Luther en Bach

Stel dat Maarten Luther niet muzikaal was geweest. Dat hij niet van zingen hield; geen luit kon bespelen. Dat hij geen goede liedteksten of koralen kon schrijven. Misschien was het wat muziek betreft in de Lutherse kerk dan wel net zo gegaan als in de gereformeerde kerken die Calvijn navolgden: op de gezongen psalmen na  mocht er geen muziek klinken. In de zeventiende eeuw is er zelfs een periode geweest dat zelfs het orgel tijdens de kerkdienst niet bespeeld mocht worden.
Maar Maarten Luther was wel muzikaal, hij zong, hij speelde luit en hij dichtte. En hij vond dat muziek volop in de kerk ingezet moest worden. Inclusief instrumenten. Het evangelie moet je ‘fröhlich und mit lust davon singen und sagen’ was een uitspraak van hem en deze overtuiging heeft de basis gelegd voor de grote rijkdom aan kerkmuziek die onder andere vanuit zijn liederen zijn ontstaan: motetten, orgelbewerkingen, cantates en passies van tal van componisten als Schütz, Buxtehude, Pachelbel en vooral ook Bach.
Van Luther zijn negenendertig liederen bekend. Daarvan heeft hij zeker bij dertien teksten ook de melodie erbij gecomponeerd of bewerkt. Karakteristiek hierbij was de hoge inzet (de zogenaamde hoge octaaf) met een korte toon om daarna af te dalen naar de lage tonen. Luthers liederen hadden verschillende functies. Allereerst was die er van de propaganda. In een tijd zonder al de communicatiemiddelen die we tegenwoordig kennen was een lied een effectieve manier om je boodschap bekend te maken. Zo schreef Luther in 1523 na de terechtstelling van twee Augustijner monniken in Brussel die zijn leer volgden een ballade met maarliefst twaalf strofen over dit gebeuren[1]. Luthers liederen verschenen in kleine bundeltjes en werden populair onder het volk en droegen zo in belangrijke mate bij de verspreiding van de nieuwe leer.
Daarnaast boden de kerkliederen (koralen)  de mogelijkheid voor de kerkgangers de kerkdienst veel meer betrokken en actief mee te maken dit in tegenstelling tot de katholieke mis met alleen maar Latijnse teksten die voor de gewone kerkganger onverstaanbaar waren. Tenslotte hadden veel van Luthers liederen ook een catechetisch doel. In zijn liederen legde hij zijn theologie uit of zette hij een Bijbelverhaal op tekst, zoals het kerstlied Vom Himmel hoch da komm ich herr.
In het werk van Bach komen we Luthers koralen veelvuldig tegen. Als eerste in de vorm van de zogenaamde koraalcantates die Bach vooral in zijn tweede cantate jaargang componeerde[2]. Daarnaast vinden we ettelijke koralen terug in andere cantates, passies en in het Weihnachts-Oratorium (waaronder natuurlijk strofen uit het hierboven genoemde lied). Tenslotte componeerde Bach tal van orgelbewerkingen over Luthers koralen. Zo zijn er over Vom Himmel hoch da komm ich herr vijf bewerkingen bewaard gebleven[3] nog los van zijn kunststuk uit 1747 Einige canonische Veränderungen über das Weihnachtslied: Vom Himmel hoch da komm ich herr  waarin Bach zijn meesterschap op het gebied van contrapunt heeft getoond ter gelegenheid van zijn lidmaatschap van Mizlers muziekgezelschap . Dat Bach koos voor dit Lutherlied mag als een hommage aan de reformator gezien worden. Zonder zijn theologie, teksten en melodieën zal Bachs oeuvre er totaal anders hebben uitgezien.

De tekst is afkomstig uit het boek: Johann Sebastian Bach, zijn land, zijn tijdgenoten.


[1] Ein neu lied von den zwei Märtyrern Christi, zu Brussel von den Sophisten von Löven verbrannt (Een nieuw lied van de twee martelaren van Christus, door de Sofisten van Leuven in Brussel verbrand).

[2] BWV 2, 7, 10, 38, 96, 125, 126

[3] BWV 606,700,701,738, 769

Ich glaube, lieber Herr, hilf meinem Unglauben (BWV 109)

Bij zijn aantreden als Thomascantor in Leipzig, eind mei 1723, begon voor Bach een periode van zeker vier, vijf jaar waarin hij bijna wekelijks een cantate componeerde. Tijdens de advent- en veertigdagentijd hoefde dat niet, maar juist dan had Bach tijd nodig voor het componeren van zijn kerstcantates en passiemuziek. Het is eigenlijk niet te geloven hoe Bach dit alles voor elkaar heeft gekregen. Maandag de start met het componeren van een nieuwe cantate. Dinsdag eind van de dag moest die dan klaar zijn. Woensdag en donderdag moesten alle partijen voor de stemmen en de instrumenten uitgeschreven worden en daarna gekopieerd voor de zangers en musici. Daar kreeg hij natuurlijk hulp bij. En dan de repetities op vrijdag en zaterdag. Op zondagochtend kon dan de nieuwe cantate uitgevoerd worden, en vaak ’s middags nog eens in een andere kerk. En zo ging dat, week op, week af. En tussendoor moest hij dan nog lesgeven op de Thomasschool.
Gelukkig kon Bach zo nu en dan eens teruggrijpen op één van de ongeveer vijfentwintig cantates die hij had geschreven in de periode dat hij in Weimar werkte. Dan was er de mogelijkheid om even op adem te komen. Of toch niet? De cantate die een week voor de cantate van vandaag werd uitgevoerd was een heruitvoering van een cantate uit Weimar (Ach! Ich sehe, itzt, da ich zur Hochzeit gehe (BWV 162). Het lijkt er echter op dat Bach geen korte herfstvakantie heeft opgenomen maar dat hij twee weken de tijd heeft genomen voor de cantate van vandaag. Want wat krijgen we veel te horen! Een machtig openingskoor ingeweven in een concerto voor strijkers en hobo’s, twee schitterende aria’s en in plaats van een gewoon slotkoraal een verheven koraalfantasie voor koor en orkest.
De cantate Ich glaube, lieber Herr, hilf meinem Unglauben werd voor het eerste uitgevoerd op zondag 17 oktober 1723, de 21e zondag na Trinitatis. De tekstdichter van de cantate is onbekend maar veel van de tekst is afkomstig van bijbelgedeeltes uit het oude en nieuwe testament. De tekst van het openingskoor komt uit Markus 9 waarin het verhaal verteld wordt van een vader die Jezus vraagt om de genezing van zijn zoon[1]. Jezus zegt dat alles mogelijk is voor degene die gelooft waarop de vader zegt: Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp’ (vers 24).
Het openingskoor begint met een instrumentaal deel wat op zichzelf al als een volwaardig concerto klinkt. Strijkers brengen het thema in waarop even later de hobo’s gaan variëren waarna nog weer verderop de eerste viool en de hobo een duet met elkaar lijken aan te gaan. Het concerto is al bijna anderhalve minuut onderweg als het koor invalt. Steeds neemt één stem het voortouw en vallen daarna de andere stemmen bij terwijl tussendoor het concerto zijn alsmaar voortgaat. Op allerlei wijzen krijgen de woorden ‘Ich glaube, lieber Herr, hilf meinem Unglauben’ een plek in dit openingskoor want iedereen zal deze woorden op een eigen wijze kunnen ervaren. De spanning tussen geloof en ongeloof, of tussen zelfvertrouwen en twijfel is voor iedereen herkenbaar.
Met het rustig wandelende tempo lijkt het gevoel wat het openingskoor oproept in eerste instantie toch vertrouwen te zijn; dat de bede om geloof gehoord zal worden. Maar dan neemt toch de vertwijfeling toe. Je ziet het al in de tekst. Vier maal het woordje ‘ach’ in het recitatief. En je hoort het in de muziek. ‘Hoe lang moet ik nog bang zijn dat er geen troost komt?’ Heel lang denkt de wanhopige gelovige vertolkt de tenor. Luister maar naar het woordje ‘lang’. En dan neemt de onrust, de paniek nog meer toe. In de tenoraria hoor je hoe scherpe vioolstreken de gelovige ziel aan het wankelen brengen. De woorden ‘zweifelhaftig’ en ‘wanket’ worden onzeker getoonzet en ook het ‘Schmerz’ duurt pijnlijk lang… Een moeilijke aria voor de tenor. Hij zal de twijfel zelf gevoeld hebben: gaat me dit wel lukken?
De onbestemde ziel laat zich door zijn of haar gevoel meeslepen. Zo gaat dat vaak als we het (even) niet meer zien zitten. Maar dan is er gelukkig de stem van buiten die hem tot bedaren brengt. Zo’n stem heb je nodig als je in een vicieuze cirkel naar beneden zakt. Je wordt weer terug gezet in de realiteit. Je wordt gewezen op je kracht, op je mogelijkheden, op je geloof wat je altijd had.  De toon van de alt in het recitatief is direct hoopgevend en optimistisch. En dan kan in de aria, geflankeerd met huppelend hobo-spel, uiteindelijk bijna dansend gezongen worden dat het geloof toch heeft overwonnen.
Ja, en dan mag een slotkoor over herwonnen Godsvertrouwen (en wat mij betreft mag het ook herwonnen zelfvertrouwen zijn) omvangrijk en groots klinken en kwam het uitermate goed uit dat Bach daar extra de tijd voor kon nemen!

