Fietsen met een jonge Bach

Verslag van een ‘Bachfietstocht’ door Noord-Duitsland.

Bach was vijftien jaar. Dat betekende dat zijn broer niet meer verplicht was om hem te verzorgen. Via een leraar in Ohrdruf kwam Bach ertoe om naar Lüneburg te verhuizen. Hier zou hij zijn gymnasium af kunnen maken en in zijn levensonderhoud kunnen voorzien door te gaan zingen in het Mettenchor van de Sankt Michaeliskirche. Bach verbleef twee jaar in Lüneburg, en deze jaren waren ook voor zijn muzikale ontwikkeling zeer vormend. In Lüneburg ontfermde Georg Böhm zich over de jonge Bach. Böhm was een gerenommeerd organist en componist. Vanuit Lüneburg kwam Bach ook in contact met musici van het hof van Celle, een hof dat Frans georiënteerd was. Hier leerde Bach de Franse stijl kennen, de suite en de dansvormen. Bach maakte ook enkele keren een uitstapje naar Hamburg. Hier ontmoette hij de oude organist Johann Adam Reincken die in de traditie stond van de Amsterdamse organist Sweelinck.
Lüneburg, Celle, Hamburg en ook Lübeck, waar Bach een paar jaar later Buxtehude bezocht, zijn verbonden aan de jonge jaren van Bach. Steden in Noord-Duitsland die niet al te ver uit elkaar liggen en dus een mooi doel vormen voor een fietstocht met als thema: de jonge Bach.

Dag 1. Hannover – Celle

Het mooiste zou natuurlijk zijn om in Lüneburg te starten en dan volgens de chronologie Celle, Hamburg en ten slotte Lübeck te bezoeken. Helaas is dat voor een fietstour verre van praktisch, je zou zigzaggend grotere afstanden moeten afleggen. Mijn keuze valt dan ook op een treinreis naar Hannover om van daaruit een ronde te fietsen: Celle, Lüneburg, Lubeck, Hamburg en weer terug naar Hannover. Iedere dag een nieuwe bestemming.
Hannover dus als vertrekpunt. Händel was hier een periode officieel cantor en organist. In de praktijk verbleef hij echter hoofdzakelijk in Londen, waar hij uiteindelijk zijn definitieve werkplek vond. Snel dus maar uit Hannover gefietst, het kompas op noordoost.
Het duurt ruim dertig minuten voordat ik Hannover uit ben, maar dan fiets ik door een rustig agrarisch landschap, afgewisseld met enkele bossen. Er zijn nauwelijks hellingen. Met een windje in de rug heb ik de vijftig kilometer naar Celle snel overbrugd. Het eerste wat in het oog springt is het ‘Neue Rathaus’, opgetrokken uit rode baksteen. Van een afstand oogt het gebouw als een oud kasteel. Ik dacht dan ook in eerste instantie hier met het oude slot te maken te hebben. De oude binnenstad bestaat voor een groot deel uit vakwerkhuizen. Direct aan de rand van het centrum, net naast het plein van de oude kerk staat het oude barokke stadspaleis. Hier zetelde in Bachs tijd hertog en hertogin von Braunschweich. Hertogin Eleonore d´Olbreuse was een Franse Hugenote die van haar slot een ‘klein-Versailles’ maakte. Het hoforkest bestond uit veel Franse musici, onder andere Thomas de la Salle, een violist die ook dansmeester was. De la Salle gaf danslessen op de Ritterakademie in Lüneburg, de school voor de jongens van adel die verbonden was aan de Michaelisschule van Bach. Zodoende kwamen de twee met elkaar in contact en introduceerde hij Bach in de Franse muziek.
De Franse invloeden zijn in Celle nog altijd zichtbaar. Ten oosten van het barokke slot ligt de ´Französischer Garten´. Een tuin, door hertogin d´Olbreuse aangelegd, in de stijl van Versailles, al is de omvang vele malen kleiner.

Slot Celle

Slot Celle

Plattegrond Französischer Garten

Plattegrond Französischer Garten

Een paar kilometer ten noorden van Celle ligt de Silbersee. Op de gelijknamige camping zet ik mijn tentje op, en kijk ik ´s avonds naar de eerste WK-wedstrijd Nederland-Spanje. Nederland was in 2010 verliezend finalist tegen Spanje. Met drie medelanders en een aantal Duitse campinggasten zie ik hoe Nederland zich met een overtuigende 5-1 revancheert.

Dag 2. Celle – Lüneburg

Of Bach werkelijk in Celle is geweest is niet honderd procent zeker, en dus ook niet of hij globaal dezelfde rit heeft gemaakt die ik vandaag fiets. Het is een bosrijke omgeving. Ik vermijd de drukkere wegen en beland zo (dikwijls tegen mijn zin) op hobbelige karrensporen in het bos. Dit waren wel de type wegen uit de tijd van Bach. Honderden kilometer heeft hij gelopen op dit soort paden. Maar zou Bach met De la Salle op en neer zijn gereisd naar Celle, dan hebben ze dat zeker in een rijtuig gedaan. Het zou overigens ook kunnen dat Bach de Franse musici heeft ontmoet in het buitenverblijf van de hertog wat dichter bij Lüneburg lag.
De tocht naar Lüneburg is zo’n negentig kilometer. Urenlang kom ik niemand tegen, behalve twee mensen die diep in het bos cantharellen aan het plukken zijn. Het laatste gedeelte kies ik voor de meer begaanbare wegen. Het landschap is heuvelachtiger geworden en ik doorkruis eindeloze aardappelvelden. Even ten zuiden van Lüneburg regel ik op camping ‘Rote Schleusse’ een kampeerplaats. Het vriendelijk meisje aan de balie probeert me over te halen om een kano tocht te maken op het riviertje wat langs de camping stroomt. Helaas valt dit niet samen met mijn plan om eind van de middag het oude centrum van Lüneburg te bezoeken.
Direct naast het winkelcentrum met de karakteristieke rode bakstenen gevels ligt de ‘Altstadt’ met z’n smalle straatjes rond de Michaeliskirche. Daarachter staan nog de gebouwen van de Michaelisschule waar Bach naar het gymnasium ging. Ook is er nog een gebouw met de naam Ritterakademie. Dit was ooit het domein van de jonge edelen die hier hun onderwijs kregen, de Franse taal leerden en de daarbij passende gewoonten. Hier gaf Thomas de la Salle zijn danslessen. ‘Gewone’ studenten van de Michaelisschule hadden dikwijls een bijbaantje bij de studenten van de Ritterakademie. Ze deden hun boodschappen of poetsten hun schoenen. De Ritterakademie is nu een partycentrum, en juist als ik voorbij kom stapt een trouwgezelschap het gebouw uit. Zo krijg ik toch even een indruk hoe het gebouw in Bachs tijd fungeerde voor de deftig geklede jongens uit de aristocratie.

Michaelskirche en schule

Michaelskirche en schule

Huidige Ritterakademie

Huidige Ritterakademie

Het plein voor de Michaeliskirche is ‘Johann Sebastian Bachplatz’ genoemd. Ik vermoedde hier een standbeeld van Bach te zien, maar die blijkt er niet te zijn. Misschien elders in de stad?
In de Johanniskirche is om 18.00 uur een ‘Mottete’, een gebedsdienst met voornamelijk koorzang verzorgt door het Hugo Distlerchor. Mooie a-capella zang van Schein en Tallis en moderner werk van onder andere Distler. Tussendoor een orgelsonate van Reinberger. Helaas geen werk van Böhm , ten tijde van Bach hier de vaste organist en diens leermeester, en ook niet van Bach zelf. Je kan niet alles hebben.

Dag 3. Lüneburg – Lübeck

In de Marienkirche van Lübeck is het boekje nog te koop: ‘Pilgrimsfahrt von Johann Sebastian Bach’. In de zestiger jaren was dit geromantiseerde verhaal van Hans Franck een populair werkje. Bij tweedehands boekhandels kom je het nog geregeld tegen. Maar hier ligt het nog als nieuw gedrukte uitgave. Het beschrijft de geschiedenis van de negentien jarige Bach die vier weken verlof krijgt van de kerkenraad van de Neue Kirche van Arnstadt. Bach heeft namelijk de vurige wens om Dietrich Buxtehude te bezoeken, een grootheid in de Noord-Duitse orgelkunst. Maar dat betekende wel een voettocht van driehonderd kilometer heen en terug! Zou je dan aan vier weken wel genoeg hebben? Van Lüneburg naar Lübeck fiets ik de afstand in zes uur. Vanaf Buche ruim vijftig kilometer langs het kanaal Lübeck-Elbe. Nogal saai, vooral omdat de bomen langs het kanaal vooral in het eerste stuk het uitzicht op de omgeving ontnemen. Het schiet wel lekker op. In Bachs tijd waren er nog geen snelwegen of rechte kanalen. Hij zal de tocht gelopen hebben van dorp naar dorp, en de bossen hebben doorkruist over de karrensporen. De winkels zijn allemaal gesloten op zondag. Alleen een enkele bakker is open waardoor ik in staat ben halverwege een rustpauze in te lassen en me te goed kan doen aan een Milchcafé met een Pflaumeschnecke. Voor onderweg neem ik ook nog twee belegte Brötchen mee. Deze geneugten waren ook voor Bach niet weggelegd. Hij had er ook het geld niet voor. Het verhaal gaat dat hij eens – zonder geld – voor een herberg en zat toen er een paar vissenkoppen uit het raam voor zijn voeten werden gegooid. Bij nadere inspectie bleek dat er muntstukken in de koppen zaten zodat Bach werkelijk een lunch kon betalen! We mogen er van uitgaan dat Bach in de herbergen wel wat geld bij elkaar scharrelde door muziek te maken.
In een buitenwijk van Lübeck ligt camping Schönbocken. Van daaruit is het vier kilometer naar de binnenstad. Ik kom de stad binnen aan de zijde van de imposante stadspoort. Van hieruit wordt een fraai uitzicht over de stad geboden. De hoge kerken bepalen het stadsbeeld, niet in het minst de Marienkirche en de Dom, beide met hun twee torens. Natuurlijk bezoek ik eerst de Marienkirche. Op een grote steen aan de zijkant van de kerk zit een duiveltje in brons gegoten. Hij zit vast te balen dat hij niet naar binnen kan, want de kerk is van grote schoonheid. De roodbruine bakstenen muren zijn gelukkig niet witgepleisterd waardoor de kerk zijn eeuwenoude karakter vast heeft gehouden. Het orgel van Buxtehude is helaas niet bewaard gebleven. Wel zijn er enkele plekken waar aan hem herinnerd wordt, waaronder een plaquette op de plek waar hij is bijgezet. Een andere plaquette, achter in de kerk herinnerd aan het bezoek wat de jonge Bach heeft gebracht aan Buxtehude, en natuurlijk aan deze kerk: 1705 kamm Joh. Seb. Bach nach Lübeck um den berühmten Dietrich Buxtehude zu behorchnen’. De twee figuren op de plaquette zien wat duf uit…

