Fietsen met een jonge Bach

Verslag van een ‘Bachfietstocht’ door Noord-Duitsland, juni 2014.

Bach was vijftien jaar. Dat betekende dat zijn broer niet meer verplicht was om hem te verzorgen. Via een leraar in Ohrdruf kwam Bach ertoe om naar Lüneburg te verhuizen. Hier zou hij zijn gymnasium af kunnen maken en in zijn levensonderhoud kunnen voorzien door te gaan zingen in het Mettenchor van de Sankt Michaeliskirche. Bach verbleef twee jaar in Lüneburg, en deze jaren waren ook voor zijn muzikale ontwikkeling zeer vormend. In Lüneburg ontfermde Georg Böhm zich over de jonge Bach. Böhm was een gerenommeerd organist en componist. Vanuit Lüneburg kwam Bach ook in contact met musici van het hof van Celle, een hof dat Frans georiënteerd was. Hier leerde Bach de Franse stijl kennen, de suite en de dansvormen. Bach maakte ook enkele keren een uitstapje naar Hamburg. Hier ontmoette hij de oude organist Johann Adam Reincken die in de traditie stond van de Amsterdamse organist Sweelinck.
Lüneburg, Celle, Hamburg en ook Lübeck, waar Bach een paar jaar later Buxtehude bezocht, zijn verbonden aan de jonge jaren van Bach. Steden in Noord-Duitsland die niet al te ver uit elkaar liggen en dus een mooi doel vormen voor een fietstocht met als thema: de jonge Bach.

Dag 1. Hannover – Celle

Het mooiste zou natuurlijk zijn om in Lüneburg te starten en dan volgens de chronologie Celle, Hamburg en ten slotte Lübeck te bezoeken. Helaas is dat voor een fietstour verre van praktisch, je zou zigzaggend grotere afstanden moeten afleggen. Mijn keuze valt dan ook op een treinreis naar Hannover om van daaruit een ronde te fietsen: Celle, Lüneburg, Lubeck, Hamburg en weer terug naar Hannover. Iedere dag een nieuwe bestemming.
Hannover dus als vertrekpunt. Händel was hier een periode officieel cantor en organist. In de praktijk verbleef hij echter hoofdzakelijk in Londen, waar hij uiteindelijk zijn definitieve werkplek vond. Snel dus maar uit Hannover gefietst, het kompas op noordoost.
Het duurt ruim dertig minuten voordat ik Hannover uit ben, maar dan fiets ik door een rustig agrarisch landschap, afgewisseld met enkele bossen. Er zijn nauwelijks hellingen. Met een windje in de rug heb ik de vijftig kilometer naar Celle snel overbrugd. Het eerste wat in het oog springt is het ‘Neue Rathaus’, opgetrokken uit rode baksteen. Van een afstand oogt het gebouw als een oud kasteel. Ik dacht dan ook in eerste instantie hier met het oude slot te maken te hebben. De oude binnenstad bestaat voor een groot deel uit vakwerkhuizen. Direct aan de rand van het centrum, net naast het plein van de oude kerk staat het oude barokke stadspaleis. Hier zetelde in Bachs tijd hertog en hertogin von Braunschweich. Hertogin Eleonore d´Olbreuse was een Franse Hugenote die van haar slot een ‘klein-Versailles’ maakte. Het hoforkest bestond uit veel Franse musici, onder andere Thomas de la Salle, een violist die ook dansmeester was. De la Salle gaf danslessen op de Ritterakademie in Lüneburg, de school voor de jongens van adel die verbonden was aan de Michaelisschule van Bach. Zodoende kwamen de twee met elkaar in contact en introduceerde hij Bach in de Franse muziek.
De Franse invloeden zijn in Celle nog altijd zichtbaar. Ten oosten van het barokke slot ligt de ´Französischer Garten´. Een tuin, door hertogin d´Olbreuse aangelegd, in de stijl van Versailles, al is de omvang vele malen kleiner.

Slot Celle

Slot Celle

Plattegrond Französischer Garten

Plattegrond Französischer Garten

Een paar kilometer ten noorden van Celle ligt de Silbersee. Op de gelijknamige camping zet ik mijn tentje op, en kijk ik ´s avonds naar de eerste WK-wedstrijd Nederland-Spanje. Nederland was in 2010 verliezend finalist tegen Spanje. Met drie medelanders en een aantal Duitse campinggasten zie ik hoe Nederland zich met een overtuigende 5-1 revancheert.

Dag 2. Celle – Lüneburg

Of Bach werkelijk in Celle is geweest is niet honderd procent zeker, en dus ook niet of hij globaal dezelfde rit heeft gemaakt die ik vandaag fiets. Het is een bosrijke omgeving. Ik vermijd de drukkere wegen en beland zo (dikwijls tegen mijn zin) op hobbelige karrensporen in het bos. Dit waren wel de type wegen uit de tijd van Bach. Honderden kilometer heeft hij gelopen op dit soort paden. Maar zou Bach met De la Salle op en neer zijn gereisd naar Celle, dan hebben ze dat zeker in een rijtuig gedaan. Het zou overigens ook kunnen dat Bach de Franse musici heeft ontmoet in het buitenverblijf van de hertog wat dichter bij Lüneburg lag.
De tocht naar Lüneburg is zo’n negentig kilometer. Urenlang kom ik niemand tegen, behalve twee mensen die diep in het bos cantharellen aan het plukken zijn. Het laatste gedeelte kies ik voor de meer begaanbare wegen. Het landschap is heuvelachtiger geworden en ik doorkruis eindeloze aardappelvelden. Even ten zuiden van Lüneburg regel ik op camping ‘Rote Schleusse’ een kampeerplaats. Het vriendelijk meisje aan de balie probeert me over te halen om een kano tocht te maken op het riviertje wat langs de camping stroomt. Helaas valt dit niet samen met mijn plan om eind van de middag het oude centrum van Lüneburg te bezoeken.
Direct naast het winkelcentrum met de karakteristieke rode bakstenen gevels ligt de ‘Altstadt’ met z’n smalle straatjes rond de Michaeliskirche. Daarachter staan nog de gebouwen van de Michaelisschule waar Bach naar het gymnasium ging. Ook is er nog een gebouw met de naam Ritterakademie. Dit was ooit het domein van de jonge edelen die hier hun onderwijs kregen, de Franse taal leerden en de daarbij passende gewoonten. Hier gaf Thomas de la Salle zijn danslessen. ‘Gewone’ studenten van de Michaelisschule hadden dikwijls een bijbaantje bij de studenten van de Ritterakademie. Ze deden hun boodschappen of poetsten hun schoenen. De Ritterakademie is nu een partycentrum, en juist als ik voorbij kom stapt een trouwgezelschap het gebouw uit. Zo krijg ik toch even een indruk hoe het gebouw in Bachs tijd fungeerde voor de deftig geklede jongens uit de aristocratie.

Michaelskirche en schule

Michaelskirche en schule

Huidige Ritterakademie

Huidige Ritterakademie

Het plein voor de Michaeliskirche is ‘Johann Sebastian Bachplatz’ genoemd. Ik vermoedde hier een standbeeld van Bach te zien, maar die blijkt er niet te zijn. Misschien elders in de stad?
In de Johanniskirche is om 18.00 uur een ‘Mottete’, een gebedsdienst met voornamelijk koorzang verzorgt door het Hugo Distlerchor. Mooie a-capella zang van Schein en Tallis en moderner werk van onder andere Distler. Tussendoor een orgelsonate van Reinberger. Helaas geen werk van Böhm , ten tijde van Bach hier de vaste organist en diens leermeester, en ook niet van Bach zelf. Je kan niet alles hebben.

Dag 3. Lüneburg – Lübeck

In de Marienkirche van Lübeck is het boekje nog te koop: ‘Pilgrimsfahrt von Johann Sebastian Bach’. In de zestiger jaren was dit geromantiseerde verhaal van Hans Franck een populair werkje. Bij tweedehands boekhandels kom je het nog geregeld tegen. Maar hier ligt het nog als nieuw gedrukte uitgave. Het beschrijft de geschiedenis van de negentien jarige Bach die vier weken verlof krijgt van de kerkenraad van de Neue Kirche van Arnstadt. Bach heeft namelijk de vurige wens om Dietrich Buxtehude te bezoeken, een grootheid in de Noord-Duitse orgelkunst. Maar dat betekende wel een voettocht van driehonderd kilometer heen en terug! Zou je dan aan vier weken wel genoeg hebben? Van Lüneburg naar Lübeck fiets ik de afstand in zes uur. Vanaf Buche ruim vijftig kilometer langs het kanaal Lübeck-Elbe. Nogal saai, vooral omdat de bomen langs het kanaal vooral in het eerste stuk het uitzicht op de omgeving ontnemen. Het schiet wel lekker op. In Bachs tijd waren er nog geen snelwegen of rechte kanalen. Hij zal de tocht gelopen hebben van dorp naar dorp, en de bossen hebben doorkruist over de karrensporen. De winkels zijn allemaal gesloten op zondag. Alleen een enkele bakker is open waardoor ik in staat ben halverwege een rustpauze in te lassen en me te goed kan doen aan een Milchcafé met een Pflaumeschnecke. Voor onderweg neem ik ook nog twee belegte Brötchen mee. Deze geneugten waren ook voor Bach niet weggelegd. Hij had er ook het geld niet voor. Het verhaal gaat dat hij eens – zonder geld – voor een herberg en zat toen er een paar vissenkoppen uit het raam voor zijn voeten werden gegooid. Bij nadere inspectie bleek dat er muntstukken in de koppen zaten zodat Bach werkelijk een lunch kon betalen! We mogen er van uitgaan dat Bach in de herbergen wel wat geld bij elkaar scharrelde door muziek te maken.
In een buitenwijk van Lübeck ligt camping Schönbocken. Van daaruit is het vier kilometer naar de binnenstad. Ik kom de stad binnen aan de zijde van de imposante stadspoort. Van hieruit wordt een fraai uitzicht over de stad geboden. De hoge kerken bepalen het stadsbeeld, niet in het minst de Marienkirche en de Dom, beide met hun twee torens. Natuurlijk bezoek ik eerst de Marienkirche. Op een grote steen aan de zijkant van de kerk zit een duiveltje in brons gegoten. Hij zit vast te balen dat hij niet naar binnen kan, want de kerk is van grote schoonheid. De roodbruine bakstenen muren zijn gelukkig niet witgepleisterd waardoor de kerk zijn eeuwenoude karakter vast heeft gehouden. Het orgel van Buxtehude is helaas niet bewaard gebleven. Wel zijn er enkele plekken waar aan hem herinnerd wordt, waaronder een plaquette op de plek waar hij is bijgezet. Een andere plaquette, achter in de kerk herinnerd aan het bezoek wat de jonge Bach heeft gebracht aan Buxtehude, en natuurlijk aan deze kerk: 1705 kamm Joh. Seb. Bach nach Lübeck um den berühmten Dietrich Buxtehude zu behorchnen’. De twee figuren op de plaquette zien wat duf uit…

Lübeck met links de Marienkirche

Lübeck met links de Marienkirche

Plaquette Buxtehude / Bach

Plaquette Buxtehude / Bach

Wat moet Bach hier een inspiratie hebben opgedaan. Buxtehudes prachtige koraalfantasieën, zijn Preludiums en fuga’s, en zijn ‘Abendmusiken’ in de adventstijd. Bach keerde niet na vier weken, maar pas na vier maanden terug in Arnstadt. Dat zegt wel wat over hoe hij het naar zijn zin heeft gehad. Het zou mooi zijn geweest als er in deze kerk een concert was geweest maar dat is niet het geval. Ik kies voor een avondconcert in de kleine Jürgenkapel net buiten de binnenstad. Een zeshoekig kerkje uit 1620 waar een klein gezelschap uit Hamburg kamermuziek uitvoert. Gelukkig deze keer wel een werk van Bach: de Triosonate uit het Musikalischer Opfer (BWV 1079).

Dag 4. Lübeck – Hamburg

Ik dacht snel in Hamburg te zijn, maar dat viel fiks tegen. Eerst verkeerd gereden (nooit een industriegebied in fietsen als er geen bewegwijzering is), een paar keer geschuild vanwege de regen en tenslotte Hamburg zelf. Wat een allemachtig grote stad is dit. Het oude centrum ligt in het zuiden aan de Elbe,maar voordat je daar op de fiets bent is het vanaf de rand van de stad nog ruim een uur fietsen. Ik zoek een hotelletje omdat kamperen hier niet lukt.
Uiteindelijk is het bijna vijf uur als ik de oude stad kan bezoeken, en dan vooral natuurlijk de Katharinenkirche die Bach meerdere malen heeft bezocht. De kerken in Lüneburg en Lübeck waren tot zes uur open; ik heb dus nog even de tijd. Ik kom langs de imposante Sint Michaelskirche die hoog boven de wijk St.Pauli torent. Ik twijfel, maar kan het toch niet laten deze katholieke kerk even van binnen te bewonderen. Wat een weelde. Schitterende ronde vormen, een preekgestoelte helemaal uit marmer en drie joekels van orgels: de grootste, hangend achterin, een tweede op het rechter balkon, en een derde daartegenover op nog een hoger gelegen balkon. Hoe zou het klinken als deze drie orgels tegelijk bespeelt worden tijdens een concert?
Dan gauw door naar de Katharinenkirche. Als ik daar aan kom blijkt de kerk al gesloten. Wat een teleurstelling; feitelijk was deze kerk mijn voornaamste doel om de stad te bezoeken. Een eindje verderop zie ik een andere ingang, die van het kerkelijk bureau. Deze deur blijkt nog open. Ik loop een gang in en tref in een kamertje een aantal mensen. Ik leg hen uit waarom is zo teleurgesteld ben dat de kerk al gesloten is en vraag hen vriendelijk of ik toch nog niet eventjes naar binnen mag. Dit blijkt geen probleem. Sterker nog, van een vrijwilliger krijg ik een privérondleiding.
De kerk, net zoals veel andere gebouwen in het centrum, heeft veel te leiden gehad van de bombardementen in de Tweede Wereldoorlog. Ook het Arp-Schnitzer orgel werd tijdens de bombardementen in juni 1943 grotendeels verwoest. Het orgel gold reeds in de 16e eeuw als het belangrijkste instrument van Hamburg. Beroemde organisten als Heinrich Scheidemann en Johann Adam Reincken speelden op het instrument. Bach bezocht de kerk, en dus ook Reincken in 1700 als vijftien, zestien jarige vanuit Lüneburg, en later nog weer in 1722 toen hij Hamburg aandeed omdat hij een organistenfunctie opteerde in de Jacobikirche. In de Katharinenkirche speelde hij in het bijzijn van de oude Reincken een koraalfantasie. Reincken zou daarna de woorden hebben uitgesproken: ‘ik dacht dat deze kunstvorm dood was , maar zie dat hij in jouw verder leeft’.
Er zijn nog 520 pijpen uit 20 registers bewaard gebleven. De Nederlandse orgelbouwer Flentrop heeft onlangs een geheel nieuw orgel gebouwd naar het voorbeeld van het oude orgel. De oude pijpen zijn hier weer voor gebruikt. De nieuwe pijpen zijn afkomstig van de orgelpijpenfabriek Jacq. Stinkens uit Zeist! Het was aardig dat ik dit de vriendelijke vrijwilligster kon vertellen.

Katharinenkirche

Katharinenkirche

Het nieuwe Flentrop orgel

Het nieuwe Flentrop orgel

Op een plein in de binnenstad bekijk ik ’s avonds op een groot scherm, samen met honderden Duitsers, de wedstrijd Duitsland – Portugal (3-1). Voor het eerst juich ik als Duitsland een doelpunt maakt. In 1988 was het ook in Hamburg dat tijdens de EK Nederland Duitsland versloeg in de halve finale.

Dag 5 en 6. Hamburg – Bergen Belsen – Winsen – Hannover

Mijn fietstocht ‘De jonge Bach’ zit er op. In twee etappes wil ik terugfietsen naar Hannover. Bij het bestuderen van de route ontdek ik dat ik niet ver hoef om te rijden om het kamp Bergen-Belsen te bezoeken, het krijgsgevangenen- en concentratiekamp waar tijdens de Tweede Wereldoorlog 70.000 mensen zijn omgekomen, waaronder Anne Frank. Een zeer indrukwekkend bezoek.
Een paar kilometer verderop kampeer in Winsen aan de Aller. Van daaruit is het de volgende dag nog ruim veertig kilometer naar Hannover waar ik weer op de trein stap naar huis.