Bij de uitvoering in de NoorderLichtkerk te Zeist op 20 oktober 2024 door Bachensemble Zeist o.l.v. Paulien Kostense.


[1] De officiële lezing was uit Johannes 4. Een vergelijkbaar verhaal.

Sie werden allen aus Saba kommen

De cantate Sie werden aus Saba alle kommen (BWV 65) klonk voor het eerst op donderdag 6 januari 1724, toen in Leipzig het feest van Driekoningen werd gevierd. Bach ronde er zijn eerste Kerstcyclus mee af, en hij deed dat groots. Met Driekoningen, of Epifanie, wat zoiets betekent als ‘verschijning’ wordt gevierd dat Jezus aan de wereld getoond wordt als koning en verlosser. Centraal staat het verhaal uit het evangelie van Mattheüs over de Wijzen uit het Oosten die een bijzondere ster hebben gezien. Volgens hen was de betekenis daarvan dat er een belangrijke koning is geboren. Met de geschenken goud, wierook en mirre gaan ze achter de ster aan op zoek naar de koning om hem eer te bewijzen.
Met het instrumentele thema van het openingskoor suggereert Bach de karavaan die op weg is naar Bethlehem, met de hoorn, als koninklijk begroetingsinstrument voorop. Sluit je ogen, en in je verbeelding zie je de kamelenkaravaan uit Saba aankomen.

Kwamen de wijzen uit Saba? En, waren de wijzen koningen? De verbeelding heeft het verhaal in de loop der tijden aangedikt. In het Oude Testament staat de geschiedenis van de koningin van Sheba, of Saba, het huidige Jemen zegt men. Zij kwam de machtige Joodse koning Salomo met geschenken bezoeken. Met zijn wijsheid was Salomo in zijn tijd ook een licht in de wereld. De profeet Jesaja herinnert later aan dit gebeuren met de tekst die voor het openingskoor wordt gebruikt, maar Jesaja doelde eigenlijk op de wederopbouw van Jeruzalem, na de ballingschap van de Joden. Het verhaal van de Wijzen uit het Oosten is een echo op deze twee oudtestamentische gedeelten. Nog weer later werden de wijzen, of magiërs, gepromoveerd tot koningen, want dat zou het bezoek aan het geboren kind nog meer bijzonder maken. En het werden er drie vanwege de drie geschenken. Uiteindelijk kregen ze ook namen: Balthasar, Melchior en Caspar. En ze kregen een eigen feest. Driekoningen.

Laten we de verbeelding maar voor lief nemen. Ook bij het beluisteren van deze cantate. Het maakt de muziek nog mooier. Je beleeft het intenser. In het tweede deel van het openingskoor ontspint er een fuga. Eerst met de zangstemmen, slechts begeleid door het continuo. Later mengen de andere instrumenten zich in de beweging richting Bethlehem. Van alle richtingen lijken ze aan te komen. En aan het eind van het openingskoor komen ze daadwerkelijk samen aan en wordt daarom bijna unisono de lof aan de Heer verkondigd.

Bach plaatst, nogal ongewoon, na het openingskoor direct een koraal in de cantate. Een strofe uit het middeleeuwse kerstlied ‘Een kind geboren te Bethlehem’. Een koraal vertolkt altijd de stem van de gemeente. De luisteraar wordt betrokken bij het verhaal. Op deze manier worden wijzelf, als het ware met de koningen, ook de stal ingetrokken. Verbeeld het maar. De bas zingt het in zijn recitatief: ‘muß ich mich auch zu deiner Krippen kehren‘. Tja, en wat hebben wij dan als geschenk te bieden… Geen goud, zingt de bas. Dat is slechts een ijdel geschenk, diep uit de aarde gedolven. Het woordje ‘schlecht’ klinkt dan ook neerbuigend laag in de aria. Nee, geef Jezus je hart. ‘Jesus will das Herze haben’. Dat is het meest kostbare geschenk. En dat is toch wat anders dan ‘Last Christmas, I gave you my heart’.
In het tenorrecitatief en ook in de daaropvolgende aria volgt er een uitleg wat dat wel in zou kunnen houden, je hart aan Jezus geven. Ik vind dat daar mooie dingen in staan. Als eerste een betekenisgeving aan de geschenken van de wijzen. Het goud staat voor het geloof, de wierook voor het gebed en de mirre voor het geduld. De laatste is misschien wat minder voor de hand liggend. Maar tegelijk vind ik het van wijsheid spreken. Geduld als gave. Alles hoeft niet in één keer goed te zijn. Durf af te wachten tot de tijd rijp is. En hou je vast aan die andere twee gaven. Het geloof in God, of wat mij betreft, in het goede. Van jezelf, van de ander. En blijf in contact, biddend, sprekend, luisterend met de mensen om je heen.
In de prachtige tenoraria verschijnt een tweede drieluikje bij ‘Alles was ich bin’. Dat is: wat ik denk, wat ik zeg en wat ik doe. De woorden rijmen inhoudelijk op het geloof, het bidden en het geduld. Want inderdaad, hoe je ook je best doet er is geduld voor nodig om te bereiken wat je wilt. Een jaar is niks.

Je hart aan Jezus geven. Je leven aan Hem wijden. De tekstdichter van de cantate moedigt de luisteraars in Leipzig aan dat ook in het nieuwe jaar 1724 te doen. Wat moeten wij met die oproep in 2024? Kan je er als gelovige of niet-gelovige überhaupt wat mee?
Aan het eind van het evangelie van Mattheüs verteld Jezus een gelijkenis. Hij zegt: ik had honger en jullie gaven mij te eten, ik had dorst en jullie gaven mij te drinken. Ik was een vreemdeling en jullie namen mij op. Ik was naakt en jullie kleedden mij. Ik was ziek en jullie bezochten mij. Ik zat gevangen en jullie kwamen naar mij toe. De hoorders hiervan antwoorden: maar Heer, wanneer hebben wij dat gedaan, wij hebben u niet hongerig, dorstig, als vreemdeling, naakt, ziek of gevangen gezien. Jezus zegt dan: alles wat jullie hebben gedaan voor een ander, dat hebben jullie voor mij gedaan. Aangevuld met het begraven van de doden werden dit de zeven daden van barmhartigheid. In het Latijn: misericordia, hart hebben voor hen die in de misère zijn.
Zie hier, Jezus heeft zelf zijn verlanglijstje op papier laten zetten. De voorbeelden liggen bij wijze van spreken hier in Utrecht op straat * of zijn dagelijks te zien in de krant of op de televisie. Heb hart voor de ander met wat je denkt, zegt of doet.

