De Profundis

Aus der Tiefen rufe ich, Herr, zu dir (BWV 131)

Wat is het toch verleidelijk om te fantaseren over Bachs jonge jaren. Op zijn tiende verloor hij zijn ouders. Hij ging inwonen bij zijn oudere broer in Ohrdruf. Vanaf dat moment komt er hier en daar wat informatie over zijn leven en ontwikkeling als musicus naar boven. Maar die eerste tien jaar. Behalve zijn naam op afwezigheidslijsten van de Latijnse school, is er niets bekend over Bachs vroege jeugd. Die regelmatige afwezigheid (van halve dagen) wordt wel uitgelegd dat hij zijn vader zou hebben moeten assisteren bij muziekuitvoeringen. Zijn eerste muzieklessen zal hij hebben gehad van zijn vader, Ambrosius. Hij was stadsmuzikant, maar geen componerend musicus. Zijn vaders volle neef, Johann Christoph was dat wel. Hij was organist in de Georgenkirche te Eisenach waar Johann Sebastian gedoopt werd.
In deze kerk hoorde Bach voor het eerst grote orgelwerken. Van zijn oudoom zelf en van Buxtehude. En hij hoorde door zijn oom gecomponeerde motetten. Hij zong ze zelf mee in het kerkkoor, toen hij wat ouder was. Muziek, nog in de oude barokstijl. Veel muziek van Johann Christoph Bach is vanwege Johann Sebastian Bach bewaard gebleven. Hij noemde zijn oudoom de ‘Profunde’ componist, de diepzinnige. Dat is bijzonder. Meestal noemen we teksten als diepzinnig. Maar muziek kan dat ook zijn. Het betekent dat er lagen schuilen onder datgene van wat je als eerste hoort. Dat er betekenis achter de noten zit. Dat de muziek iets verteld waarin je je eigen verhaal kan vinden.

De Profundis is ook de Latijnse titel van psalm 130. Uit de diepte roep ik tot U. Het is een Pelgrimslied, een gebed tot God om vergeving van zonden. Bach was tweeëntwintig jaar toen hij van een predikant in Mühlhausen, waar hij organist was, de opdracht kreeg om op deze psalm een motet te schrijven (het woord cantate was toen nog niet gangbaar). De aanleiding hiervan was waarschijnlijk een boetedienst nadat een brand een groot deel van de stad in de as had gelegd.
‘Aus der Tiefen’. Wat heeft de psalmdichter met deze aanduiding willen aangeven? Een diep dal, waar de pelgrim doorheen trok, zoals psalm 121 spreekt over een berg: ‘ik hef mijn ogen naar de bergen’? Meer gangbaar is de uitleg dat ‘de diepte’ staat voor de gemoedstoestand van de dichter. Psalmberijmingen maken er dan ook dikwijls ‘uit diepten van ellende van’ en dan worden woorden als angst en leed toegevoegd. De omdichting die Luther van deze psalm maakte: ‘Auf tiefer Not schrei ich zu dir’ heeft misschien wel aan de basis gestaan van deze interpretatie. Maar toch: woorden als angst, nood of jammerklacht komen niet letterlijk in psalm 130 voor.
Zou je er ook anders naar kunnen kijken? Dat ‘de diepte’ staat voor de diepgang die de pelgrim tijdens zijn pelgrimage bereikt in het kijken naar zichzelf en God? Dat hij zich realiseert hoe klein en kwetsbaar de mens is, hoe hij dikwijls faalt en fout zit. Maar dan ook tot het diepe besef komt hoe groot God is, groot van genade en liefde. Zou Bach ook zo naar deze tekst gekeken hebben? Als ik naar zijn muzikale bewerking van de psalm luister, hoor ik zeker geen angst en nood maar vooral vertrouwen en dankbaarheid. Dan is Bachs openingskoor van de koraalcantate van het Lutherlied Auf tiefer Not schrei ich zu dir (BWV 38) veel zwaarder van karakter.