Lübeck met links de Marienkirche

Lübeck met links de Marienkirche

Plaquette Buxtehude / Bach

Plaquette Buxtehude / Bach

Wat moet Bach hier een inspiratie hebben opgedaan. Buxtehudes prachtige koraalfantasieën, zijn Preludiums en fuga’s, en zijn ‘Abendmusiken’ in de adventstijd. Bach keerde niet na vier weken, maar pas na vier maanden terug in Arnstadt. Dat zegt wel wat over hoe hij het naar zijn zin heeft gehad. Het zou mooi zijn geweest als er in deze kerk een concert was geweest maar dat is niet het geval. Ik kies voor een avondconcert in de kleine Jürgenkapel net buiten de binnenstad. Een zeshoekig kerkje uit 1620 waar een klein gezelschap uit Hamburg kamermuziek uitvoert. Gelukkig deze keer wel een werk van Bach: de Triosonate uit het Musikalischer Opfer (BWV 1079).

Dag 4. Lübeck – Hamburg

Ik dacht snel in Hamburg te zijn, maar dat viel fiks tegen. Eerst verkeerd gereden (nooit een industriegebied in fietsen als er geen bewegwijzering is), een paar keer geschuild vanwege de regen en tenslotte Hamburg zelf. Wat een allemachtig grote stad is dit. Het oude centrum ligt in het zuiden aan de Elbe,maar voordat je daar op de fiets bent is het vanaf de rand van de stad nog ruim een uur fietsen. Ik zoek een hotelletje omdat kamperen hier niet lukt.
Uiteindelijk is het bijna vijf uur als ik de oude stad kan bezoeken, en dan vooral natuurlijk de Katharinenkirche die Bach meerdere malen heeft bezocht. De kerken in Lüneburg en Lübeck waren tot zes uur open; ik heb dus nog even de tijd. Ik kom langs de imposante Sint Michaelskirche die hoog boven de wijk St.Pauli torent. Ik twijfel, maar kan het toch niet laten deze katholieke kerk even van binnen te bewonderen. Wat een weelde. Schitterende ronde vormen, een preekgestoelte helemaal uit marmer en drie joekels van orgels: de grootste, hangend achterin, een tweede op het rechter balkon, en een derde daartegenover op nog een hoger gelegen balkon. Hoe zou het klinken als deze drie orgels tegelijk bespeelt worden tijdens een concert?
Dan gauw door naar de Katharinenkirche. Als ik daar aan kom blijkt de kerk al gesloten. Wat een teleurstelling; feitelijk was deze kerk mijn voornaamste doel om de stad te bezoeken. Een eindje verderop zie ik een andere ingang, die van het kerkelijk bureau. Deze deur blijkt nog open. Ik loop een gang in en tref in een kamertje een aantal mensen. Ik leg hen uit waarom is zo teleurgesteld ben dat de kerk al gesloten is en vraag hen vriendelijk of ik toch nog niet eventjes naar binnen mag. Dit blijkt geen probleem. Sterker nog, van een vrijwilliger krijg ik een privérondleiding.
De kerk, net zoals veel andere gebouwen in het centrum, heeft veel te leiden gehad van de bombardementen in de Tweede Wereldoorlog. Ook het Arp-Schnitzer orgel werd tijdens de bombardementen in juni 1943 grotendeels verwoest. Het orgel gold reeds in de 16e eeuw als het belangrijkste instrument van Hamburg. Beroemde organisten als Heinrich Scheidemann en Johann Adam Reincken speelden op het instrument. Bach bezocht de kerk, en dus ook Reincken in 1700 als vijftien, zestien jarige vanuit Lüneburg, en later nog weer in 1722 toen hij Hamburg aandeed omdat hij een organistenfunctie opteerde in de Jacobikirche. In de Katharinenkirche speelde hij in het bijzijn van de oude Reincken een koraalfantasie. Reincken zou daarna de woorden hebben uitgesproken: ‘ik dacht dat deze kunstvorm dood was , maar zie dat hij in jouw verder leeft’.
Er zijn nog 520 pijpen uit 20 registers bewaard gebleven. De Nederlandse orgelbouwer Flentrop heeft onlangs een geheel nieuw orgel gebouwd naar het voorbeeld van het oude orgel. De oude pijpen zijn hier weer voor gebruikt. De nieuwe pijpen zijn afkomstig van de orgelpijpenfabriek Jacq. Stinkens uit Zeist, mijn woonplaats! Het was aardig dat ik dit de vriendelijke vrijwilligster kon vertellen.

Katharinenkirche

Katharinenkirche

Het nieuwe Flentrop orgel

Het nieuwe Flentrop orgel

Op een plein in de binnenstad bekijk ik ’s avonds op een groot scherm, samen met honderden Duitsers, de wedstrijd Duitsland – Portugal (3-1). Voor het eerst juich ik als Duitsland een doelpunt maakt. In 1988 was het ook in Hamburg dat tijdens de EK Nederland Duitsland versloeg in de halve finale.

Dag 5 en 6. Hamburg – Bergen Belsen – Winsen – Hannover

Mijn fietstocht ‘De jonge Bach’ zit er op. In twee etappes wil ik terugfietsen naar Hannover. Bij het bestuderen van de route ontdek ik dat ik niet ver hoef om te rijden om het kamp Bergen-Belsen te bezoeken, het krijgsgevangenen- en concentratiekamp waar tijdens de Tweede Wereldoorlog 70.000 mensen zijn omgekomen, waaronder Anne Frank. Een zeer indrukwekkend bezoek.
Een paar kilometer verderop kampeer in Winsen aan de Aller. Van daaruit is het de volgende dag nog ruim veertig kilometer naar Hannover waar ik weer op de trein stap naar huis.

Bachs versie van Pergolesi’s Stabat Mater

images
Giovanni Battista Pergolesi

Bachs motet Tilge, Höchster, meine Sünden (BWV 1083) doet niet onder aan de kwaliteit van werken van hem van vergelijkbare omvang zoals het Magnificat of het Ostern-Oratorium. Toch wordt deze compositie maar spaarzaam uitgevoerd. De reden hiervan is dat dit werk een regelrechte ‘parodie’ is van het Stabat Mater van Pergolesi. Dat wil zeggen, Bach heeft op deze wereldberoemde compositie een andere tekst geplaatst en slechts hier en daar kleine muzikale wijzigingen doorgevoerd. Om deze reden heeft het werk van Bach toch een BWV-nummer gekregen. Bachs motet klinkt echter zo goed als hetzelfde als het Stabat Mater. En vanuit de gedachte ‘ere wie ere toekomt’ wordt daarom de originele versie doorgaans op de concertprogramma’s geplaatst of voor CD-uitgaves opgenomen. Dit neemt niet weg dat het heel bijzonder is dat Bach met Pergolesi’s hoogstandje aan de slag is gegaan en er een eigen bewerking van maakte. Waarom of wanneer Bach dat heeft gedaan, bijvoorbeeld voor welke gelegenheid, daar is eigenlijk nauwelijks iets over bekend. Een goede reden voor een zoektocht.
Giovanni Battista Pergolesi werd op 4 januari 1710 geboren in het Italiaanse Jesi. Zijn vader was een schoenmaker uit Pergola die later verhuisde naar Jesi. Door een samenvoeging van deze twee plaatsnamen ontstond de achternaam Pergolesi die Giovanni Battista is gaan dragen. In zijn geboorteplaats ontving Pergolesi zijn eerste muzieklessen. Hij vertrok in 1725 naar Napels en kreeg daar muzieklessen van onder andere Gaetona Greco. De jonge Giovanni Battista ging werken bij Napolitaanse hoven. Hij vervulde functies als organist en violist. Daarnaast ging hij zich toeleggen op het componeren van de zogenaamde ´opera buffa´ (de komische opera). Heel erg succesvol was hij hier niet mee. Daarbij werd hij geconfronteerd met tuberculose, in die tijd nog een ongeneeslijke ziekte. Het waren redenen waarom hij zich terugtrok uit het openbare muziekleven en zich ging richten op het componeren van religieuze muziek. Zijn meest bekende werk werd zijn Stabat Mater wat hij in opdracht van de kerk in Napels schreef. Op Goede vrijdag werd tot dan toe de versie van Dominico Scarlatti gezongen. Het kerkbestuur wilde een modernere versie. Pergolesi heeft het werk binnen een langer tijdsbestek geschreven. Het verhaal gaat dat hij het slotkoor uiteindelijk op zijn sterfbed heeft gecomponeerd. Pergolesi stierf in Pozzuoli op 16 maart 1736. Hij was pas zesentwintig jaar oud, en stond eigenlijk nog maar aan het begin van zijn carrière.
Toen Bach zesentwintig jaar was (in 1711) had hij een vergelijkbare baan als Pergolesi in Napels had. Van 1708 tot 1717 was Bach organist en kamermusicus (violist) aan het hertogelijke hof in Weimar, en ook hij componeerde zowel religieuze als wereldlijke muziek. Zeker in de eerste jaren van zijn verblijf in Weimar was Bach bijzonder geïnteresseerd in het werk van Italiaanse componisten. Als auto-didact bestudeerde hij hun composities en mede op die manier ontwikkelde hij zichzelf als componist. Zo bewerkte hij muziek van Vivaldi en Corelli voor orgel en bracht daar compositorische verbeteringen in aan. Pergolesi lag in die tijd nog in de luiers. Bachs interesse voor andermans composities is echter altijd gebleven en op de één of andere manier kwam zo jaren later een gedrukt exemplaar van het Stabat Mater rond 1740 op zijn lessenaar in Leipzig terecht.