Met alles wat ik ben. Bach laat het heerlijk horen in de tenoraria op het ritme van het menuet. En natuurlijk wordt dat ‘alles’ met van alles geaccentueerd. Een lange melisme van korte nootjes, en het hele orkest: hoorns, fluiten, hobo’s en strijkers, ze laten zich allemaal horen, ze hebben allemaal hun aandeel. Vullen elkaar aan, volgen elkaar op en beelden op die manier ook samenwerking uit. Ik doe dit, en jij doet dat. Je hoeft niet alles alleen te doen. Met deze cantate heeft Bach ons aan het begin van dit jaar een prachtig geschenk gegeven. Je voelt zijn hart er in kloppen. Het koor en orkest van Bachcantates Utrecht gaat dit geschenk voor ons uitpakken.
Ik wens u een gelukkig, muzikaal en geduldig nieuwjaar toe.

Bachcantates Utrecht, 7 januari 2024

* Tijdens het uitspreken van de inleiding kon ik hier concreet noemen de aanwezigheid van vrijwilligers van de Wensambulance Utrecht die met iemand die nog één keer een Cantatedienst wilde bijwonen aanwezig waren.

Wir danken dir Gott, wir danken dir

Toelichting gehouden op 7 oktober 2023 bij ‘Rondom de Cantates’ in de St. Franciscus Xaviriuskerk te Amersfoort.

Bij mijn wekelijkse krachttraining in de huiskamer trek ik vaak blind een Bach cd uit de kast. Trainen met Bach… Ik eindig met een serie plankingoefeningen.  Na vier minuten puf ik, liggend op mijn buik uit. Op dat moment begint er een aria. Direct wordt ik geraakt door de schoonheid van de instrumentale opening. Een lopende bas, een prachtige, vloeiende melodie van violen en hobo. Ik blijf liggen en luister eerst nog buiten adem en daarna ademloos naar de muziek.
De aria ken ik wel maar ik kan hem niet direct thuisbrengen. Ik herken het ritme van de siciliano. Dan begint de sopraan met haar lied. Ze zingt dezelfde melodie als van het voorspel. De muziek en haar zingen raken me. Het is troostend, liefdevol. Opvallend is dat tijdens de zang de lage tonen (contrabas en cello) van het continuo zwijgen en vervolgens weer klinken als het refrein terugkomt. Zo gaat het de hele aria door die ik liggend op mijn buik beluister. Opstaan is geen optie. De hobo speelt de melodie mee van de sopraan. Alleen bij het B-gedeelte heeft de hobo een contrasterende stem. De woorden die gezongen worden hebben nog niet mijn aandacht.
Als de aria beëindigd is sta ik op en loop ik meteen naar de cd kast en lees in het boekje dat ik naar de aria ‘Gedenk an uns mit deiner Liebe’ heb geluisterd uit cantate 29 Wir danken dir Gott, wir danken dir.  Ik lees verder. Het gaat hier om een ‘Ratswechselcantate’ die Bach voor het eerst op 27 augustus 1731 uitvoerde. Rond die datum werd er in Leipzig een nieuwe gemeenteraad geïnstalleerd waarbij er in de Nicolaikirche een gebedsdienst werd gehouden.  Voor deze cantate hergebruikte Bach ouder werk van hem. Het grootse instrumentale openingsstuk is een bewerking van een preludium voor vioolsolo, BWV 1006. Maar ook het koor en de aria’s hebben waarschijnlijk een eerder leven gehad in verloren gegane cantates. Ik lees de tekst van de sopraanaria:

Gedenk an uns mit deiner Liebe,
Schleuss uns in dein Erbarmen ein.  

Ja denk ik, deze tekst past precies bij de muziek. Laat je omsluiten door Gods liefde. De muziek voelde ook als een warme deken. Maar dan gaat de tekst verder (het B-gedeelte van de aria):

Segne die, so uns regieren, die uns leiten, schützen, führen,
Segne, die gehorsam sein.

Zegen hen die ons regeren.  Ik begrijp in eerste instantie niet hoe deze woorden passen op de hemelse muziek van Bach tot ik me realiseer dat er oorspronkelijk een andere – wellicht meer passende – tekst is geweest, meer in de trant van het A-gedeelte. Ondertussen is de tekst van dit gedeelte meer dan actueel met de verkiezingen volgende maand en daarna de formatie van een nieuwe regering. Inderdaad: laat ze gezegend worden met wijsheid.

De sopraanaria is het hart van de cantate. Natuurlijk heb ik in de voorbereiding van deze toelichting me verder verdiept in de deze cantate. Bij het begin wordt je meteen overrompeld door een sinfonia voor orgel en orkest. Zoals gezegd een bewerking of beter gezegd een uitwerking van het preludium uit de derde partita voor vioolsolo. Het kan niet anders dan dat Bach zelf achter het orgel plaats heeft genomen. Zich bewust van de aanwezigheid van hoogwaardigheidsbekleders zal hij zich van zijn beste kant hebben willen laten horen en zien. In één lange lijn van vier minuten excelleert de organist krachtig en sprankelend samen met een volledig orkest, dus met trompetten en pauken.
Het daarop volgende openingskoor is muzikaal van een heel andere orde. Met woorden uit psalm 75 wordt God dankgezegd om de wonderen van zijn hand. Maar Bachs muzikale verwerking van deze woorden zijn ook een wonder. In de oude motetstijl, met instrumenten die unisono met de zangpartijen meespelen, laat Bach met de vier koorstemmen een groots, gedragen harmonisch geheel ontstaan. Twee jaar later gebruikte hij de muziek voor het Gratias uit het Kyrie en Gloria wat nog weer later onderdeel werd van de Hohe Messe.

Als luisteraar heb je bijna al genoeg aan deze twee openingsdelen en dan moet de cantate inhoudelijk eigenlijk nog beginnen. In de eerste aria neemt Bach wat gas terug zodat de luisteraar even op adem kan komen. Begeleid door het continuo en een concerterende vioolpartij zingt de tenor opgetogen over God die zelf zijn stad Sion bewoont en die bewaard voor het nageslacht. Voor Sion mag dan natuurlijk Leipzig gelezen worden. De hoogste toon van de aria, een B, valt vanzelfsprekend op ‘Allerhöchsten’.

Het eerste recitatief borduurt voort op de tenoraria. God beschermt en zegent de stad en bezorgt haar welvaart. Na de centrale sopraanaria volgt het tweede recitatief dat verder gaat met het gebed uit de aria. En, als God zijn stad blijft begunstigen, zal het volk hem prijzen met dank en eer. Met een plechtig ‘amen’ van het koor worden deze woorden bekrachtigd waarop de alt een reprise geeft van de tenoraria, dit keer met het orgel als obligate partij waardoor er een mooie brug wordt geslagen met het begin van de cantate.
De cantate eindigt met een uitbundig en rijk georkestreerd slotkoraal waarin nogmaals God wordt geloofd om zijn weldaden.

*

De hoogwaardigheidsbekleders zullen in 1731 de teksten van de cantate vergenoegzaam en met instemming hebben beluisterd. Ze zijn trots op hun stad. Maar zijn ze zich wel bewust geweest van de wonderschone muziek die ze hebben gehoord? Voor ons roepen juist de teksten soms weerstand op. Zo’n overtuiging uit het eerste recitatief: ‘Waar is een volk zoals wij, waarvoor God zo goed en genadig is’, dat kan toch niet meer?
Laat daarom het hart van de cantate blijven spreken. Die adembenemende sopraanaria. Op het wiegende ritme van een pastorale siciliano. ‘Segne so, die uns regieren’. Dat we gezegend worden met een overheid die regeert in gehoorzaamheid, en haar burgers beschermt. In het bijzonder de kwetsbare mensen in de samenleving.
Zo mag de cantate wat mij betreft klinken bij de installatie van een nieuwe regering volgend jaar. Misschien helpt het.

Christ lag in Todes Banden

Waar moet je beginnen als je een Bach cantate moet toelichten. Waar de aandacht op vestigen. Er zijn zoveel invalshoeken: tekst, theologie, geschiedenis en natuurlijk de muziek zelf.