Bachs versie van Pergolesi’s Stabat Mater

images
Giovanni Battista Pergolesi

Bachs motet Tilge, Höchster, meine Sünden (BWV 1083) doet niet onder aan de kwaliteit van werken van hem van vergelijkbare omvang zoals het Magnificat of het Ostern-Oratorium. Toch wordt deze compositie maar spaarzaam uitgevoerd. De reden hiervan is dat dit werk een regelrechte ‘parodie’ is van het Stabat Mater van Pergolesi. Dat wil zeggen, Bach heeft op deze wereldberoemde compositie een andere tekst geplaatst en slechts hier en daar kleine muzikale wijzigingen doorgevoerd. Om deze reden heeft het werk van Bach toch een BWV-nummer gekregen. Bachs motet klinkt echter zo goed als hetzelfde als het Stabat Mater. En vanuit de gedachte ‘ere wie ere toekomt’ wordt daarom de originele versie doorgaans op de concertprogramma’s geplaatst of voor CD-uitgaves opgenomen. Dit neemt niet weg dat het heel bijzonder is dat Bach met Pergolesi’s hoogstandje aan de slag is gegaan en er een eigen bewerking van maakte. Waarom of wanneer Bach dat heeft gedaan, bijvoorbeeld voor welke gelegenheid, daar is eigenlijk nauwelijks iets over bekent. Een goede reden voor een zoektocht.
Giovanni Battista Pergolesi werd op 4 januari 1710 geboren in het Italiaanse Jesi. Zijn vader was een schoenmaker uit Pergola die later verhuisde naar Jesi. Door een samenvoeging van deze twee plaatsnamen ontstond de achternaam Pergolesi die Giavanni Battista is gaan dragen. In zijn geboorteplaats ontving Pergolesi zijn eerste muzieklessen. Hij vertrok in 1725 naar Napels en kreeg daar muzieklessen van onder andere Gaetona Greco. De jonge Giovanni Battista ging werken bij Napolitaanse hoven. Hij vervulde functies als organist en violist. Daarnaast ging hij zich toeleggen op het componeren van de zogenaamde ´opera buffa´ (de komische opera). Heel erg succesvol was hij hier niet mee. Daarbij werd hij geconfronteerd met tuberculose, in die tijd nog een ongeneeslijke ziekte. Het waren redenen waarom hij zich terugtrok uit het openbare muziekleven en zich ging richten op het componeren van religieuze muziek. Zijn meest bekende werk werd zijn Stabat Mater wat hij in opdracht van de kerk in Napels schreef. Op Goede vrijdag werd tot dan toe de versie van Dominico Scarlatti gezongen. Het kerkbestuur wilde een modernere versie. Pergolesi heeft het werk binnen een langer tijdsbestek geschreven. Het verhaal gaat dat hij het slotkoor uiteindelijk op zijn sterfbed heeft gecomponeerd. Pergolesi stierf in Pozzuoli op 16 maart 1736. Hij was pas zesentwintig jaar oud, en stond eigenlijk nog maar aan het begin van zijn carrière.
Toen Bach zesentwintig jaar was (in 1711) had hij een vergelijkbare baan als Pergolesi in Napels had. Van 1708 tot 1717 was Bach organist en kamermusicus (violist) aan het hertogelijke hof in Weimar, en ook hij componeerde zowel religieuze als wereldlijke muziek. Zeker in de eerste jaren van zijn verblijf in Weimar was Bach bijzonder geïnteresseerd in het werk van Italiaanse componisten. Als auto-didact bestudeerde hij hun composities en mede op die manier ontwikkelde hij zichzelf als componist. Zo bewerkte hij muziek van Vivaldi en Corelli voor orgel en bracht daar compositorische verbeteringen in aan. Pergolesi lag in die tijd nog in de luiers. Bachs interesse voor andermans composities is echter altijd gebleven en op de één of andere manier kwam zo jaren later een gedrukt exemplaar van het Stabat Mater zo rond 1740 op zijn lessenaar in Leipzig terecht.

‘Stabat Mater’ is de titel van een beroemd middeleeuws gedicht uit de dertiende eeuw. Wie de auteur ervan is valt niet met zekerheid te zeggen. Er circuleren verschillende namen. Waarschijnlijk een Franciscaner monnik. Onderwerp van de hymne is Maria, de moeder van Jezus die weent onder het kruis waar haar zoon aan is terecht gesteld. De tekst roept op om samen met haar te wenen. Daarbij is het een gebed tot Maria om deelgenoot te mogen worden in het heil wat Jezus’ sterven wordt voltrokken. De titel van het gedicht zijn tevens de eerste woorden ervan:

Stabat Mater Dolorosa
Luxta crucem lacrimosa
Dum pendat fillius
(Huilend stond de moeder aan de voet van het kruis, waaraan haar zoon te sterven hing).

In de vijftiende eeuw kreeg de tekst een plaats in de Katholieke liturgie. Het werd dan gezongen op 15 september, de dag waarop het ‘Feest van de Zeven Smarten van Maria’ werd gevierd. Na een periode van afwezigheid werd deze traditie op last van Paus Benedictus VIII in 1727 weer ingevoerd. Sindsdien werd het ook gezongen in de Stille week voor Pasen. Er bestonden verschillende (Gregoriaanse) melodieën van het werk, maar in de loop van tijd gingen steeds meer componisten het Stabat Mater zelf op muziek zetten zoals Palestrina (1589), Vivaldi (1712) of Scarlatti (1723). Dat ook een componist als Pergolesi zich aan het werk waagde is dus niet verwonderlijk, zeker niet na 1727 toen de tekst alleen maar populairder werd. Ook na hem zijn er nog verschillende versies gecomponeerd, bijvoorbeeld van Rossini (1842), Dvořák (1877) en Verdi (1896) en nog redelijk recent van Arvo Pärt (1985).
Pergolesi’s bewerking werd in zijn tijd al beroemd getuige de vele exemplaren die ervan werden gedrukt. Maar terugkijkend in de geschiedenis is het volgens velen ook de mooiste compositie van het Stabat Mater. Het is één van de iconen van de religieuze muziek geworden. Twee zangstemmen: een sopraan en een alt en een kleine instrumentele bezetting van violen, cello en klavecimbel, worden ingezet in deze tijdloze compositie van grote schoonheid. Emoties van rouw en verdriet worden ingetogen gekleurd met melodielijnen die een serene rust bewerkstelligen. Afwisselend en dan weer gezamenlijk zingen de sopraan en de alt (of counter-tenor) in twaalf delen het muzikale gedicht.
Bach moet onder de indruk zijn geweest toen hij het werk rond 1740 onder ogen kreeg. Was hij toen ook al op de hoogte dat Pergolesi al een paar jaar niet meer leefde?
Ook op oudere leeftijd bleef Bach blijkbaar belangstellend naar nieuw buitenlands werk. Waren het in zijn jonge jaren vooral de Franse componisten die hem inspireerden tot het componeren van zijn suites, in zijn latere jaren richtte hij vooral zijn aandacht op de nieuwe muziek uit Italië: de Galante stijl. Dat hield in: minder gebruik maken van polyfonie en contrapunt, maar daarvoor in de plaats meer zelfstandige melodielijnen met veel plaats voor expressie en emotie. Zo is een werk als de Matthäus-Passion duidelijk beïnvloed vanuit de Italiaanse opera uit Venetië die in die tijd in opkomst was. Genoemde kenmerken van de Galante stijl zijn ook prominent aanwezig in het Stabat Mater.
Al vaker had Bach werk van Italiaanse componisten bewerkt, maar nog nooit een vocaal, religieus werk. Vanwege de Katholieke inhoud was dit ook lastig, want deze werken konden in de Lutherse kerken van Leipzig moeilijk uitgevoerd worden. En zeker niet een gebed tot de Heilige Maria. Als Bach dus iets met het werk van Pergolesi zou willen doen, dan zou er een andere tekst op moeten. Bach heeft ervoor gekozen om de tekst ‘Tilge, Höchster, meine Sünden’ op Pergolesi’s Stabat Mater te plaatsen. Feitelijk liet hij verder de hele muzikale compositie zo goed als intact. Alleen voegde hij een partij voor de altviool toe waardoor de harmonie van het werk wordt versterkt. Bachs bewerking stamt uit de jaren tussen 1744 en 1748, zo valt te lezen in verschillende boeken en op internet. Deze blijkbare onduidelijkheid alleen al maakt duidelijk dat er niets bekent is over de ontstaansgeschiedenis en de uitvoeringspraktijk van de compositie.
Bach gaf zijn bewerking van het Stabat Mater de volgende Italiaanse titel: Psalm 51. Motetto a due Voce, tre stromenti e Continuo (Motet voor twee stemmen, drie instrumenten en Continuo). Opmerkelijk: hij noemt niet de naam van de componist nog de titel van het originele werk. Met deze titel wordt wel duidelijk dat Bach een psalmtekst heeft gebruikt voor zijn bewerking. In dit geval blijkt het een vrije bewerking te zijn van psalm 51. Ook de dichter van deze tekst is niet bekent.
Psalm 51 is één van de zeven boetepsalmen. In de aanhef in de bijbel staat te lezen: ‘Voor de koorleider, een musiceerstuk van David, toen bij hem binnenkwam Natan-de-overgekomene, nadat hij was binnengekomen bij Batseba’. Het gaat hier om een zwarte bladzijde in het leven van koning David. Ooit was hij herder en zong hij liederen terwijl hij zichzelf begeleide op zijn harp. Maar als koning van Israël was de macht hem naar het hoofd gestegen. Hij pleegde overspel met de mooie Batseba. Toen bleek dat zij zwanger van hem was zorgde de koning ervoor dat Batseba’s man, de soldaat Uria, aan het front in de strijd tegen de Filistijnen de dood werd ingejaagd zodat David met Batseba kon trouwen. Hierna verschijnt de profeet Natan op het toneel die David op een keiharde manier terecht wijst. David gaat diep door het stof en volgens de overlevering zou hij toen de woorden van psalm 51 hebben uitgesproken: ‘God, wees in uw vriendschap mij genadig, wis, overvloedig in ontferming, mijn misstappen weg’. Tilge meine Sünden: wis mijn zonden weg.
De bewerkte tekst van psalm 51 past heel goed op het Stabat Mater, want ook in deze tekst komen thema’s als schuld en boete aan de orde. Jezus is immers aan het kruis genageld om de straf te ondergaan die feitelijk de zondige mensheid toekwam. Zorgvuldig plaatste Bach de tekstgedeelten op de muziekdelen van Pergolesi’s compositie. Een enkele keer paste Bach de melodie iets aan op de nieuwe tekst. In sommige delen vallen de thema’s van de teksten zelfs samen waardoor de tekst/muziek eenheid van Pergolesi in stand wordt gehouden. Zoals bij het vijfde deel van Bach:

Wer wird seine Schuld verneinen
oder gar gerecht erscheinen?
Ich bin doch ein Sündenknecht.

In het Stabat Mater klinkt dan:

Pro peccatis suae gentis
Vidit Iesum in tormentis
Et flagellis subditum.

(Voor de zonden van de zijnen, zag zij Jezus zo in pijnen, en de wrede geselstraf).

Nog een andere wijziging vanwege een betere passendheid op de nieuwe tekst is de omwisseling van de laatste twee delen. Hierdoor wordt het slotkoor (het ‘Amen’) bij Bach een los onderdeel, want bij het Stabat Mater is het ‘amen’ het sluitstuk van het slotkoor.

Bij al deze wetenswaardigheden blijft de vraag bestaan waarom, en voor welke gelegenheid Bach zijn bewerking van het Stabat Mater heeft gemaakt. Vanzelfsprekend gaan de gedachten dan allereerst uit naar een mogelijke uitvoering in de Lutherse eredienst. Die zou dan ook heel goed plaats hebben kunnen vinden in de Stille week voor Pasen, net als het originele werk van Pergolesi. Een boetepsalm was zeker passend in deze periode, en de link met het lijden en sterven van Jezus was ook in de tekst ingeweven: ‘Lass mich Freund und Wonne spüren (…) da dein Kreuz mein hart gedrängt’ (in de Oud-Testamentische psalm was er van een kruis natuurlijk nog geen sprake).
Een andere mogelijkheid is dat deze boetepsalm is uitgevoerd in verband met het feit dat Leipzig bezet werd door de Pruisen tijdens de Tweede Silezische oorlog (1744 – 1745). De Pruisen waren in Oorlog met Oostenrijk. Een stad ging gebukt onder een dergelijke bezetting. In een gebedsdienst in verband met deze situatie zou een uitvoering passend geweest zijn. Als op eerste Kerstdag 1745 de Vrede van Dresden wordt gesloten, die het einde van de oorlog inluidt, voert Bach ter ere daarvan de cantate Gloria in excelsis Deo (BWV 191) uit in de universitaire Sankt-Paulikirche. Bach hergebruikte voor dit werk delen uit het ‘Gloria’ uit de Hohe Messe. Ook hier dus geen ‘nieuw’ werk van Bach. In deze periode componeerde Bach eigenlijk geen vocale muziek meer. Vandaar dat hij bij dit soort gelegenheidsmuziek uitweek naar oud werk van zichzelf of, in het geval van de boetepsalm een compositie van iemand anders. Wat dit laatste betreft zou Bach tegelijk in de gelegenheid zijn geweest om de Leipziggers kennis te laten maken met het muzikale talent van Pergolesi.

Toch acht ik de mogelijkheid dat de hierboven genoemde uitvoeringen plaats hebben genomen gering. Zoals al genoemd: de gegevens ervan ontbreken, terwijl juist van heel veel cantates en Passie-uitvoeringen precies bekent is wanneer en waar deze zijn uitgevoerd.
Er blijft dan nog één mogelijkheid over, namelijk dat Bach zijn motet voor zichzelf, voor eigen gebruik heeft gemaakt. De argumentatie hiervoor is eigenlijk heel simpel: hij zit al verborgen in de titel die Bach aan zijn werk gaf: een motet voor twee stemmen, drie instrumenten en continuo. Met andere woorden: een kamermuziekstuk. Bach maakte het Stabat Mater geschikt om het thuis uit te voeren, niet voor in een grote kerk. Hij was onder de indruk gekomen van het prachtige, moderne werk van Pergolesi. Heel goed is dan ook voor te stellen dat hij het daarom ook wilde spelen. En dat zou heel goed kunnen, samen met zijn gezinsleden. Maar een Katholieke tekst, een aanbidding tot Maria, dat was toch te veel van het goede voor de strenge Lutheraan. Daar kon hij thuis niet mee aan komen. Bach bedacht dat psalm 51 heel passend was op deze muziek, en daarom bewerkte hij de Bijbelse tekst zo, dat die gezongen kon worden op de muziek van Pergolesi. Wat mij betreft is de onbekende tekstdichter dus Bach zelf! Om vervolgens het werk nog meer ‘eigen’ te maken componeerde Bach er nog een partij voor de altviool bij. De altviool was immers zijn lievelingsinstrument? Met deze toevoeging kreeg de instrumentele begeleiding nog meer harmonie. In de Italiaanse versie speelde de altviool mee met de cello ter versterking van het continuo.

*

En zo klonk op een zondagavond in het jaar 1745 het motet Tilge, Höchster, meine Sünden in huize Bach. De bezetting zou er als volgt uit hebben kunnen zien:

Eerste viool – Johann Christoph Friedrich, dertien jaar
Tweede viool – Johann Christian, tien jaar
Altviool – Johann Sebastian Bach zelf
Continuo:
Klavecimbel – Elisabeth Juliane Friederica, 19 jaar
Cello – Johann Christoph Altnikol, de verloofde van Elisabeth Juliane Friederica

Sereen en breekbaar klinkt de instrumentale inleiding. Dat kan ook niet anders gezien de tekst die zo dadelijk gezongen wordt. Bachs vrouw Anna Magdalena neemt de sopraan partij voor haar rekening en hun oudste dochter en eerste kind, de al zevenendertig jarige Catharina Dorothea, die nog steeds thuis woont, de altpartij.
Bach geniet van de wonderschone muziek van Pergolesi, van het musiceren met zijn gezin. Als een gebed stijgen de klanken op naar de hemel. Het is een soort muziek die hij zelf nooit heeft gecomponeerd. Hoewel? Als afsluiting klinkt het ‘amen’ als een machtige fuga die van hemzelf had kunnen zijn. Dit laatste deel componeerde Pergolesi niet in de Galante stijl maar in de oude polyfonie. Wellicht als een blijk van respect naar zijn voorgangers? Misschien naar Bach?
Vol vuur spelen en zingen de Bachs dit ‘Amen’.
Hier hoefde geen andere tekst op worden gezet!

 

Dit verhaal is opgenomen in de bundel ´Johann Sebastian Bach en de Italiaanse barok´ van Wim Faas.

De zoon van de herbergier

‘Aron, Aron! Waar ben je!’

Aron is in de oude stal, die een stukje achter de herberg staat. Hij is juist bezig de dieren te verzorgen; een os en een kleine ezel. Vroeger waren er nog meer dieren. Maar zijn vader deed ze één voor één weg. Hij had er geen tijd meer voor. Aron zou het heel erg vinden als de dieren weg zouden zijn, want hij vindt het altijd fijn om ze te verzorgen. Daar is hij nu ook weer mee bezig. Schoon stro op de grond, vers water in de waterbak en de voederbak vullen met schillen en hooi. De kribbe die hij een paar jaar geleden met zijn vader nog in elkaar had getimmerd. Hij moest er niet aan denken dat er geen stal meer zou zijn.
‘Aron, Aron! Waar zit je nou. Komen!’
Aron hoort zijn vader wel. Tjonge, wat is papa weer gestrest, denkt hij. Het is altijd hetzelfde liedje: als het druk is in de herberg moet ik weer op komen draven. Oké, het was vandaag ook een gekkenhuis in Bethlehem. Al die mensen op reis, om zich in te laten schrijven op de plek waar ze geboren zijn. Voor een volkstelling. Wat een ideeën heeft die keizer uit Rome toch. Maar vader heeft er goede zaken aan. De hele herberg zit vol. Hij heeft zelfs al een paar keer nee moeten verkopen.
Aron stapt de herberg binnen. Waar zou zijn vader zijn? In de werkplaats? In de eetzaal of in de keuken? Daar treft hij hem uiteindelijk aan.
‘Oh, Aron, daar ben je eindelijk. Waar zat je nou? Zeker weer in de stal. Luister, je moet me helpen. Het stookhout is bijna op. En we hebben vanavond nog veel nodig voor het vuur in de keuken. Er zijn veel gasten; en die moeten wij een maaltijd voorzetten. Ga jij hout halen, want anders valt er straks weinig te koken’.
‘Maar er is haast geen hout meer papa. Dat heb ik gisteren ook al gezegd’.
‘Ach, hier en daar zal best nog wel wat liggen. En wat we anders kunnen doen is die kribbe die we toen gemaakt hebben in stukken zagen. Dat is ook prima brandhout. Als de dieren weg zijn hebben we die voerbak toch niet meer nodig’.
Aron schrikt ervan. De kribbe gebruiken als brandhout? Dat mag niet. Zijn os en ezeltje kunnen toch niet zonder voederbak? ‘Maar papa, waarom halen we dan niet wat hout bij oom Jacob. Die heeft altijd wel over in zijn timmermanswerkplaats’.
De herbergier begint boos te worden. ‘Nou moet je ophouden Aron, je weet dat ik niets meer met die broer van mij te maken wil hebben sinds hij met die . . . bij die . . . ach, ik wil het er ook niet over hebben. Hup, aan de slag’.
Aron zal zijn best doen om zoveel mogelijk hout bij elkaar te sprokkelen. Hij gaat op pad. Aan de rand van het dorp staan veel oude bomen. Daar liggen vaak droge takken op de grond. Maar het is niet veel wat hij vindt. Het lijkt wel of iedereen aan het zoeken is geweest. Op de terugweg naar huis kwam oom Jacob nog tegen en maakte een praatje met hem, maar hij durfde niet om hout te vragen. Wat stom dat papa ruzie heeft met hem. Hij vindt hem juist zo’n aardige oom.