De cantate, of beter gezegd, het motet Aus der Tiefen schrei ich, Herr, zu dir  behoort tot de zogenaamde vroege cantates van Bach. Die zijn in de stijl die hij kende van werken van zijn oom Johann Christoph of van Dietrich Buxtehude die hij nog maar kort geleden in Lubeck had bezocht. Belangrijkste kenmerk is dat het vaak doorlopende werken zijn waarbij elke zin of tekstgedeelte een eigen, passende bewerking krijgt. Motet is dan ook afkomstig van het Franse woord ‘mot’ wat woord betekend. Nog geen Italiaans georiënteerde cantates dus met aria’s, recitatieven en een slotkoraal. Daar zou Bach later in Weimar mee beginnen.
We zien een voor Bach herkenbare gestructureerde opbouw: na een instrumentale opening volgt een vierstemmig koor, dan een combinatie van een solo en een koraal, dan weer een koor, wederom een solo samen met een koraal en tenslotte weer een koor.
Met een afdalende reeks noten zetten violen en hobo’s in de instrumentale opening direct een ingetogen sfeer neer. Het koor neemt dit over waardoor er werkelijk ‘uit de diepte’ wordt geroepen. Die roep gaat omhoog en klinkt steeds hoger boven de diepte uit. Deze maten, voor mij behoren ze tot het mooiste wat Bach heeft gecomponeerd.
Dan wordt plotseling het volume en het tempo opgevoerd. Het wordt menens. ‘Heer hoor mijn stem, luister naar mijn gesmeek’. De woorden klinken eerst meerstemmig en gaan dan over in een fuga, de stemmen volgen elkaar op, en komen op het laatst weer samen.
Wat volgt is een bekentenis over de zondigheid van de mens en de vergevingsgezindheid van God. Terwijl de bas dit zingt en de hobo de woorden steeds kunstig omspeelt, zingen de sopranen een couplet van een koraal uit het lied ‘Herr Jesu Christ, du höchstes Gut’ van Bartholomeus Ringwaldt. Vanuit het Oude Testament, waar de psalmen uit afkomstig zijn, wordt zo de lijn doorgetrokken naar het Nieuwe Testament waarin beschreven is dat Jezus door zijn lijden en sterven de zonden draagt van de mensen.
In het volgende deel reageert het koor hier op. Met ontzag en verlangen wordt uitgezien naar de Heer. Net als in het voorgaande deel wordt eerst meerstemmig gezongen en daarna in een fuga. Tussendoor blijft de hobo het geheel versieren.
Slechts begeleidt door klavecimbel en de cello, die voortdurend een zelfde thema herhaalt, zingt vervolgens de tenor over het wachten op de Heer. Het is een lang, geduldig wachten waarin ruimte is voor overdenking en verdieping. In de cantate wordt dat ingevuld door een tweede strofe uit het koraal mee te laten klinken. Ditmaal gezongen door de sopranen. Het eindigt met het noemen van Manasse en David. Zij waren koningen in Israël die tot inkeer kwamen nadat ze ernstig in de fout waren gegaan.
Het laatste deel opent met een tot drie keer toe luide oproep tot Israël. Voor Israël mag je theologisch gezien ook de wereld lezen. Iedere zin krijgt weer een eigen muzikale bewerking. Opvallend is dan het sobere ‘denn bei dem Herrn ist die Gnade’. Misschien vanwege de stille verwondering hierom? Of wil Bach nog iets anders uitdrukken: want ja, je kunt bevrijd worden, genade ontvangen; veel pijn of verlies zal daaraan vooraf zijn gegaan en dat kan blijvend worden gevoeld. Bach negeert dit niet.
Zo brengt Bach met zijn accenten steeds verdieping aan in de tekst.  De hele cantate door. En als de tekst van de psalm je om wat voor reden ook minder zegt, dan geeft Bach ook de gelegenheid de muziek voor zichzelf te laten spreken en er je eigen verhaal aan te koppelen.
Zo is Johann Sebastian Bach, net als zijn oudoom, zelf ook een ‘profunde’ componist. Misschien wel de meest diepzinnige.

Zeist, 2 november 2025. Bij de uitvoering in de NoorderLichtkerk door Barokensemble Zeist o.l.v. Paulien Kostense.

Wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden

Uitgelicht

Inleiding BWV 47 – Bachcantates Utrecht, 5 okt. 2025

Cantate 47, Wer sich selbst erhöhet, der soll erniedriget werden, schreef Bach voor de 17e zondag na Trinitatis en werd voor het eerst uitgevoerd op 13 oktober 1726. De cantate is gebaseerd op de evangelielezing voor die zondag uit Lucas 14. Die gaat als volgt: Hij (Jezus) vertelde de genodigden een gelijkenis, want Hij had gezien hoe ze ereplaatsen voor zichzelf kozen. Hij zei tegen hen: ‘Wanneer u door iemand wordt uitgenodigd voor een bruiloft, kies dan niet de ereplaats, want misschien is er wel iemand uitgenodigd die voornamer is dan u, en dan moet de gastheer tegen u zeggen: “Sta uw plaats aan hem af”.  Dan zult u beschaamd de minste plaats moeten innemen. Als u wordt uitgenodigd, kies dan de minste plaats, zodat uw gastheer tegen u zal zeggen: “Vriend, kom toch dichterbij”. Dan wordt u eer betoond ten overstaan van iedereen die samen met u aanligt. Want wie zichzelf verhoogt zal worden vernederd, en wie zichzelf vernedert zal worden verhoogd.’
Deze laatste zin vormt de tekst van het magistrale openingskoor. Want hoewel de tekst oproept om de hoogste bescheidenheid in acht te nemen, muzikaal gezien doet Bach dat zeker niet. We horen een uitgebreide instrumentale opening waarbij violen en hobo’s met elkaar concerteren. In het koorgedeelte wat hier op volgt lijkt Bach alle muzikale middelen uit te buiten om de tekst weer te geven. Zoals zo vaak neemt hij de fuga als uitgangspunt, beginnend met de tenoren. Als ook de alten, sopranen en bassen zijn ingehaakt neemt de hobosectie nog een vijfde stem op zich. Natuurlijk wordt het ‘erhöhet’ getoonzet met opgaande lijnen en het ‘erniedriget’ met dalende. Maar Bach maakt het nog fraaier als hij de zinsneden tegelijk laat zingen waardoor je tegelijk stijgende en dalende muzieklijnen hoort. De fugatische delen worden steeds beëindigd met de woorden nog een keer gelijktijdig harmonisch getoonzet waardoor de boodschap nog een keer goed hoorbaar is en in de oren van de luisteraars kunnen worden geknoopt.
Wat volgt zijn drie delen waarvan de tekst afkomstig is van ene Johann Friedrich Helbig. Het is een oproep om nederig te zijn en de duivelse hoogmoed en trots ver achter je te laten. In het recitatief krijgen we een ouderwetse donderpreek over ons heen over de slechtheid van de mens. De mens is Kot, Staub, Asch und Erde. Stront, stof, as, zand. Ga je schamen, trots schepsel, doe boete!
Je kan je afvragen of Bach blij is geweest met deze uitwerking van de Bijbeltekst. Friedrich Helbig schreef een jaargang cantate libretto’s maar Bach heeft na deze ene keer nooit meer teksten van hem gebruikt. Wellicht kon hij zich toch niet zo in zijn teksten vinden.
De muziek die Bach bij deze delen heeft geschreven zijn gelukkig van honing, goud, saffraan en kristal om maar even in aardse metaforen te blijven. In de eerste aria zingt de sopraan ingetogen en liefdevol dat een ware Christen deemoed moet nastreven en dat deemoed is steeds laag getoonzet. De sfeer van de aria slaat even om als de hoogmoed aan de orde komt. Het ritme veranderd en er klinken koude, hoge noten op Hoffart/hoogmoed en de viool klinkt met z’n felle nootjes ook afkeurend. Knap hoe Bach deze twee eigenschappen herkenbaar verklankt. De aria wordt kunstig omspeeld door de viool met voor- tussen- en naspel. De organist zal vanavond misschien teleurgesteld zijn, want bij de eerste uitvoering van de cantate koos Bach bij deze partij voor het orgel. Voor onze organist vanavond is dit dan een les in nederigheid. En laten we hopen dat onze eerste violist zal waken voor hoogmoed.
Na het strenge recitatief volgt als reactie hierop de wat kortere slotaria waarin de gelovige zich tot Jezus richt. Buig mijn hart, laat mij deemoedig zijn. Wederom een vriendelijk gezongen aria met – zoals we van Bach gewend zijn – mooie toonschilderingen op ieder belangrijk woord. Opvallend is hoe de viool opent met het thema en vervolgens de hobo en daarna de bas dit thema overneemt. Zou Bach hiermee iets hebben willen uitdrukken van het navolgen van Jezus? Als Zoon van God vernederde Hij zichzelf tot mens. Hij wilde niet heersen maar dienen en zo waste hij bijvoorbeeld de voeten van zijn discipelen. In de cantate gaat het steeds om deemoed, een woord wat verwant is aan dienstbaar zijn. Zo roept Jezus op om hem in dienstbaarheid te volgen.
Met zijn muzikale uitwerking van de tekst lijkt Bach een veel mildere boodschap uit te dragen dan de dreigende teksten van Helbig letterlijk verklaren. Je voelt dat Bach iets anders wil zeggen: een mooi schepsel ben je. Kijk alleen al hoe schitterend je muziek kan maken of hoe je van mooie muziek kan genieten. En je bent nog het mooist als je niet jezelf voorop stelt, maar als je er wil zijn voor de ander.
 
Gisteren was het 4 oktober, Dierendag, gekozen vanwege de sterfdag van Franciscus van Assisi. De monnik die preekte voor de vogels. Hij brak met zijn rijkeluis leven en besloot zijn toekomstplannen om ridder te worden te wijzigen in het zo concreet mogelijk na gaan volgen van Jezus. Voor hem betekende dat in armoede gaan leven, het afleggen van bezittingen en dienstbaar te zijn aan armen, zieken en achtergestelden. Zijn beweging noemde hij de Minderbroeders. De Minrebroedersstraat bij het Janskerkhof herinnert nog aan het klooster van de Minderbroeders wat daar lang geleden heeft gestaan. Maar Franciscus had – in tegenstelling tot onze dichter Friedrich Helbig – zeker geen negatief mensbeeld. In zijn Zonnelied bezingt hij de lof op de Schepping waar de mens onderdeel van is. Alles en iedereen zag hij als zijn broeder en zuster. Broeder zon, zuster maan. Ook ieder mens zag hij als zijn broeder of zuster. Hij verpleegde melaatse mensen – de onaanraakbaren – en hij ging tijdens een van de kruistochten mee naar het Midden-Oosten om in gelijkwaardigheid het contact te zoeken met een Islamitische leider. Ook hem zag hij als zijn broeder. Vanuit wederzijds respect spraken ze over hun geloof en onderzochten ze wegen tot vrede. Holland Baroque brengt volgende maand een programma over deze geschiedenis: Franciscus en de Sultan.
Na zijn dood werd Franciscus snel heilig verklaard… ‘Wie zichzelf vernedert zal worden verhoogd’.