Met Christ lag in Todes Banden (BWV 4) zou je kunnen beginnen bij 1400 voor Christus. Globaal het jaartal waarin de uittocht van het volk Israël uit Egypte zou hebben plaatsgevonden. Daaraan refereert het zesde deel van de cantate met de woorden ‘Das Blut zeichnet unser Tür’. Als laatste plaag zullen alle eerstgeborenen in Egypte sterven. Dan zal de Farao Israël laten gaan. Het bloed van het geslachte paaslam op de deurposten van de Israëlieten is het teken voor de engel des doods om het huis voorbij te gaan. Bloed redt.

Beginnen kan je ook in het jaar 33, waarin Jezus’ lijden, sterven en opstanding heeft plaatsgevonden. Jezus wordt dan als het ware Paaslam gezien. Zijn bloed reinigt ons van onze zonden en redt ons van de dood. Zijn opstanding heeft ons het leven gebracht.

Of moeten we beginnen in de elfde eeuw omdat de melodie van de cantate teruggaat naar het Gregoriaanse misgezang ‘Victimae Paschali laudes’, ‘laten we lof brengen aan het Paaslam’. Het werd eeuwenlang in de oude kerk gezongen voorafgaand aan de evangelielezing en afgesloten met een ‘Halleluja’.

Ook kan ik beginnen in 1524. In dat jaar publiceert Maarten Luther zijn eerste bundel gezangen waaronder ‘Christ lag in Todes Banden’. Luther schreef 39 kerkliederen. Dikwijls hadden die een catechetisch doel, uitleg geven aan het vernieuwde Christelijk geloof. Dit is hier ook de functie. Vaak componeerde Luther een eigen melodie maar nu greep hij terug naar het oude misgezang wat hij als kind tijdens Pasen vaak gezongen zal hebben. In zeven strofen legt hij de Paastheologie uit: Christus die de dood overwint en ons het leven schenkt. Ingewikkelde kost en zeker voor de tegenwoordige niet-gelovige cantate-bezoeker moeilijk te bevatten.

Misschien moet ik daarom beginnen in 1707 als Johann Sebastian Bach in april van dat jaar als auditie voor een organistenpost in Mühlhausen naast een orgelbespeling een cantate moet afleveren. De net 22-jarige Bach kiest voor een bewerking van Luthers Paaslied wat hij als koorknaap vaak gezongen zal hebben. De vroege cantates van Bach volgen nog de oude motetstructuur die hij bijvoorbeeld kende van Buxtehude. Alle woorden en zinnen krijgen hun eigen muzikale verwerking. Nog geen recitatieven en expressieve aria’s naar Italiaans model die Bach later zou gaan componeren.

De cantate begint met een korte, zwaarmoedige sinfonia passend bij de eerste woorden van de tekst. De zeven delen die volgen plaats Bach in een symmetrisch geheel: een koor, een duet, een solo, centraal een koor, en dan weer terug: een solo, een duet en een slotkoor. Elk deel krijgt een specifieke bewerking passend bij het karakter van tekst waarbij de melodie van het koraal steeds het uitgangspunt is.
Je zou dan een lange inleiding kunnen houden over de talrijke plaatsen waar Bach de tekst muzikaal verbeeldt en de woorden nog meer zeggingskracht geeft. Vaak hoorbaar, maar soms ook niet. Op internet zijn diverse technische besprekingen te vinden. Ik beperk me tot een drietal voorbeelden. Als eerste het uitbundige Hallelujakoor aan het eind van de eerste strofe. Begon de cantate zwaarmoedig, met dit koor is de vrolijke toon voor Pasen gezet. Prachtig is ook de muzikale schildering in de derde strofe, met overigens een virtuoze viool partij. Na het ‘nichts’ valt er een stilte, want van de macht van de dood blijft niets over. En in de vijfde strofe wordt de dood nog een keer de afgrond in geduwd met een dalende sprong van twaalf noten tussen ‘dem’ en ‘Tode’ wat lang en diep aangehouden wordt.

Met zijn cantate en fabuleuze orgelspel begint Bach in Mühlhausen een nieuw en succesvol hoofdstuk in zijn carrière. De cantate zou hij pas een jaar later uitvoeren en ook in Leipzig stond hij in elk geval in 1724 weer op de lessenaar. 200 jaar nadat Luther de tekst ervan schreef.

Zo klinkt het Halleluja telkens opnieuw.
De Israëlieten zongen het na hun uittocht uit Egypte.
De leerlingen van Jezus, toen ze begrepen dat hun Heer was opgestaan.
De monniken in de elfde eeuw met hun ‘Victimae Paschali laudes’.
Maarten Luther met zijn nieuwe lied.
Johann Sebastian Bach met zijn cantate in Mühlhausen en Leipzig.
En vandaag hier in Amersfoort. Want de boodschap van Pasen is dat het leven altijd door gaat. Dat er na elk einde altijd weer een nieuw begin is. En hoe kan je dat wonder beter vieren dan met muziek. Nog beter, Bachs muziek.

Inleiding bij de uitvoering door ‘Rondom de cantates’ o.l.v. Bas van Ramselaar in de Franciscus Xaviriuskerk te Amersfoort. 10 juni 2023.

Vijf opmerkelijke aria’s uit wereldlijke cantates van Bach.

Deel 5: ‘Schafe können sicher weiden’




Deel 10 van de ‘Jachtcantate’ Was mir behagt ist nur die muntre Jagt. Bach schreef deze gelukwenscantate in opdracht van zijn broodheer Willem Ernst von Sachsen-Weimar bedoeld voor de verjaardag van een naburige vorst Christian von Sachsen-Weissenfels. Bach verzorgde zelf de uitvoering, waarschijnlijk tijdens een banket na een jachtpartij. Op een tekst van Salomon Franck keuvelen vier mythologische figuren over de jacht en de liefde om uiteindelijk de jarige vorst in verschillende aria’s de hemel in te prijzen. Zo ook Pales, een herdersgodin. De sopraan zingt, begeleidt door ‘herdersblokfluiten’:

Schafe können sicher weiden
wo ein guter Hirte wacht.
Wo Regente wohl regieren,
kan man Ruh und Friede spüren
und was Länder glücklich macht  

Schapen kunnen veilig grazen
daar waar een goede herder waakt.
Waar vorsten hun land goed besturen
zie je rust en vrede
en dat wat landen gelukkig maakt.


Het is één van Bachs meest geliefde aria’s bekend ook van uitvoeringen op piano (met Engelse titel ‘Sheep may safely graze’), bijvoorbeeld door de gebroeders Jussen. Dat maakt deze aria opmerkelijk: de context en afkomst van de aria binnen de Jachtcantate zal door het grootste deel van de luisteraars gemist worden. Daarbij is de tekst op zichzelf nog steeds actueel, met de oorlog in Oekraïne in gedachten.

https://youtu.be/xt3DEuw0wjM?t=32







Deel 4: ‘Mit verlangen’

Mit Verlangen
drück ich deine zarten Wangen
holder, schöner Hyazinth.
Und dein’ Augen küß ich gerne,
weil sie meine Morgensterne
Und der Seele Sonne sind.

Deze basaria is deel 5 van de cantate Geschwinde ihr wirbelnde Winde (BWV 201), ook bekend als de ‘dramma per musica’ Der Streit zwischen Phoebus und Pan. De cantate behandelt de Griekse mythe, de muzikale strijd tussen Phoebus en Pan. De sater Pan (met zijn fluit) daagt de god Phoebus (Apollo) met zijn lier uit. Wie zal de mooiste muziek maken? In deze strijd zingt Pan ‘Zu Tanze, zu Sprunge so wackelt das Herz’ een nogal platvloers lied, terwijl  Phoebus het lied ‘Mit Verlangen’ ten gehore brengt. Hij wint hiermee glansrijk.

Hyacinthus is een jonge Spartaan waar Phoebus verliefd op is. Hij sterft in de armen van Phoebus als hij bij een spel discuswerpen de discus op zijn hoofd heeft gekregen. Dat Bach ervoor gekozen heeft om Phoebus over Hyacinthus te laten zingen mag als zeer opmerkelijk gezien worden want hoe je het ook wendt of keert, het gaat in deze mythe over een homo-erotische relatie. In de Bach literatuur krijgt dit aspect nauwelijks de aandacht terwijl deze aria misschien wel het eerste expliciet homo-erotische lied uit de westerse klassieke muziekgeschiedenis is. En dat nog wel van Johann Sebastian Bach!