Teruggekomen in de herberg vulde hij het beetje hout in de keuken aan. Vader zag het, en was niet tevreden. ‘Veel te weinig. Dat is zo weer op. Kom op, ga die kribbe halen en zet hem in de werkplaats. Dan zoek ik zo de bijl’.
‘Ja maar papa, de dieren moeten toch ook eten’. ‘Hou toch op over die stomme os en ezel. Die moeten ook maar gauw weg. Dan kan die hele stal als stookhout dienen’.
Boos en bang loopt Aron terug naar de stal. De dieren waren nog uit de voederbak aan het eten. Hij kon toch niet hun eten uit de voederbak gooien? Maar hij moest naar zijn vader luisteren. Met tranen in zijn ogen trapt hij de kribbe om. Het beetje voedsel wat er nog in zat valt op de grond. Aron sleept de kribbe naar buiten. Hij kijkt nog even om. De os en de ezel gapen hem met verbaasde ogen aan. Ze lijken tegen hem te zeggen: ‘zorg jij zo voor ons? Een mooie ben je’.
Aron voelt zich schuldig. Tegenstrijdige stemmen gaan door zijn hoofd: ‘Je moet doen wat je vader zegt’. Maar ook: ‘Slappeling, kies partij voor de dieren!’.

Aron zet de kribbe in een donker hoekje van de werkplaats. Misschien denkt zijn vader er straks niet meer aan. Maar hij vergist zich, want daar stapt hij met zijn bijl de werkplaats binnen.
‘Nou, heb je dat houten geval nu eindelijk gehaald? Waar staat hij?’ Aron kan niet anders dan de kribbe uit de donkere hoek halen. Hij zet hem midden in de werkplaats neer.
‘Ah, goed zo. Kijk toch eens wat een mooi hout. Brede planken, dikke balken. Als dat in stukken is geslagen kunnen we voorlopig weer heel wat potjes koken’.
De herbergier controleert zijn bijl en wil zijn eerste slag slaan. Op dat moment wordt er aan de buitenpoort gebeld. De herbergier laat zijn bijl weer zakken. ‘Hè toch, alweer zeker gasten die ik geen plaats in mijn herberg kan bieden. Zo schiet het ook niet op’. Hij legt zijn bijl neer en gaat naar de poort.

phoca_thumb_l_IMG_6725

Aron blijft alleen achter. Hij staat te trillen op zijn benen en zijn hart bonkt in zijn keel. Als er niet was gebeld, dan had de kribbe in stukken gelegen. Maar nu staat hij er nog. Hij kan er nog steeds voor zorgen dat de kribbe wordt gered. En op dat zelfde moment, zonder verder na te denken over wat de gevolgen zouden kunnen zijn, neemt hij een besluit. Hij tilt de kribbe op en neemt hem mee naar buiten, loopt ermee naar de stal en verstopt hem daarachter tussen de struiken. Niemand die het ziet. Morgen kijken we wel verder.
Dan gaat hij terug naar de herberg en sluipt hij zachtjes naar zijn slaapkamer die zich boven de keuken bevind. Misschien vergeet papa de kribbe nu wel denkt hij. Hoopt hij.

Aron ligt op zijn bed. Hij hoort zijn vader naar de werkplaats lopen. De herbergier neemt de bijl weer in zijn hand. Verbaasd kijkt hij rond. Zijn ogen vinden niet wat hij zoekt.
‘Aron, waar heb je die kribbe gelaten. Aron, hier komen. Direct!’
De herbergier is nu echt boos. Hij loopt naar de keuken. Zijn vrouw is bezig met het voorbereiden van de maaltijd.
De herberg is erg gehorig en Aron kan het gesprek tussen zijn ouders letterlijk horen.
‘Wat zit die Aron toch vervelend te doen vandaag’ zegt de herbergier. Maar zijn vrouw gaat er niet op in. ‘Man, kom toch eens even zitten; vertel eens, wat waren dat zo net voor een jong stel mensen aan de poort. ‘O ja’ zegt de herbergier, ‘ik was het al bijna vergeten. Er stonden een jonge man en een meisje wat hoogzwanger was voor de poort. Of we nog een slaapplaats hadden’.
‘Je hebt ze toch niet weggestuurd?’ vraagt de herbergiervrouw. ‘Ik had het bijna gedaan. We hebben immers geen plek meer in de herberg? Maar ik zag het onrustige gezicht van dat meisje en de bezorgde blik van die jongen. Toen dacht ik ineens aan de stal. Daar zouden ze in elk geval beschut en zacht in het stro kunnen slapen. Nou, ze namen het maar al te graag aan. Ze leken uitgeput van hun reis’.
‘Dat was heel lief van je’ zei zijn vrouw. ‘Ik maakte me al wat bezorgd over je. Tegen Aron was je ook al steeds zo kribbig. Hier, eet wat brood. Je bent maar aan het rennen en vliegen de hele dag. Waarom vraag je je broer Jacob niet weer eens om te komen helpen als je het zo druk hebt. Hij doet dat maar al te graag’.
‘Dat weet je heel goed. Sinds hij die timmerklus bij die Romeinse hoofdman heeft aangenomen wil ik niks meer met hem te maken hebben. Een Jood gaat niet om met Romeinen, laat staan dat hij er voor werkt. Maar waar zit die Aron toch? Ik was met hem bezig het stookhout aan te vullen’.
Op dat moment wordt er weer aan de poort gebeld. Nee-schuddend gaat dit keer de herbergiervrouw kijken wie er buiten staat.
Algauw kwam ze weer terug. ‘Die goede daad die je hebt verricht met dat jonge stel wordt meteen beloond. Wie goed doet, goed ontmoet’. De herbergier kijkt vragend naar zijn vrouw. ‘Je broer Jacob staat aan de poort. Hij heeft een lading afvalhout bij zich. Hij was Aron vanmiddag tegengekomen. Die had hem verteld dat de kribbe misschien wel in stukken gezaagd zou worden. Jacob had later bedacht dat hij nog wel hout voor je had, want hij vond het zonde van die kribbe. Hij had er zelf het hout nog voor geleverd ’.
De herbergier kijkt strak voor zich uit. ‘Ik mot dat hout van Jacob niet’.
‘Wat zeg je? Maar ik wel!’ zegt de herbergiervrouw vastberaden.
‘Aron, waar zit je . . . kom je even helpen sjouwen?’
Aron had alles gehoord. Van de jongen en het meisje in de stal, van Jacobs timmerklus bij de Romeinen, zijn oom die nu met hout aan de poort stond. Natuurlijk wilde hij helpen. Als de kribbe maar bewaard kon blijven. Met een paar tellen was hij in de keuken.
‘Kom even helpen sjouwen’ zegt zijn moeder. ‘Je vader heeft last van stijfkoppigheid’.

Tevreden gaat Aron die avond naar bed. Morgenvroeg zou hij wel eens gaan kijken in de stal. Misschien was dat jonge stel er ook nog wel. Hij zou in elk geval de kribbe weer op zijn plek zetten. Met extra voer er in! Voordat hij gaat slapen kijkt hij zoals altijd even naar buiten. Het was een heldere avond. Duizenden sterren ziet hij. Wat is dat altijd prachtig. Bijna recht boven hem ziet hij een grote blinkende ster aan de hemel staan. Die ster was hem nog niet eerder opgevallen. Het leek net of de ster precies boven de stal stond.
De volgende ochtend loopt Aron naar de stal. Hoort hij nou een baby huilen? Het zal toch niet waar zijn . . . ? Aron kijkt door een kier van de deur naar binnen. Hij ziet het jonge meisje liggen op het stro. Ze heeft een kindje in haar armen, wat in doeken is gewikkeld. De jongen is bezig de stal een beetje op te ruimen en de os en de ezel kijken rustig toe.
‘Je mag wel even binnen komen hoor’ zegt de jonge moeder die Aron blijkbaar heeft opgemerkt. Schoorvoetend komt Aron de stal binnen. ‘Is het vannacht geboren?’. ‘Ja’ glimlacht ze. ‘Het is allemaal wat primitief hier, maar gelukkig is alles goed gegaan. Vind je mijn zoontje niet wonderschoon?’. De jonge vader komt er even bij staan. ‘Primitief is op zichzelf niet zo erg. Maar een stal zonder een voederbak vind ik wel heel armoedig. Ik had zo’n kribbe willen gebruiken om er een bedje voor ons kindje van te maken’.
Arons gezicht klaart ineens op. ‘Wacht maar even . . .’ zegt hij en loopt naar buiten.
Een paar tellen later komt hij weer naar binnen stappen.
‘Kijk eens wat we hier hebben!’.

Aron zet de kribbe neer bij de moeder en het kind.
Samen met de vader maken ze de kribbe een beetje schoon en vullen ze hem met schoon stro.
Dan neemt de vader het kindje over van de moeder en legt hem voorzichtig in de kribbe.
Aron knielt er even bij. Staat dan op en rent terug naar de herberg om zijn vader en moeder het grote nieuws te vertellen.
De ouders willen meteen in de stal gaan kijken en nemen allebei wat mee. De herbergier een dienblad met brood en melk. Het jonge ouderpaar zal toch moeten ontbijten! En de herbergiervrouw een wollen dekentje voor in de kribbe.
Aron wil met zijn ouders mee terug gaan maar bedenkt zich dan. Hij rent het dorp in naar het huis van oom Jacob. Ook hij moet het weten! Ook Jacob is ook verrast en gaat met Aron mee. Hij grist bij het weggaan wat stokken en een lap stof mee.
Aangekomen in de stal knielt ook oom Jacob bij de kribbe. Dan steekt hij de stok schuin achter de kribbe in de grond, plaatst er overdwars nog een stok aan en drapeert vervolgens de stof over het ontstane kruis. Zo heeft de kribbe een hemeltje gekregen is hij veranderd in een wiegje!
Iedereen is stil in de stal.
De herbergier loopt naar zijn broer en omarmt hem.
De herbergiervouw geeft haar man een kus.
Aron geeft zijn oom een high five.
De herbergier geeft zijn zoon een schouderklop. ‘We laten de stal zoals die is. Dat beloof ik’.
De jonge ouders kijken gelukkig toe.
De os laat een loei horen en de ezel balkt eenmaal. Het kindje schrikt er even van wakker, maar sluit de oogjes dan weer en slaapt verder.

phoca_thumb_l_IMG_6737

Boek ‘Dansen met Bach’ van Wim Faas

Veel belangstelling voor de boekpresentatie en concert.

Veel belangstelling voor de boekpresentatie en concert.

Dansen met Bach Tijdens het leven van Johann Sebastian Bach (1685 – 1750) was Duitsland in wederopbouw na een desastreus verlopen dertigjarige oorlog. De adel spiegelde zich hierbij aan de grandeur van het hof van Versailles onder Lodewijk XIV. Franse invloeden op het gebied van kunst en cultuur verspreidden zich over de talloze vorstendommen. Zo werden ook de Franse hofdansen (menuet, bourrée, enz.) populair binnen het Duitse hofleven. In Bachs oeuvre spelen deze dansen een belangrijke rol. Niet alleen in zijn suites (altijd een reeks van dansen), maar ook in zijn orgelmuziek, cantates en passies verwerkte Bach dansvormen. Tegen deze achtergrond schetst Wim Faas in twintig korte verhalen een persoonlijk en levendig portret van Bachs leven en muziek waarbij alle Franse hofdansen ten tonele verschijnen.

Uit het voorwoord van Maarten ’t Hart: ‘Dit boek van Wim Faas komt als geroepen. Eindelijk een werk waarin de dansante kant van Bach wordt belicht in een goed leesbaar, plezierig, aantrekkelijk boek. De vele dansvormen die in Bachs oeuvre voorhanden zijn worden stuk voor stuk besproken. Omdat Faas alles helder toelicht, zonder te vervallen in geleerd jargon, zonder zich te bedienen voor gewichtig klinkende musicologische termen, heeft hij een boek geschreven waar zowel muzikale leken als wat meer onderlegde muziekliefhebbers veel genoegen aan zullen beleven en dat ook als naslagwerk zijn dienst kan doen’.

‘Een lichtvoetig en helder boek, vol nuttige informatie en wetenswaardigheden’. (Tijdschrift  Oude Muziek)

‘Een leuk en verrassend boekje heb je geschreven. Ik verwachtte bronnen en nog eens bronnen maar je hebt een leesbaar en geestig boekje gemaakt, mooi geïllustreerd. Een aanrader’. (Ton Koopman)

‘Het boek is vlot leesbaar waardoor het de interesse kan wekken van zowel de leek als van de meer onderlegde muziekliefhebber. Met dit boek legt de auteur een vruchtbare voedingsbodem om mensen meer te laten genieten van de muziek van Bach. (Klassiek Centraal)

Dansen met Bach is verschenen bij Aspekt, Soesterberg. ISBN 9789461533722. Te koop bij boekhandel en webshops.

Foto’s boekpresentatie en concert op 9 november in de NoorderLichtkerk te Zeist.

Wim Faas presenteert zijn boek.

Wim Faas presenteert zijn boek.

Air uit de 2e Orkestsuite gespeeld op orgel en viool.

Air uit de 2e Orkestsuite gespeeld op orgel en viool.

De 'dansmeester'en zijn dochter dansen een menuet.

De ‘dansmeester’en zijn dochter dansen een menuet.

Pasen is een hardloopfeest!

De hardloopkalender van het maartnummer van Runnersworld uit 2013 vermeldt op eerste en tweede Paasdag maarliefst zesendertig hardloopwedstrijden. Menig van die loopevenementen hebben ook toepasselijke namen als Paasloop, Paashaasloop en Paasjogging. Persoonlijk heb ik ook goede herinneringen aan hardlopen met Pasen: mijn eerste marathon liep ik in 2008 op tweede Paasdag in Utrecht. In 2012 was ik weer van de partij. Dat was overigens (voorlopig?) ook de laatste marathon van Utrecht. Doordat de gemeente de subsidie introk (onbegrijpelijk) kon de organisatie het elk jaar groter wordende evenement niet meer organiseren.

Pasen staat synoniem voor het begin van de lente. Vanuit dat perspectief is het grote aantal hardloopwedstrijden goed te verklaren. De winter is voorbij, buiten wordt het zachter, je kan ’s avonds weer het bos in. Voor de hardlopers breekt er weer een aangename tijd aan. Ook met hardloopwedstrijden; om te beginnen met Pasen!
Dat Pasen strikt genomen een Christelijk feest is zal aan veel deelnemers van Paaslopen voorbij gaan. Hier onderscheiden zij zich overigens weinig van al die anderen die na het nuttigen van een Paasbrunch meubelboulevards of pretparken bezoeken. Om over de chocolade eieren en paashazen nog maar te zwijgen. Met het christelijke paasfeest heeft het allemaal weinig te maken. Het Bijbelse Paasverhaal blijkt echter vol met hardloopelementen te zitten. Vanuit dit gezichtspunt past het dus heel goed om hard te gaan lopen op Pasen en blijkt de haas als snelrennend wezen toch symbool te kunnen staan voor Pasen.
In de Bijbel wordt in de evangeliën van Mattheüs, Marcus, Lukas en Johannes het leven van Jezus opgetekend. Als leraar trekt hij door Israel met een boodschap van liefde, solidariteit en bevrijding. Sommigen zien hem als de Zoon van God die verzoening zal brengen tussen God en mensen. Anderen als de koning der Joden of als Messias die het volk Israel zal verlossen van de Romeinse overheersing. Hoe het ook zij, zijn boodschap roept met name bij de gezagsdragers ergernis op wat uiteindelijk leidt tot zijn gevangenneming, berechting en kruisiging.  Dit ‘lijdensverhaal’ is door Bach op indrukwekkende wijze op muziek gezet in zijn Mattheüs en Johannes Passie. Het verhaal van Jezus eindigt echter niet met zijn dood. Zijn graf werd op de derde dag leeg bevonden. Aan verschillende mensen zou hij zijn verschenen. Jezus is opgestaan en leeft! Dat wordt gevierd met Pasen. Bach schreef hierover ook een muziekwerk: het Oster (Paas) Oratorium.
Zoals al genoemd wordt er in dit passie- en paasverhaal, en ook in de muziek van Bach daarover, veel hardgelopen. De eerste hardloopscène komen we tegen bij de gevangenneming van Jezus die plaatsvindt in de hof van Gethsemané. Zijn afvallige discipel Judas verraadt hem met een kus. Van de andere discipelen wordt door Mattheüs verteld: Daarop lieten alle leerlingen hem in de steek en vluchten weg.  Ze gingen er als een haas vandoor. De tweede hardloopscène verhaald alleen Marcus. Een spannende beschrijving: Een jongeman, die alleen een linnen kleed aanhad, probeerde bij hem te blijven, maar toen ook hij werd vastgegrepen, liet hij het kleed in hun handen achter en vluchtte naakt weg. Hardloopscene drie is niet uit de bijbel maar komt uit de Johannes Passie van Bach. Als Jezus het kruis op zijn rug moet dragen en naar Golgotha moet lopen waar de kruisiging plaats zal vinden voegt Bach een beschouwende aria toe: Eilt, ihr angefochten Seelen. In een vlot tempo wordt gezongen dat gelovigen zich moeten haasten om naar Golgotha te gaan. ‘Flieht’  wordt zelfs gezongen. Ga vliegensvlug, ijlings,  Want op Golgotha is het heil te vinden.
Hardloopscene vier is een meidenrun. Op de eerste dag van week gaan Maria van Magdala en een andere Maria in alle vroegte naar het graf. Ze zien de steen weggerold en een engel die tegen hen zegt dat Jezus is opgestaan. De engel maant de vrouwen snel naar de leerlingen te gaan om dit nieuws te melden. Ontzet en opgetogen verlieten ze haastig het graf  schrijft Mattheüs. Terug in de stad vertellen de vrouwen het nieuws buiten adem aan de leerlingen.  Dan volgt de vijfde hardloopscene die uitmondt in een ware wedstrijd. Er zijn verschillende versies: Lukas verhaalt dat de leerlingen het kletspraat vonden. Behalve Petrus. Lukas schrijft: Petrus echter stond op en rende naar het graf.  Johannes verteld dat er nog iemand anders naar het graf rende. Als een echte sportcommentator verslaat hij deze hardloopscène: Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf.
Al dit rennen op de eerste Paasdag heeft Bach geïnspireerd om zijn Paasoratorium te openen met de volgende tekst: Kommt eilet und laufet ihr flüchtige füsse wat vertaald kan worden als: komt, loop in ijltempo gij vliegensvlugge voeten.  Ren naar de plek waar het wonder is geschied. Natuurlijk staat ook hier de muziek in een snel tempo en omdat het hier om feestmuziek gaat wordt het ritme ondersteund door paukenslagen.
De eerste hardloopscènes waren als gevolg van het wegvluchten echte sprinten. De laatste hardloopscènes kunnen we typeren als middenafstandlopen. De afstand tussen de stad Jeruzalem en de graftuin buiten de stadspoort zal zo´n anderhalf tot twee kilometer geweest zijn. Ten slotte kan er ook nog een lange afstandsloop hebben plaatsgevonden, en dat wordt dan hardloopscène zes.  Lukas verteld over de zogenaamde Emmaüsgangers, enkele leerlingen van Jezus die ´s middags, nog onder de indruk wat er zich in Jeruzalem allemaal heeft afgespeeld, terugwandelen naar hun woonplaats Emmaüs. Lukas noemt een exacte afstand: zestig stadia, wat ongeveer twaalf kilometer is. Dan voegt Jezus zich bij hen, maar zij herkennen hem niet. Aangekomen in Emmaüs nodigen ze Jezus bij hen thuis want het is bijna avond. Als Jezus aan tafel het brood breekt herkennen ze hem pas, maar dan verdwijnt Jezus ook plots. Lukas verteld verder: Ze stonden op en gingen meteen terug naar Jeruzalem. Het wordt niet expliciet vermeld, maar het kan haast niet anders dan dat ze hardlopend terug zijn gegaan want het was al avond en ze wilden zo snel mogelijk hun ervaring delen met de anderen.
Pasen en hardlopen. Ze horen bij elkaar. En niet alleen vanwege het aangename hardloopweer. Maar zeker ook omdat het Paasverhaal ook een hardloopverhaal is!

