopt al de helft van zijn leven. Lopend voor zichzelf en lopend met en voor anderen. Want iedereen die maar wil kan met hem meelopen. Dan past hij zijn tempo aan en coacht hij de beginnende en ook de ervaren lopers. Deze zomervakantie vanaf camping ‘La Champagne’ aan de Dordogne. Dan wordt ook duidelijk dat lopen voor hem geen sport is maar een manier van  leven. Dat een marathon geen wedstrijd is maar een avontuur. Dat een training geen opgave is maar een spel. Hij traint op intuïtie en op gevoel. Geen intervallen op de baan, maar fartlek (vaartspel) in het bos of over de heuvels.
‘Versnellen tot je boven bent’.
‘Op 90% tot die dikke boom daar’.
‘Rennen tot je een vogel ziet’. En dat kon soms lang duren.
Zo werd hij sterker en sterker. Liep hij harder en harder.
‘Marathontempo totdat je een roze olifant tegenkomt…’
Die kwam niet.
En zo kwam het dat Jo Schoonbroodt, bijna tweeënzeventig jaar het wereldrecord marathon kon lopen in de categorie 70+. 2 uur, 54 minuten en 19 seconden. 19 mei 2022, Maasmarathon Visé, België.

Juli 2022.

*Ook in 2023 is Jo Schoonbroodt van half juni tot half juli aanwezig op camping ‘La Champagne’, bij Brevisac, en geeft hij gratis Running Clinics.

Activiteiten – Camping La Champagne – kleine camping aan de Dordogne

Jesus schläft, was soll ich hoffen                         

De cantate Jesus schläft, was soll ich hoffen (BWV 81) schreef Bach voor de vierde zondag na Epifanie en werd voor het eerst uitgevoerd op zondag 30 januari 1724. De schriftlezing was uit Mattheüs 8, het verhaal van de storm op het meer. Terwijl de discipelen denken dat het schip in het noodweer vergaat, slaapt Jezus.
De vierde zondag na Driekoningen. Dat is het vandaag ook. Kerst lijkt al weer een mensenheugenis geleden. Jezus kwam als Licht van de wereld op aarde. Er was hoop op vrede! Maar wat is er over van al dat optimisme? Het harde leven heeft zijn keer genomen. Waar is God? Slaapt hij? De kortgeleden overleden Margriet Eshuis zong het al: ‘The morningpaper is staring at my face, the headlines still the same. God is asleep, leaving the world to our trust’.
Jezus slaapt, terwijl de dood ons tegemoet snelt. Wat moet ik hopen?
Cantate 81 is een Blue-Monday cantate van het zuiverste soort…

Bij de opening van de cantate voel je direct de onrust en wanhoop. Een klagend, zelfs dreigend motief wat door de klank van de blokfluiten nog wordt versterkt. De slapende Jezus wordt door de alt muzikaal uitgebeeld met een laag en lang aanhoudend ‘Schläft’. En om het nog erger te maken: ook het woord ‘offen’ klinkt lang en doordringend. De open afgrond van de dood gaapt ons werkelijk aan en de steeds terugkerende afdalende loopjes van de cello wijzen ons precies in die richting.
‘God is asleep, and he has no time for us’.
Je vraagt je af hoe deze muziek tegelijk zo mooi kan zijn…

Met een sprong van een lage e naar een hoge f op ‘ferne’ maakt de tenor in het eerste recitatief duidelijk hoe ver God voor zijn gevoel van hem afstaat. Het zijn woorden uit psalm 10 wat ook duidelijk maakt dat dit een gevoel van alle tijden kan zijn. Nog even wordt herinnerd aan de ster die de Wijzen uit het Oosten de richting wees en is er de vraag om het licht van Gods’ ogen. Maar hij heeft zijn ogen toch gesloten?