‘Stabat Mater’ is de titel van een beroemd middeleeuws gedicht uit de dertiende eeuw. Wie de auteur ervan is valt niet met zekerheid te zeggen. Er circuleren verschillende namen. Waarschijnlijk een Franciscaner monnik. Onderwerp van de hymne is Maria, de moeder van Jezus die weent onder het kruis waar haar zoon aan is terecht gesteld. De tekst roept op om samen met haar te wenen. Daarbij is het een gebed tot Maria om deelgenoot te mogen worden in het heil wat in Jezus’ sterven wordt voltrokken. De titel van het gedicht zijn tevens de eerste woorden ervan:

Stabat Mater Dolorosa
Luxta crucem lacrimosa
Dum pendat fillius
(Huilend stond de moeder aan de voet van het kruis, waaraan haar zoon te sterven hing).

In de vijftiende eeuw kreeg de tekst een plaats in de Katholieke liturgie. Het werd dan gezongen op 15 september, de dag waarop het ‘Feest van de Zeven Smarten van Maria’ werd gevierd. Na een periode van afwezigheid werd deze traditie op last van Paus Benedictus VIII in 1727 weer ingevoerd. Sindsdien werd het ook gezongen in de Stille week voor Pasen. Er bestonden verschillende (Gregoriaanse) melodieën van het werk, maar in de loop van tijd gingen steeds meer componisten het ‘Stabat Mater’ zelf op muziek zetten zoals Palestrina (1589), Vivaldi (1712) of Scarlatti (1723). Dat ook een componist als Pergolesi zich aan het werk waagde is dus niet verwonderlijk, zeker niet na 1727 toen de tekst alleen maar populairder werd. Ook na hem zijn er nog verschillende versies gecomponeerd, bijvoorbeeld van Rossini (1842), Dvořák (1877) en Verdi (1896) en nog redelijk recent van Arvo Pärt (1985).
Pergolesi’s bewerking werd in zijn tijd al beroemd getuige de vele exemplaren die ervan werden gedrukt. Maar terugkijkend in de geschiedenis is het volgens velen ook de mooiste compositie van het Stabat Mater. Het is één van de iconen van de religieuze muziek geworden. Twee zangstemmen: een sopraan en een alt en een kleine instrumentele bezetting van violen, cello en klavecimbel, worden ingezet in deze tijdloze compositie van grote schoonheid. Emoties van rouw en verdriet worden ingetogen gekleurd met melodielijnen die een serene rust bewerkstelligen. Afwisselend en dan weer gezamenlijk zingen de sopraan en de alt (of counter-tenor) in twaalf delen het muzikale gedicht.
Bach moet onder de indruk zijn geweest toen hij het werk rond 1740 onder ogen kreeg. Was hij toen ook al op de hoogte dat Pergolesi al een paar jaar niet meer leefde?
Ook op oudere leeftijd bleef Bach blijkbaar belangstellend naar nieuw buitenlands werk. Waren het in zijn jonge jaren vooral de Franse componisten die hem inspireerden tot het componeren van zijn suites, in zijn latere jaren richtte hij vooral zijn aandacht op de nieuwe muziek uit Italië: de Galante stijl. Dat hield in: minder gebruik maken van polyfonie en contrapunt, maar daarvoor in de plaats meer zelfstandige melodielijnen met veel plaats voor expressie en emotie. Zo is een werk als de Matthäus-Passion duidelijk beïnvloed vanuit de Italiaanse opera uit Venetië die in die tijd in opkomst was. Genoemde kenmerken van de Galante stijl zijn ook prominent aanwezig in het Stabat Mater.
Al vaker had Bach werk van Italiaanse componisten bewerkt, maar nog nooit een vocaal, religieus werk. Vanwege de Katholieke inhoud was dit ook lastig, want deze werken konden in de Lutherse kerken van Leipzig moeilijk uitgevoerd worden. En zeker niet een gebed tot de Heilige Maria. Als Bach dus iets met het werk van Pergolesi zou willen doen, dan zou er een andere tekst op moeten. Bach heeft ervoor gekozen om de tekst ‘Tilge, Höchster, meine Sünden’ op Pergolesi’s Stabat Mater te plaatsen. Feitelijk liet hij verder de hele muzikale compositie zo goed als intact. Alleen voegde hij een partij voor de altviool toe waardoor de harmonie van het werk wordt versterkt. Bachs bewerking stamt uit de jaren tussen 1744 en 1748, zo valt te lezen in verschillende boeken en op internet. Deze blijkbare onduidelijkheid alleen al maakt duidelijk dat er niets bekend is over de ontstaansgeschiedenis en de uitvoeringspraktijk van de compositie.
Bach gaf zijn bewerking van het Stabat Mater de volgende Italiaanse titel: Psalm 51. Motetto a due Voce, tre stromenti e Continuo (Motet voor twee stemmen, drie instrumenten en Continuo). Opmerkelijk: hij noemt niet de naam van de componist nog de titel van het originele werk. Met deze titel wordt wel duidelijk dat Bach een psalmtekst heeft gebruikt voor zijn bewerking. In dit geval blijkt het een vrije bewerking te zijn van psalm 51. Ook de dichter van deze tekst is niet bekend.
Psalm 51 is één van de zeven boetepsalmen. In de aanhef in de bijbel staat te lezen: ‘Voor de koorleider, een musiceerstuk van David, toen bij hem binnenkwam Natan-de-overgekomene, nadat hij was binnengekomen bij Batseba’. Het gaat hier om een zwarte bladzijde in het leven van koning David. Ooit was hij herder en zong hij liederen terwijl hij zichzelf begeleide op zijn harp. Maar als koning van Israël was de macht hem naar het hoofd gestegen. Hij pleegde overspel met de mooie Batseba. Toen bleek dat zij zwanger van hem was zorgde de koning ervoor dat Batseba’s man, de soldaat Uria, aan het front in de strijd tegen de Filistijnen de dood werd ingejaagd zodat David met Batseba kon trouwen. Hierna verschijnt de profeet Natan op het toneel die David op een keiharde manier terecht wijst. David gaat diep door het stof en volgens de overlevering zou hij toen de woorden van psalm 51 hebben uitgesproken: ‘God, wees in uw vriendschap mij genadig, wis, overvloedig in ontferming, mijn misstappen weg’. Tilge meine Sünden: wis mijn zonden weg.
De bewerkte tekst van psalm 51 past heel goed op het Stabat Mater, want ook in deze tekst komen thema’s als schuld en boete aan de orde. Jezus is immers aan het kruis genageld om de straf te ondergaan die feitelijk de zondige mensheid toekwam. Zorgvuldig plaatste Bach de tekstgedeelten op de muziekdelen van Pergolesi’s compositie. Een enkele keer paste Bach de melodie iets aan op de nieuwe tekst. In sommige delen vallen de thema’s van de teksten zelfs samen waardoor de tekst/muziek eenheid van Pergolesi in stand wordt gehouden. Zoals bij het vijfde deel van Bach:

Wer wird seine Schuld verneinen
oder gar gerecht erscheinen?
Ich bin doch ein Sündenknecht.

In het Stabat Mater klinkt dan:

Pro peccatis suae gentis
Vidit Iesum in tormentis
Et flagellis subditum.

(Voor de zonden van de zijnen, zag zij Jezus zo in pijnen, en de wrede geselstraf).

Nog een andere wijziging vanwege een betere passendheid op de nieuwe tekst is de omwisseling van de laatste twee delen. Hierdoor wordt het slotkoor (het ‘Amen’) bij Bach een los onderdeel, want bij het Stabat Mater is het ‘amen’ het sluitstuk van het slotkoor.

Bij al deze wetenswaardigheden blijft de vraag bestaan waarom, en voor welke gelegenheid Bach zijn bewerking van het Stabat Mater heeft gemaakt. Vanzelfsprekend gaan de gedachten dan allereerst uit naar een mogelijke uitvoering in de Lutherse eredienst. Die zou dan ook heel goed plaats hebben kunnen vinden in de Stille week voor Pasen, net als het originele werk van Pergolesi. Een boetepsalm was zeker passend in deze periode, en de link met het lijden en sterven van Jezus was ook in de tekst ingeweven: ‘Lass mich Freund und Wonne spüren (…) da dein Kreuz mein hart gedrängt’ (in de Oud-Testamentische psalm was er van een kruis natuurlijk nog geen sprake).
Een andere mogelijkheid is dat deze boetepsalm is uitgevoerd in verband met het feit dat Leipzig bezet werd door de Pruisen tijdens de Tweede Silezische oorlog (1744 – 1745). De Pruisen waren in Oorlog met Oostenrijk. Een stad ging gebukt onder een dergelijke bezetting. In een gebedsdienst in verband met deze situatie zou een uitvoering passend geweest zijn. Als op eerste Kerstdag 1745 de Vrede van Dresden wordt gesloten, die het einde van de oorlog inluidt, voert Bach ter ere daarvan de cantate Gloria in excelsis Deo (BWV 191) uit in de universitaire Sankt-Paulikirche. Bach hergebruikte voor dit werk delen uit het ‘Gloria’ uit de Hohe Messe. Ook hier dus geen ‘nieuw’ werk van Bach. In deze periode componeerde Bach eigenlijk geen vocale muziek meer. Vandaar dat hij bij dit soort gelegenheidsmuziek uitweek naar oud werk van zichzelf of, in het geval van de boetepsalm een compositie van iemand anders. Wat dit laatste betreft zou Bach tegelijk in de gelegenheid zijn geweest om de Leipziggers kennis te laten maken met het muzikale talent van Pergolesi.

Toch acht ik de mogelijkheid dat de hierboven genoemde uitvoeringen plaats hebben genomen gering. Zoals al genoemd: de gegevens ervan ontbreken, terwijl juist van heel veel cantates en Passie-uitvoeringen precies bekend is wanneer en waar deze zijn uitgevoerd.
Er blijft dan nog één mogelijkheid over, namelijk dat Bach zijn motet voor zichzelf, voor eigen gebruik heeft gemaakt. De argumentatie hiervoor is eigenlijk heel simpel: hij zit al verborgen in de titel die Bach aan zijn werk gaf: een motet voor twee stemmen, drie instrumenten en continuo. Met andere woorden: een kamermuziekstuk. Bach maakte het Stabat Mater geschikt om het thuis uit te voeren, niet voor in een grote kerk. Hij was onder de indruk gekomen van het prachtige, moderne werk van Pergolesi. Heel goed is dan ook voor te stellen dat hij het daarom ook wilde spelen. En dat zou heel goed kunnen, samen met zijn gezinsleden. Maar een Katholieke tekst, een aanbidding tot Maria, dat was toch te veel van het goede voor de strenge Lutheraan. Daar kon hij thuis niet mee aan komen. Bach bedacht dat psalm 51 heel passend was op deze muziek, en daarom bewerkte hij de Bijbelse tekst zo, dat die gezongen kon worden op de muziek van Pergolesi. Wat mij betreft is de onbekende tekstdichter dus Bach zelf! Om vervolgens het werk nog meer ‘eigen’ te maken componeerde Bach er nog een partij voor de altviool bij. De altviool was immers zijn lievelingsinstrument? Met deze toevoeging kreeg de instrumentele begeleiding nog meer harmonie. In de Italiaanse versie speelde de altviool mee met de cello ter versterking van het continuo.