Bijbelteksten uit de Nieuwe Bijbelvertaling staan cursief.

Fietsen door het land van Bach

Vrijdag
Vrijdag 1 juni. Klokslag 18 uur luidt er een bel in de Thomaskirche. Het geroezemoes van de honderden mensen die de ‘Motette’ bezoeken valt stil. Dan klinken de eerste grote akkoorden van de machtige Preludium in Es-groot uit het Bachorgel wat aan de oostkant van de galerij staat opgesteld, recht tegenover het gebrandschilderde Bachraam aan de westkant van de kerk. Mooier kan een Bach-weekend in Leipzig niet aanvangen.
Het plan: vrijdagochtend met de trein naar Leipzig. Daar in het weekend een aantal ‘Bach-activiteiten’ bijwonen. Zondagmiddag op de fiets terug richting Nederland via de Bachplaatsen Weimar, Arnstadt en Mühllhausen. Alle Bachplaatsen aandoen gaat niet lukken. Bachs geboorteplaats Eisenach heb ik echter al eens bezocht en Köthen laat ik aan me voorbij gaan omdat die plaats teveel uit de route ligt. Dat ‘voorbij gaan’ bleek letterlijk toen de trein via Köthen richting Leipzig reed. Hier had ik dus ook mijn tocht kunnen beginnen. Maar als ik de Preludium in Es groot onderga kan ik me daar niet meer druk om maken.
Deze Motette is feitelijk een Vesper, een avondgebed. Maar met veel koorzang en zelfs een preek. Wat die koorzang betreft blijkt dat ik geluk heb dit weekend. Het Valparaiso University Chorale uit Amerika zingt dit weekend in de Thomaskirche. Het is het belangrijkste Lutherse koor van over de oceaan en het programma laat zien dat ze een heel eigen repertoire meenemen.
De Preludium en de daar op volgende Fuga (BWV 552) is een bijzonder werk omdat de twee delen de opening en afsluiting vormen van de zogenaamde Grote orgelmis, de officieuze naam van Bachs derde ‘Clavier-Ubung’ waarin hij 21 koraalbewerkingen samenvoegde die de gehele Lutherse liturgie omvatten; bede om ontferming, lofprijzing, dankzegging, het onze vader, enzovoorts.
Vandaag omlijsten de Preludium en Fuga ook een keur van liederen gezongen door het studentenkoor. Morgen zullen ze een cantate van Bach zingen, maar vanavond zingen ze vooral Amerikaanse composities uit de vorige eeuw. Onder ander een bewerking van de negro-spiritual ‘Hold on’ (Keep your hand on the plow), en een ingetogen ‘Welcome Jesu’ van James Macmillan.
Langzamerhand begint het tot me door te dringen dat ik hier in de kerk zit waar Bach 27 jaar in dienst is geweest. Wekelijks voerde hij hier een cantate uit met een koor wat ook grotendeels uit studenten bestond. Hierbij klaagde hij nogal eens over het niveau van de zangers. Oh, mocht Bach toch de beschikking hebben gehad over het Valparaiso University Chorale.


Zaterdagmorgen
De camping bij de Auensee ligt 6 kilometer buiten het centrum. Het is een rustige uitvalsplek voor een bijzonder Bach-weekend. Voor zaterdag staat op het programma een rondwandeling door de oude binnenstad, een bezoek aan het Bachmuseum, om 15.00 uur de cantatedienst in de Thomaskirche en om 17.00 uur een orgelconcert in de vlakbij gelegen Nicolaikirche. De binnenstad van Leipzig is opvallend klein en overzichtelijk. Binnen 10 minuten loop je er diagonaal doorheen. Leipzig presenteert zich echt als een Bach-stad. En nu de komende week het tiendaagse Bachfest zal plaatsvinden kan je er helemaal niet meer omheen. Overal hangen posters en spandoeken. Zelfs de huurfietsen van de stad hebben een Bach-jasbeschermer. Historische Bach-plekken zijn er op de Thomas- en Nicolaikirche na nauwelijks meer. De Thomasschool is begin twintigste eeuw afgebroken. Bach heeft ook in dat gebouw gewoond. Het café Zimmerman op de Catharinnastrasse waar Bach met zijn Collegium Musicum concerten gaf is in de oorlog verwoest. Op deze plek staat nu het toeristenbureau. (Daarnaast het museum voor beeldende kunst met deze maanden een tentoonstelling met Hollandse meesters onder de mooie titel Der schonste Holländer in Leipzig). Het Bach-museum is voor mij niet heel bijzonder. De paar originele vellen handgeschreven bladmuziek raken mij nog het meest. De hand van Bach is hier bijna letterlijk zichtbaar. Het gaat onder andere om uitgeschreven solopartijen voor sopraan, alt, tenor en bas uit cantates. Voor de rest is feitelijk alles bekend. Het schilderij van Hausman is zelfs een kopie. Het origineel hangt in het stadhuis van Leipzig. Het is het enige schilderij waarvan met zekerheid gezegd kan worden waarvoor Bach in levende lijve geposeerd heeft. Dat was in 1747.
Nee, bij Bach gaat het om de muziek. Een museum is daar niet geschikt voor. Wel een concertzaal of een kerk.

Zaterdagmiddag
Om 15.00 uur begint de cantatedienst in de Thomaskirche. Er wordt net als gisteren een entree van 2 euro gevraagd. Toch is het geen concert maar een complete dienst met orgelspel, koor- samenzang, schriftlezing, preek en gebeden. Tot slot volgt dan de cantate: Gelobet sei der Herr, BWV 129. De preek van de vrouwelijke ‘Pfarrer’ behelst een uitleg van de tekst van deze cantate. Het is een zogenaamde koraalcantate, dat wil zeggen dat de tekst (van Johann Olearius) bestaat uit een bestaand kerklied en iedere strofe een eigen bewerking krijgt. Het blijkt dat dit kerklied het lied van de week is. Gisteren zongen we het al en vandaag ook weer. Het lied is verbonden aan de komende zondag: Trinitatis. Voor deze zondag heeft Bach de cantate ook geschreven. Trinitatis is het feest van de Drie-eenheid, altijd volgend op de zondag na Pinksteren waarbij de uitstorting van de Heilige Geest wordt gevierd. De eerste en de laatste strofe zijn voor het koor, de tweede, derde en vierde strofe achtereenvolgens voor de bas, sopraan en alt. De eerste drie strofen bezingen achtereenvolgens de Vader (mein Licht), de Zoon (mein Heil) en de Heilige Geest (mein Trost): Gelobet sei der Herr, mein Gott, mein Licht, mein Leben. Bach heeft het complete orkest ingezet bij deze feestelijke cantate: naast de gebruikelijke strijkers doen fluiten, hobo’s, trompetten en pauken mee. Schitterend is de sopraanaria die de lof tot de Heilige Geest bezingt prachtig omlijst door een traverso (barokdwarsfluit) en viool.
Na de cantatedienst is het direct door naar de Nicolaikirche waar om 17.00 uur een orgelconcert gegeven wordt door Nicolaikantor Jurgen Wolf. Ook in deze kerk heeft Bach gewerkt. Hij had namelijk de verantwoordelijkheid voor de muziek in de vier Leipzigger kerken. Zo voerde hij in deze kerk bijvoorbeeld de eerste keer de Johannes Passion uit. De Nicolaikirche is veel kleiner dan de Thomas. Hij heeft een wit interieur met pilaren die als groene palmbladeren overgaan in het gewelf. Net als in de Thomas is hier geen orgel meer uit Bachs tijd. Desalniettemin is het Ladegast-orgel een prachtig instrument en oogt het front imposant; het beslaat bijna de hele breedte van de kerk. De organist speelt een afwisselend programma wat opent en sluit met werken van Bach; de Preludium en Fuga A klein en de koraalpartita Sei gegrüsset Jesu gütig. Daar tussenin een aantal romantische werken van onder andere Boely en Boëlman. Ik mis de verfijning in de registratie. Wolf lijkt zijn concert plichtmatig af te werken. Hij moet meer in zijn mars hebben getuige zijn CV op het programma. Al met al was dit een bijzondere Bach-zaterdag. Ik eet in een Aziatisch restaurant en laat de verschillende Bach-menu’s die verschillende restaurants aanbieden aan me voorbij gaan.

Zondagmorgen
Trinitatis! Om half tien zit ik weer in de Thomaskirche. Op de liturgie staat verder nog vermeld: Fest der Jubelconfirmation. Dit blijkt een jaarlijks terugkerend ritueel te zijn waarbij gemeenteleden die 25, 30, 35 (enzovoorts) jaar belijdend lid zijn voor in de kerk worden toegesproken en een getuigschrift krijgen. Een mevrouw viert haar 70ste Jubelconfirmation. Er is zelf een mevrouw die haar 85ste viert, maar die is niet in de kerk. De Pfarrer gaat vanmiddag naar het verpleeghuis om de vrouw, die mijns inziens dan al over de honderd moet zijn, het getuigschrift te overhandigen. Het is een record voor de Thomaskirche. De Pfarrer schets in een paar steekwoorden de geschiedenis die zij heeft meegemaakt: twee wereldoorlogen, het ijzeren gordijn, de Wende.
De zondagse kerkdiensten ten tijde van Bach duurden wel vier uur. De cantate na de preek bracht daarbinnen enige verluchtiging. De dienst van deze zondag, met de Jubelconformation en het Heilig Avondmaal duurde bijna twee uur. Er werd geen cantate uitgevoerd . Het Amerikaanse studentenkoor heeft wel weer een belangrijke bijdrage met liederen die vrijdag en zaterdag ook al gezongen werden. Het enige van Bach is vandaag de Preludium in C groot die voorafgaand aan de dienst werd gespeeld. Aan het einde van de dienst niet de bijbehorende Fuga maar een Orgelnaspiel van Carl Piutti, Thomasorganist van 1880 – 1902. Opmerkelijk is in de Lutherse liturgie het orgelspel aan het begin en aan het einde van de dienst, maar dus onderdeel van de dienst. In Nederland speelt de organist voor en na de dienst terwijl de kerkgangers binnenkomen en vertrekken. In stilte verlaat ik dus de kerk en is ook aan dit Bach-weekeinde in Leipzig een einde gekomen.

Zondagmiddag; Leipzig – Naumburg
Vanmiddag een korte etappe in de richting van Weimar dat ik morgen hoop te bereiken. Het doel is Naumberg. Afhankelijk van het weer zal ik gaan kamperen of ergens een kamer zoeken. De fietstocht blijkt vol Bach herkenningspunten te hebben; plaatsen waar ik doorheen kom of waar de richting heen wordt gewezen. Zo zie ik Störmthal waar Bach voor de inwijding van een nieuw orgel een cantate schreef (BWV 194). En verderop Klein-Szorchen dat het decor vormde voor de Boerencantate Mehr hahn ein neue Oberkeet (BWV 220). Of het stadje Weissenfels waar Bach aan het hof een graag geziene gast was. Bachs tweede vrouw, Anna Magdalena was een dochter van de trompetist van het hoforkest. En in 1729 ontving Bach van Hertog Christian von Weissenfels de titel van Hofkapelmeester. Voor diens verjaardagen schreef Bach tweemaal een cantate (BWV 249a, 210a). En tenslotte Naumburg zelf waar Bach in 1746 het nieuwe orgel van de Wenzelskirche keurde. Natgeregend kom ik eind van de middag in dit Domstadje aan. Gelukkig vind ik snel een pension om te overnachten.

Maandag: Naumburg – Weimar – Hohenfelden
De volgende ochtend blijkt de Wenzelkirche gesloten. Ik bezoek nog wel even de Dom met z’n vier prachtige torens. De kerk is grotendeels opgebouwd in de Romaanse stijl. Achter het koorhek staan twee menshoge vogelhuisjes. Bij navraag blijken het lezenaars te zijn waarvan af de monniken in vroeger tijden hun Bijbels lazen. De lezenaars waren gebouwd als duivenhokken. Het idee daarbij was dat men bij het studeren verlicht moest zijn door de Heilige Geest, die immers gesymboliseerd wordt met een duif.
Fietsend langs de Saale en de Ilm kom ik in de middag in Weimar aan. Bach werkte hier aan het Hertogelijke hof van 1708 tot 1717 bij de broers Willem Ernst en Ernst August von Sacksen-Weimar. Weimar is een stad met veel cultuur- en politieke geschiedenis. Op het schilderachtige, maar niet zo heel grote stadhuisplein haal ik bij de Tourist Information een plattegrond met alle bezienswaardigheden in de binnenstad. Wat blijkt: Bach komt er niet op voor! Wel bijvoorbeeld componist Franz Lizt of de schrijvers Goethe en Schiller, maar Bach schittert door afwezigheid. Ik vraag me af wat hier de reden van kan zijn. Wellicht heeft men het hier niet nodig gevonden zich als Bach-stad te profileren omdat de geschiedenis van de stad nog zoveel andere hoogtepunten kent. Bij het toeristenbureau vraag ik waar Bach heeft gewerkt. Dit blijkt het Stadtschloss te zijn, langs de Ilm, waar ik even te voren langs was gekomen. De hofkapel (de Himmelsburg) waar Bach veel van zijn muziek uitvoerde is al lang geleden door een brand verwoest. Aan de voorzijde ziet het slot er nog imposant uit. Ik besluit het slot verder niet te bezoeken. In het oostelijk deel van het stadscentrum bezoek ik nog wel de Jacobskirche; een typische Thuringer kerk met drie galerijen in het rond en het orgel op de derde verdieping. Zo moet het er ook ongeveer uitgezien hebben in de Himmelsburg. Het torentje van de Jacobskirche is voor 1 euro te beklimmen en biedt een fraai uitzicht over de stad. Veel zou er nog te bezichtigen zijn in deze stad, maar ik kwam voor Bach. Via de markt fiets ik weer richting de Ilm om mijn tocht voort te zetten in de richting van Arnstadt. Net voorbij de markt op de Platz der Demokratie valt mijn oog op een gedenkplaat die bevestigd is tegen een muur. Toch iets concreets van Bach! De tekst van de gedenkplaat luidt: ‘Hier stand das Haus in dem Johann Sebastian Bach von 1708-1717 wohnte’ en ‘Hier wurden geboren Friedemann Bach am 17. November 1710 Philipp Emanuel Bach am 8. Marz 1714’. De plaat spreekt niet de volle waarheid, want in de woning aan het marktplein werden nóg vier kinderen geboren. Ik maak een foto en fiets verder.

En warempel, iets verderop aan de linkerkant van de weg staat een sokkel met daarop een buste van Bach. Het is een achteraf hoekje, maar toch. Nota bene tegen de achterkant van de Hochschule fur Music Franz List. Zo heb ik op de valreep in Weimar toch nog twee Bachmomenten. Het is dat ik er toevallig langsfietste, want op de plattegrond met bezienswaardigheden stonden ze niet vermeld. Als ik Weimar uitfiets kom ik langs een bord met Bachs afbeelding en daarbij de woorden: Bach in Thuringen.
De etappe eindigt vandaag op een camping bij Hohenfelden. Het is weer begonnen te regenen. Ik probeer nog een blokhut te huren, maar daar vragen ze 65 euro voor. Daar ga ik niet mee akkoord. Dan maar kamperen. Het tentenveldje is geheel verlaten. Aan de zijkant staat een houten prieel met raampjes. Ik zet m’n fiets erin zodat ik tenminste beschut de tassen kan uitpakken. Dan bedenk ik me dat ik m’n tentje hier wel in kan opzetten. Zo bedacht zo gedaan. Voorbijgangers lijken het allemaal maar vreemd te vinden wat zich in de prieel afpeelt. Mijn tent blijft in elk geval droog, terwijl het bijna de hele nacht regent!


Dinsdagmorgen: Hohenfelden – Arnstadt – Gotha

Dinsdagochtend is het weer zowaar wat beter en kan ik zonder jas naar Arnstadt fietsen. De zon doet verwoede pogingen om door het wolkendek te dringen maar slaagt daar uiteindelijk niet in. Desondanks is het aangenaam fietsen door het Thüringerland en mijn gedachten gaan regelmatig terug naar de jonge Bach die vaak te voet door dit gebied gereisd moet hebben alhoewel hij vast ook weleens achterop een boerenkar gesprongen zal zijn. Een paar kilometer voor Arnstadt kom ik door het plaatsje Dornheim. In het kleine dorpskerkje is Bach op 17 oktober 1707 in het huwelijk getreden met zijn nichtje Maria Barbara. Bach was toen al weg uit Arnstadt. Sinds 1 juli was hij organist in Mühlhausen. Het kerkje in Dornheim staat in de steigers en is gesloten. Op een bordje staat aangegeven dat je voor bezichtiging aan kan bellen bij het naastgelegen huis, maar als ik dat doe wordt er niet open gedaan. Bij het kerkje is nog wel een gebeeldhouwd kopje van de jonge Bach te zien met daaronder de verwijzing naar de heugelijke gebeurtenis. Waarom geen hoofd van Maria Barbara erbij gebeeldhouwd?