En voor er een antwoord komt op deze vraag breekt het noodweer dan echt los. Code rood. Het wordt alle hens aan dek. Niet alleen voor de discipelen, maar zeker ook voor de dirigent en de orkestleden om in dit geweld koers te houden. Belial, de duivel himself, laat met pompende bastonen de golven tegen de wand van het schip beuken terwijl de strijkers met korte nootjes de schuimkoppen over de reling laten schieten. Ja, je moet sterk staan om dit geweld te trotseren.
In mijn werk in de psychiatrie maak ik regelmatig mee dat patiënten in een diepe depressie of psychose alle zeilen moeten bijzetten om hun hoofd boven water te houden.
Wat het dan nog moeilijker maakt is dat steun en betrokkenheid van familie of hulpverlening, die er wel is, moeilijk ervaren kan worden. En als het geloof in God altijd een steunende factor was, kan dat opeens helemaal weg zijn. Dan is het wel heel donker.

Centraal in de cantate komt dan eindelijk de bas aan het woord met woorden uit het evangelie van de inmiddels opgestane Christus. De vraag uit het recitatief ‘waarom bent u zover weg’ wordt beantwoord met een tegenvraag: ‘waarom ben je zo bevreesd?’. Twaalf keer klinkt het woord ‘warum’, voor elk van de twaalf discipelen in het schip. De vraag krijgt zo een heel persoonlijk karakter.

Nog voor we een antwoord op deze vraag kunnen bedenken treedt Jezus op tegen het duivelse geweld. Weer horen we de golven torenhoog op ons afkomen; in de zangpartij prachtig uitgebeeld met eerst een hoge g op ‘Meer’, (zee) en de tweede keer op een lage g. Maar daar tussendoor klinken nu ook strijdbare hobo’s die de gebiedende zang van de bas ondersteunen: ‘Schweig, aufgetürmtes Meer!’
Hoewel het misschien mooi zou zijn maakt Bach er niet echt opera van door de aria te laten eindigen in een kalme zee. Conform het stramien van de da-capo aria eindigt dit deel dan ook weer zoals het begon.

Dat de storm is gaan liggen blijkt uit het laatste recitatief. De alt, in de eerste aria nog vol wanhoop, heeft de rust en het vertrouwen hervonden.

Dit vertrouwen klinkt ook door in het slotkoraal, een strofe uit het bekende koraal Jesu meine Freude van Johann Franck.  De tekst maakt duidelijk: in het leven van de mens kunnen stormen hevig woeden. Dat is onze tijd niet anders. Zeker ook bij jonge mensen. Maar je kan het volhouden en er door heen komen door verbinding te houden met God en/of met mensen om je heen.
Laat je bijstaan, laat je beschermen.

Ik wil afsluiten met het slot van het lied wat Claudia de Breij zong op oudejaarsavond, waarin ze suïcidale jongeren toezingt:

Het is nog nooit
Nog nooit zo donker geweest
Of ’t werd altijd wel weer licht

Het is nog nooit
Nog nooit zo donker geweest
Of ’t werd altijd wel weer licht

x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x

Nederlandse vertaling (Ria van Hengel)

1. Aria (A)

Jezus slaapt, wat moet ik hopen?
Zie ik niet met doodsbleek gezicht
de afgrond van de dood al open?

2. Recitatief (T)

Heer, Waarom blijft u zo ver weg?
Waarom verbergt gij u in de tijd van de nood, nu alles mij dreigt met een ellendig einde?
Ach, raakt mijn nood uw ogen niet, die anders toch nooit sluimeren?
U wees destijds toch met een ster de pasbekeerde wijzen de goede weg te nemen.
Ach, leid mij met behulp van het licht van uw ogen omdat deze weg een en al gevaar belooft.

3. Aria (T)

De schuimende golven van Belials beken verdubbelen het woeden.
Een christen moet wel als een bolwerk staan als winden van tegenspoed om hem heen gieren,
maar de aanstormende vloed probeert de krachten van het geloof te verzwakken.

4. Arioso (B)

Gij kleingelovigen, waarom zijt gij zo bevreesd?

5. Aria (B)

Zwijg, torenhoge zee! Verstom, storm en wind!
Laat het afgelopen met je zijn, opdat geen ongeluk ooit mijn uitverkoren kind verwondt.

6. Recitatief (A)

Gelukkig, mijn Jezus spreekt een woord mijn helper is ontwaakt,
dan moeten de storm van de golven, de nacht van het ongeluk en alle smart verdwijnen.