*

En zo klonk op een zondagavond in het jaar 1745 het motet Tilge, Höchster, meine Sünden in huize Bach. De bezetting zou er als volgt uit hebben kunnen zien:

Eerste viool – Johann Christoph Friedrich, dertien jaar
Tweede viool – Johann Christian, tien jaar
Altviool – Johann Sebastian Bach zelf
Continuo:
Klavecimbel – Elisabeth Juliane Friederica, 19 jaar
Cello – Johann Christoph Altnikol, de verloofde van Elisabeth Juliane Friederica

Sereen en breekbaar klinkt de instrumentale inleiding. Dat kan ook niet anders gezien de tekst die zo dadelijk gezongen wordt. Bachs vrouw Anna Magdalena neemt de sopraan partij voor haar rekening en hun oudste dochter en eerste kind, de al zevenendertig jarige Catharina Dorothea, die nog steeds thuis woont, de altpartij.
Bach geniet van de wonderschone muziek van Pergolesi, van het musiceren met zijn gezin. Als een gebed stijgen de klanken op naar de hemel. Het is een soort muziek die hij zelf nooit heeft gecomponeerd. Hoewel? Als afsluiting klinkt het ‘amen’ als een machtige fuga die van hemzelf had kunnen zijn. Dit laatste deel componeerde Pergolesi niet in de Galante stijl maar in de oude polyfonie. Wellicht als een blijk van respect naar zijn voorgangers? Misschien naar Bach?
Vol vuur spelen en zingen de Bachs dit ‘Amen’.
Hier hoefde geen andere tekst op worden gezet!

Dit verhaal is opgenomen in de bundel ´Johann Sebastian Bach en de Italiaanse barok´ van Wim Faas.

Boek ‘Dansen met Bach’ van Wim Faas

Veel belangstelling voor de boekpresentatie en concert.

Veel belangstelling voor de boekpresentatie en concert.

Dansen met Bach Tijdens het leven van Johann Sebastian Bach (1685 – 1750) was Duitsland in wederopbouw na een desastreus verlopen dertigjarige oorlog. De adel spiegelde zich hierbij aan de grandeur van het hof van Versailles onder Lodewijk XIV. Franse invloeden op het gebied van kunst en cultuur verspreidden zich over de talloze vorstendommen. Zo werden ook de Franse hofdansen (menuet, bourrée, enz.) populair binnen het Duitse hofleven. In Bachs oeuvre spelen deze dansen een belangrijke rol. Niet alleen in zijn suites (altijd een reeks van dansen), maar ook in zijn orgelmuziek, cantates en passies verwerkte Bach dansvormen. Tegen deze achtergrond schetst Wim Faas in twintig korte verhalen een persoonlijk en levendig portret van Bachs leven en muziek waarbij alle Franse hofdansen ten tonele verschijnen.

Uit het voorwoord van Maarten ’t Hart: ‘Dit boek van Wim Faas komt als geroepen. Eindelijk een werk waarin de dansante kant van Bach wordt belicht in een goed leesbaar, plezierig, aantrekkelijk boek. De vele dansvormen die in Bachs oeuvre voorhanden zijn worden stuk voor stuk besproken. Omdat Faas alles helder toelicht, zonder te vervallen in geleerd jargon, zonder zich te bedienen voor gewichtig klinkende musicologische termen, heeft hij een boek geschreven waar zowel muzikale leken als wat meer onderlegde muziekliefhebbers veel genoegen aan zullen beleven en dat ook als naslagwerk zijn dienst kan doen’.

‘Een lichtvoetig en helder boek, vol nuttige informatie en wetenswaardigheden’. (Tijdschrift  Oude Muziek)

‘Een leuk en verrassend boekje heb je geschreven. Ik verwachtte bronnen en nog eens bronnen maar je hebt een leesbaar en geestig boekje gemaakt, mooi geïllustreerd. Een aanrader’. (Ton Koopman)

‘Het boek is vlot leesbaar waardoor het de interesse kan wekken van zowel de leek als van de meer onderlegde muziekliefhebber. Met dit boek legt de auteur een vruchtbare voedingsbodem om mensen meer te laten genieten van de muziek van Bach. (Klassiek Centraal)

Dansen met Bach is verschenen bij Aspekt, Soesterberg. ISBN 9789461533722. Te koop bij boekhandel en webshops.

Foto’s boekpresentatie en concert op 9 november in de NoorderLichtkerk te Zeist.

Wim Faas presenteert zijn boek.

Wim Faas presenteert zijn boek.

Air uit de 2e Orkestsuite gespeeld op orgel en viool.

Air uit de 2e Orkestsuite gespeeld op orgel en viool.

De 'dansmeester'en zijn dochter dansen een menuet.

De ‘dansmeester’en zijn dochter dansen een menuet.

Fietsen door het land van Bach

Vrijdag
Vrijdag 1 juni. Klokslag 18 uur luidt er een bel in de Thomaskirche. Het geroezemoes van de honderden mensen die de ‘Motette’ bezoeken valt stil. Dan klinken de eerste grote akkoorden van de machtige Preludium in Es-groot uit het Bachorgel wat aan de oostkant van de galerij staat opgesteld, recht tegenover het gebrandschilderde Bachraam aan de westkant van de kerk. Mooier kan een Bach-weekend in Leipzig niet aanvangen.
Het plan: vrijdagochtend met de trein naar Leipzig. Daar in het weekend een aantal ‘Bach-activiteiten’ bijwonen. Zondagmiddag op de fiets terug richting Nederland via de Bachplaatsen Weimar, Arnstadt en Mühllhausen. Alle Bachplaatsen aandoen gaat niet lukken. Bachs geboorteplaats Eisenach heb ik echter al eens bezocht en Köthen laat ik aan me voorbij gaan omdat die plaats teveel uit de route ligt. Dat ‘voorbij gaan’ bleek letterlijk toen de trein via Köthen richting Leipzig reed. Hier had ik dus ook mijn tocht kunnen beginnen. Maar als ik de Preludium in Es groot onderga kan ik me daar niet meer druk om maken.
Deze Motette is feitelijk een Vesper, een avondgebed. Maar met veel koorzang en zelfs een preek. Wat die koorzang betreft blijkt dat ik geluk heb dit weekend. Het Valparaiso University Chorale uit Amerika zingt dit weekend in de Thomaskirche. Het is het belangrijkste Lutherse koor van over de oceaan en het programma laat zien dat ze een heel eigen repertoire meenemen.
De Preludium en de daar op volgende Fuga (BWV 552) is een bijzonder werk omdat de twee delen de opening en afsluiting vormen van de zogenaamde Grote orgelmis, de officieuze naam van Bachs derde ‘Clavier-Ubung’ waarin hij 21 koraalbewerkingen samenvoegde die de gehele Lutherse liturgie omvatten; bede om ontferming, lofprijzing, dankzegging, het onze vader, enzovoorts.
Vandaag omlijsten de Preludium en Fuga ook een keur van liederen gezongen door het studentenkoor. Morgen zullen ze een cantate van Bach zingen, maar vanavond zingen ze vooral Amerikaanse composities uit de vorige eeuw. Onder ander een bewerking van de negro-spiritual ‘Hold on’ (Keep your hand on the plow), en een ingetogen ‘Welcome Jesu’ van James Macmillan.
Langzamerhand begint het tot me door te dringen dat ik hier in de kerk zit waar Bach 27 jaar in dienst is geweest. Wekelijks voerde hij hier een cantate uit met een koor wat ook grotendeels uit studenten bestond. Hierbij klaagde hij nogal eens over het niveau van de zangers. Oh, mocht Bach toch de beschikking hebben gehad over het Valparaiso University Chorale.


Zaterdagmorgen
De camping bij de Auensee ligt 6 kilometer buiten het centrum. Het is een rustige uitvalsplek voor een bijzonder Bach-weekend. Voor zaterdag staat op het programma een rondwandeling door de oude binnenstad, een bezoek aan het Bachmuseum, om 15.00 uur de cantatedienst in de Thomaskirche en om 17.00 uur een orgelconcert in de vlakbij gelegen Nicolaikirche. De binnenstad van Leipzig is opvallend klein en overzichtelijk. Binnen 10 minuten loop je er diagonaal doorheen. Leipzig presenteert zich echt als een Bach-stad. En nu de komende week het tiendaagse Bachfest zal plaatsvinden kan je er helemaal niet meer omheen. Overal hangen posters en spandoeken. Zelfs de huurfietsen van de stad hebben een Bach-jasbeschermer. Historische Bach-plekken zijn er op de Thomas- en Nicolaikirche na nauwelijks meer. De Thomasschool is begin twintigste eeuw afgebroken. Bach heeft ook in dat gebouw gewoond. Het café Zimmerman op de Catharinnastrasse waar Bach met zijn Collegium Musicum concerten gaf is in de oorlog verwoest. Op deze plek staat nu het toeristenbureau. (Daarnaast het museum voor beeldende kunst met deze maanden een tentoonstelling met Hollandse meesters onder de mooie titel Der schonste Holländer in Leipzig). Het Bach-museum is voor mij niet heel bijzonder. De paar originele vellen handgeschreven bladmuziek raken mij nog het meest. De hand van Bach is hier bijna letterlijk zichtbaar. Het gaat onder andere om uitgeschreven solopartijen voor sopraan, alt, tenor en bas uit cantates. Voor de rest is feitelijk alles bekend. Het schilderij van Hausman is zelfs een kopie. Het origineel hangt in het stadhuis van Leipzig. Het is het enige schilderij waarvan met zekerheid gezegd kan worden waarvoor Bach in levende lijve geposeerd heeft. Dat was in 1747.
Nee, bij Bach gaat het om de muziek. Een museum is daar niet geschikt voor. Wel een concertzaal of een kerk.