Twintig minuten verder fietsen en ik bereik Arnstadt, een tamelijk grote stad met een levendig stadscentrum. Toeristenrichtingwijzers naar bezienswaardigheden maken direct duidelijk dat Arnstadt in tegenstelling tot Weimar wel pronkt met Bach. Peilen wijzen naar de Bachkirche, het Bachdenkmal en de Bachaustellung in het Schlossmuseum. Bach begon hier op 14 augustus 1703, pas achttien jaar oud aan zijn eerste echte betrekking: organist aan de Neue Kirche.

Een paar maanden daarvoor had hij het nieuwe orgel van deze kerk ingewijd en blijkbaar heeft dat grote indruk gemaakt. De kerk staat op een heuveltje te midden van marktpleinen. Een stadsmuzikant zingt ballades. De kerk is niet bijzonder groot en heeft geen toren. In de vorige eeuw heeft de kerk die aan Bonefatius is gewijd officieel de naam Bachkirche gekregen. Binnen word ik vriendelijk ontvangen door een vrijwilliger die uit een multomapje een Nederlandse beschrijving van de geschiedenis en inrichting van kerk overhandigt. Ook weer een intieme Lutherse kerk met drie galerijen. Gedeelten van het orgel zijn nog uit Bachs tijd. De vier jaren Bach zijn onbetwist het hoogtepunt in de geschiedenis van de kerk. Desalniettemin was de samenwerking met kerkbestuur destijds niet al te best. Er waren telkens klachten. Bach bleef te lang weg van een studiereis naar Lubeck, hij maakte ruzie met leden van het koor, hij speelde te frivool, te lang en te ingewikkeld en hij werd gesignaleerd met een jong meisje op de galerij. Het toppunt! Men had er dus geen problemen mee dat hij in de zomer van 1707 vertrok naar Mühlhausen. Achteraf bezien zijn de Arnstadters toch bar trots dat de grote Bach bij hen zijn carrière is begonnen, en hier zijn eerste grote orgelwerken en cantates schreef. Het standbeeld wat eind vorige eeuw geplaatst is op het marktplein, schuin achter de kerk heeft de nodige discussie opgeroepen omdat het de jonge Bach toont in een quasi onverschillige en recalcitrante houding. Achteroverleunend tegen een paaltje lijkt hij iets te zeggen van: ‘jullie bekijken het maar’. Naar mijn mening is het een goed getroffen pose, alhoewel het natuurlijk maar één kant van de jonge Bach laat zien.

De Bachaustellung over Bachs jaren in Arnstadt bezoek ik niet. Ik ken de geschiedenis voldoende. Begin van de middag fiets ik dan ook Arnstadt uit, noordwaarts, richting Mühlhausen. Ten westen van Arnstadt liggen Ohrdurf, waar Bach als kind een paar jaar bij zijn oudere broer heeft gewoond, en nog verder westwaarts Eisenach, Bachs geboortestad. Per fiets is het helaas niet mogelijk om alle plekken in een paar dagen aan te doen. Sowieso vallen de afstanden tussen de te bezoeken plaatsen me tegen. Ik volg steeds de fietsroutes en die slingeren alle kanten op. Ik maak veel meer kilometers dan waar ik op had gerekend. Vervelend is dit niet want het landschap is wel prachtig. Via de radfahrer Bach-erlebnis route kom ik door Wechmar. Hier vestigde zich rond 1590 Veit Bach die als stamvader van de muzikale Bachfamilie wordt gezien. Hij was nog een molenaar die in zijn vrije tijd wat fiedelde op zijn viool. Maar zijn zoon Hans bracht het tot stadspijper in Gotha. Zijn zoon was vervolgens de grootvader van Johann Sebastian Bach. Om deze reden presenteert Wechmar zich maar al te graag als ‘Urheimat’ der Musikerfamilie Bach. Halverwege bereik ik het oude stadje Gotha. Inmiddels heb ik beoordeeld dat het eigenlijk niet te doen is Mühlhausen eind van de middag nog per fiets te bereiken. Ik neem daarom het besluit om per trein direct naar deze stad te reizen.

Dinsdagmiddag en –avond – Mühlhausen
Om half 6 fiets is het grote marktplein op. Het is erg rustig in de stad en het plein ligt er verlaten bij. Aan de andere kant van het plein staat de monumentale Blasiuskirche. De uit lichte stenen opgetrokken kerk met twee grote torens heeft de allure en het model van een Franse kathedraal. Alleen al wat dit betreft is duidelijk dat Bach promotie heeft gemaakt met een betrekking in deze kerk. En inderdaad, hij ging ook aanmerkelijk meer verdienen. De functie van organist stond in deze vrije rijksstad dan ook in hoog aanzien.

Slechts een jaar heeft Bach in Mühlhausen gewerkt. Als organist en componist kon hij zich er onvoldoende ontwikkelen. In Weimar was daar veel meer gelegenheid toe met naast de functie van hoforganist ook de rol als concertmeester van het hoforkest. De verhoudingen met Mühlhausen zijn echter altijd goed gebleven. En men is altijd trots gebleven dat de grote Bach een jaar in hun kerk organist is geweest.
Dit drukt ook het standbeeld uit wat links voor de ingang van de Blasiuskirche staat. Hier staat een heel andere ‘jonge’ Bach dan het beeld in Arnstadt toont. Hier staat Bach strak in het pak, en al met een pruik op, klaar om de kerk binnen te lopen om orgel te gaan spelen. Zijn lange vingers heeft hij gespreid, alsof hij ze alvast ‘losmaakt’ voor het grote werk zo meteen.

Aan de Blasiuskirche zag ik een aankondiging die mij verheugde: vanavond om 19.30 uur zou er een koorconcert zijn. Wat een geluk! Als ik de trein niet had genomen had ik dit gemist. Vanavond dus de kerk bezoeken en eerst snel naar de kampeerplaats bij het recreatiemeer aan de rand van de stad. Op deze rustige, vriendelijke camping instaleer ik me om even later weer terug te fietsen naar het stadscentrum. De kerk is goed bezet, en terecht, want het knapenkoor ‘Capella Vocalis’ uit Reutingen zingt een prachtig a-capella programma wat geopend wordt met Bachs motet Jesu meine Freude. Het orginele Bach orgel staat er helaas niet meer. Indertijd heeft Bach daar belangrijke verbeteringen in aangebracht. Het huidige orgel is in samenwerking met Albert Schweitzer begin vorige eeuw gebouwd en wel geinspireerd door Bach-orgels uit die tijd.
Nog naar aanleiding van Bachs overgang van Mühlhausen naar Weimar: in Weimar zag ik gisteren de aankondiging van een voetbalwedstrijd die aanstaande zaterdag wordt gespeeld: SC 1903 Weimar – FC Union Mühlhausen. Ik ben benieuwd of er tussen deze steden nog steeds een Bach-controverse is.

Woensdag, donderdag
Mühlhausen was de laatste Bachstad die ik met deze fietstocht bezocht. Via Kassel, Münster en Arnhem kwam ik donderdagavond, met veel Bach inspiratie, weer thuis in Zeist. De eerlijkheid gebied te zeggen dat ik grote stukken per trein heb afgelegd.

Der dicke Eiche

Deutsche Übersetzung unten diese Seite 

Augustus 2011
Voor de tweede keer fiets ik door het Kottenforst, een uitgestrekt woud ten oosten van Bonn. In vroeger dagen het jachtterrein van keurvorsten van Keulen. Twee jaar geleden fietste ik alleen, richting het Rijndal, op weg naar Rome. Maar vandaag met Cisca. In tegenovergestelde richting, komend vanuit het Rijn- en Moezeldal. Het waren voor Cisca zware kilometers om soms met stijgingspercentages van 7% het Rijndal uit te komen. Maar hier in het bos is het landschap weer vlak en vliegen we over het breed geasfalteerde fietspad.
Het weer vertrouwen we niet. Het is zwaar bewolkt en het voelt klam aan. Er hangt onweer in de lucht. Fietsen we daarom zo hard? Om de regen voor te blijven? We weten nog geeneens waar de etappe vandaag zal eindigen, maar het zal deze keer wel geen camping zijn.
Nog steeds in het bos komen we een aantal wandelaars tegen. Een paar twintigers en dertigers. En ze vallen me juist op omdat ze er niet als wandelaars uitzien. Gewone kleren, overhemden, maar geen wandelschoenen of rugtassen. Een apart gezelschap zo midden in dit woud.
Dan komen we opeens aan op een grote open plek in het bos. Links van het fietspad staan een paar picknicktafels. We besluiten toch maar even rust te nemen en wat te eten en drinken. Aan de andere kant van de open plek staat een houten huisje en daarnaast is er een soort tent opgebouwd, beter gezegd, een met een groot zeil overkapte houten vloer van vlonders. Er staan allerlei houten objecten in. Een paar fietsers die zijn afgestapt nemen er een kijkje. Als we ons broodje op hebben gaan we ook even kijken spreken we af. We vermoeden dat er een kunstenaar aan het werk is.
Dan vallen er een paar grote druppels. We kijken angstvallig omhoog, maar voor een ogenblik, want plotseling knalt de regen naar beneden en rennen we zonder een woord van overleg richting de tent aan de andere kant van de open plek. Met een seconde of tien overbruggen we de vijftig meter die ons scheid van de overkapping. Samen met nog enkele anderen hebben we een bijzondere schuilplaats gevonden.
We staan te midden van de grote blokken hout. Het ene stuk nog meer ondefinieerbaar dan het andere. Een stuk wat als stoel kan dienen, een kolossaal blok met een afgeplatte bovenkant en nog een aantal kleinere objecten. Duidelijk is dat hier een kunstenaar aan het werk is geweest, maar wat hij hierbij in zijn hoofd heeft gehad, ik zie het nog niet voor me.
Dan komt het groepje wandelaars aangelopen die we even te voren tegen waren gekomen. Als verzopen katten zien ze eruit. Ook zij zoeken een plekje onder het zeil. Algauw blijkt dat deze plek hun uitvalsbasis is geweest. Uit het naastgelegen houten huisje halen ze wat droge spullen. Even later worden er zelfs flessen bier uit het huisje gehaald en op het grote houten blok, wat nu als tafel dient, neergezet. Nieuwsgierig volgen we al deze activiteiten en langzaamaan raken we met de jonge Duitsers in gesprek. Het blijken leden te zijn van de Oud Katholieke kerk te Bonn en ze zijn hier vanmiddag vanwege een bijzonder gebeurtenis.

December 2010
Geen wolkbreuk maar een urendurende sneeuwbui teisterde het Kottenforst. Een dikke laag sneeuw heeft de open plek met wel dertig centimeter bedekt. Maar niet alleen de open plek, het dak van het bos, gevormd door alle bomenkruinen is een groot wit veld geworden. Het gewicht van de sneeuw drukt zwaar op de lange takken. Gedurig breekt onder luid gekraak hier en daar een dikke tak af.
De grote dikke eik aan de rand van de open plek torst ook honderden kilo’s sneeuw.
Iedereen uit de omgeving kent deze geweldige boom. Der dicke Eiche. Het is de oudste, grootste en dikste boom van het woud. Men zegt dat de boom meer dan 400 jaar oud is. De doorsnee van de stam is wel 2 meter, en de omtrek ruim 6 meter. De hoogte van de boom is bijna 30 meter. De boom heeft de status van een natuurlijk monument gekregen wat op een plaquette op de boom beschreven staat. Rond deze boom is de grote open plek ontstaan, want een oude eik heeft altijd iets mysterieus en altijd hebben mensen zich rond deze boom verzameld, om welke reden dan ook. Wat wil je ook, met zijn hoogte verbindt hij de aarde met de hemel, en met zijn leeftijd verbindt hij het verleden met het heden, en het heden met de toekomst. Generaties gaan, generaties komen. Maar de dikke eik blijft staan. Zo is het altijd geweest.

Maar op deze koude decemberdag heeft de oude eik het zwaar met zijn witte loden last. Hij piept en hij kreunt. Het zijn geluiden die hij in al zijn 400 jaren niet heeft laten horen. Zelfs de eik kent de geluiden niet van zichzelf. De geluiden worden luider en luider. Knerpende, knarsende geluiden. Maar eigenlijk zijn voor deze krachtige kraakachtige klanken geen woorden beschikbaar. Zijn het oerkreten van pijn? Van doodsangst? Plots wordt het kraken oorverdovend en komt de hoge stam in beweging. Het onvermijdelijke gebeurd. De honderden kilo’s sneeuw die vooral op de grote rechterzijtak liggen maken dat de boom zijn evenwicht niet meer vast kan houden. Hij valt. Eerst langzaam; het lijkt op een film in slow motion, maar dan opeens heel snel. In een paar seconden stort de oude eik zijwaarts neer en dondert hij met een keiharde plof op de witte aarde. Afgebroken bij de basis. Ontworteld. De aarde trilt. De open plek vult zich met een ondoorzichtige wolk van stofsneeuw. Dan dwarrelt het sneeuw langzaam weer neer op de grond en komt het zicht terug. Het sneeuwen blijkt gestopt. De stilte keert terug op de open plek in het Kottenforst. Maar de open plek is niet meer wat het was. Ontzield.

Januari 2011
Beeldend kunstenaar Klaus Simon (1949) wordt gebeld door een vriendin. Ze verteld dat de oude eik is omgevallen. Klaus weet meteen waar het over gaat. Hij komt uit Bad Godesberg, een voorstadje van Bonn en tijdens wandelingen door het Kottenforst heeft hij meermalen de woudreus aanschouwd. De vriendin belt hem niet voor niets. Ze kent Klaus’ passie voor grote houten objecten. Een aantal jaren geleden maakte hij al eens een altaar voor een kerk in Münster. Klaus is dan ook direct enthousiast. Hij begeeft zich direct naar de open plek in het uitgestrekte bos. Als hij daar aan komt blijkt hij niet de enige te zijn. Tientallen mensen zijn komen kijken naar de omgevallen boom. Klaus is onder de indruk van de geweldige stam die nu horizontaal ligt en zo dik is dat hij er niet overheen kan kijken. Zijn creatieve hart begint te kloppen. Hij wil van dit hout iets maken wat ook nog weer eeuwen mee kan. Weer een altaar voor kerk, of deze keer iets anders? Hij moet contact gaan leggen met het bosbeheer van dit gebied. Hij moet iets bedenken. Hij moet een opdrachtgever zien te vinden. Er is werk aan de winkel.
In dezelfde periode als wanneer Klaus Simon fantaseerde over het hout van de dikke eik was de stichting ‘Renovatie Namen-Jesu-Kirche’ in Bonn bezig met het zoeken van een nieuwe inrichting voor het liturgisch centrum (altaar) van deze Oud-Katholieke kerk in Bonn. Een commissielid van de stichting herinnert zich het werk van Klaus Simon. Zou hij iets voor ons kunnen maken? Men besluit hem eens te bellen. Het bleek het juiste telefoontje op het juiste moment.
Verschillende besprekingen tussen Simon, de kerk en het bosbeheer volgden. Uiteindelijk leiden die gesprekken ertoe dat Simon de opdracht kreeg. Van het bosbeheer mocht hij een deel van de stam gebruiken. Het overgebleven deel van de stam zou als ‘gedenkteken’ blijven liggen op de open plek. Het dode hout zou door schimmels, wormen en insecten langzaam afgebroken worden. Over 50 jaar zal er niets meer van te zien zijn, maar groeien er wellicht wel nieuwe eikenboompjes op deze plek.
Men kwam er ook op uit dat Klaus deze opdracht voor een groot deel op de open plek zelf kon gaan uitvoeren. Dit zou zijn inspiratie en de symbolische waarde van het werk nog vergroten. En wandelaars en fietsers zouden kunnen bewonderen hoe Klaus aan het werk was. Naast het boswachtershuisje werd een tijdelijk atelier opgetrokken. Hier zou Simon een kaarsenstandaard, een lezenaar, een zetel en een tafel vervaardigen uit het hout van de dikke eik. De eik die er al stond nog voor de bouw van de kerk in 1686 aanving.


Augustus 2011

De regen klettert nog steeds op het zeildak. Ondertussen is het ons duidelijk geworden: we staan hier te midden van een liturgisch centrum. Ik heb daarstraks op de toekomstige stoel van de Oud Katholieke bisschop gezeten! Onderwijl hebben meer mensen hier een plek gevonden om te schuilen. Eigenlijk is dit nu een kerk bedenk ik. Een schuilkerk nog wel, maar dan in de letterlijke betekenis van het woord. De jongeren van de kerk zijn hier vanmiddag naar toe gekomen omdat straks de objecten worden opgehaald. In ruwe vorm zijn ze klaar. Ze gaan nu naar het eigen atelier van Klaus Simon om te drogen en om verder afgewerkt te worden. De kunstenaar is inmiddels ook gearriveerd. Er wordt gewezen op het bijzondere kruis in het massieve tafelblok. De horizontale balk heeft de natuur zelf gegeven. Een dikke spleet door de hele stam heen. Kruislings hierop heeft Simon dwars door de hele stam de verticale balk uitgefreesd. Een uniek kruis, gemaakt door de hand van God en de hand van een mens.
Ik bedenk dat het inderdaad een bijzondere gebeurtenis is dat dit hout nu het bos gaat verlaten, en begrijp dat er om deze feestelijke reden bier wordt geschonken. En zoals het in een kerk behoort te gaan wordt er gedeeld. De flesje bier worden leeggeschonken in plastic bekertjes en zo is er voor iedereen wat. Straks zal vanaf deze tafel brood en wijn gedeeld worden, maar op deze zaterdagmiddag vloeit het bier.
Dan komt er een auto van de brandweer de open plek oprijden. De lezenaar, de zetel en de kaarsenstandaard zijn gemakkelijk in te laden. Met de massieve tafel (met de inhoud van zeker een kubieke meter) heeft men begrijpelijk meer moeite. Maar met behulp van hydraulische systemen wordt de tafel uiteindelijk de vrachtwagen ingeschoven.
Het is inmiddels opgehouden met regenen en wij vertrekken ook van deze plek. Nog vol van deze bijzondere kerkdienst fietsen we richting Bonn, op zoek naar een Zimmer frei. Morgen de Oud Katholieke kerk bezoeken?