Ik wil eindigen met een sprookje wat ik Claudia de Breij eens hoorde vertellen.
In een kasteel moest de hofhouding heel hard werken voor de koning, koningin, prins en prinsessen.
Een dienstmeisje mocht een wens doen bij een toverfee en wenste ook een prinses te zijn. Dat gebeurde. Zo hoefde zij nooit meer te werken en werd ze in alles gediend.
Maar een volgend dienstmeisje mocht ook een wens doen, en wenste hetzelfde. Ook zij werd prinses en ze werd gediend door het personeel. Het overgebleven dienstpersoneel moest steeds harder werken, maar steeds was er de fee weer en kon er iemand een wens doen, en iedereen wenste ook prins of prinses te zijn om zo gediend te kunnen worden.
Op het laatst was er nog één dienstmeisje over maar gelukkig kwam ook de fee bij haar langs en ook zij wenste prinses te zijn en dat gebeurde.
Toen was er geen bedienend personeel meer over en werd het haat en nijd in het kasteel want iedereen eiste gediend te worden en men vond van de ander dat die dat moest doen. Er bleef niets van het kasteel over.
Het is een sprookje. Maar toch. Als iedereen koning is, is eigenlijk niemand koning en draait het uit op oorlog. Maar als iedereen dient is iedereen ook koning want iedereen wordt gediend en is het vrede.
Het is de boodschap van de cantate: wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden.
En of u nu op de beste plek vooraan zit of als laatkomer helemaal achterin, u wordt door het koor en orkest van Bachcantates Utrecht gelijkelijk bediend met deze prachtige cantate van Johann Sebastian Bach. Verhoogt u ze straks met een lovend applaus.

1. Koor
»Wer sich selbst erhöhet,Wie zichzelf verhoogt,
der soll erniedriget werden,die zal vernederd worden,
und wer sich selbst erniedriget,en wie zichzelf vernedert,
der soll erhöhet werden.«die zal verhoogd worden.
2. Aria (S)
Wer ein wahrer Christ will heißen,Wie een ware christen wil heten
muß der Demut sich befleißen,die moet deemoed nastreven,
Demut stammt aus Jesu Reich.deemoed stamt uit het rijk van Jezus.
Hoffart ist dem Teufel gleich.Hoogmoed is als de duivel,
Gott pflegt alle die zu hassen,God haat iedereen
so den Stolz nicht fahren lassen.die zijn trots niet wil opgeven.
3. Recitatief (B)
Der Mensch ist Kot, Staub, Asch und Erde;De mens is drek, stof, as en aarde,
ists möglich, daß vom Übermut,hoe is het mogelijk dat hij toch
als einer Teufelsbrut,door overmoed, dat product van de duivel,
er noch bezaubert werde?wordt betoverd?
Ach, Jesus, Gottes Sohn,Ach, Jezus, de Zoon van God,
der Schöpfer aller Dinge,schepper van alle dingen,
ward unsertwegen niedrig und geringe,is ter wille van ons laag en gering geworden,
er duld’te Schmach und Hohn;hij duldde smaad en hoon;
und du, du armer Wurm,en jij, arm schaap,
suchst dich zu brüsten?probeert een hoge borst op te zetten,
Gehört sich das vor einen Christen?past dat een christen?
Geh, schäme dich, du stolze Kreatur,Ga je schamen, trots schepsel,
tu Buß und folge Christi Spur;doe boete en volg het spoor van Christus;
wirf dich vor Gott im Geiste gläubig nieder!werp je in de geest gelovig voor Christus neer,
Zu seiner Zeit erhöht er dich auch wieder.op zijn tijd zal hij je ook weer verhogen.
4. Aria (B)
Jesu, beuge doch mein HerzeJezus, buig toch mijn hart
unter deine starke Hand,onder uw sterke hand,
daß ich nicht mein Heil verscherzezodat ik mijn heil niet vergooi
wie der erste Höllenbrand.zoals de eerste hellebrand dat heeft gedaan.
Laß mich deine Demut suchenLaat me naar uw deemoed streven
und den Hochmut ganz verfluchen.en de hoogmoed volledig vervloeken.
Gib mir einen niedern Sinn,Geef mij een nederige geest
daß ich dir gefällig bin!zodat ik u behaag!
5. Koraal
Der zeitlichen Ehrn will ich gern entbehrn,Ik geef tijdelijke eer graag op,
du wollst mir nur das Ewge gewährn,als u mij slechts het eeuwige wil schenken,
das du erworben hastdat u hebt verworven
durch deinen herben, bittern Tod.door uw harde, bittere dood.
Das bitt ich dich, mein Herr und Gott.Dat bid ik u, mijn Heer en God.
  