Zaterdagmiddag
Om 15.00 uur begint de cantatedienst in de Thomaskirche. Er wordt net als gisteren een entree van 2 euro gevraagd. Toch is het geen concert maar een complete dienst met orgelspel, koor- samenzang, schriftlezing, preek en gebeden. Tot slot volgt dan de cantate: Gelobet sei der Herr, BWV 129. De preek van de vrouwelijke ‘Pfarrer’ behelst een uitleg van de tekst van deze cantate. Het is een zogenaamde koraalcantate, dat wil zeggen dat de tekst (van Johann Olearius) bestaat uit een bestaand kerklied en iedere strofe een eigen bewerking krijgt. Het blijkt dat dit kerklied het lied van de week is. Gisteren zongen we het al en vandaag ook weer. Het lied is verbonden aan de komende zondag: Trinitatis. Voor deze zondag heeft Bach de cantate ook geschreven. Trinitatis is het feest van de Drie-eenheid, altijd volgend op de zondag na Pinksteren waarbij de uitstorting van de Heilige Geest wordt gevierd. De eerste en de laatste strofe zijn voor het koor, de tweede, derde en vierde strofe achtereenvolgens voor de bas, sopraan en alt. De eerste drie strofen bezingen achtereenvolgens de Vader (mein Licht), de Zoon (mein Heil) en de Heilige Geest (mein Trost): Gelobet sei der Herr, mein Gott, mein Licht, mein Leben. Bach heeft het complete orkest ingezet bij deze feestelijke cantate: naast de gebruikelijke strijkers doen fluiten, hobo’s, trompetten en pauken mee. Schitterend is de sopraanaria die de lof tot de Heilige Geest bezingt prachtig omlijst door een traverso (barokdwarsfluit) en viool.
Na de cantatedienst is het direct door naar de Nicolaikirche waar om 17.00 uur een orgelconcert gegeven wordt door Nicolaikantor Jurgen Wolf. Ook in deze kerk heeft Bach gewerkt. Hij had namelijk de verantwoordelijkheid voor de muziek in de vier Leipzigger kerken. Zo voerde hij in deze kerk bijvoorbeeld de eerste keer de Johannes Passion uit. De Nicolaikirche is veel kleiner dan de Thomas. Hij heeft een wit interieur met pilaren die als groene palmbladeren overgaan in het gewelf. Net als in de Thomas is hier geen orgel meer uit Bachs tijd. Desalniettemin is het Ladegast-orgel een prachtig instrument en oogt het front imposant; het beslaat bijna de hele breedte van de kerk. De organist speelt een afwisselend programma wat opent en sluit met werken van Bach; de Preludium en Fuga A klein en de koraalpartita Sei gegrüsset Jesu gütig. Daar tussenin een aantal romantische werken van onder andere Boely en Boëlman. Ik mis de verfijning in de registratie. Wolf lijkt zijn concert plichtmatig af te werken. Hij moet meer in zijn mars hebben getuige zijn CV op het programma. Al met al was dit een bijzondere Bach-zaterdag. Ik eet in een Aziatisch restaurant en laat de verschillende Bach-menu’s die verschillende restaurants aanbieden aan me voorbij gaan.

Zondagmorgen
Trinitatis! Om half tien zit ik weer in de Thomaskirche. Op de liturgie staat verder nog vermeld: Fest der Jubelconfirmation. Dit blijkt een jaarlijks terugkerend ritueel te zijn waarbij gemeenteleden die 25, 30, 35 (enzovoorts) jaar belijdend lid zijn voor in de kerk worden toegesproken en een getuigschrift krijgen. Een mevrouw viert haar 70ste Jubelconfirmation. Er is zelf een mevrouw die haar 85ste viert, maar die is niet in de kerk. De Pfarrer gaat vanmiddag naar het verpleeghuis om de vrouw, die mijns inziens dan al over de honderd moet zijn, het getuigschrift te overhandigen. Het is een record voor de Thomaskirche. De Pfarrer schets in een paar steekwoorden de geschiedenis die zij heeft meegemaakt: twee wereldoorlogen, het ijzeren gordijn, de Wende.
De zondagse kerkdiensten ten tijde van Bach duurden wel vier uur. De cantate na de preek bracht daarbinnen enige verluchtiging. De dienst van deze zondag, met de Jubelconformation en het Heilig Avondmaal duurde bijna twee uur. Er werd geen cantate uitgevoerd . Het Amerikaanse studentenkoor heeft wel weer een belangrijke bijdrage met liederen die vrijdag en zaterdag ook al gezongen werden. Het enige van Bach is vandaag de Preludium in C groot die voorafgaand aan de dienst werd gespeeld. Aan het einde van de dienst niet de bijbehorende Fuga maar een Orgelnaspiel van Carl Piutti, Thomasorganist van 1880 – 1902. Opmerkelijk is in de Lutherse liturgie het orgelspel aan het begin en aan het einde van de dienst, maar dus onderdeel van de dienst. In Nederland speelt de organist voor en na de dienst terwijl de kerkgangers binnenkomen en vertrekken. In stilte verlaat ik dus de kerk en is ook aan dit Bach-weekeinde in Leipzig een einde gekomen.

Zondagmiddag; Leipzig – Naumburg
Vanmiddag een korte etappe in de richting van Weimar dat ik morgen hoop te bereiken. Het doel is Naumberg. Afhankelijk van het weer zal ik gaan kamperen of ergens een kamer zoeken. De fietstocht blijkt vol Bach herkenningspunten te hebben; plaatsen waar ik doorheen kom of waar de richting heen wordt gewezen. Zo zie ik Störmthal waar Bach voor de inwijding van een nieuw orgel een cantate schreef (BWV 194). En verderop Klein-Szorchen dat het decor vormde voor de Boerencantate Mehr hahn ein neue Oberkeet (BWV 220). Of het stadje Weissenfels waar Bach aan het hof een graag geziene gast was. Bachs tweede vrouw, Anna Magdalena was een dochter van de trompetist van het hoforkest. En in 1729 ontving Bach van Hertog Christian von Weissenfels de titel van Hofkapelmeester. Voor diens verjaardagen schreef Bach tweemaal een cantate (BWV 249a, 210a). En tenslotte Naumburg zelf waar Bach in 1746 het nieuwe orgel van de Wenzelskirche keurde. Natgeregend kom ik eind van de middag in dit Domstadje aan. Gelukkig vind ik snel een pension om te overnachten.

Maandag: Naumburg – Weimar – Hohenfelden
De volgende ochtend blijkt de Wenzelkirche gesloten. Ik bezoek nog wel even de Dom met z’n vier prachtige torens. De kerk is grotendeels opgebouwd in de Romaanse stijl. Achter het koorhek staan twee menshoge vogelhuisjes. Bij navraag blijken het lezenaars te zijn waarvan af de monniken in vroeger tijden hun Bijbels lazen. De lezenaars waren gebouwd als duivenhokken. Het idee daarbij was dat men bij het studeren verlicht moest zijn door de Heilige Geest, die immers gesymboliseerd wordt met een duif.
Fietsend langs de Saale en de Ilm kom ik in de middag in Weimar aan. Bach werkte hier aan het Hertogelijke hof van 1708 tot 1717 bij de broers Willem Ernst en Ernst August von Sacksen-Weimar. Weimar is een stad met veel cultuur- en politieke geschiedenis. Op het schilderachtige, maar niet zo heel grote stadhuisplein haal ik bij de Tourist Information een plattegrond met alle bezienswaardigheden in de binnenstad. Wat blijkt: Bach komt er niet op voor! Wel bijvoorbeeld componist Franz Lizt of de schrijvers Goethe en Schiller, maar Bach schittert door afwezigheid. Ik vraag me af wat hier de reden van kan zijn. Wellicht heeft men het hier niet nodig gevonden zich als Bach-stad te profileren omdat de geschiedenis van de stad nog zoveel andere hoogtepunten kent. Bij het toeristenbureau vraag ik waar Bach heeft gewerkt. Dit blijkt het Stadtschloss te zijn, langs de Ilm, waar ik even te voren langs was gekomen. De hofkapel (de Himmelsburg) waar Bach veel van zijn muziek uitvoerde is al lang geleden door een brand verwoest. Aan de voorzijde ziet het slot er nog imposant uit. Ik besluit het slot verder niet te bezoeken. In het oostelijk deel van het stadscentrum bezoek ik nog wel de Jacobskirche; een typische Thuringer kerk met drie galerijen in het rond en het orgel op de derde verdieping. Zo moet het er ook ongeveer uitgezien hebben in de Himmelsburg. Het torentje van de Jacobskirche is voor 1 euro te beklimmen en biedt een fraai uitzicht over de stad. Veel zou er nog te bezichtigen zijn in deze stad, maar ik kwam voor Bach. Via de markt fiets ik weer richting de Ilm om mijn tocht voort te zetten in de richting van Arnstadt. Net voorbij de markt op de Platz der Demokratie valt mijn oog op een gedenkplaat die bevestigd is tegen een muur. Toch iets concreets van Bach! De tekst van de gedenkplaat luidt: ‘Hier stand das Haus in dem Johann Sebastian Bach von 1708-1717 wohnte’ en ‘Hier wurden geboren Friedemann Bach am 17. November 1710 Philipp Emanuel Bach am 8. Marz 1714’. De plaat spreekt niet de volle waarheid, want in de woning aan het marktplein werden nóg vier kinderen geboren. Ik maak een foto en fiets verder.

En warempel, iets verderop aan de linkerkant van de weg staat een sokkel met daarop een buste van Bach. Het is een achteraf hoekje, maar toch. Nota bene tegen de achterkant van de Hochschule fur Music Franz List. Zo heb ik op de valreep in Weimar toch nog twee Bachmomenten. Het is dat ik er toevallig langsfietste, want op de plattegrond met bezienswaardigheden stonden ze niet vermeld. Als ik Weimar uitfiets kom ik langs een bord met Bachs afbeelding en daarbij de woorden: Bach in Thuringen.
De etappe eindigt vandaag op een camping bij Hohenfelden. Het is weer begonnen te regenen. Ik probeer nog een blokhut te huren, maar daar vragen ze 65 euro voor. Daar ga ik niet mee akkoord. Dan maar kamperen. Het tentenveldje is geheel verlaten. Aan de zijkant staat een houten prieel met raampjes. Ik zet m’n fiets erin zodat ik tenminste beschut de tassen kan uitpakken. Dan bedenk ik me dat ik m’n tentje hier wel in kan opzetten. Zo bedacht zo gedaan. Voorbijgangers lijken het allemaal maar vreemd te vinden wat zich in de prieel afpeelt. Mijn tent blijft in elk geval droog, terwijl het bijna de hele nacht regent!