De aria ‘Mit Verlangen’ is één van Bachs mooiste basaria’s. De instrumentatie is breed: naast het continu spelen een viool 1, viool 2, altviool (allen ‘con sordino’, gedempt’) , traverso (fluit) en hobo d’amore (!). Gezamenlijk leiden deze instrumenten in een kalm en liefelijk samenspel de zangpartij in. Steeds neemt een ander instrument een versierinkje op zich, en zo gaat het de hele aria door.

Het is een aanrader om ‘Mit Verlangen’ via Youtube met een doorlopende partituur te beluisteren en te bekijken. Dan wordt nog beter zicht- en hoorbaar hoe Bach subtiel alle instrumenten laat samenwerken. Soms unisono dan weer aanvullend op elkaar of als echo en hoe ze uiteindelijk de stem van de bas de hele aria door omringen met warme klanken en eigen lijnen en soms muzikaal uitdrukken wat er letterlijk gezongen wordt. Zo wordt het ‘zacht tegen zich aandrukken’ uitgebeeld door achtereenvolgens de fluit, de hobo en de twee violen na elkaar steeds korte en dalende motiefjes te laten spelen die steeds lager klinken. Alsof de ander steeds dichter bij je komt.

Meer over deze aria en het verhaal over Phoebus en Hyacinthus:

https://wimfaas.com/2017/11/02/mit-verlangen-een-homo-erotische-aria-van-bach/




Deel 3: ‘Unter deinem Purpersaum’

Dit duet voor bas en sopraan is deel 4 uit de cantate Durchlauster Leopold (BWV 173a). Bach noemde het werk een Serenata. Het werd uitgevoerd op 10 december (waarschijnlijk 1723) ter gelegenheid van de verjaardag van Prins Leopold, Bachs broodheer in Köthen. Ook in deze huldigingscantate wordt de toegezongen persoon de hemel in geprezen. Daarbij ligt het voor de hand dat Bach en zijn vrouw zelf de zangpartijen voor hun rekening hebben genomen. Anna Magdalena was immers in dienst bij het hof.


Het duet ‘Unter deinem Purpursaum ist die Freude’ is uitzonderlijk in Bachs oeuvre. Een lied met drie strofen die achtereenvolgens door de sopraan, de bas en tweestemmig worden gezongen. Daarbij wordt per strofe ook de instrumentatie, de ritmiek (steeds snellere noten) en de toonsoort (G, D, A) aangepast.
Zoals vaak in Bachs feestcantates is veel muziek geënt op Franse hofdansen. Bij het genoemde duet noteerde Bach: tempo di menuetto.
Op 2e Pinksterdag 1724 kreeg de verjaardagscantate in Leipzig een tweede leven. Met nieuwe teksten, maar dezelfde muziek voerde Bach Erhöhtes Fleisch und Blut (BWV 173) uit, en werd deel 4 ‘So hat Gott die Welt geliebt’. Maar nu mocht Anna Magdalena niet meer meezingen…

Deel 2: ‘Unser trefflicher, lieber Kammerherr’

Deze korte sopraanaria is afkomstig uit de cantate ‘Mer hahn en neue Oberkeet’ (Saksisch dialect voor ‘we hebben een nieuwe overheid’, BWV 212), beter bekend als de ‘Boerencantate’. Feitelijk een ‘laat’ werk van Bach. Hij werd uitgevoerd op 10 augustus 1742 ter ere van de 36ste verjaardag van Carl Heinrich von Dieskau. De uitvoering vond plaats in Kleinzschorzen, een gehucht ten zuiden van Leipzig waar von Dieskau een landgoed had.
Een bord herinnert aan de gebeurtenis destijds:

Von Dieskau was directeur van de Leipzigger belastingen en had een belangrijke positie in het bestuur van het district. Onder de bewoners van het platteland was hij geliefd, vandaar wellicht het ‘decor’ van de cantate. Een boer en diens vrouw, die niet vies zijn van een vrijpartij en een borrel in het café, nemen hun landheer goedmoedig op de hak.

Unser trefflicher,
lieber Kammerherr
ist ein kumpabler Mann,
den niemand tadeln kann.

Onze voortreffelijke
geliefde landheer
is een capabele man
op wie niets valt aan te merken.

Het opmerkelijke is dat Bach de aria schreef op basis van ‘La Folia’. Een dansant muzikaal thema van acht maten op basis van vaste akkoorden. In heel Europa was dit deuntje bekend en talloze componisten hebben variaties geschreven op dit thema waaronder Lully, Corelli, Vivaldi en Handel. En ook Bach schaart zich dus in dit rijtje. Met een nieuwe melodie en gracieuze vioolpartij.

Beluister de aria via de volgende link:



https://www.youtube.com/watch?v=z5IIJ74b45I


Deel 1: ‘Weil die wollenreichen Herden’.

De aria voor sopraan is deel 14 van Bach’s ‘Jachtcantate’ Was mir behagt ist nur die muntre Jagt. Bach schreef deze gelukwenscantate in opdracht van zijn broodheer Willem Ernst von Sachsen-Weimar bedoeld voor de verjaardag van een naburige vorst, Christian von Sachsen-Weissenfels. Bach verzorgde zelf de uitvoering, waarschijnlijk tijdens een banket na een jachtpartij. Op een tekst van Salomon Franck keuvelen vier mythologische figuren over de jacht en de liefde om uiteindelijk de jarige vorst in verschillende aria’s de hemel in te prijzen. Zo ook in deel 14:

Weil die wollenreichen Herden, durch dies weitgepriesne Feld
lustig ausgetrieben werden, lebe dieser Sachsenheld!

Terwijl de wolrijke kudden, door dit alomgeprezen veld
vrolijk worden geweid, leve deze Saksische held!

Begeleid door het continuo speelt de cello als inleiding op de zangpartij een bourée. Alleen al als dit solo gespeeld zou worden (denk de andere instrumenten weg), zou het al passen in één van Bachs cellosuites. Dan volgt de sopraan met haar lied, terwijl de cello op de achtergrond vrolijk doordanst. Als de sopraan is uitgezongen, verwacht je als afsluiting een herhaling van de instrumentale opening. Die komt er ook, maar Bach voegt onverwacht een hobo en een viool toe, en wat dan volgt is een heerlijke variatie in canon-vorm op het bourée thema. Een vrolijk trio met echo-elementen. Ik ken geen aria van Bach die op deze creatieve wijze eindigt. Bach moet zelf ook met deze aria zijn ingenomen, want hij hergebruikte (en verbeterde) het later voor de aria ‘Mein gläubiges Herze, frohlocke’  uit de cantate Also hat Gott die Welt geliebt (BWV 68).

Himmelskönig sei wilkommen (BWV 182)

Mijn inleiding voor deze cantate (Utrecht, 2 april 2023) bestaat uit het voorlezen van een verslag van Bernard George Ulrich, fagottist van het hoforkest van Saksen-Weimar ten tijde dat Johann Sebastian Bach concertmeester was.
Helaas is het geen origineel verslag. Het fictief, doch wel op feiten gebaseerd.

*

25 maart 1714

Al een aantal jaren ben ik de fagottist van het hoforkest van Saksen-Weimar. Net als andere musici heb ik daarnaast een andere functie in het kasteel. Als lakei schrijf ik de brieven voor de hertog. De sfeer in het kasteel is helaas niet altijd even prettig. Hertog Willem-Ernst is een autoritaire vorst en hanteert strenge regels voor zijn personeel. In de winter moet iedereen bijvoorbeeld al om acht uur ’s avonds naar bed! En we moeten verplicht bijbelonderricht volgen.
Mijn grootste geluk haal ik uit het meespelen met het orkest onder leiding van hofkapelmeester Johann Drese. In het orkest zitten getalenteerde musici waarbij Johann Sebastian Bach er nog eens met kop en schouders bovenuit steekt. Hij is virtuoos op de viool, en natuurlijk ook geweldig als organist van de Himmelsburg, onze kapel. Prachtige orgelwerken heeft hij hier al laten horen. Vier dagen geleden werd hij negenentwintig jaar en juist deze maand heeft hij promotie gemaakt tot concertmeester van het orkest. Er wordt gefluisterd dat hij nu zelfs meer salaris ontvangt dan Johann Drese.
Bach moet nu iedere maand een cantate schrijven en uitvoeren en vandaag was dat de eerste keer. Dit was voor mij zo bijzonder dat ik er vanmiddag direct een uitgebreid verslag over heb geschreven.
 