Libretto: Johann Friedrich HelbigVertaling: Ria van Hengel

Cantates voor de zondag vóór – en voor Hemelvaartsdag

NoorderLichtkerk Zeist, 25 mei 2025

Vanmiddag luisteren we naar twee cantates die Bach voor dezelfde week componeerde: Wahrlich, wahrlich ich sage euch (BWV 86), voor de zondag vóór Hemelvaart en Wer da gläubet und getauft wird (BWV 37) voor Hemelvaartsdag zelf. De eerste uitvoeringen waren respectievelijk op 14 en 18 mei 1724.
Bij twee cantates in één week kunnen er verbanden in beeld komen die een verhaal vertellen. Zo zien we dat Bach gebruik gemaakt heeft van precies dezelfde instrumentale bezetting: naast het continuo van cello en klavecimbel de strijkers en twee hobo ‘d amore. Voor een feestdag als Hemelvaart was dat trouwens een wat magere bezetting. Maar hij wilde het deze week blijkbaar met deze muziekgroep doen.
En dan het verhaal van de eerste violist. Wat een prachtige solo-partij kreeg hij bij de eerste aria ‘Ich will doch wohn Rosen brechen’. Met snelle prikkende vioolstreken werd de tekst uitgebeeld. Maar bij de volgende cantate blijkt de solo-viool partij bij de tenor-aria verloren. Je zou het verhaal hierachter willen weten. De violist moest in een paar dagen opnieuw een virtuoze partij instuderen. Zou het hem misschien niet gelukt zijn?
Of het verhaal van de sopraan. Natuurlijk een jongetje van de Thomasschool. In deze serie cantates zie je dat de moeilijkheidsgraad van zijn aria’s steeds iets hoger ligt.  Zou Bach een nieuwe sopraan aan het opleiden zijn?
Het grotere verhaal van de 38 jarige Bach zelf is dat hij deze week precies een jaar geleden begon als Thomascantor wat ook betekent dat hij zijn eerste jaargang cantates bijna rond heeft. Een paar weken eerder voerde hij zijn eerste Johannes-Passion uit. In februari was zijn vijfde kind geboren. Johann Gottfried. Het tweede kind van Anna Magdalena.

De eerste cantate van vanmiddag behandeld afscheidswoorden van Jezus die staan in Johannes 16. De gekozen woorden passen ook precies bij de naam van deze zondag: Rogate wat betekent: ‘bidt’. ‘Werkelijk, wat je de Vader ook vraagt in mijn naam – Hij zal het je geven’. Troostende, bemoedigende woorden met een belofte. Bedenk: drie jaar heeft Jezus intensief met zijn discipelen opgetrokken. En nu moet hij ze loslaten. Welke belangrijke dingen wil je dan nog meegeven?  Bedenk het eens voor jezelf: welke dingen zou jij nog mee willen geven aan je geliefden als je voorgoed afscheid neemt?
Zoals zo vaak zingt de bas als de zogenaamde Vox Christi, de stem van Christus, de woorden van Jezus. Kalm en geruststellend. Omlijst door strijkers en hobo’s die dezelfde woorden instrumentaal lijken te verklanken.
Ontvang je altijd wat je vraagt? Zo is het natuurlijk niet. Maar de boodschap is denk ik dat je altijd op God kan terugvallen. Ook als het leven, als zelfs geloven pijnlijk is, zo zingt de alt in de eerste aria. En dat ‘stechen’ klinkt echt stekelig.
In het derde deel zingt de sopraan de melodie van een koraal. De woorden bevestigen dat je op God mag vertrouwen. Is de partij voor de sopraan redelijk eenvoudig te zingen, de hoboïsten moeten in deze aria vol aan de bak met talloze zestiende nootjes die op en neer vliegen. Beelden zij die engelenschaar uit die indien nodig te hulp zal schieten?
Ook het volgende recitatief en de aria behandelen het thema dat je op Gods belofte mag vertrouwen, al kan het zijn dat die hulp er niet is op het voor jouw verwachte moment. De tenor-aria is uiteindelijk één en al optimisme met strijkers die heerlijk om de woorden ‘Gott hilft gewiβ’ heen concerteren.
De strekking van de cantate wordt nog een keer samengevat in het afsluitende koraal. De kerkelijke gemeente kon dit destijds beamend meezingen. Op God mag je altijd vertrouwen. Wij mogen er bezinnend naar luisteren.

*

En toen was het maandag 15 mei. Nog maar drie dagen voor de volgende cantate op Hemelvaartsdag. En dan weer één voor de volgende zondag. En in het verschiet de cantates voor 1e, 2e en 3e Pinksterdag. Ja, het leven van een Thomascantor gaat niet altijd over rozen…
Ik had het eerder over de verschillende verhalen die je bij deze cantates kan vertellen. Maar het verhaal wat je zou verwachten in de komende cantate wordt juist gemist: de hemelvaart van Jezus. In het kort: Volgens het Bijbelboek Handelingen verscheen Jezus na zijn dood en opstanding veertig dagen aan zijn volgelingen. Op die veertigste dag sprak hij zijn laatste woorden tot zijn apostelen waarna hij ‘voor hun ogen werd omhoog geheven en opgenomen in een wolk zodat ze hem niet meer zagen’. In de cantate dus geen verslag van dit wonderlijke verhaal. Luister hiervoor naar Bachs ‘Himmelfahrt-Oratorium’ Lobet Gott in Seinen Reichen.

Ook de cantate Wer da gläubet und getauft wird opent met woorden van Jezus. Ditmaal uit het laatste hoofdstuk van Marcus. Het volgt op het zogenaamde zendingsbevel om de wereld in te gaan en het goede nieuws bekend te maken. Maar opnieuw klinkt een belofte. Als je gelooft en gedoopt bent, dan ben je gered bent zoals het in de nieuwe Bijbelvertaling staat. Andere vertalingen spreken over ‘zalig worden’ zoals het ook in het Duits klinkt. Wat niet gezongen wordt in de cantate is het vervolg: ‘maar wie niet gelooft zal worden veroordeeld’. In deze cantate gaat het over de kern van de Lutherse theologie en die is: je kan alleen door het geloof gerechtvaardigd worden. Goede werken helpen daar niets bij. Laat staan het kopen van aflaten zoals in de tijd van Luther en Bach nog gebruikelijk was in de Rooms-Katholieke kerk.