7. Koraal

Onder uw hoede
ben ik vrij tegenover de stormen
van alle vijanden.
Laat de satan woeden,
laat de vijand  tieren,
Jezus staat mij bij.
Of het nu dondert en bliksemt,
of zonde en hel mij nu angst aanjagen,
Jezus wil mij beschermen.

Filemon de fluiter

Heb ik jullie wel eens van Filemon verteld? Filemon de fluiter?
Filemon woonde in Bethlehem. Zijn vader was herder.
Als kind vond Filemon het heerlijk om met zijn vader de schapen op de velden te weiden. Hij genoot van het heuvelachtige landschap met zijn mooie uitzichten. Zijn vader leerde hem van alles over de natuur. Waar het beste gras groeide voor de schapen, welke besjes je kon eten en welke giftig waren. Filemon leerde de namen van alle vogels, en hij herkende ze op een gegeven moment ook aan hun gefluit.
Het was heerlijk om buiten te zijn. Later zou Filemon vast ook herder worden. Dat wist hij zeker.

Op een dag was Filemon met zijn moeder op de markt. Het was er heel druk. Er werd muziek gemaakt en kinderen waren aan het dansen. Filemon vond het prachtig! Vooral het vrolijke spel van een fluitspeler!
Toen hij ’s avonds op bed lag hoorde hij de muziek nog steeds in zijn hoofd. Oh… ik wou dat ik dat kon. Ik wil ook zo’n fluit hebben.

De volgende dag was de fluitspeler weer op de markt en hij vertelde Filemon dat hij zijn eigen fluiten sneed van harde rietstengels. Hij boorde er kleine gaatjes in waardoor er een melodietje gespeeld kon worden. Dat was een heel precies werkje. Maar volgens hem zou Filemon, als hij geduld had, het ook kunnen leren.
Meteen diezelfde dag ging Filemon aan de slag. Bij een smalle beek in de buurt vond hij stevige rietstengels. Wekenlang was hij bezig met holle stengels in de goede maat te snijden en er gaatjes in te prikken op precies de juiste afstand. Het koste ook veel tijd om te ontdekken hoe hij op de fluit moest blazen. Zijn eerste fluit klonk als een schorre duif maar elke volgende fluit die af was klonk beter en zuiverder. Het vingervlug spelen op de fluit leerde hij zichzelf aan. Dat vond hij helemaal niet moeilijk. Filemon verzon zelf allerlei melodieën . En als hij met zijn vader het veld op ging nam hij zijn fluit mee en probeerde hij het zingen van de vogels na te doen. Wat was dat leuk! Soms floten de vogels hem zelfs na!

Filemon genoot zo van het fluitspelen dat hij bedacht dat hij liever fluitspeler wilde worden dan herder. Dan zou hij in de tempel in Jeruzalem mee kunnen spelen met de muzikanten. Net zoals het in de laatste Psalm staat: “Loof Hem met dans en tamboerijn, loof Hem met snaren en fluit”. Maar Filemon wist ook wel dat dit nooit zou gebeuren. De muzikanten in de tempel waren Levieten. Daar zou hij nooit bij kunnen horen als eenvoudige herder.

Filemon werd ouder en werd herder van een eigen kudde. Hij kreeg een mooie staf van zijn vader maar wat hij ook altijd bij zich hield was zijn fluit. Vaak had hij zelfs meerdere fluiten in zijn herderstas. Hij speelde de mooiste liederen. Andere herders luisterden graag naar zijn muziekspel. Hij kon weglopende schapen er mee teruglokken. Het lukte hem zelfs om met hele schelle tonen wilde dieren af te schrikken. Iedereen kende hem als Filemon de fluiter. En als het feest was in de stad speelde hij op de markt en dansten de kinderen in het rond. Met zijn fluit en met zijn werk als herder was hij een gelukkig mens, al bleef hij soms dromen om eens in de tempel God te loven met zijn fluitspel.