<a

Die dicke Eiche
August 2011

Östlich von Bonn liegt ein ausgestrecktes Waldgebiet mit dem Namen Kottenforst.  In früheren Zeiten war dies das Jagdrevier des Kurfürsten von Köln.  Zum zweiten Mal bin ich hier jetzt mit dem  Fahrrad unterwegs. Vor zwei Jahren radelte ich hier alleine zum Rheintal hinunter, unterwegs nach Rom. Heute bin ich hier mit meiner Frau Cisca. Wir kommen  vom Rhein- und Mosel Tal, radeln also in entgegengesetzter Richtung als ich damals. Für Cisca waren es anstrengende Kilometer, mit Steigungen bis zu 7%. Aber hier im Wald ist es wieder flach und wir „fliegen“ über den breiten asphaltierten Radweg.
Dem Wetter vertrauen wir nicht. Schwere Wolken hängen über uns, es ist klamm und schwül. Eine Gewitterstimmung. Treten wir darum so besessen in die Pedale? Wir haben uns noch gar nicht entschieden wo heute die Etappe enden soll. Unter diesen Umständen wird es wahrscheinlich kein Camping werden….
Wir befinden uns noch immer im Wald als uns einige Wanderer entgegenkommen. Die meisten so in den zwanziger- und dreißiger Jahren.  Sie fallen mir vor allem auf weil sie nicht wie übliche Wanderer aussehen. Normale Kleidung, Hemden, aber keine Wanderschuhe oder Rucksäcke. So mitten im Wald eine eigenartige Gesellschaft.
Auf einmal kommen wir bei einer großen Waldlichtung an. Links neben dem Fahrradweg stehen ein paar Picknicktische. Wir entschließen uns dazu hier aus zu ruhen und etwas zu essen und zu trinken. Auf der anderen Seite der Waldlichtung steht ein Holzhäuschen und daneben ist eine Art Zelt aufgebaut, oder besser ausgedrückt, ein Fußboden aus Holzlatten und darüber ein großes Zelttuch gespannt. Es stehen da verschiedene hölzerne Objekte. Einige Radfahrer die abgestiegen sind schauen sich um. Wir sagen zueinander, wenn wir unsere Brotzeit gegessen haben, schauen wir uns auch ein bisschen um. Wir denken, anscheinend ist dies das Atelier eines Künstlers. Dann auf einmal fallen ein paar große Tropfen. Leicht erschreckt schauen wir hinauf, aber nur kurz, denn schon prasselt der Regen herunter und rennen wir ohne jede Verabredung  gemeinsam zum zeltüberdeckten Platz auf der anderen Seite der Waldlichtung. In kaum mehr als zehn Sekunden erreichen wir den etwa fünfzig Meter entfernten rettenden Ort. Zusammen mit einigen anderen haben wir einen besonderen Unterstand gefunden.
Wir stehen mitten drin zwischen großen Holzblöcken. Allesamt von der Form her kaum einzuordnen. Was ist es wohl? Ein Block könnte vielleicht als Stuhl dienen, dann sind da noch ein riesiger Holzblock der von oben flach ist und einige weitere kleinere fremdartige Objekte. Uns ist klar dass hier ein Künstler an der Arbeit war, aber was er sich dabei gedacht hat und was er ausdrücken wollte ist mir vorläufig noch ein Rätsel.
Dann kommt die Wandergruppe an der wir vorher begegnet waren. Wie ersoffene Katzen sehen sie aus. Natürlich stellen sie sich auch unter in „unserem“ Schutzplatz. Aber schnell wird deutlich dass dies der Ausgangsort dieser Gruppe war. Aus dem nahegelegenen Holzhäuschen holen sie sich trockene Kleider. Dann kommen auch noch ein paar Bierflaschen zu Vorschein und werden auf dem großen Holzblock, der jetzt als Tisch Dienst tut, hingestellt. Neugierig verfolgen wir diese Aktivitäten und allmählich kommen wir mit den jungen deutschen Leuten ins Gespräch. Wir erfahren dass sie Mitglieder sind von der Altkatholischen Kirche in Bonn. Heute Nachmittag sind sie wegen eines besonderen Anlasses hier.

Dezember 2010

Diesmal war es kein Wolkenbruch sondern stundenlanger Schneefall der den Kottenforst heimsuchte. Schon war die Waldlichtung mit einer dreißig  Zentimeter hohen Schneedecke bedeckt. Aber nicht nur die Lichtung, auch das durch die Baumkronen geformte  Dach des Waldes ist in ein großes weißes Feld verändert.  Schwer drückt das Gewicht des Schnees auf die tieferen, langen Äste.  Ab und zu bricht mit lautem Krachen irgendwo ein dicker Ast ab. Auch die dicke große Eiche am Rande der Lichtung trägt eine hunderte Kilos schwere Schneelast.
Jeder in dieser Gegend kennt diesen mächtigen Baum. Die dicke Eiche. Er ist der älteste und höchste  Baum des Waldes, auch der Umfang des Stammes ist grösser als der der anderen. Der Durchmesser des Stammes ist gut 2 Meter, und der Umfang gut 6 Meter . Er ist fast 30 Meter hoch. Gesagt wird dass der Baum wohl über 400 Jahre alt ist. Der Baum hat den Status eines Naturmonumentes bekommen, und das ist auch festgelegt auf einer Plakette die an ihm befestigt ist. Um diesen Baum herum ist die Waldlichtung entstanden. Eine alte Eiche hat immer eine etwas mysteriöse Ausstrahlung und immer haben sich, aus welchem Grund dann auch, Menschen um diesen Baum herum versammelt. Das verwundert nicht, da er ja durch seine Höhe den Himmel mit der Erde verbindet, und durch sein Alter die Vergangenheit mit der Gegenwart, und die Gegenwart mit der Zukunft. Generationen kommen und gehen, aber die dicke Eiche bleibt stehen wo sie steht. So war es immer gewesen….

Aber an diesem kalten Wintertag leidet die dicke Eiche sehr unter der bleischweren Schneelast. Sie seufzt und ächzt. Solche Laute hat sie in den davorliegenden 400 Jahren nie gemacht. Der dicken Eiche kommen ihre eigenen Geräusche irgendwie komisch vor. Es wird lauter und lauter. Kratzende, zitternde Geräusche. Eigentlich gibt es  für diese kräftigen und durchdringenden Geräusche keine guten, passenden Worte. Sind es schmerzhafte  Urschreie? Ist es ein Ausdruck von Todesangst? Plötzlich schwellen die Geräusche an zu einer ohrenbetäubenden Klimax. Der ewig standfest erscheinende Stamm kommt in Bewegung. Das Unvermeidliche passiert. Die mehrere hundert  Kilo schwere Schneemasse, wovon ein großer  Teil sich auf dem großen nach Osten weisenden Ast befindet zwingt den Baum aus seinem Gleichgewicht. Er neigt sich. Zunächst ganz langsam, wie wir es  aus slow motion Filmbildern kennen. Aber dann geht es auf einmal rasend schnell. Innerhalb von ein paar Sekunden stürzt die alte Eiche zur Seite und fällt mit einem Donnerschall auf die schneeweiße Erde. Abgebrochen an der Basis, entwurzelt. Die Erde scheint zu zittern. Die Lichtung ist ganz erfüllt mit einer undurchdringlichen  Masse in alle Richtungen stäubender Schneeflocken. Allmählich schweben die Flocken alle dem Grunde entgegen und die Lichtung öffnet sich wieder für den Blick. Auch der Schneefall ist zu Ende. Die Stille kehrt zurück in die Waldlichtung im Kottenforst. Aber die Lichtung ist nicht mehr was sie war. Als ob ihre Seele entschwunden wäre….

 

Januar 2011

Beim Bildhauer Klaus Simon (*1949) läutet das Telefon, eine Freundin ruft an. Sie bringt die Nachricht vom Sturz der alten Eiche. Klaus weiß sofort was sie meint. Er wohnt in Bad Godesberg, einer Vorstadt von Bonn, und während seiner Wanderungen stand er mehrmals vor dem Waldesriesen. Es ist auch nicht nur zufällig dass die Freundin gerade ihn anruft. Sie weiß von der großen Leidenschaft von Klaus für große Holzobjekte. Vor einigen Jahren hat er schon einmal einen Altar für eine Kirche in Münster gemacht. Trotz der Tragödie die den alten Baum getroffen hatte, und dem Mitgefühl das er empfindet, entsteht auch direkt eine unbezwingbare Neugierde und sogar ein bisschen Begeisterung. Er begibt sich unverzüglich an Ort und Stelle. Als er in den ausgestreckten Wäldern bei der Waldlichtung ankommt ist er nicht der erste und der einzige. Eine größere Menge an  Leuten war  zum umgefallenen Baum gekommen.  Klaus ist sehr beeindruckt von dem gewaltigen Stamm der jetzt horizontal dalag. Der Stamm ist so dick dass man nicht über ihn hinwegschauen kann. Klaus‘ kreative Herz fängt an zu schlagen. Von diesem Holz kann man etwas machen was dem Baum Recht tut, und was auch wieder Jahrhunderte bestehen bleibt, denkt er. Wieder ein Kirchenaltar? Er muss schnell Kontakt suchen mit dem zuständigen Förster. Er muss sich etwas einfallen lassen. Er muss einen Auftraggeber finden. Es muss schnell etwas passieren.
In derselben Zeit in der Klaus Simon Gedanken entwickelte über das Holz der großen Eiche war die Stiftung  „Renovation der Namen – Jesu Kirche“ in Bonn damit beschäftigt sich eine neue Einrichtung für das liturgische Zentrum (den Altar) der Altkatholischen Kirche in Bonn auszudenken. Ein Mitglied der Stiftung erinnerte sich an die Arbeiten von Klaus Simon. Könnte er vielleicht etwas für uns bedeuten? Man entschließt sich ihn an zu rufen. Das Telefon bei Klaus Simon läutet genau im richtigen Moment.
Es folgen verschiedene Gespräche zwischen dem Künstler, den Leitern der Kirche und dem Forstamt. Sie führen letztendlich zu dem Ergebnis dass Klaus Simon einen  Auftrag erhält. Das Forstamt gab Zustimmung zur Benutzung eines Teiles des Stamms für diesen Auftrag. Der übrige Teil des Stammes sollte in der Waldlichtung bleiben, als Zeichen der Erinnerung. Das tote Holz würde allmählich von Schimmeln, Würmern und Insekten abgebrochen werden. In etwa 50 Jahren ist dann vom Stamm nicht mehr viel übrig, aber vielleicht wachsen dann neue, junge Eichen an dieser Stelle. Man kam auch zu dem Schluss dass der Künstler seine Arbeit am besten zum größten Teil auf der Stelle wo der Stamm jetzt lag ausführen sollte. Das würde seine Inspiration beflügeln und den symbolischen Wert seiner Arbeit verstärken. Vorbeikommende Wanderer oder Radfahrer konnten dann auch ein paar Augenblicke miterleben wie das Werk entstand. Neben dem kleinen Forsthäuschen würde für die kommende Zeit ein provisorisches Atelier aufgebaut werden. Hier sollte Klaus Simon vom Eichenholz einen Kerzenständer, einen Lesepult, einen Sessel (oder Stuhl?) und einen Tisch herstellen.

 

August 2011

Noch immer prasselt der Regen auf das Zeltdach. Inzwischen ist uns klar geworden: wir stehen hier mitten in einem liturgischen Zentrum. Ich habe jetzt gerade auf dem zukünftigen  Sessel des Bischofs der Altkatholischen Kirche gesessen! Inzwischen haben noch mehr Menschen hier einen Schutzplatz gefunden. Dies ist jetzt eigentlich eine Kirche, denke ich. Eine Unterschlupf – Kirche im buchstäblichen Sinn. Die jungen Leute die zu der Kirche gehören sind heute Nachmittag hierhergekommen weil die Kunstgegenstände nachher abgeholt werden. Die groben Formen sind fertiggestellt. Die Werke werden jetzt ins Atelier von Klaus Simon gebracht um da zu trocknen und in Verfeinerung weiterbearbeitet zu werden. Auch der Künstler  ist inzwischen angekommen. Man weist auf das besondere Kreuz im massiven Holzblock. Die horizontale Linie ist durch die Natur selbst geformt, – ein dicker, den ganzen Stamm durchziehender Spalt. Diesen durchkreuzend hat Simon quer über den Stamm den vertikalen Balken gefräst. Ein einzigartiges Kreuz, von Gott und Mensch zugleich geschaffen.
Mir wird bewusst dass es gewiss ein besonderes Ereignis ist dass dieses Holz jetzt den Wald verlässt, und ich vernehme dass aus diesem festlichen Anlass hier Bier eingeschenkt wird. Und so wie es in einer Kirche zugehen muss wird geteilt. Die Flaschen werden in Plastikbecher ausgeschenkt und so gibt es für alle etwas.  Später wird von diesem Tisch aus einmal Brot und Wein geteilt werden, aber jetzt an diesem Samstagnachmittag fließt Bier.
Dann fährt ein Feuerwehrauto auf die Lichtung. Das Lesepult, der Sessel und der Kerzenständer können ohne große Mühen eingeladen werden. Schwierig wird es bei dem massiven Tisch, der sicher einen Kubikmeter Holzmasse in sich birgt. Mit Hilfe eines hydraulischen Systems gelingt es letztendlich den Tisch im Laderaum des Wagens zu verstauen.

Inzwischen regnet es nicht mehr und es ist Zeit für uns diesen Ort zu verlassen. Noch ganz erfüllt von dieser besonderen Messe radeln wir weiter Richtung Bonn, wo wir uns ein Zimmer suchen wollen. Vielleicht morgen mal da die Altkatholische Kirche besuchen?

Wim Faas, Niederlande.
wim.faas@hetnet.nl
Erzählung: Stefan Skambraks

De Kilimanjaro beklimmen

Uitgelicht

28 december 2011, dag 1: Jambo! (Goedendag)

Om half tien rijdt het busje voor. Hij zit al half vol met Tanzaniaanse jongens die de komende week ons zullen bijstaan in de klim. Met z’n achten hebben we voorlopig voor het laatst comfortabel in een hotel in Arusha geslapen. Onze rugtassen worden ingeladen en daarna kunnen we zelf plaatsnemen. De bus zit tjokvol. Via een korte tussenstop bij het bureau die onze trekking organiseert vertrekken we rond half elf echt: op naar de Machama-gate, de poort op 1900 meter hoogte vanwaar we de start gaan maken van de eerste etappe. Op weg naar de top. De top van de Kilimanjaro.

*

Oktober 2010

Maarten stuurt een mail met daarin een plan: hij wil met een groep de Kilmanjaro gaan beklimmen rond de jaarwisseling 2011-2012. Meteen ben ik enthousiast. Deze kans wil ik aangrijpen. Zo’n onderneming zou ik anders nooit gaan doen. In het voorjaar van 2011 wordt duidelijk dat er 8 mensen mee willen: Maarten en Afien (broer, schoonzus), Willem Hendrik (neef), Julia en Kaei (dochter en schoonzoon), Jan en Ewout (vriend van Maarten en zoon). In mei hebben we een eerste voorbereidingsontmoeting. Maarten toont een video van de Kilimanjaro, we bespreken de reis, de kosten, de voorbereidingen die nodig zijn zoals inentingen, materiaal, kleding. In november komen we nog een keer bij elkaar. We zetten de puntjes op de i. Iedereen is er klaar voor. Op 27 december komen we allemaal aan in Arusha, Tanzania. De volgende dag gaat de beklimming beginnen.

*

Na twee uur rijden komen we aan bij de Machama-gate. We worden ingeschreven, betalingen worden geregeld, we maken kennis met de gidsen: Beltram, Dani en nog een derde waarvan ik de naam kwijt ben. De porters (dragers) verdelen hun ballast: onze rugtassen, manden met voedsel, tenten, potten, pannen, gasstellen. . . . . noem maar op. Alles gaat mee naar boven. We krijgen allemaal een lunchpakketje: een pakje drinken, een stuk fruit, een sandwich, een muffin en een kippenpootje!

Helaas begint het flink te regenen. Gelukkig staan we droog onder een grote overkapping. Zo’n drie, vier andere groepen staan ook klaar voor vertrek. We trekken onze regenjassen aan. Als de regenbui opeens stopt lijkt dat het startsein. Daar gaan we dan. Omhoog!
We lopen een bospad in. Aapjes zitten aan de kant. Jammer genoeg begint het al weer snel te regenen. Gelukkig is het niet koud. Ik schat een graad op 20. Voortdurend worden we ingehaald door zwaarbepakte porters. Het is waarschijnlijk lang droog geweest want het pad is niet modderig. We lopen feitelijk door het regenwoud. Hoge bomen, soms helemaal bemost, soms met lianen, kolossale varens, watervalletjes. . . . hoewel we nauwelijks op uitzichten worden getrakteerd (ook vanwege het mistige weer) valt er genoeg te zien. Na een uur of 5 lopen komen we aan bij het Machama-kamp. 2950 meter. We hebben 1050 meter hoogte gewonnen. In een blokhut moeten we ons weer inschrijven. Hier spreek ik kort met een blinde Koreaanse jongen die met twee begeleiders ook de Kilimanjaro gaat beklimmen. ‘With God is everything possible’ antwoord hij als ik mijn respect naar hem uitspreek.
De porters hebben inmiddels ons kampement al opgezet: twee 2-persoonstenten, een 4-persoonstent, en een ‘eettent’ (Mess genoemd). Daarnaast natuurlijk ook hun eigen slaaptenten en de ‘keuken’ tent. De kok stelt zich aan ons voor: Said. Hij heeft twee hulpkoks. Samen met de 3 gidsen en de 16 porters hebben we dus een begeleidingsgroep van 22 Tanzanianen. Met ons erbij een groep van totaal 30!
De koks wijzen ons naar de Mess. Daar staat thee en popcorn klaar. Op de grond, in de kring blikken we zo terug op onze eerste dag.