Dinsdagmorgen: Hohenfelden – Arnstadt – Gotha

Dinsdagochtend is het weer zowaar wat beter en kan ik zonder jas naar Arnstadt fietsen. De zon doet verwoede pogingen om door het wolkendek te dringen maar slaagt daar uiteindelijk niet in. Desondanks is het aangenaam fietsen door het Thüringerland en mijn gedachten gaan regelmatig terug naar de jonge Bach die vaak te voet door dit gebied gereisd moet hebben alhoewel hij vast ook weleens achterop een boerenkar gesprongen zal zijn. Een paar kilometer voor Arnstadt kom ik door het plaatsje Dornheim. In het kleine dorpskerkje is Bach op 17 oktober 1707 in het huwelijk getreden met zijn nichtje Maria Barbara. Bach was toen al weg uit Arnstadt. Sinds 1 juli was hij organist in Mühlhausen. Het kerkje in Dornheim staat in de steigers en is gesloten. Op een bordje staat aangegeven dat je voor bezichtiging aan kan bellen bij het naastgelegen huis, maar als ik dat doe wordt er niet open gedaan. Bij het kerkje is nog wel een gebeeldhouwd kopje van de jonge Bach te zien met daaronder de verwijzing naar de heugelijke gebeurtenis. Waarom geen hoofd van Maria Barbara erbij gebeeldhouwd?

Twintig minuten verder fietsen en ik bereik Arnstadt, een tamelijk grote stad met een levendig stadscentrum. Toeristenrichtingwijzers naar bezienswaardigheden maken direct duidelijk dat Arnstadt in tegenstelling tot Weimar wel pronkt met Bach. Peilen wijzen naar de Bachkirche, het Bachdenkmal en de Bachaustellung in het Schlossmuseum. Bach begon hier op 14 augustus 1703, pas achttien jaar oud aan zijn eerste echte betrekking: organist aan de Neue Kirche.

Een paar maanden daarvoor had hij het nieuwe orgel van deze kerk ingewijd en blijkbaar heeft dat grote indruk gemaakt. De kerk staat op een heuveltje te midden van marktpleinen. Een stadsmuzikant zingt ballades. De kerk is niet bijzonder groot en heeft geen toren. In de vorige eeuw heeft de kerk die aan Bonefatius is gewijd officieel de naam Bachkirche gekregen. Binnen word ik vriendelijk ontvangen door een vrijwilliger die uit een multomapje een Nederlandse beschrijving van de geschiedenis en inrichting van kerk overhandigt. Ook weer een intieme Lutherse kerk met drie galerijen. Gedeelten van het orgel zijn nog uit Bachs tijd. De vier jaren Bach zijn onbetwist het hoogtepunt in de geschiedenis van de kerk. Desalniettemin was de samenwerking met kerkbestuur destijds niet al te best. Er waren telkens klachten. Bach bleef te lang weg van een studiereis naar Lubeck, hij maakte ruzie met leden van het koor, hij speelde te frivool, te lang en te ingewikkeld en hij werd gesignaleerd met een jong meisje op de galerij. Het toppunt! Men had er dus geen problemen mee dat hij in de zomer van 1707 vertrok naar Mühlhausen. Achteraf bezien zijn de Arnstadters toch bar trots dat de grote Bach bij hen zijn carrière is begonnen, en hier zijn eerste grote orgelwerken en cantates schreef. Het standbeeld wat eind vorige eeuw geplaatst is op het marktplein, schuin achter de kerk heeft de nodige discussie opgeroepen omdat het de jonge Bach toont in een quasi onverschillige en recalcitrante houding. Achteroverleunend tegen een paaltje lijkt hij iets te zeggen van: ‘jullie bekijken het maar’. Naar mijn mening is het een goed getroffen pose, alhoewel het natuurlijk maar één kant van de jonge Bach laat zien.

De Bachaustellung over Bachs jaren in Arnstadt bezoek ik niet. Ik ken de geschiedenis voldoende. Begin van de middag fiets ik dan ook Arnstadt uit, noordwaarts, richting Mühlhausen. Ten westen van Arnstadt liggen Ohrdurf, waar Bach als kind een paar jaar bij zijn oudere broer heeft gewoond, en nog verder westwaarts Eisenach, Bachs geboortestad. Per fiets is het helaas niet mogelijk om alle plekken in een paar dagen aan te doen. Sowieso vallen de afstanden tussen de te bezoeken plaatsen me tegen. Ik volg steeds de fietsroutes en die slingeren alle kanten op. Ik maak veel meer kilometers dan waar ik op had gerekend. Vervelend is dit niet want het landschap is wel prachtig. Via de radfahrer Bach-erlebnis route kom ik door Wechmar. Hier vestigde zich rond 1590 Veit Bach die als stamvader van de muzikale Bachfamilie wordt gezien. Hij was nog een molenaar die in zijn vrije tijd wat fiedelde op zijn viool. Maar zijn zoon Hans bracht het tot stadspijper in Gotha. Zijn zoon was vervolgens de grootvader van Johann Sebastian Bach. Om deze reden presenteert Wechmar zich maar al te graag als ‘Urheimat’ der Musikerfamilie Bach. Halverwege bereik ik het oude stadje Gotha. Inmiddels heb ik beoordeeld dat het eigenlijk niet te doen is Mühlhausen eind van de middag nog per fiets te bereiken. Ik neem daarom het besluit om per trein direct naar deze stad te reizen.

Dinsdagmiddag en –avond – Mühlhausen
Om half 6 fiets is het grote marktplein op. Het is erg rustig in de stad en het plein ligt er verlaten bij. Aan de andere kant van het plein staat de monumentale Blasiuskirche. De uit lichte stenen opgetrokken kerk met twee grote torens heeft de allure en het model van een Franse kathedraal. Alleen al wat dit betreft is duidelijk dat Bach promotie heeft gemaakt met een betrekking in deze kerk. En inderdaad, hij ging ook aanmerkelijk meer verdienen. De functie van organist stond in deze vrije rijksstad dan ook in hoog aanzien.

Slechts een jaar heeft Bach in Mühlhausen gewerkt. Als organist en componist kon hij zich er onvoldoende ontwikkelen. In Weimar was daar veel meer gelegenheid toe met naast de functie van hoforganist ook de rol als concertmeester van het hoforkest. De verhoudingen met Mühlhausen zijn echter altijd goed gebleven. En men is altijd trots gebleven dat de grote Bach een jaar in hun kerk organist is geweest.
Dit drukt ook het standbeeld uit wat links voor de ingang van de Blasiuskirche staat. Hier staat een heel andere ‘jonge’ Bach dan het beeld in Arnstadt toont. Hier staat Bach strak in het pak, en al met een pruik op, klaar om de kerk binnen te lopen om orgel te gaan spelen. Zijn lange vingers heeft hij gespreid, alsof hij ze alvast ‘losmaakt’ voor het grote werk zo meteen.

Aan de Blasiuskirche zag ik een aankondiging die mij verheugde: vanavond om 19.30 uur zou er een koorconcert zijn. Wat een geluk! Als ik de trein niet had genomen had ik dit gemist. Vanavond dus de kerk bezoeken en eerst snel naar de kampeerplaats bij het recreatiemeer aan de rand van de stad. Op deze rustige, vriendelijke camping instaleer ik me om even later weer terug te fietsen naar het stadscentrum. De kerk is goed bezet, en terecht, want het knapenkoor ‘Capella Vocalis’ uit Reutingen zingt een prachtig a-capella programma wat geopend wordt met Bachs motet Jesu meine Freude. Het orginele Bach orgel staat er helaas niet meer. Indertijd heeft Bach daar belangrijke verbeteringen in aangebracht. Het huidige orgel is in samenwerking met Albert Schweitzer begin vorige eeuw gebouwd en wel geinspireerd door Bach-orgels uit die tijd.
Nog naar aanleiding van Bachs overgang van Mühlhausen naar Weimar: in Weimar zag ik gisteren de aankondiging van een voetbalwedstrijd die aanstaande zaterdag wordt gespeeld: SC 1903 Weimar – FC Union Mühlhausen. Ik ben benieuwd of er tussen deze steden nog steeds een Bach-controverse is.

Woensdag, donderdag
Mühlhausen was de laatste Bachstad die ik met deze fietstocht bezocht. Via Kassel, Münster en Arnhem kwam ik donderdagavond, met veel Bach inspiratie, weer thuis in Zeist. De eerlijkheid gebied te zeggen dat ik grote stukken per trein heb afgelegd.

Sarabande. Over Bach, Vestdijk, emoties en de mooiste melodie.