En toen kwam die bijzondere nacht die hij nooit zou vergeten. Samen met een paar andere herders zaten ze rond het kampvuur. Het was een rustige nacht. De schapen sliepen allemaal. Hij had nog gewerkt aan zijn nieuwste fluit die hij had gesneden uit een stengel bamboe. De stengels van deze plant had hij gekocht van een handelsreiziger uit het verre oosten. Het leek hem uitstekend materiaal voor een fluit. De klank van de fluit was de mooiste van al zijn fluiten. Helder, zacht en rond. Alleen moesten er nog een paar gaatjes bij om al zijn melodieën te kunnen spelen.
Terwijl hij aan het snijden was stond daar ineens die engel in het volle licht. De engel vertelde over de geboorte van de Messias. Het was ongelooflijk, en zeker ook wat er daarna kwam: een koor van engelen in het luchtruim zong het mooiste lied wat hij ooit had gehoord: “Eer aan God in hemel en vrede op aarde voor de mensen die hij liefheeft”.
Zo plotseling als dit allemaal plaats vond, zo plotseling was ook alles weer stil. Maar de herders waren verre van stil: ‘kom, we gaan naar Bethlehem, we willen het met eigen ogen zien!’. Filemon stopte zijn fluit in zijn tas en volgde de andere herders.

Als vanzelf vonden ze de plek waar het kindje geboren was. Op hun tenen liepen ze naar de stal. Ze hoorden het kindje huilen. Filemon opende voorzichtig de deur en keek naar binnen. Mogen we binnen komen? De vader keek verrast op en wenkte de herders naar binnen. Wat ze zagen was zo mooi en wat er gebeurde zo bijzonder! Een kindje, in doeken gewonden, in de armen van zijn moeder. Het kindje huilde. Het had net gedronken maar het lukte nog niet om in slaap te vallen. Filemon dacht er eigenlijk niet bij na. Hij pakte zijn nieuwe fluit uit zijn herderstas en begon er zacht op te spelen. In een flits dacht hij nog even: klinkt hij wel zuiver genoeg, want ik was vanavond nog met de fluit bezig. Maar het geluid van de fluit was hemels mooi. Filemon verzon een heerlijk slaapliedje en het kindje stopte met huilen. Zijn oogjes zochten de richting waar het fluitspel vandaan kwam en vielen toen langzaam dicht. Het kindje sliep. Voorzichtig legde de moeder haar baby in de voederbak.
Langzaam haalde Filemon zijn fluit van zijn lippen.
‘Loof hem met snaren en fluit’ zei hij zacht.
En hij dacht: ‘dit was mooier dan fluiten in de tempel ooit kan zijn’.


Kerstverhaal is geschreven voor de kerstavonddienst van de NoorderLichtgemeente te Zeist, 24 december 2022. Tussendoor klonk blokfluitmuziek van onder andere Jacob van Eijck en Johan Sebastian Bach. Te zien en te beluisteren op het YouTubekanaal van de NoorderLichtgemeente.

Illustraties: Johannes Baeck en Georges de la Tour.

Een gedicht van Johann Sebastian

Uitgelicht


In 1725 gaf Bach Anna Magdalena een notenboekje. Op het kaft tekende hij haar initialen: AMB. Hij noteerde op de eerste pagina’s een aantal stukken van hemzelf, maar verder was het boekje nog leeg. Naast Bach schreef vooral Anna Magdalena er stukjes in; klavierstukken, liederen en koralen. Ook verschillende kinderen hebben er een bijdrage in gehad. Muziek ook van andere componisten: bijvoorbeeld Couperin, Telemann en zoon Carl Philipp Emanuel. Van een paar menuetten en polonaises is niet eens vastgesteld wie de componist is. Zou Anna Magdalena zelf de schepper van deze dansjes zijn geweest?
Een ander – en nauwelijks onderzocht of bediscussieerd – item is het zogenaamde ‘Hochzeitsgedicht’ achter in het boekje. Overdwars noteerde Anna Magdalena (dat is zeker) twee strofen van een gedicht:

Ihr Diener, werthe Jungfer Braut,
Viel Glücks zur heutgen Freude!
Wer sie in ihrem Kränzchen schaut
Und schönen Hochzeit-Kleide,
Dem lacht das Herz vor lauter Lust
Bei ihrem Wohlergehen;
Was Wunder, wenn mir Mund und Brust
Vor Freuden übergehen.

Cupido, der vertraute Schalk,
Läßt keinen ungeschoren.
Zum Bauen braucht man Stein und Kalk,
Die Löcher muß man bohren,
Und baut man nur ein Hennen-Haus,
Gebraucht man Holz und Nägel,
Der Bauer drischt den Weizen aus
Mit groß und kleinem Flegel.