Er wordt behoorlijk geklaagd, want verschillende matjes en slaapzakken zijn nat geworden. Dat is niet prettig.
We hebben een uurtje om de slaapplekken klaar te maken en wat te relaxen. De 2 stelletjes betrekken de 2-persoonstenten. Jan en Ewout de ene kant van de 4 persoonstent, Willem Hendrik en ik de andere kant. Wel een krappe plek voor 2 volwassen personen vind ik.
Door een van de keukenhulpen wordt er bakje heet water met een stukje zeep in de tent gezet, we kunnen ons even opfrissen voor het eten. De warme maaltijd die opgediend wordt is de volgende verrassing. Gloeiend hete preisoep vooraf, daarna gebakken aardappels, een groentemix van boontjes, worteltjes e.d. en rundvleesstukjes. Als toetje stukken mango en ananas. Het smaakte prima! Na nog weer een kop thee gedronken te hebben gingen we rond een uur of 9 slapen.


29 december 2011, dag 2: Karibu! (Welkom)

Ik heb redelijk goed geslapen. We zouden om 7 uur gewekt worden, maar tegen die tijd zijn we ons al aan het opmaken voor de tweede dag. Om half 8 ontbijten we in de Mess. Alweer en verrassing: eerst krijgen we pap: Porruche. Even wennen, maar met wat suiker erin is het wel te eten. Maar niet teveel. Daarna werd er een grote schaal neergezet met geroosterd brood, pannenkoekjes, omeletten, worstjes en fruit. Met zo’n ontbijt moeten we de dag wel aankunnen.
Vandaag hebben we een iets kortere etappe voor de boeg. Een wandeltocht van een dikke 3 uur naar het Shira-plateau, op 3700 meter hoogte. 750 meter verder omhoog dus. Al snel lopen we nu het regenwoud uit. De vegetatie wordt korter en kaler. Het terrein wordt langzamerhand rotsachtiger. Bij mooi weer betekent dit dat we meer van de uitzichten kunnen gaan genieten. Maar helaas, vandaag is het alweer regenachtig en mistig. Het prachtige uitzicht op de top van de Kilimanjaro wat ons ‘door de boekjes’ aan het eind van de tocht wordt beloofd wordt ons niet gegund.

Het lopen gaat ons allemaal nog prima af. Soms wordt ons evenwicht getest als we via wat stenen een stroompje moeten overbruggen. Alleen Jan kampt met een flinke hoofdpijn. Bij aankomst in het Shira-kamp duikt hij direct in zijn slaapzak.
In de Mess krijgen we vandaag thee met zoute pinda’s. We hebben wat meer tijd tot aan het avondeten, maar tot veel activiteiten komen we niet. Een beetje rondhangen, liggen, onderzoeken waar je het best naar ‘het toilet’ kan (of anders dan maar ergens tussen de struiken, buiten het kamp). Ook op dit kamp is het weer druk. Ik schat dat er wel zo’n 7 groepen met ons naar boven trekken. Met alle porters e.d. erbij maakt dat er zich wel zo’n 300 mensen in dit kamp begeven.
Het warme eten gaat er weer prima in. Zo’n beetje hetzelfde als gisteren. Nu echter wortelsoep en in plaats van aardappels vandaag rijst.
Tijdens de koffie/thee komt de hoofdgids Beltram de tent binnen(‘laat de beltrom horen’ zeggen we steeds, het is immers net kerst geweest). Op zijn hurken zittend vraagt hij hoe het met ons gaat. En dan verteld hij wat het plan is voor de volgende dag: 7 uur wekken, warm water, half 8 ontbijten en half 9 vertrek naar het Barranco-kamp. We laten onze veldflessen vullen met gekookt water. Extra veel drinken wordt vanwege de hoogte toenemend nodig. De tweede nacht. Slapen is wederom geen probleem.


30 december 2011, dag 3: Hakuna Matata (Maak je geen zorgen)

Vandaag staat er een zware tocht op het programma. Een stevig ontbijt is dus van belang. Maar ik voel me niet lekker. Hoofdpijn, een beetje misselijk, het rommelt in m’n buik. Ik begin nog wel aan de pap, maar die maakt me alleen maar misselijker. Eén geroosterd sneetje krijg ik weg, en wat plakjes ananas. Hier moet ik het dan maar mee doen. Het is wederom bewolkt en regenachtig weer. Eenmaal is er een stevige bui. Ondanks de beschermende kleding begint toch alles nat te worden en aangezien het ondertussen niet meer zo warm is op deze hoogte dringt de kou door tot op m’n lijf. De handschoenen zijn in deze fase onmisbaar.
Van wandelen is al lang geen sprake meer. Het terrein is rotsachtig, vele kleine en grote (lava) stenen liggen bezaaid op wat het pad moet lijken. Eén gids loopt voorop en kiest steeds de makkelijkst begaanbare route. De blinde Koreaan passeren we weer. Ik vind het ongelofelijk dat hij in staat is dit te doen. Hoe zou hij de omgeving in zich opnemen? Voor ons blijven de vergezichten door de mist (we lopen voortdurend in de wolken) ons niet gegund. Wel lopen we in dit gebied langs de kolossale lobelia’s, planten die alleen op de Kilimanjaro schijnen voor te komen.
Vandaag is een soort acclimatisatie-dag. We stijgen tot 4200 meter en dalen dan weer naar 3950 meter tot het Barranco-kamp. Op deze manier kunnen we ook een beetje wennen aan de hoogte. Jan is weer aardig opgeknapt. Maar vandaag heeft Kaei het moeilijk. De afgelopen dagen was hij al niet lekker, maar vandaag gaat hij kapot. Gelukkig komt er halverwege de tocht een splitsing met een kortere route naar het Barranco-kamp. Hij neemt die met een gids. Wij nemen de route, via de Lava-tower, een indrukwekkend groot rotsmassief,tot 4200 meter en dalen dan weer af. Dit blijkt niet gemakkelijk. Door alle regen van de afgelopen dagen zijn de kleine stroompjes groot geworden en het vraagt veel klim en balanceerwerk om al dit soort hindernissen te overbruggen. Uiteindelijk komen we tegen vieren in het Barranco-kamp. Voor de eerste keer voel ik me erg moe en slap. Hoewel de hoofdpijn is weggetrokken begin ik wel op te zien tegen de laatste etappes. Zou ik het halen?
Het weer is gelukkig opgeknapt. Op een gegeven moment trekt het even helemaal open en zien we plotseling de top van de Kilimanjaro. Ontzagwekkend, en, wat hoog nog! Sta ik daar overmorgen vroeg? Ik kan het bijna niet geloven.
Van de warme maaltijd, later in de Mess, neem ik van alles een beetje. Ik moet eten, maar het smaakt we niet en het staat me tegen. Kaei blijft in bed liggen. Hij eet bijna helemaal niets. Hoe zal dat aflopen? Onze gids Beltram stelt voor dat Kaei en ik een eigen gebrouwen drankje drinken van de kok. Dat zou heilzaam zijn. Hij raadt af om diamox, tegen de hoogteziekte te gebruiken. Ik laat het me aanleunen en drink de hete thee met verschillende kruiden en o.a. veel gember op.
Om negen uur liggen we allemaal in onze slaapzakken. Morgenvroeg de één na laatste etappe naar het Barafu-kamp.


31 december 2011, dag 4: Lama salama (weltrusten)

Weer sta ik niet lekker op. Beetje zeurende hoofdpijn en een misselijk gevoel. Ik probeer in elk geval veel te drinken. Dat is sowieso belangrijk gezien de hoogte. De pap laat ik aan me voorbij gaan. Het lukt me om één sneetje geroosterd brood naar binnen te krijgen. Eigenlijk veels te weinig, maar het is niet anders. Vandaag en vannacht wordt het de dag van de waarheid. We stijgen 660 meter naar het Barafu-kamp, over een afstand van zo’n 13 kilometer. Als eerste moeten we de Barranco-wall, ook wel ‘breakfast-wall’ geheten, beklimmen. Een steile ‘muur’ van 250 meter hoog. We kijken omhoog en zien een lang zigzaggend lint van mensen die ons voorgaan. Stapje voor stapje beginnen wij ook aan de beklimming. Soms is het letterlijk klimmen en klauteren, of moet je voorzichtig van een rots afglijden. Het is zwaar.

Hier en daar ontstaan files. Regelmatig hoor ik de gidsen: “Pole, pole” zeggen, Swahili voor: rustig, rustig. Degenen die geen moeite hebben met dit soort beklimmingen zijn de porters. Met speels gemak worden we links en rechts ingehaald; springen ze van steen naar steen. En daarbij zijn ze dan nog zwaar bepakt met (onze rugtassen) en op hun hoofd of schouder tenten of grote manden met proviand. Ongelofelijk, wat zijn dit een kanjers. Als wij vanmiddag in het volgende kamp aankomen staan onze tenten alweer overeind. Wij hebben alleen ons ‘dagrugtasje’ bij ons met een fles drinken, wat eten, reservekleding en een fototoestel.
Boven op de Barranco-wall hebben we weer zicht op de top van de Kilimanjaro. Nog steeds lijkt het ontzettend hoog en ver. We nemen een korte rustpauze en vervolgen dan onze weg via de Karanga vallei. Langzaam stijgen we nu tot 4600 meter. Om een uur of 3 arriveren we in het Barafu kamp. Het is even zoeken naar de tenten. Er is veel hoogteverschil en de verschillende tenten staan ver uit elkaar. Ik rol mijn slaapmatje uit en duik meteen in mijn slaapzak. Rust, rust, denk ik alleen maar. Net als Ewout waarschijnlijk, want ook hij ligt in no-time in zijn slaapzak.
Weer een etappe achter de rug. Maar ga ik de volgende, laatste etappe halen? Ik fantaseer dat ik vannacht niet mee omhoog ga. Het is gewoon te zwaar. Pech gehad, ik kan er ook niets aan doen dat ik niet fit ben.
Na de warme maaltijd (ook nu weer wat gegeten, al was het niet veel) komt Beltram weer gehurkt bij ons zitten. In langzame, zorgvuldig gekozen zinnen beschrijft hij wat het plan is: zo meteen allemaal naar bed (20.00 uur). Om 23.00 worden we gewekt (als we zelf al niet wakker zijn). Aankleden, warme spullen aantrekken,dubbele handschoenen aan. Om 23.30 drinken we koffie/thee met (gember)biscuitjes en dan, om 0.00 uur, nota bene tijdens de jaarwisseling vertrekken we naar de top. Beltram hamert erop dat het rustig aan moet gaan. Het zal fors gaan vriezen. Dat we geen lange pauzes nemen, alleen zo nu en dan even een staande pauze om iets te eten of te drinken. Het zal een tocht van zo’n 6 uur worden tot we boven op de kraterrand, bij Stella Point arriveren. Hij adviseert om niet op je horloge te kijken, niet te gaan vragen: hoe lang nog. Loop alleen maar, stap voor stap voor stap, achter mij aan. Als we er bijna zijn zal ik het zeggen. . .


1 januari 2012, dag 5: Pole pole (rustig aan)

Eerst kan ik niet slapen. Het is een bizar idee. Straks alweer op staan en dan om 0.00 uur gaan lopen, de hele nacht. Toch wordt ik om 23.10 wakker van het licht en gerommel van Willem Hendrik en besef ik dat ik toch nog een uur of 2 heb geslapen. We maken ons allemaal, zwijgend, gereed. Even later zitten we aan de thee en de koekjes. Het is droog buiten. Helder zelfs, dus ook koud. Het waait een beetje. Tegen twaalven is het wachten nog op Jan. Als hij zich bij de groep schaart staan Julia en Kaei klaar met sterretjes. Het is Nieuwjaar! 2012. We omhelzen elkaar. De gidsen zijn ook enthousiast en krijgen ook sterretjes. Maar dan, als de sterretjes gedoofd zijn is het zover. We hangen onze rugzakjes op de rug, zetten onze hoofdlampjes aan en we vertrekken. Naast de 3 vaste gidsen gaan ook nog 2 ervaren porters mee. Daar gaan we, met z’n dertienen. Beltram voorop. Op naar de top van de Kilimanjaro.

Op een gegeven moment zie ik dat het begint te lichten. Aan de horizon veranderd het zwart in donkerrode en donkerblauwe tinten. Het betekent dat het tegen zessen is. Het betekent ook dat we de kraterrand moeten naderen. 6 uur hebben we er dus op zitten. Ik heb het in een soort trance gelopen. Geen stappen tellen of wat dan ook; alleen maar lopen, schuifelen kan je beter zeggen en: pole, pole. Het gevoel voor tijd raakte ik kwijt. Ik richtte me alleen op Beltram die voor me liep. 3 kleine stapjes, even rust. 3 kleine stapjes, even rust enzovoort, enzovoort. Op een gegeven moment stak er een harde, koude wind op. Die was zeker niet prettig. Een extra fleece aangetrokken. Mijn handen steenkoud, maar op een gegeven moment werden mijn handen weer warm. Het enige wat ik me verder herinner zijn de enkele korte pauzes die we hebben gehad. Een begeleider heeft algauw mijn rugzak overgenomen, en hem moest ik dan steeds hebben voor een paar slokken water. Op een gegeven moment was mijn water half bevroren. Halverwege (?) is het Julia die er helemaal doorheen zit, ze heeft het ijskoud. Ze krijgt extra lagen om zich heen en gaat dan ook weer mee verder.
Rond kwart over zes waren we dan eindelijk op de kraterrand: Stella Point; 5745 meter. Het eerste euforische moment. Het besef ook: we gaan het halen! Ik omhels Julia en Kaei. Voor m’n gevoel was ik op dat moment niet moe en was ik in staat om nog 3 kwartier flink door te lopen tot het hoogste punt. Het hele stuk heeft echter Beltram naast me gelopen, gearmd. Daar moet toch een reden voor geweest zijn. Ongecontroleerd lopen? Gedesoriënteerd? Ik weet het niet. Desalniettemin bereikte ik even na zevenen Uhuru-peak. Het hoogste punt van Afrika. De hoogste losstaande berg van de wereld! Weer euforie! We gaan met z’n zessen op de foto. Julia en Kaei zijn er nog niet. Die zijn toch niet afgehaakt? Dan komen ze er toch aan! Ik fotografeer ze. Maar een groepsfoto met z’n achten lukt niet meer. Sommigen zijn alweer terug. Ik maak nog een paar foto’s van de omgeving.

Dan ga ik ook weer terug. Weer gearmd met Beltram. En ook nog een ander? Ik weet het niet meer. Langzamerhand merk ik dat mijn benen niet meer willen. Ze beginnen loodzwaar aan te voelen. Terug bij Stella-point nemen we even rust. Vanuit hier nemen we een andere afdaling. Schuin naar beneden, door lavapuin en gruis. Alleen lopen gaat niet meer. Ik ben helemaal kapot, uitgeput. Beltram en Dani begeleiden me, maar ze lopen veel te hard naar beneden. Ik moet steeds oppassen dat ik niet struikel. Roep steeds: “Easy, easy! Walk slowly! ” Ik heb echter niet in de gaten dat ik zélf geen controle meer heb over m’n benen en het zelf ben die naar beneden dendert. Op een gegeven moment houden Beltram en Dani me niet meer. Ik glij uit, tol op de grond, kom met mijn hoofd op een rotsblok. Bam! Er gebeurd gelukkig niks. Mijn muts en capuchon fungeren als een soort schokbreker. Gelukkig. Maarten, Afien, Julia, Kaei en Jan komen erbij staan. Je hebt hoogteziekte zeggen ze. . .ik weet het niet, behalve dat ik helemaal uitgeput ben. Ze stoppen een Diamox in m’n mond. Vanaf hier lukt het om rustiger aan de 3 uur durende afdaling terug naar het Barafu-kamp te lopen, met Beltram aan m’n zij. Julia, Kaei en Willem Hendrik lopen met ons op. Elk half uur moet ik even 5 minuten rusten. Om half elf komen we eindelijk aan in het kamp. Er staan bekers met vruchtensap klaar. In een paar teugen drink ik er één leeg om vervolgens totaal uitgeteld in mijn tent in de slaapzak te kruipen.
Ik wil er niet aan denken dat we maar 2 uur mogen rusten en dat er vanmiddag nog een afdaling van 4 uur op het programma staat naar het Mweka-kamp. De Kilimanjaro is killing.
Er zit niets anders op. Om half 2 vertrekken we uit het Barafu-kamp. Ik voel me gelukkig weer iets uitgerust. Maar 4 uur afdalen, ik zie er als een berg tegenop. We gaan in 2 groepjes. Afdalen moet je in je eigen tempo doen. Maarten, Jan en Ewout zijn meer ervaren bergwandelaars en gaan dus vooruit. Ondanks de zwaarte is het een mooi wandeling. De zon schijnt, het is warm. (Julia verbrand haar neus; er komen zelfs blaasjes op). We dalen van 4600 meter naar 3000 meter. In één klap 1600 meter; 16 Domtorens! Het betekent dat elk half uur het landschap veranderd. Eerst alleen nog gruis en rotsblokken, dan lage heideachtige beplanting en grassen, dan struiken, hier en daar een boompje en op het laatst bos, regenwoud. We lopen langs de rand van een dieperliggende vallei wat een prachtig uitzicht geeft. En kijk je achterom dan zie je de witte top van de Kili boven alles uitsteken. Daar stonden we vanochtend!
Het pad is soms rotsachtig, soms drassig met veel trapachtige verlagingen. Bij moeilijke stukken ondersteund Beltram me, want na een paar uur lopen ben ik weer erg moe en voelen de benen loodzwaar.Wat ben ik deze Afrikaan dankbaar.
Om half 5 lopen we het Mweka-kamp binnen. De dag zit er op. Vanaf 0.00 uur met één rustpauze van 2 uur continue geklommen of gedaald. 1 januari 2012: zowel het hoogtepunt als dieptepunt van het jaar waarschijnlijk al beleeft. Ik ga naar het toilet. Mijn ontlasting komt er als chocolademelk uit.