We keken als orkestleden er naar uit waarmee Bach op de repetitie tevoorschijn zou komen. In eerste instantie was mijn teleurstelling groot toen hij meldde dat er geen partij voor de fagot was. Maar die teleurstelling sloeg om in enthousiasme toen hij me vroeg om solo te spelen op de blokfluit. Net als veel fagottisten en hoboïsten beheerste ik dat instrument ook. Voor de opening van de cantate had Bach een duet gecomponeerd voor viool en blokfluit. Als concertmeester zou hij zelf de vioolpartij spelen. Apetrots was ik, want ook in andere delen van de cantate zou ik een prominente partij krijgen.
De cantate was voor Palmzondag. Met puntig vioolspel opende Bach de sonate en na twee maten volgde ik hem met dezelfde melodie. De begeleiding bestond uit pizzicatospel van de strijkers. Wat een mooie muzikale verbeelding van Jezus’ intocht in Jeruzalem.
Dan volgde het openingskoor: ‘Himmelskönig sei wilkommen’. Een prachtige koorfuga voor de vier zangstemmen met een volgende verrassing voor mij: speelden de violen mee met de zangstemmen, ik mocht met mijn blokfluit een vijfde stem aan de fuga toevoegen en in het tweede deel zelfs boven alles uit soleren!
Na een kort recitatief kwamen er drie aria’s op teksten van Salomon Franck, hofdichter en bibliothecaris in Weimar en dus een goede bekende van mij. De strekking van de teksten is dat Jezus, die intocht houdt in Jeruzalem, ook ontvangen moet worden in ons eigen hart.
In de eerste aria speelde Bach de solo-viool terwijl de bas zong over de liefde van Jezus. Ik mocht even rust nemen en kon geboeid Bach observeren. Wat een heerlijk thema had hij gecomponeerd, en wat speelde hij dat lichtvoetig. Ik keek over het muziekbalkon naar beneden en zag de hertog tevreden knikken. Ja, hij heeft een goede zet gedaan om Bach promotie te geven. Misschien is hij morgen wel wat minder streng met zijn overhoringen van de preek van vandaag onder zijn hofpersoneel. Verschrikkelijk zijn die bijeenkomsten…
Ondertussen hield ik mijn blokfluit warm in mijn handen want in de volgende aria mocht ik soleren. Dit was voor mij toch wel heel speciaal. Voor een fagottist zijn solo’s immers zeldzaam. Een aria waarin de alt oproept om je klein te maken voor Christus en je leven aan hem te wijden. Zijn laagste noot viel steeds op het woord unter. Met alleen begeleiding van het continuo had Bach voor mij een eerbiedig thema op muziek gezet met steeds dalende tonenreeksen. Wat galmde mijn fluit prachtig door de Himmelsburg! In het snellere middendeel had Bach zelfs een paar virtuoze loopjes voor mij in petto. Ik voelde ik me volledig in mijn element. Na afloop van de aria ontving ik een dikke knipoog van Bach.
De derde aria voor tenor werd alleen begeleid door het orgel en de cello. Maar wat een bijzondere partij had Bach voor de cellist geschreven. Het volgen van Jezus is geen gemakkelijke opgave. Zou hij dat hebben willen uitbeelden?
De cantate eindigde met twee koorstukken. Wat liet Bach hierin ook weer zijn grote klasse zien. Eerst een bewerking van de koraalstrofe ‘Jesus, deine Passion’. Iedere regel werd door de verschillende koorstemmen gevarieerd ingeleid en uiteindelijk door de sopranen afgesloten met de eigenlijke melodie van de koraalregel. Een compositievorm die al heel oud is. De tekst is diepzinnig. Het lijden van Jezus is voor ons een vreugde. Eigenlijk kan ik er zelf niet bij. En toch deed het meespelen mij heel veel. Samen met Bach op viool speelde ik de melodielijn unisono met de sopranen mee. Ik voelde me opgenomen in een groot geheel.
Was dit één na laatste koordeel gedragen en ingehouden getoonzet, uit het slotdeel klonk één en al vrolijkheid. We mogen Jezus in vreugde volgen. Hij gaat voorop. Maar wie gaat vooraan in de hem volgende stoet? Bach heeft bedacht dat dat de fluitist is! Opgetogen introduceerde ik het stijgende motief van het slotkoor gevolgd door Bach op zijn viool en daarna de stemmen van het koor.

Zo was het vandaag een heerlijke Palmzondag.
We gaan inderdaad met vreugde de Stille week in. Op weg naar Goede Vrijdag, maar ook op weg naar Pasen.
De muziek van ‘Himmelskönig sei wilkommen’ zingt nog na in mijn hoofd, maar daarbij zit ook de gedachte: ‘Concertmeister sei wilkommen’. We zien uit naar nog heel veel muzikale scheppingen van jou. En op mijn fagot of op mijn fluit wil ik daar heel graag mijn bijdragen in hebben.

Bernard George Ulrich

*

Afbeelding: Wasili Wasin (Rusland): Intocht in Jeruzalem. Lindehout, vislijm, krijtpoeder, pigment, tempera, olieverf en bladgoud.

Jesus schläft, was soll ich hoffen                         

De cantate Jesus schläft, was soll ich hoffen (BWV 81) schreef Bach voor de vierde zondag na Epifanie en werd voor het eerst uitgevoerd op zondag 30 januari 1724. De schriftlezing was uit Mattheüs 8, het verhaal van de storm op het meer. Terwijl de discipelen denken dat het schip in het noodweer vergaat, slaapt Jezus.
De vierde zondag na Driekoningen. Dat is het vandaag ook. Kerst lijkt al weer een mensenheugenis geleden. Jezus kwam als Licht van de wereld op aarde. Er was hoop op vrede! Maar wat is er over van al dat optimisme? Het harde leven heeft zijn keer genomen. Waar is God? Slaapt hij? De kortgeleden overleden Margriet Eshuis zong het al: ‘The morningpaper is staring at my face, the headlines still the same. God is asleep, leaving the world to our trust’.
Jezus slaapt, terwijl de dood ons tegemoet snelt. Wat moet ik hopen?
Cantate 81 is een Blue-Monday cantate van het zuiverste soort…

Bij de opening van de cantate voel je direct de onrust en wanhoop. Een klagend, zelfs dreigend motief wat door de klank van de blokfluiten nog wordt versterkt. De slapende Jezus wordt door de alt muzikaal uitgebeeld met een laag en lang aanhoudend ‘Schläft’. En om het nog erger te maken: ook het woord ‘offen’ klinkt lang en doordringend. De open afgrond van de dood gaapt ons werkelijk aan en de steeds terugkerende afdalende loopjes van de cello wijzen ons precies in die richting.
‘God is asleep, and he has no time for us’.
Je vraagt je af hoe deze muziek tegelijk zo mooi kan zijn…

Met een sprong van een lage e naar een hoge f op ‘ferne’ maakt de tenor in het eerste recitatief duidelijk hoe ver God voor zijn gevoel van hem afstaat. Het zijn woorden uit psalm 10 wat ook duidelijk maakt dat dit een gevoel van alle tijden kan zijn. Nog even wordt herinnerd aan de ster die de Wijzen uit het Oosten de richting wees en is er de vraag om het licht van Gods’ ogen. Maar hij heeft zijn ogen toch gesloten?