Zeker is het natuurlijk niet, maar het lijkt toch zeer aannemelijk dat, als Anna Magdalena dit in haar boekje heeft geschreven, dit gedicht op haar bruiloft is voorgedragen door Johann Sebastian Bach zelf. Het is immers de bruidegom die de bruid toespreekt. Bach trouwde op 3 december 1721 met Anna Magdalena nadat anderhalf jaar eerder zijn eerste vrouw Maria Barbara overleed.
Een letterlijke vertaling van het gedicht:

Uw dienaar, gewaardeerde juffrouw bruid
Veel geluk gewenst bij de vreugde van vandaag!
Degene die haar aanschouwt met haar haarkrans
En in het mooie huwelijkskleed,
Die lacht het hart van plezier
Bij haar welzijn.
Het is dus geen wonder als mond en borst mij
Voor vreugde overvloeien.

Cupido, de bekende grappenmaker
Laat niemand ongemoeid.
Om iets te bouwen heb je steen nodig en kalk
De gaten moet je boren.
En ook al bouw je slechts een kippenhok
Heb je hout nodig en spijkers
De boer dorst het tarwe
Met een grote en een kleine dorsvlegel (1)

Door de letterlijke vertaling verdwijnt het rijmschema. Duidelijk is dat we in de eerste strofe kennismaken met een gelukkige bruidegom. In strofe twee komt het liefdesgodje Cupido even om de hoek kijken waarna er een aantal stellingen volgen die iets willen suggereren dat je niets begint als je niet de juiste spullen hebt. Het lijkt er dan op dat er nog een afrondend derde couplet moet zijn maar dat wordt gemist. De kleine dorsvlegel slaat het gedicht figuurlijk dood. Was er een derde (en misschien zelfs vierde strofe)? Je zou het toch zeggen. In de Bachliteratuur wijdt alleen Phillip Spitta hier enige woorden aan: ‘wir werden den Verlust des Weiteren verschmerzen können‘ (we zullen het verlies van het vervolg moet aanvaarden). Spitta vermoedt verder dat de tekst van een Cöthener gelegenheidsdichter moet zijn geweest. Maar zou Bach zelf niet de dichter zijn geweest? Het gedicht is – behalve in het notenboekje – nergens gepubliceerd.
Zou Anna Magdalena de vervolgstrofen misschien op een inlegvel hebben geschreven? De ruimte onder strofe twee was in elk geval te klein voor een geheel nieuwe strofe. In het notenboekje bevonden zich meer inlegvellen, maar deze is dan verloren gegaan. Hoe dan ook, we moeten het met deze twee strofen doen en mogen fantaseren dat Johann Sebastian ze op 3 december 1721 heeft voorgedragen aan Anna Magdalena.
En omdat die derde strofe zo gemist wordt heb ik hem – kruipend in de huid van Bach – teruggehaald, en ook de bekende twee strofen eigentijds in het Nederlands berijmd.
Voor Anna Magdalena.

Ik ben van jou, mijn kostbare bruid
Wat een geluk vandaag, en blijdschap
Met je haarkrans zie je er stralend uit
In je trouwjurk ben je meer dan knap
Ja, ieder die lacht van louter vreugd
Vanwege jouw blinkende schoonheid
Wat doet mij dit geweldig deugd
Ik stroom over van liefde en blijheid

Cupido, die bekende schalk
Zal iedereen eens storen
Om te bouwen gebruik je stenen en kalk
Gaten zal je moeten boren
Ook al bouw je slechts een kippenhok
Zonder hout en spijkers krijg je het niet gedaan
En met zijn grote en kleine vlegel-stok
Dorst de boer zijn korrels graan.

Ja, zonder balgentreder blijft een organist
Verstoken van wind en kan niet spelen
En zonder strijkstok kan de violist
Zijn muziek helaas nooit delen
Maar Cupido heeft raak geschoten
Ik was alleen, kreeg jou als vrouw
Dus zing ik op mijn mooiste noten:
Liefste bruid, ik hou van jou!

(1) Vertaling S. Skambraks