Eindelijk heb ik het boek in handen. Simon Vestdijk’s ‘Keurtroepen van Euterpe’. In de literatuur die ik over Bach heb verzameld wordt vaak verwezen naar het essay wat over deze componist in dit boek staat. Op de Noordermarkt tik ik het voor 10 euro op de kop. Even later, tijdens een lunchconcert in de Westerkerk lees ik het essay alvast diagonaal door. Het gaat o.a. over hoe Bach in zijn composities emoties losmaakt. Het Hoboconcert in G van Handel wordt uitgevoerd. Nota bene tijdens de Sarabande lees ik over Bach’s vijfde Franse suite de zinsnede: ‘Sarabande, misschien de mooiste melodie die Bach schreef’. Eerlijk gezegd interesseerde me het hele concert van Handel me niet meer, maar keek ik er naar uit om ‘s avonds thuis de Sarabande van Bach te beluisteren en te bekijken of het stuk niet te moeilijk zou zijn om in te studeren.
Bach componeerde zijn zes Franse suites in Köthen, rond 1722. Zelf heeft hij ze overigens nooit zo genoemd. Hij noemde ze gewoon: ‘Suites voor Klavecimbel’. Het is niet helemaal duidelijk waarom ze op een gegeven moment Franse suites zijn gaan heten. Misschien omdat de vorm en de stijl lijkt op gelijksoortige suites van de Franse componist Couperin. Gewoonlijk bestaat een suite uit een Prelude ‘gevolgd’ door een aantal dansen: Allemande, Courante,Sarabande, Gigue en Bourrée. Letterlijk betekent ‘suite’ gevolg, of reeks: opvolgend aan de Prelude. Bijzonder echter is dat de Franse suites van Bach niet met een Prelude beginnen. Zo Frans zijn ze dus niet.
De Sarabande zag er niet al te moeilijk uit. Een kruis, driekwartsmaat. Het lukte me redelijk de eerste maten prima vista te spelen en ik hoorde direct het rustige, eenvoudig en vriendelijk klinkende thema. Zeker een mooie melodie. Maar de mooiste? Toen de computer opgestart en op Youtube gezocht naar de Sarabande van de vijfde suite. Diverse uitvoeringen staan klaar, van amateurs en professionals. Ik bekijk en beluister er een aantal, zowel op klavecimbel als piano. Een uitvoering van Alejandro Picó-Leonís is erg mooi. De melodie begint zich langzaam vast te zetten in mijn hoofd. Een basisthema van vier maten die in het vervolg van het eerste deel en in het tweede deel verder uitgewerkt wordt en die steeds in verschillende variaties en modulaties terugkomt.
Een Sarabande is in de suite een vreemde eend in de bijt. Het is een dansvorm die afkomstig is uit Mexico. Via Spaanse kolonisten kwam de dans rond 1600 in Frankrijk terecht waar hij zich doorontwikkelde tot een plechtige dans met meestal een langzaam tempo in een driekwartsmaat met een licht beklemtoonde tweede tel. In andere suites van Bach, denk aan de orkestsuites, maar ook de Suites voor cello en voor luit komen ook Sarabandes voor. De vorm van deze dansvorm heeft Bach ook in zijn koorwerken gebruikt, bijvoorbeeld in het slotkoraal van de Matthäus Passion; ‘Wir setzen uns mit Tränen nieder’.
Datgene wat ik van Bach kan spelen heeft hij gecomponeerd voor zijn leerlingen of voor zijn vrouw Anna Magdalena. Verschillende delen van de Franse suites staan dan ook in het bundeltje wat Bach voor zijn vrouw heeft gemaakt: het Nötenbuchlein. De stukken zijn dus niet al te ingewikkeld maar daarom vind ik het des te bijzonder dat Bach met zo weinig ‘middelen’ toch zulke prachtige muziek kon maken. Ook deze Sarabande ga ik toenemend mooier vinden. Een lange melodielijn die rustig wandelt tussen lage D en hoge C. Met steeds weer een verrassende wending. Achtsten, zestienden, triolen. Opvallend is ook de wending van majeur naar mineur in de negende maat van het tweede deel. De notatie van de melodie is dan exact dezelfde als de opening van het stuk, maar de begeleiding veranderd van G-majeur naar E-mineur. Juist deze wendingen maken dat er spanning en emotie in de muziek loskomt.
Moeite heb ik met de trillers die ook in allerlei vormen voorkomen. Vaak negeer ik ze. Ik vind dat ze het stuk ook niet mooier maken. Mijn idee is dat al die trillers typisch bij de klavecimbel horen omdat dat instrument nou eenmaal geen tonen lang kan aanhouden. Als Bach voor de piano had geschreven waren er vast minder trillers in deze werken terecht gekomen. In zijn essay beweert Simon Vestdijk overigens dat Bach, had hij een piano gehad dit ‘merkwaardig gonzende instrument’ nooit gebruikt zou hebben.
Maarten ’t Hart refereert in zijn boek over Bach ook aan de opmerking van Vestdijk van de mooiste melodie. Maar, eigenwijs als hij is, hij vindt natuurlijk een andere melodie van Bach de mooiste, al geeft hij wel toe dat hij de vijfde Franse suite de mooiste vindt van de zes. De Sarabande is volgens hem ook heel goed uitvoerbaar op orgel en, hij vindt het heel geschikt als begrafenismuziek. Of dit nou wel of niet een positieve waardering is, het zegt in elk geval iets over de emoties die dit werkje oproept. En getuige het feit dat Bach voor zijn mooiste begrafenismuziek, het zo even al aangehaalde slotkoraal van de Matthäus Passion, een Sarabande, gebruikte is de gedachte van ’t Hart misschien nog geeneens zo vergezocht.
Maar heeft Vestdijk uiteindelijk gelijk met zijn opmerking van ‘misschien wel de mooiste melodie’? Of moet zo’n opmerking begrepen worden in de strekking van ‘mijn vrouw is de liefste vrouw van de hele wereld’. Je meent het als je het zegt. Het komt uit je hart. Of het echt waar is weet je natuurlijk niet, maar daar gaat het niet om in die opmerking. Misschien moet de zinsnede van Vestdijk (die hij overigens tussen haakjes heeft geplaatst) inderdaad niet al te serieus of letterlijk worden genomen. Wellicht was hij ten tijde van het schrijven van zijn essay juist bezig met het instuderen van deze Sarabande. Zo’n stuk neemt dan een tijdje bezit van je. Andere mooie muziek verdwijnt naar de achtergrond. Voor mij is het nu ook even de mooiste melodie.
Bach verteld met zijn Sarabande een prachtig kort verhaal. Niet met woorden, die in het hoofd vertaald worden in concrete beelden, maar met noten en intervallen die direct neerdalen in het onderbewuste en omgezet worden in ongedefinieerde zielenroerselen en van daaruit gevoelens van genot naar boven brengen.
Dit bewerkstelligen. Daarin was Bach een meester.

Zie de uitvoering van Alejandro Picó-Leonís: http://www.youtube.com/watch?v=UKGnItVVotc

Dit is de eerste versie van ‘Sarabande, over Bach, Vestdijk, emoties en de mooiste melodie’. De definitieve versie is verschenen in ‘Dansen met Bach’ van Wim Faas. Uitgeverij Aspekt, 2013.

De Matthäus Passion uitgelegd in 600 woorden

De Mattheüs Passie in 600 woorden uitgelegd op één A4tje.

De Matthäus Passion (MP) gaat over het lijden en sterven van Jezus Christus zoals dat is beschreven in de bijbel: het evangelie van Mattheüs hoofdstuk 26 en 27.
Passies werden traditioneel uitgevoerd in de lijdenstijd. Bach heeft dit  op het hoogste niveau gebracht met voor zijn tijd nieuwe stijlen o.a. uit de Italiaanse opera.
De rode draad is dus de Bijbeltekst die in gedeelten wordt gezongen door  ’de evangelist’, een tenor. Dit worden recitatieven genoemd.  Het is een soort voordragende manier van zingen.
Als in bepaalde tekstgedeelten  meerdere mensen iets zeggen of roepen dan maakt Bach hier een koorpartij van. Bijvoorbeeld als het volk schreeuwt:  “Lass ihn kreuzigen”.
Jezus’ woorden worden door een bas gezongen. Er klinkt dan altijd vioolmuziek ‘boven’.

Alles wat er verder om en tussen de evangelietekst te horen is zijn reacties, beschouwingen, reflecties en antwoorden op het gebeuren.  Het gaat dan om twee  vormen:
Ten eerste de koralen:  dit zijn de kerkliederen uit die tijd, die worden 4 stemmig door het koor gezongen. Bijvoorbeeld: als Jezus sterft  volgt het koraal: ‘Wenn ich einmal soll scheiden, so scheide nicht von mir’. Een ‘persoonlijke’ reactie dus. De MP heeft 14 koralen.
Ten tweede de Aria.  Dit is een lied, vaak met een prachtige instrumentale omlijsting. Ook hier gaat het om een reactie op de gebeurtenis. Als Jezus verraden wordt zingt de sopraan, om haar verdriet te uiten:  ‘Blute nur, du liebes Herz’ of als Petrus Jezus heeft verloochend zingt de alt: ‘Erbarme dich’.  Vaak is de instrumentatie beeldend, bijv. de aria ‘Komm süsses Kreuz’, die Jezus’ gang naar Golgotha verbeeld: in de scherpe tonen van de gamba hoor je het zwoegen van Jezus.

Dan zijn er nog  het groots opgezette openingskoor, en de afsluitende grote koorwerken van het eerste en tweede deel. In het openingskoor  ‘Kommt ihr Töchter, helft mir klagen’ komt nog een andere  structuur van de MP naar voren, namelijk de dubbelkorigheid (met dubbel orkest).  Het openingskoor is een vraag en antwoordspel.  Er zijn de ‘gelovigen’ en de ’toeschouwers’ (dochters van Jeruzalem).  Als een treurmars opent het orkest de passie, en de ‘gelovigen’ beginnen hun klaaglied te zingen en proberen de ‘toeschouwers’ daar bij te betrekken:  Ziet Hem – Wie? – de Bruidegom,  Ziet Hem – Hoe? – zoals een Lam….enz.
Helemaal ingewikkeld maakt Bach het als hij in dit openingskoor nog een derde koor (vaak jongenssopranen) het koraal ‘O Lamm Gottes unschuldig’ regel voor regel laat zingen. Dit jongenskoor komt aan het slot van deel 1 nog een keer terug met het breed instrumentaal uitgewerkte koraal:  ‘O Mensch bewein dein Sünde gross’ (over toepassing gesproken).
De MP wordt afgesloten met het grote slotkoor  ‘Wir setzen uns mit Tränen nieder’. Wederom een klaaglied, maar ook een wens voor Christus: “Ruhe sanfte, sanfte ruh”; rust zacht, in vrede.

De aria- en koorteksten zijn geschreven door Picander. In de theologie die op de achtergrond meespeelt wordt steeds uitgegaan van het feit dat Jezus moest lijden en sterven voor de zonden van de mensen en dat dus ook voor ons/mij heeft gedaan. Dus: Petrus kan wel om ‘erbarmen’ vragen, maar ‘ik’ had het net zo fout gedaan en ben dus ook schuldig. Ook komt er in de MP veel Bijbelse beeldtaal voor. Christus als bruidegom (de kerk is zijn bruid) of Christus als lam (wat geslacht wordt).
Tenslotte: boeken zijn er geschreven over verborgen getalsymbolieken, de kruisvorm van het gehele werk (de 2 delen als de 2 kruisbalken) en de muziekbehandeling van de tekst. Literatuur genoeg voor degene die zich verder wil verdiepen in dit mooiste muziekwerk wat er bestaat.