En voor er een antwoord komt op deze vraag breekt het noodweer dan echt los. Code rood. Het wordt alle hens aan dek. Niet alleen voor de discipelen, maar zeker ook voor de dirigent en de orkestleden om in dit geweld koers te houden. Belial, de duivel himself, laat met pompende bastonen de golven tegen de wand van het schip beuken terwijl de strijkers met korte nootjes de schuimkoppen over de reling laten schieten. Ja, je moet sterk staan om dit geweld te trotseren.
In mijn werk in de psychiatrie maak ik regelmatig mee dat patiënten in een diepe depressie of psychose alle zeilen moeten bijzetten om hun hoofd boven water te houden.
Wat het dan nog moeilijker maakt is dat steun en betrokkenheid van familie of hulpverlening, die er wel is, moeilijk ervaren kan worden. En als het geloof in God altijd een steunende factor was, kan dat opeens helemaal weg zijn. Dan is het wel heel donker.

Centraal in de cantate komt dan eindelijk de bas aan het woord met woorden uit het evangelie van de inmiddels opgestane Christus. De vraag uit het recitatief ‘waarom bent u zover weg’ wordt beantwoord met een tegenvraag: ‘waarom ben je zo bevreesd?’. Twaalf keer klinkt het woord ‘warum’, voor elk van de twaalf discipelen in het schip. De vraag krijgt zo een heel persoonlijk karakter.

Nog voor we een antwoord op deze vraag kunnen bedenken treedt Jezus op tegen het duivelse geweld. Weer horen we de golven torenhoog op ons afkomen; in de zangpartij prachtig uitgebeeld met eerst een hoge g op ‘Meer’, (zee) en de tweede keer op een lage g. Maar daar tussendoor klinken nu ook strijdbare hobo’s die de gebiedende zang van de bas ondersteunen: ‘Schweig, aufgetürmtes Meer!’
Hoewel het misschien mooi zou zijn maakt Bach er niet echt opera van door de aria te laten eindigen in een kalme zee. Conform het stramien van de da-capo aria eindigt dit deel dan ook weer zoals het begon.

Dat de storm is gaan liggen blijkt uit het laatste recitatief. De alt, in de eerste aria nog vol wanhoop, heeft de rust en het vertrouwen hervonden.

Dit vertrouwen klinkt ook door in het slotkoraal, een strofe uit het bekende koraal Jesu meine Freude van Johann Franck.  De tekst maakt duidelijk: in het leven van de mens kunnen stormen hevig woeden. Dat is onze tijd niet anders. Zeker ook bij jonge mensen. Maar je kan het volhouden en er door heen komen door verbinding te houden met God en/of met mensen om je heen.
Laat je bijstaan, laat je beschermen.

Ik wil afsluiten met het slot van het lied wat Claudia de Breij zong op oudejaarsavond, waarin ze suïcidale jongeren toezingt:

Het is nog nooit
Nog nooit zo donker geweest
Of ’t werd altijd wel weer licht

Het is nog nooit
Nog nooit zo donker geweest
Of ’t werd altijd wel weer licht

x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x

Nederlandse vertaling (Ria van Hengel)

1. Aria (A)

Jezus slaapt, wat moet ik hopen?
Zie ik niet met doodsbleek gezicht
de afgrond van de dood al open?

2. Recitatief (T)

Heer, Waarom blijft u zo ver weg?
Waarom verbergt gij u in de tijd van de nood, nu alles mij dreigt met een ellendig einde?
Ach, raakt mijn nood uw ogen niet, die anders toch nooit sluimeren?
U wees destijds toch met een ster de pasbekeerde wijzen de goede weg te nemen.
Ach, leid mij met behulp van het licht van uw ogen omdat deze weg een en al gevaar belooft.

3. Aria (T)

De schuimende golven van Belials beken verdubbelen het woeden.
Een christen moet wel als een bolwerk staan als winden van tegenspoed om hem heen gieren,
maar de aanstormende vloed probeert de krachten van het geloof te verzwakken.

4. Arioso (B)

Gij kleingelovigen, waarom zijt gij zo bevreesd?

5. Aria (B)

Zwijg, torenhoge zee! Verstom, storm en wind!
Laat het afgelopen met je zijn, opdat geen ongeluk ooit mijn uitverkoren kind verwondt.

6. Recitatief (A)

Gelukkig, mijn Jezus spreekt een woord mijn helper is ontwaakt,
dan moeten de storm van de golven, de nacht van het ongeluk en alle smart verdwijnen.

7. Koraal

Onder uw hoede
ben ik vrij tegenover de stormen
van alle vijanden.
Laat de satan woeden,
laat de vijand  tieren,
Jezus staat mij bij.
Of het nu dondert en bliksemt,
of zonde en hel mij nu angst aanjagen,
Jezus wil mij beschermen.

Een gedicht van Johann Sebastian

Uitgelicht


In 1725 gaf Bach Anna Magdalena een notenboekje. Op het kaft tekende hij haar initialen: AMB. Hij noteerde op de eerste pagina’s een aantal stukken van hemzelf, maar verder was het boekje nog leeg. Naast Bach schreef vooral Anna Magdalena er stukjes in; klavierstukken, liederen en koralen. Ook verschillende kinderen hebben er een bijdrage in gehad. Muziek ook van andere componisten: bijvoorbeeld Couperin, Telemann en zoon Carl Philipp Emanuel. Van een paar menuetten en polonaises is niet eens vastgesteld wie de componist is. Zou Anna Magdalena zelf de schepper van deze dansjes zijn geweest?
Een ander – en nauwelijks onderzocht of bediscussieerd – item is het zogenaamde ‘Hochzeitsgedicht’ achter in het boekje. Overdwars noteerde Anna Magdalena (dat is zeker) twee strofen van een gedicht:

Ihr Diener, werthe Jungfer Braut,
Viel Glücks zur heutgen Freude!
Wer sie in ihrem Kränzchen schaut
Und schönen Hochzeit-Kleide,
Dem lacht das Herz vor lauter Lust
Bei ihrem Wohlergehen;
Was Wunder, wenn mir Mund und Brust
Vor Freuden übergehen.

Cupido, der vertraute Schalk,
Läßt keinen ungeschoren.
Zum Bauen braucht man Stein und Kalk,
Die Löcher muß man bohren,
Und baut man nur ein Hennen-Haus,
Gebraucht man Holz und Nägel,
Der Bauer drischt den Weizen aus
Mit groß und kleinem Flegel.

Zeker is het natuurlijk niet, maar het lijkt toch zeer aannemelijk dat, als Anna Magdalena dit in haar boekje heeft geschreven, dit gedicht op haar bruiloft is voorgedragen door Johann Sebastian Bach zelf. Het is immers de bruidegom die de bruid toespreekt. Bach trouwde op 3 december 1721 met Anna Magdalena nadat anderhalf jaar eerder zijn eerste vrouw Maria Barbara overleed.
Een letterlijke vertaling van het gedicht:

Uw dienaar, gewaardeerde juffrouw bruid
Veel geluk gewenst bij de vreugde van vandaag!
Degene die haar aanschouwt met haar haarkrans
En in het mooie huwelijkskleed,
Die lacht het hart van plezier
Bij haar welzijn.
Het is dus geen wonder als mond en borst mij
Voor vreugde overvloeien.