Ditmaal worden de woorden van Jezus door het vierstemmige koor gezongen al neemt de bas na de instrumentale opening wel de eerste stem voor zijn rekening. In een soort canon volgen de andere stemmen één voor één. Bach componeert zo met instrumenten en stemmen een prachtig meerstemmig geheel. Het woord ‘Glaube’ klinkt vaak op lang aangehouden noten waarbij standvastigheid wordt uitgedrukt, terwijl ‘Taube’ juist vaak klinkt op een dalende reeks van korte nootjes. De doop gaat immers middels besprenkeling van waterdruppels.

Nu kun je natuurlijk de vraag stellen: wat moet je precies geloven? In het Bijbelgedeelte doelt Jezus op het geloof dat hij is opgestaan uit de dood. De cantate behandelt meer het algemene dogma: Jezus heeft geleden en is gestorven en droeg de straf die wij verdienden. Het staat kernachtig  in de laatste woorden van het slotkoraal. Als je dat gelooft ben je gered. Zal je zalig worden. De doop is dan een bezegeling hiervan.
En als je niet geloofd. Ben je dan veroordeeld?
Ben je niet gelovig, dan zal je misschien je schouders ophalen bij dergelijke woorden. Maar ook gelovige christenen kunnen vaak moeilijk uit de voeten met een dergelijke tekst. Misschien Bach ook wel die het tweede deel van de tekst niet opnam in zijn openingskoor.

In de eerste twee aria’s staat Gods liefde voor de mensen centraal. De tenor wordt in de eerste aria bijgestaan door de eerste violist die een reconstructie speelt van de verloren vioolpartij. De volgende aria is net als in de vorige cantate een bewerking van een koraal. Het beeld van Christus als bruidegom en zijn gemeente als bruid komt hierin terug. Om die reden wordt het wellicht als duet uitgevoerd met natuurlijk mooie muzikale woordschilderingen. Als je de tekst meeleest vallen ze vanzelf op. De instrumentale omspeling van de cello en fagot geeft het geheel een optimistische vibe. En de sopraan krijgt weer een moeilijker rol dan in de vorige cantate!

In het aansluitende recitatief krijgen we toch een soort ‘Vox Christi’ van de bas. Goede werken zijn belangrijk. Maar denk niet dat je daarmee je ziel kan redden.
Het is maar goed ook. Want hoezeer we ook ons best kunnen doen iets goed te doen, geloof me, tegelijk kunnen we daarin ook gigantisch falen. Geloven is daarom genoeg. Geloven dat de weg die Jezus is voorgegaan een heilzame weg is. Dienstbaar zijn, naastenliefde, barmhartigheid tonen, verzoening brengen en gelijkwaardigheid nastreven. Zo geloven en leven, met vallen en opstaan, maakt dat Jezus blijft voortleven in deze wereld al is hij niet meer lijfelijk aanwezig.
Zo geloven maakt dat je vleugels krijgt zoals gezongen wordt in de laatste aria. Het bourrée-achtige ritme van het orkest accentueert een soort vliegbewegingen. In de eerste cantate vlogen de engelen. Nu zijn wij aan de beurt. Niet alleen om de hemel in te vliegen maar in de eerste plaats om bevlogen je leven te leven.

Barokensemble Zeist. o.l.v. Paulien Kostense

Ich glaube, lieber Herr, hilf meinem Unglauben (BWV 109)