Nun komm, der Heiden Heiland; Jesaja, Ambrosius, Luther en Bach.

Ambrosius                              Luther
                 Ambrosius                                                               Maarten Luther

 ‘Lob sei Gott, dem Vater, ton’. Zo begint de laatste strofe van het adventslied ‘Nun komm, der Heiden Heiland’. Een lied wat als ‘Veni, Redemptor gentium’ oorspronkelijk stamt uit de vierde eeuw en geschreven is door kerkvader Ambrosius. Maarten Luther heeft het lied opnieuw getoondicht, en zo kreeg Bach iedere advent weer met dit lied te maken. Hij schreef er verschillende orgelbewerkingen over en twee cantates. En bij elke bewerking horen we een andere ‘ton’*. En elke ‘ton’ vertelt ook weer iets over een aspect van advent.

(*Ik speel wat met het Duitse woordje ‘ton’, wat inderdaad ook ‘toon’ betekent. Dit is
echter niet wat bedoeld wordt met het woord in het laatste vers. Oorspronkelijk staat er:
‘g’tan’. Om het goed te laten rijmen is er ‘ton’ van gemaakt).

Eerst de volledige tekst (Nederlandse vertaling: zie Lied 433 uit het Liedboek) :

Nun komm, der Heiden Heiland,
Der Jungfrauen Kind erkannt!
Dass sich wundre alle Welt,
Gott solch’ Geburt ihm bestellt.

Er ging aus der Kammer sein,
Dem kön’glichen Saal so rein,
Gott von Art und Mensch ein Held,
Sein’n Weg er zu laufen eilt.

Sein Lauf kam vom Vater her
Und kehrt’ wieder zum Vater,
Fuhr hinunter zu der Hoell’
Und wieder zu Gottes Stuhl.

Dein’ Krippe glänzt hell und klar,
Die Nacht gibt ein neu Licht dar,
Dunkel mus nicht kommen drein,
Der Glaub’ bleibt immer im Schein.

Lob sei Gott dem Vater ton,
Lob sei Gott sein’m ein’gen Sohn,
Lob sei Gott dem Heil’gen Geist
Immer und in Ewigkeit!

Centraal in advent staat de verwachting naar de komst van Christus.  Jesaja  9 vers 1 tot 6 zou voor Bach een grote inspiratiebron geweest kunnen zijn bij zo verschillend toonzetten van dit adventslied. In dit hoofdstuk horen we de bekende woorden: “Het volk dat in duisternis wandelt ziet een groot licht“.  Verderop:  ‘het (volk) verheugt zich voor uw aangezicht als met de vreugde van de oogst’. En tenslotte: ‘Een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem  wonderbare raadsman, sterke God, eeuwige Vader, Vredevorst‘.

Licht.

Luister (bekijk op YouTube) naar de prachtige koraalbewerking voor orgel (BWV 659). Lage pedaalklanken zetten in met de eerste tonen van het gezang. Het is alsof het nog nacht is. Het is nog overal stil… Tegelijk is er een strak, lopend ritme. Het volk dat in de duisternis wandelt… Je ziet het bijna voor je. En dan: als een stralende ster is er ineens die wonderschone, ‘lichte’ improvisatie op de melodie, zoals alleen Bach dat kan laten klinken. Een licht dat schijnt in de duisternis. Een melodie die troost en rust geeft. De nacht is voorbij; het wordt dag!

Vreugde.

Cantate 62. Als je de cantate niet kent en je hoort de eerste klanken van het orkest en er wordt gezegd dat het een kerstcantate is, dan zou je het geloven. De instrumentale opening zou zo in het Weihnachts-Oratorium passen. Wat wil je ook: Advent is niet alleen verwachting, het is ook een weten dat Christus komt, of beter gezegd: is gekomen! De vreugde van kerst klinkt daarom al door in advent, en zeker ook in deze cantate! ‘Gott solch geburt bestellt’. God heeft het volk weer vreugde bezorgd. Bach gooit even alle remmen los. Feest!

Vredevorst.

Ten slotte. Denk eens terug: Prins Willem Alexander werd tot koning gekroond. Onder plechtige muziek schrijdt hij met Maxima de Amsterdamse Nieuwe Kerk binnen.  Het zou de muziek van Cantate 61 hebben kunnen zijn: een Franse ouverture. Zo’n ouverture was inderdaad bedoeld ter omlijsting van de binnenkomst van Lodewijk de veertiende. Bij het horen van Bach’s ouverture van Cantate 61 zie je in gedachten de koning de kathedraal binnen schrijden. ‘Sterke God, Vredevorst’. Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk”.
En dan de vocalen: ‘Nun komm, der Heiden Heiland’. Eerst afzonderlijk de sopranen, dan de alten, dan de tenoren en tenslotte de bassen. Alsof Bach wil benadrukken: iedereen, van hoog tot laag ziet er naar uit: ‘Des sich wundert alle Welt’.

Jesaja, Ambrosius, Luther en Bach. De eerste inspireerde de tweede en dat ging zo door. En daardoor is advent voor ons nog steeds een inspirerende tijd.  Licht in het donker. Vreugde om de komst van de koning. Met prachtige muziek van Bach.

‘Immer und in Ewigkeit’.

Wim Faas

Cantate 206, een pikante Bach?

In één van Bach’s wereldlijke cantates heb ik een ontdekking gedaan, op het spoor gekomen door een opmerking van Maarten ’t Hart.

Veel heb ik over Bach gelezen. Vanuit verschillende invalshoeken. Er is één universeel thema waar ik nauwelijks iets over lees met betrekking tot de muziek en de persoon van Bach. En dat thema is: seksualiteit of erotiek. De kernvraag is daarbij simpel: zit er ook seksualiteit of erotiek in de muziek van Bach. We weten dat Bach 20 kinderen heeft verwekt. Hij moet dus seksueel zeer actief geweest zijn. We weten ook dat seksualiteit, verlangen e.d. een algemene drijfveer is bij creatieve expressie. Maar hoe zit dat bij Bach? Bij deze ernstige man, waarbij we vooral de verbinding met een diep christelijk geloof leggen?

Maarten ’t Hart schrijft in zijn boekje over Bach (Kruitvateditie) in het hoofdstuk over de teksten die Bach op muziek zette (blz.66): “Het is nauwelijks geloofwaardig dat deze muziek en deze tekst bij elkaarhoren”. Het gaat dan over het slotkoor van de (seculiere) cantate 206, Schleicht, spielende Wellen.  Op een gegeven moment herhalenin het slotkoor ´Die himmlische Vorsicht der ewigen Güte´ alleen vrouwenstemmen de volgende tekst:

So viel sich nur Tropfen in heutigen Stunden
In unsern bemoosten Canälen befunden,
Umfange beständigdein hohes Gemüthe
Vergnügen und Lust!

Door een oud versje, met een dubbele bodem, kwam ik erachter dat Bach hier misschien tekst en muziek heel opmerkelijk wel op elkaar heeft laten aansluiten.

Mijn grootvader, geboren in 1896 in Zeeuws-Vlaanderen was onderwijzer en bovenmeester. Tijdens het opruimen van een zolder een aantal jaren geleden werd een schoolschriftje gevonden uit 1912, volgeschreven door mijn grootvader die dus 18 jaar was. Hierin stonden ook verschillende versjes. Omdat onze grootvader bekend stond als een serieus gelovige man vonden we een aantal versjes opmerkelijk vanwege het pikante karakter. Aan één versje moest ik denken bij het lezen van de zojuist geciteerd tekst: “In unsern bemoosten Canälen”. Dit is het versje:

Lied van een Visscher

 Daar zou een visscher uit visschen gaan
Met fijn vergulde snoeren
Hij zette zijn kastje opzij
En zijn visschersnoeren erbij

 Wat zag hij van ver toen in zijn schijn
Een aardig lief meisje nadert tot mij
En dat meisje sprak mij aan
Visscher, visscher waar komt gij vandaan

 Ik kan hier visschen voor mijn plezier
Al in de binnenstromen
Het is er geleden een half uur
Toen ben ik hiergekomen

 Visscher uw woorden staan mij aan
Uw woorden zal ik prijzen
Kom ga met mij mee,hier een eindje vandaan
Dan zal ik u een slootje aanwijzen

 Maar toen hij bij dat slootje kwam
Een slootje met biezen bewassen
Toen gooide hij daar zijn hengeltje in
Om het meisje te verrassen

 Zijn hengel schoot wel zes duim diep
Eer dat het meisje om hulp riep
Zij zweerde dat er nooit zo een vis
In haar slootje gevangen is.

Naar het Fransch

Onbekend is van wie dit versje is. Misschien heeft mijn grootvader het zelf uit het Frans vertaald? De strekking en dubbelzinnigheid van dit versje zal echter wel duidelijk zijn hoop ik. “Een slootje met biezen bewassen”, is het geen prachtige omschrijving van dat verborgen lichaamsdeel van de vrouw waar mannen hun ‘genoegen en lust’ vinden?

De tekst van cantate 206 is ook zeer beeldend van karakter. Vier rivieren van het land vereren Augustus de keurvorst van Saksen en koning van Polen. Stromende rivieren zijn een teken van welvaart en dus een genoegen voor de koning. Dat wordt in het slotkoor overtuigend gezongen door alle stemmen. De keurvorst wordt het allerbeste toegewenst. Maar, waarom worden die paar zinnen, totaal anders getoonzet vrolijk herhaald, en dan nog wel alleen door vrouwenstemmen bijna a-capella gezongen?

Wel, denk ik, door een prachtige en ondeugende inval van Johann Sebastian die net als mijn grootvader wel serieus gelovig was, maar blijkbaar ook wel van een pikant grapje hield. Zeker omdat bekend was dat August de Sterke tal van kinderen heeft verwekt bij meerdere vrouwen.  Als vrouwen zingen over hun vochtige bemoste kanalen die het toppunt van genieten, genoegen en lust van de man omvatten,dan moet dat dan toch wel klinken met een “Mozartiaanse gratie,liefelijkheid en bevalligheid” zoals Maarten ‘t Hart nogmaals schrijft op pagina 126? En passen muziek en tekst dan niet wonderwel bij elkaar? Het is bijna opwindend…

Eerste versie. Uitgebreidere versie onder de titel ‘Bach voor boven de achttien’ staat in het boek ‘Dansen met Bach’.