Cupido, de bekende grappenmaker
Laat niemand ongemoeid.
Om iets te bouwen heb je steen nodig en kalk
De gaten moet je boren.
En ook al bouw je slechts een kippenhok
Heb je hout nodig en spijkers
De boer dorst het tarwe
Met een grote en een kleine dorsvlegel (1)

Door de letterlijke vertaling verdwijnt het rijmschema. Duidelijk is dat we in de eerste strofe kennismaken met een gelukkige bruidegom. In strofe twee komt het liefdesgodje Cupido even om de hoek kijken waarna er een aantal stellingen volgen die iets willen suggereren dat je niets begint als je niet de juiste spullen hebt. Het lijkt er dan op dat er nog een afrondend derde couplet moet zijn maar dat wordt gemist. De kleine dorsvlegel slaat het gedicht figuurlijk dood. Was er een derde (en misschien zelfs vierde strofe)? Je zou het toch zeggen. In de Bachliteratuur wijdt alleen Phillip Spitta hier enige woorden aan: ‘wir werden den Verlust des Weiteren verschmerzen können‘ (we zullen het verlies van het vervolg moet aanvaarden). Spitta vermoedt verder dat de tekst van een Cöthener gelegenheidsdichter moet zijn geweest. Maar zou Bach zelf niet de dichter zijn geweest? Het gedicht is – behalve in het notenboekje – nergens gepubliceerd.
Zou Anna Magdalena de vervolgstrofen misschien op een inlegvel hebben geschreven? De ruimte onder strofe twee was in elk geval te klein voor een geheel nieuwe strofe. In het notenboekje bevonden zich meer inlegvellen, maar deze is dan verloren gegaan. Hoe dan ook, we moeten het met deze twee strofen doen en mogen fantaseren dat Johann Sebastian ze op 3 december 1721 heeft voorgedragen aan Anna Magdalena.
En omdat die derde strofe zo gemist wordt heb ik hem – kruipend in de huid van Bach – teruggehaald, en ook de bekende twee strofen eigentijds in het Nederlands berijmd.
Voor Anna Magdalena.

Ik ben van jou, mijn kostbare bruid
Wat een geluk vandaag, en blijdschap
Met je haarkrans zie je er stralend uit
In je trouwjurk ben je meer dan knap
Ja, ieder die lacht van louter vreugd
Vanwege jouw blinkende schoonheid
Wat doet mij dit geweldig deugd
Ik stroom over van liefde en blijheid

Cupido, die bekende schalk
Zal iedereen eens storen
Om te bouwen gebruik je stenen en kalk
Gaten zal je moeten boren
Ook al bouw je slechts een kippenhok
Zonder hout en spijkers krijg je het niet gedaan
En met zijn grote en kleine vlegel-stok
Dorst de boer zijn korrels graan.

Ja, zonder balgentreder blijft een organist
Verstoken van wind en kan niet spelen
En zonder strijkstok kan de violist
Zijn muziek helaas nooit delen
Maar Cupido heeft raak geschoten
Ik was alleen, kreeg jou als vrouw
Dus zing ik op mijn mooiste noten:
Liefste bruid, ik hou van jou!

(1) Vertaling S. Skambraks

Schwingt freudig euch empor

Tijdens advent klonken er in Leipzig geen cantates. De periode gold als een tijd van inkeer en daar paste soberheid bij. Alleen op de eerste zondag van advent, wat ook de eerste zondag van het kerkelijk jaar is, klonk er een cantate. En juist deze waren ver van sober. Ook cantate 36 stroomt over van vreugde en levendigheid. Je wordt al vrolijk van de eerste woorden, vrij vertaald: ‘dans vrolijk omhoog’. De hele cantate, zowel tekstueel als muzikaal zit vol beweging en muziek.
Bach heeft de muziek van de cantate oorspronkelijk geschreven als een gelukwenscantate voor een collega van de Thomasschool en later heeft hij hem nog weer gebruikt voor andere gelukswenscantates. Uiteindelijk bewerkte hij de compositie voor een adventscantate. Bachs tekstschrijver schreef nieuwe teksten op het openingskoor en de twee aria’s, terwijl de recitatieven werden vervangen door kerkliederen die passen bij de adventstijd.  De enigszins luchtige toon die bij een gelukwenscantate past bleef bestaan, en dat past zeker ook bij advent: de gelovigen worden gelukgewenst met de komst van hun redder.
De cantate mag beluisterd worden met de schriftlezing van de zondag in het achterhoofd. Het verhaal van Jezus’ intocht in Jeruzalem waarbij omstanders hem met ‘Hosanna in de hemel’ begroeten en daarbij zwaaiden met palmtakken. ‘Schwingt freudig euch empor’ laat zich moeilijk letterlijk vertalen. Gangbaar is de vertaling: ‘Verhef je vol blijdschap’, ‘zu der erhebnen Sternen’, naar de verheven sterren’. Hier wordt dan het woord ‘schwingen’ echter genegeerd, terwijl dit toch ook de betekenis heeft van heen en weer bewegen en dat sluit mooi aan bij het zwaaien met palmtakken. In een Engelse vertaling wordt ‘Schwingt’ met ‘soar’ vertaald, zweven. Hoe dan ook, het orkest speelt en het koor zingt in vrolijk stijgende lijnen omhoog richting de sterren. Tussendoor wordt er met een ‘Haltet ein’ even ingehouden. Wij hoeven niet richting Jezus te gaan, hij komt zelf naar ons toe. Daarna wordt het ‘Swingt freudig’ herhaald.

In een mooi arrangement, zoals we dat tegenwoordig noemen, klinkt in deel twee de eerste strofe van ‘Nun komm der Heiden Heiland’, een lied wat zijn oorsprong heeft in de middeleeuwen en door Luther in het Duits is hertaald. Bach zet hier alleen sopranen en alten in. We horen telkens eerst een zin die daarna meerstemmig wordt uitgewerkt tot een prachtig vlechtwerk waar ook de hobo’s zich als derde stem in mengen.

In deel drie wordt een nieuw beeld ingebracht: de bruid die wacht op haar bruidegom en door zijn liefde naar hem toegetrokken wordt.  De bruid moet dan gezien worden als de Christelijke gemeente en de bruidegom als Christus zelf. De tenor zingt dit liefelijke, dansante lied begeleid door – hoe kan het ook anders – een hobo d’amore.

Met de vierde strofe van het adventslied ‘Wie schön leucht die Morgenstern’ eindigt het eerste deel van de cantate. Een loflied op de bruidegom en op het leven met hem. Speel op de snaren, jubel en juich, zing en spring. Alhoewel het koraal muzikaal eigenlijk gedragen is getoonzet, klinkt uit de tekst een en al swing!

Na de preek wordt dan het tweede deel van de cantate uitgevoerd. De bas, die hier model staat voor de gelovige, verwelkomd Jezus in zijn hart. Strijkers omlijsten met vergelijkbare muzikale lijnen als in het openingskoor deze aria.

Met de tenoraria komt er even een andere toon in de cantate en wordt er ook nog een nieuw beeld geïntroduceerd. Christus die als overwinnaar uit de strijd komt en ons zondige mensen van het ‘zieke vlees’ heeft gered. Het is het zesde couplet van ‘Nun komm der heiden Heiland’ en passend bij de tekst wordt dit nu krachtig en strijdlustig gebracht. De twee hobo’s spelen triomfantelijk en beelden de overwinning al uit. Er wordt nu niet gezwaaid met palmtakken maar met de overwinningsvlag!

Maar net als bij het ‘Haltet ein’ in het openingskoor wordt weer even gas teruggenomen. Advent is toch ook inkeer en verstilling. Zich bewust van haar zwakheid overdenkt de sopraan dat God ook geloofd kan worden met een zwakke, gedempte stem. Als het maar vervuld is van de Geest, dan wordt het in de hemel gehoord. Met allerlei echo-effecten is het een prachtig duet tussen viool en sopraanstem. Bachs tekstschrijver heeft er voor gezorgd (vast en zeker in opdracht van Bach) dat het woord ‘schallet’, wat ook in de gelukswenscantates voorkwam, op dezelfde plek bleef staan. Een mooie klankschildering kon zo blijven klinken.

Met het slotkoraal horen we de achtste en laatste strofe van ‘Nun komm der heiden Heiland’. ‘Lob sei Gott, dem Vater, ton’. Het laatste woordje moet eigenlijk ‘g’tan’ zijn, God zij lof gegeven, maar is vanwege de rijm aangepast.

Schwingt freudig euch empor.
Verhef je vol blijdschap.
Dans vrolijk omhoog.
Zweef opgetogen richting de sterren.
Hoe je het ook vertaald, met Bachs muziek worden we sowieso een beetje opgetild en lijkt het feest van kerst al op eerste advent te beginnen.

Inleiding gehouden op 20 november 2022 tijdens Cantatedienst in de NoorderLichtkerk te Zeist. Uitvoering door Barokensemble Zeist o.l.v. Paulien Kostense.