2 januari 2012, dag 6: Asante sana! (bedankt)

Gelukkig slaap ik goed, maar ’s morgens blijk ik nog steeds fors aan de dunne te zijn. Dit zal nog 2 dagen aanhouden. Voordat we vertrekken nemen we afscheid van de groep Tanzanianen: de 3 gidsen, de kok, de 2 hulpkoks en de porters. Ze hebben fantastisch werk geleverd. Zonder hen zou de beklimming een mission impossible zijn. Maarten deelt enveloppen met ‘tips’ uit, en de groep zingt voor ons een paar Afrikaanse liederen. Er wordt enthousiast bij gedanst!
Hierna de laatste wandeling, naar de Mweka-gate. Nog weer 1150 meter afdalen tot 1850 meter. Een uur of 3 lopen. Dat moet wel gaan. We lopen weer in 2 groepjes.
Na een uurtje kunnen we tussen de bomen door de Kilimanjaro weer zien. Kaei wijst naar de top. “Daar is de hel” zegt hij. Ook hij heeft zware dagen gehad. Het heeft veel van ons gevergd. Tegelijk beginnen we ons trots te voelen. We hebben het gehaald! Ieder voor zich, maar ook als groep. En dat is niet vanzelfsprekend, want zo onderweg komen we ook mensen tegen die het niet gehaald hebben.
Aangekomen bij de gate heeft Maarten ons al uitgeschreven en kunnen we direct in de bus stappen. Terug naar Arusha waar we 2 nachten in een hotel verblijven en van een rustdag mogen genieten. Vandaar uit gaan we nog 5 dagen op Safari! Onderweg naar Arusha maken we nog een tussenstop voor een hapje eten. De laatste maaltijd van onze kok! Nog steeds krijg ik er weinig in, maar een ijskoud colaatje smaakt me prima!

Sarabande. Over Bach, Vestdijk, emoties en de mooiste melodie.

Eindelijk heb ik het boek in handen. Simon Vestdijk’s ‘Keurtroepen van Euterpe’. In de literatuur die ik over Bach heb verzameld wordt vaak verwezen naar het essay wat over deze componist in dit boek staat. Op de Noordermarkt tik ik het voor 10 euro op de kop. Even later, tijdens een lunchconcert in de Westerkerk lees ik het essay alvast diagonaal door. Het gaat o.a. over hoe Bach in zijn composities emoties losmaakt. Het Hoboconcert in G van Handel wordt uitgevoerd. Nota bene tijdens de Sarabande lees ik over Bach’s vijfde Franse suite de zinsnede: ‘Sarabande, misschien de mooiste melodie die Bach schreef’. Eerlijk gezegd interesseerde me het hele concert van Handel me niet meer, maar keek ik er naar uit om ‘s avonds thuis de Sarabande van Bach te beluisteren en te bekijken of het stuk niet te moeilijk zou zijn om in te studeren.
Bach componeerde zijn zes Franse suites in Köthen, rond 1722. Zelf heeft hij ze overigens nooit zo genoemd. Hij noemde ze gewoon: ‘Suites voor Klavecimbel’. Het is niet helemaal duidelijk waarom ze op een gegeven moment Franse suites zijn gaan heten. Misschien omdat de vorm en de stijl lijkt op gelijksoortige suites van de Franse componist Couperin. Gewoonlijk bestaat een suite uit een Prelude ‘gevolgd’ door een aantal dansen: Allemande, Courante,Sarabande, Gigue en Bourrée. Letterlijk betekent ‘suite’ gevolg, of reeks: opvolgend aan de Prelude. Bijzonder echter is dat de Franse suites van Bach niet met een Prelude beginnen. Zo Frans zijn ze dus niet.
De Sarabande zag er niet al te moeilijk uit. Een kruis, driekwartsmaat. Het lukte me redelijk de eerste maten prima vista te spelen en ik hoorde direct het rustige, eenvoudig en vriendelijk klinkende thema. Zeker een mooie melodie. Maar de mooiste? Toen de computer opgestart en op Youtube gezocht naar de Sarabande van de vijfde suite. Diverse uitvoeringen staan klaar, van amateurs en professionals. Ik bekijk en beluister er een aantal, zowel op klavecimbel als piano. Een uitvoering van Alejandro Picó-Leonís is erg mooi. De melodie begint zich langzaam vast te zetten in mijn hoofd. Een basisthema van vier maten die in het vervolg van het eerste deel en in het tweede deel verder uitgewerkt wordt en die steeds in verschillende variaties en modulaties terugkomt.
Een Sarabande is in de suite een vreemde eend in de bijt. Het is een dansvorm die afkomstig is uit Mexico. Via Spaanse kolonisten kwam de dans rond 1600 in Frankrijk terecht waar hij zich doorontwikkelde tot een plechtige dans met meestal een langzaam tempo in een driekwartsmaat met een licht beklemtoonde tweede tel. In andere suites van Bach, denk aan de orkestsuites, maar ook de Suites voor cello en voor luit komen ook Sarabandes voor. De vorm van deze dansvorm heeft Bach ook in zijn koorwerken gebruikt, bijvoorbeeld in het slotkoraal van de Matthäus Passion; ‘Wir setzen uns mit Tränen nieder’.
Datgene wat ik van Bach kan spelen heeft hij gecomponeerd voor zijn leerlingen of voor zijn vrouw Anna Magdalena. Verschillende delen van de Franse suites staan dan ook in het bundeltje wat Bach voor zijn vrouw heeft gemaakt: het Nötenbuchlein. De stukken zijn dus niet al te ingewikkeld maar daarom vind ik het des te bijzonder dat Bach met zo weinig ‘middelen’ toch zulke prachtige muziek kon maken. Ook deze Sarabande ga ik toenemend mooier vinden. Een lange melodielijn die rustig wandelt tussen lage D en hoge C. Met steeds weer een verrassende wending. Achtsten, zestienden, triolen. Opvallend is ook de wending van majeur naar mineur in de negende maat van het tweede deel. De notatie van de melodie is dan exact dezelfde als de opening van het stuk, maar de begeleiding veranderd van G-majeur naar E-mineur. Juist deze wendingen maken dat er spanning en emotie in de muziek loskomt.
Moeite heb ik met de trillers die ook in allerlei vormen voorkomen. Vaak negeer ik ze. Ik vind dat ze het stuk ook niet mooier maken. Mijn idee is dat al die trillers typisch bij de klavecimbel horen omdat dat instrument nou eenmaal geen tonen lang kan aanhouden. Als Bach voor de piano had geschreven waren er vast minder trillers in deze werken terecht gekomen. In zijn essay beweert Simon Vestdijk overigens dat Bach, had hij een piano gehad dit ‘merkwaardig gonzende instrument’ nooit gebruikt zou hebben.
Maarten ’t Hart refereert in zijn boek over Bach ook aan de opmerking van Vestdijk van de mooiste melodie. Maar, eigenwijs als hij is, hij vindt natuurlijk een andere melodie van Bach de mooiste, al geeft hij wel toe dat hij de vijfde Franse suite de mooiste vindt van de zes. De Sarabande is volgens hem ook heel goed uitvoerbaar op orgel en, hij vindt het heel geschikt als begrafenismuziek. Of dit nou wel of niet een positieve waardering is, het zegt in elk geval iets over de emoties die dit werkje oproept. En getuige het feit dat Bach voor zijn mooiste begrafenismuziek, het zo even al aangehaalde slotkoraal van de Matthäus Passion, een Sarabande, gebruikte is de gedachte van ’t Hart misschien nog geeneens zo vergezocht.
Maar heeft Vestdijk uiteindelijk gelijk met zijn opmerking van ‘misschien wel de mooiste melodie’? Of moet zo’n opmerking begrepen worden in de strekking van ‘mijn vrouw is de liefste vrouw van de hele wereld’. Je meent het als je het zegt. Het komt uit je hart. Of het echt waar is weet je natuurlijk niet, maar daar gaat het niet om in die opmerking. Misschien moet de zinsnede van Vestdijk (die hij overigens tussen haakjes heeft geplaatst) inderdaad niet al te serieus of letterlijk worden genomen. Wellicht was hij ten tijde van het schrijven van zijn essay juist bezig met het instuderen van deze Sarabande. Zo’n stuk neemt dan een tijdje bezit van je. Andere mooie muziek verdwijnt naar de achtergrond. Voor mij is het nu ook even de mooiste melodie.
Bach verteld met zijn Sarabande een prachtig kort verhaal. Niet met woorden, die in het hoofd vertaald worden in concrete beelden, maar met noten en intervallen die direct neerdalen in het onderbewuste en omgezet worden in ongedefinieerde zielenroerselen en van daaruit gevoelens van genot naar boven brengen.
Dit bewerkstelligen. Daarin was Bach een meester.

Zie de uitvoering van Alejandro Picó-Leonís: http://www.youtube.com/watch?v=UKGnItVVotc

Dit is de eerste versie van ‘Sarabande, over Bach, Vestdijk, emoties en de mooiste melodie’. De definitieve versie is verschenen in ‘Dansen met Bach’ van Wim Faas. Uitgeverij Aspekt, 2013.

Fietsen door Noord-Frankrijk

 

Fietsen door Noord-Frankrijk,  11 tot 18 juni 2011.

Dag 1
Over het duin van Breskens naar Cadzand, Retranchement, Knokke, Blankenberge, Oostende, Middelkerke. 87 km.

SDC12031

 

Weer op de fiets gestapt! Een week alleen op het zadel. Wat heb ik daar naar uit gezien. Doel: vanaf Vlissingen langs de Zeeuwsche en Belgische kust naar Noord-Frankrijk, Amiens, Laon (Kathedralen bezoeken) en langs de Maas terug naar Maastricht en van daar weer met de trein naar Zeist.
De treinreis duurde lang. In Rotterdam miste ik door het liftgedoe de overstap naar Vlissingen en dat kostte me een uur. In Vlissingen miste ik net de boot. Uiteindelijk fietste ik pas om 13.30 uur weg uit Breskens, waar ik ook nog even had gewacht totdat een fikse bui over was getrokken. (De trein uit Utrecht vertrok om 8.47).
Eerst de bekende route langs Nieuwvliet, Cadzand en Retranchement. De zon brak definitief door. Fietsen in Belgie was een stuk rommeliger. Slechte richting aanduiding. Knokke-Heist, Oostende. Pas het laatste stuk direct weer langs de kust. Uiteindelijk belandde ik in Middelkerke op camping de Zeester. Franstalige Belgen hadden veel te veel gebarbecued. Ik kreeg  wat worstjes van ze. Na het eten en douchen nog even in Middelkerke wezen kijken. ‘Hoogtepunt’ was het standbeeld van Suske en Wiske.

SDC12035

Dag 2
Middelkerke, rivier de Ijzer, Diksmuide, Fintele, Beveren, Oost-Capel, Franse grens, Herzeele, Hardifort, Zuytpeene, St.Omer, Pihem, Remilly Wirquin. 103 km.

SDC12044

Eerste Pinksterdag! Zoals gewoonlijk de eerste nacht slecht geslapen. Veel herrie van de party in de buurt. Gefietst door West-Vlaanderen. Het vlakke land waar Brel over zingt. Een heel eind de rivier de Ijzer gevolgd. De Ijzerlinie in de eerste Wereldoorlog. Veel monumenten. Bij Diksmuide de Dodengang bezocht. 400 meter loopgraven in gerestaureerde staat. Indrukwekkend. Bij Oost-Capel de grens over naar Frankrijk. De dorpjes hebben nog Vlaamse namen:  Winnezeele, Buysscheure.  Het land wordt langzaam glooiender en er moet soms al pittig op de pedalen worden getrapt.  St. Omer is een oude stad met ruines en, zij het een bescheiden, kathedraal. Laat er bij binnenkomst om half 5 een orgelconcert aan de gang zijn! Allerlei studenten spelen afwisselend één stuk op het wel heel prachtige orgel. Dan nog het laatste stuk naar in Remilly-Wirquin waar de campingbaas van  ‘du Moulin’ mij vriendelijk ontvangt.

SDC12057

Dag 3
Remilly-Wirquin, Delettes, Laires, Heuchin, Croisette, Frévent, Barly, Eienvillers, Flesselles, Amiens. 101 km.

SDC12061

 

Geregend vannacht. Tijdens ontbijten en inpakken gelukkig droog, maar tijdens de fietstocht naar Amiens verschillende buien over me heen gekregen (in combinatie met wind tegen, niet al te prettig). Ook een paar gemene klimmetjes. Al snel besloten om me in Amiens maar te belonen met een overnachting in een hotel. Laatste stuk werd  het weer beter en kwam zelfs het zonnetje door. Mooie omgeving. De koeien in het land schrokken van me en renden weg, de schapen echter renden achter me aan! Laatste kilometers afdalend het Somme-dal in. Amiens is geen bijzonder mooie stad. Met name de kathedraal is de moeite waard. Imposant torent hij boven de rest van de bebouwing uit. 800 jaar oud!  In alle rust van binnen en buiten bewonderd. Buiten gekomen nog een plensbui wat een paar mooie foto’s opleverde van de waterspuwers. In een eetcafé een biertje gedronken en een hapje gegeten. Ondertussen kon mijn uitrusting lekker drogen op mijn hotelkamer op de derde verdieping vanwaar de ik een mooi uitzicht had op de kathedraal.

SDC12085

Dag 4
Amiens, Alilly sur Noye, Folleville, Planville, Maignelay-Montigny, St.Martin aux bois, (rivier Aronde), Coudun, Thourotte, Montemacq, Ollencourt, Carlepont. 102 km.

SDC12096

 

Glooiend landschap. Eindeloze akkers met gerst, tarwe, haver, aardappels. Niet voor niets wordt dit gebied de graanschuur van Frankrijk genoemd. Prachtig om doorheen te fietsen. Door kleine dorpjes die verlaten lijken. De kerkjes zien er toegetakeld en ongebruikt uit. De meesten zitten op slot. Dat was vroeger anders. Blijkbaar geen geld meer voor onderhoud. Zoals in st. Martin aux bois waar een ommuurde hoge kerk het landschap bepaald. Wel een mooie plek om je broodje te eten.
Gelukkig is vandaag de zon gaan schijnen. Weliswaar tussen de vele wolken door, maar toch. Het kleurt het landschap schitterend. Een tarweveld in de regen is dof, touwkleurig. Maar in het zonlicht kleurt het goud!
Voorbij de rivier de Oise veranderd het landschap. Compiegne laat ik rechts liggen anders wordt de rit naar Carlepont te lang. Bossen, weiden met koeien bepalen nu het landschap. Op camping Les Araucarias wordt me een mooi plek gewezen: eentje met een picknicktafel. Handig!

SDC12101

Dag 5
Carlepont, Sempigny, Noyon, rivier de Oise, Sineny, Andelin, Anguilcort, Nouvion, rivier Péron, Sains-Richaumont, Vervins, Foigny, Origny, Hirson.  114 km.

SDC12102

 

Mijn plan om via Laon te fietsen bijgesteld. Deze stad met z’n prachtige kathedraal op een heuvel wilde ik na acht jaar nog eens bezoeken. Maar bij de receptie van de camping zag ik een foldertje van de kathedraal van Noyon. Ook die leek schitterend. Dus een andere route gepland. Om half 10 was ik er al en mijn hoge verwachting werd niet teleurgesteld. Prachtige gotiek, zonder veel overdaad. Er hing een verstilde sfeer. In een kapel was een gebedsdienst met zuiver gezang.
Na een kop koffie op het plein de tocht richting de Tiarche aangevangen. Redelijk makkelijk gefietst in het dal van twee riviertjes. Zomers weer. Veel zon. M’n armen worden al bruin. Ook weinig wind.
In dit gebied ben ik eerder met mijn vader op vakantie geweest. Bijzonder zijn de versterkte (gefortificeerde) kerken, stammend uit een tijd dat de burgers zich in de kerk bij een aanval van de vijand terugtrokken en zich van daaruit probeerden te verdedigen.
Camping ‘La Cascade’ ligt even buiten Hirson in een mooi natuurgebied. De kosten zijn slechts € 5,50, en ik mag een plastic tafel en stoel van het terras lenen, want dat is alleen in het weekend open.

SDC12123

Dag 6
Hirson, Anor, Motanrieux, Macon, Chimay (B), Couvin, Vaucelles, Givet (Fr), Heer, rivier de Maas, Dinant (B), Namur. 121 km.

SDC12138

 

Een gekke dag met weer heel wat kilometers. Werd om 5.15 wakker van een regenbui, maar die zette niet door. De tent dus zo goed als droog ingepakt. Eerst noordwaarts richting Anor. België weer in. Een uitloper van de Ardennen.  Mooie vergezichten. Voortdurend dreigende wolken, maar het leek of ik vandaag tussen de buien doorfietste. Oostwaarts naar de Maas. Nog weer een stukje Frankrijk. Het fietsen langs de Maas viel wat tegen. Geen echte fietspaden. Dus: of over de grote weg of de kleinere wegen die hoger liggen en stijgen en dalen. Voorbij Heer zelf een zware klim.
In Dinant koffie gedronken naast het geboortehuis van Adolphe Sax, de uitvinder van de saxofoon. Tijdens het laatste stuk naar Namen wordt ik overvallen door een hevige onweersbui waarvoor ik kan schuilen onder een carport. In Namen een hotelletje gezocht en in de stad bij een Turk kebab en patat gegeten. Namen is een levendige studentenstad. Goede sfeer! Morgen de laatste rit naar Maastricht.

SDC12145

Dag 7
Namur, langs de Maas via Andenne, Huy, Luik naar Maastricht. 109 km.

SDC12151

 

Langs de Maas van Namen naar Maastricht klinkt simpeler dan het is. Soms kilometerslange fietspaden direct langs het water, soms helemaal niks en ben je weer aangewezen op de grote weg. Maar dan blijkt er opeens weer een fietspad aan de overkant van de rivier te zijn. Wat zijn we in Nederland toch gezegend met een speciale bewegwijzering voor fietsers van de ANWB. Vooral in een stad als Luik mis ik dat echt. Het stuk Luik (al kilometers ervoor) tot Maastricht is trouwens hoofdzakelijk bebouwd met industrie. Zand, stenen, kalk, cement. De fietspaden lopen vaak over de fabrieksterreinen heen, waardoor de fiets en de tassen erg vuil worden van het opspattende vieze water. Bij de Sint Pietersberg fiets ik Nederland binnen (ten westen van de Maas gefietst). Er is nog net plek voor een Nederlandse cementfabriek, de Enci . Dan begint meteen de bebouwde kom van Maastricht. Even later laat ik me fotograferen op het Vrijthof en zitten de zeven dagen fietsen erop. Fietsen door West-Vlaanderen, Pas de Calais, Picardie en de Ardennen. Om kwart voor 6 vertrekt de trein richting Utrecht. Dan nog 10 kilometer naar huis, en kan ik om 20.00 uur aanschuiven voor een lekkere warme hap gemaakt door Julia.

SDC12156