Bij zijn aantreden als Thomascantor in Leipzig, eind mei 1723, begon voor Bach een periode van zeker vier, vijf jaar waarin hij bijna wekelijks een cantate componeerde. Tijdens de advent- en veertigdagentijd hoefde dat niet, maar juist dan had Bach tijd nodig voor het componeren van zijn kerstcantates en passiemuziek. Het is eigenlijk niet te geloven hoe Bach dit alles voor elkaar heeft gekregen. Maandag de start met het componeren van een nieuwe cantate. Dinsdag eind van de dag moest die dan klaar zijn. Woensdag en donderdag moesten alle partijen voor de stemmen en de instrumenten uitgeschreven worden en daarna gekopieerd voor de zangers en musici. Daar kreeg hij natuurlijk hulp bij. En dan de repetities op vrijdag en zaterdag. Op zondagochtend kon dan de nieuwe cantate uitgevoerd worden, en vaak ’s middags nog eens in een andere kerk. En zo ging dat, week op, week af. En tussendoor moest hij dan nog lesgeven op de Thomasschool.
Gelukkig kon Bach zo nu en dan eens teruggrijpen op één van de ongeveer vijfentwintig cantates die hij had geschreven in de periode dat hij in Weimar werkte. Dan was er de mogelijkheid om even op adem te komen. Of toch niet? De cantate die een week voor de cantate van vandaag werd uitgevoerd was een heruitvoering van een cantate uit Weimar (Ach! Ich sehe, itzt, da ich zur Hochzeit gehe (BWV 162). Het lijkt er echter op dat Bach geen korte herfstvakantie heeft opgenomen maar dat hij twee weken de tijd heeft genomen voor de cantate van vandaag. Want wat krijgen we veel te horen! Een machtig openingskoor ingeweven in een concerto voor strijkers en hobo’s, twee schitterende aria’s en in plaats van een gewoon slotkoraal een verheven koraalfantasie voor koor en orkest.
De cantate Ich glaube, lieber Herr, hilf meinem Unglauben werd voor het eerste uitgevoerd op zondag 17 oktober 1723, de 21e zondag na Trinitatis. De tekstdichter van de cantate is onbekend maar veel van de tekst is afkomstig van bijbelgedeeltes uit het oude en nieuwe testament. De tekst van het openingskoor komt uit Markus 9 waarin het verhaal verteld wordt van een vader die Jezus vraagt om de genezing van zijn zoon[1]. Jezus zegt dat alles mogelijk is voor degene die gelooft waarop de vader zegt: Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp’ (vers 24).
Het openingskoor begint met een instrumentaal deel wat op zichzelf al als een volwaardig concerto klinkt. Strijkers brengen het thema in waarop even later de hobo’s gaan variëren waarna nog weer verderop de eerste viool en de hobo een duet met elkaar lijken aan te gaan. Het concerto is al bijna anderhalve minuut onderweg als het koor invalt. Steeds neemt één stem het voortouw en vallen daarna de andere stemmen bij terwijl tussendoor het concerto zijn alsmaar voortgaat. Op allerlei wijzen krijgen de woorden ‘Ich glaube, lieber Herr, hilf meinem Unglauben’ een plek in dit openingskoor want iedereen zal deze woorden op een eigen wijze kunnen ervaren. De spanning tussen geloof en ongeloof, of tussen zelfvertrouwen en twijfel is voor iedereen herkenbaar.
Met het rustig wandelende tempo lijkt het gevoel wat het openingskoor oproept in eerste instantie toch vertrouwen te zijn; dat de bede om geloof gehoord zal worden. Maar dan neemt toch de vertwijfeling toe. Je ziet het al in de tekst. Vier maal het woordje ‘ach’ in het recitatief. En je hoort het in de muziek. ‘Hoe lang moet ik nog bang zijn dat er geen troost komt?’ Heel lang denkt de wanhopige gelovige vertolkt de tenor. Luister maar naar het woordje ‘lang’. En dan neemt de onrust, de paniek nog meer toe. In de tenoraria hoor je hoe scherpe vioolstreken de gelovige ziel aan het wankelen brengen. De woorden ‘zweifelhaftig’ en ‘wanket’ worden onzeker getoonzet en ook het ‘Schmerz’ duurt pijnlijk lang… Een moeilijke aria voor de tenor. Hij zal de twijfel zelf gevoeld hebben: gaat me dit wel lukken?
De onbestemde ziel laat zich door zijn of haar gevoel meeslepen. Zo gaat dat vaak als we het (even) niet meer zien zitten. Maar dan is er gelukkig de stem van buiten die hem tot bedaren brengt. Zo’n stem heb je nodig als je in een vicieuze cirkel naar beneden zakt. Je wordt weer terug gezet in de realiteit. Je wordt gewezen op je kracht, op je mogelijkheden, op je geloof wat je altijd had.  De toon van de alt in het recitatief is direct hoopgevend en optimistisch. En dan kan in de aria, geflankeerd met huppelend hobo-spel, uiteindelijk bijna dansend gezongen worden dat het geloof toch heeft overwonnen.
Ja, en dan mag een slotkoor over herwonnen Godsvertrouwen (en wat mij betreft mag het ook herwonnen zelfvertrouwen zijn) omvangrijk en groots klinken en kwam het uitermate goed uit dat Bach daar extra de tijd voor kon nemen!

Bij de uitvoering in de NoorderLichtkerk te Zeist op 20 oktober 2024 door Bachensemble Zeist o.l.v. Paulien Kostense.


[1] De officiële lezing was uit Johannes 4. Een vergelijkbaar verhaal.

Wir danken dir Gott, wir danken dir

Toelichting gehouden op 7 oktober 2023 bij ‘Rondom de Cantates’ in de St. Franciscus Xaviriuskerk te Amersfoort.

Bij mijn wekelijkse krachttraining in de huiskamer trek ik vaak blind een Bach cd uit de kast. Trainen met Bach… Ik eindig met een serie plankingoefeningen.  Na vier minuten puf ik, liggend op mijn buik uit. Op dat moment begint er een aria. Direct wordt ik geraakt door de schoonheid van de instrumentale opening. Een lopende bas, een prachtige, vloeiende melodie van violen en hobo. Ik blijf liggen en luister eerst nog buiten adem en daarna ademloos naar de muziek.
De aria ken ik wel maar ik kan hem niet direct thuisbrengen. Ik herken het ritme van de siciliano. Dan begint de sopraan met haar lied. Ze zingt dezelfde melodie als van het voorspel. De muziek en haar zingen raken me. Het is troostend, liefdevol. Opvallend is dat tijdens de zang de lage tonen (contrabas en cello) van het continuo zwijgen en vervolgens weer klinken als het refrein terugkomt. Zo gaat het de hele aria door die ik liggend op mijn buik beluister. Opstaan is geen optie. De hobo speelt de melodie mee van de sopraan. Alleen bij het B-gedeelte heeft de hobo een contrasterende stem. De woorden die gezongen worden hebben nog niet mijn aandacht.
Als de aria beëindigd is sta ik op en loop ik meteen naar de cd kast en lees in het boekje dat ik naar de aria ‘Gedenk an uns mit deiner Liebe’ heb geluisterd uit cantate 29 Wir danken dir Gott, wir danken dir.  Ik lees verder. Het gaat hier om een ‘Ratswechselcantate’ die Bach voor het eerst op 27 augustus 1731 uitvoerde. Rond die datum werd er in Leipzig een nieuwe gemeenteraad geïnstalleerd waarbij er in de Nicolaikirche een gebedsdienst werd gehouden.  Voor deze cantate hergebruikte Bach ouder werk van hem. Het grootse instrumentale openingsstuk is een bewerking van een preludium voor vioolsolo, BWV 1006. Maar ook het koor en de aria’s hebben waarschijnlijk een eerder leven gehad in verloren gegane cantates. Ik lees de tekst van de sopraanaria:

Gedenk an uns mit deiner Liebe,
Schleuss uns in dein Erbarmen ein.  

Ja denk ik, deze tekst past precies bij de muziek. Laat je omsluiten door Gods liefde. De muziek voelde ook als een warme deken. Maar dan gaat de tekst verder (het B-gedeelte van de aria):

Segne die, so uns regieren, die uns leiten, schützen, führen,
Segne, die gehorsam sein.

Zegen hen die ons regeren.  Ik begrijp in eerste instantie niet hoe deze woorden passen op de hemelse muziek van Bach tot ik me realiseer dat er oorspronkelijk een andere – wellicht meer passende – tekst is geweest, meer in de trant van het A-gedeelte. Ondertussen is de tekst van dit gedeelte meer dan actueel met de verkiezingen volgende maand en daarna de formatie van een nieuwe regering. Inderdaad: laat ze gezegend worden met wijsheid.

De sopraanaria is het hart van de cantate. Natuurlijk heb ik in de voorbereiding van deze toelichting me verder verdiept in de deze cantate. Bij het begin wordt je meteen overrompeld door een sinfonia voor orgel en orkest. Zoals gezegd een bewerking of beter gezegd een uitwerking van het preludium uit de derde partita voor vioolsolo. Het kan niet anders dan dat Bach zelf achter het orgel plaats heeft genomen. Zich bewust van de aanwezigheid van hoogwaardigheidsbekleders zal hij zich van zijn beste kant hebben willen laten horen en zien. In één lange lijn van vier minuten excelleert de organist krachtig en sprankelend samen met een volledig orkest, dus met trompetten en pauken.
Het daarop volgende openingskoor is muzikaal van een heel andere orde. Met woorden uit psalm 75 wordt God dankgezegd om de wonderen van zijn hand. Maar Bachs muzikale verwerking van deze woorden zijn ook een wonder. In de oude motetstijl, met instrumenten die unisono met de zangpartijen meespelen, laat Bach met de vier koorstemmen een groots, gedragen harmonisch geheel ontstaan. Twee jaar later gebruikte hij de muziek voor het Gratias uit het Kyrie en Gloria wat nog weer later onderdeel werd van de Hohe Messe.

Als luisteraar heb je bijna al genoeg aan deze twee openingsdelen en dan moet de cantate inhoudelijk eigenlijk nog beginnen. In de eerste aria neemt Bach wat gas terug zodat de luisteraar even op adem kan komen. Begeleid door het continuo en een concerterende vioolpartij zingt de tenor opgetogen over God die zelf zijn stad Sion bewoont en die bewaard voor het nageslacht. Voor Sion mag dan natuurlijk Leipzig gelezen worden. De hoogste toon van de aria, een B, valt vanzelfsprekend op ‘Allerhöchsten’.

Het eerste recitatief borduurt voort op de tenoraria. God beschermt en zegent de stad en bezorgt haar welvaart. Na de centrale sopraanaria volgt het tweede recitatief dat verder gaat met het gebed uit de aria. En, als God zijn stad blijft begunstigen, zal het volk hem prijzen met dank en eer. Met een plechtig ‘amen’ van het koor worden deze woorden bekrachtigd waarop de alt een reprise geeft van de tenoraria, dit keer met het orgel als obligate partij waardoor er een mooie brug wordt geslagen met het begin van de cantate.
De cantate eindigt met een uitbundig en rijk georkestreerd slotkoraal waarin nogmaals God wordt geloofd om zijn weldaden.

*

De hoogwaardigheidsbekleders zullen in 1731 de teksten van de cantate vergenoegzaam en met instemming hebben beluisterd. Ze zijn trots op hun stad. Maar zijn ze zich wel bewust geweest van de wonderschone muziek die ze hebben gehoord? Voor ons roepen juist de teksten soms weerstand op. Zo’n overtuiging uit het eerste recitatief: ‘Waar is een volk zoals wij, waarvoor God zo goed en genadig is’, dat kan toch niet meer?
Laat daarom het hart van de cantate blijven spreken. Die adembenemende sopraanaria. Op het wiegende ritme van een pastorale siciliano. ‘Segne so, die uns regieren’. Dat we gezegend worden met een overheid die regeert in gehoorzaamheid, en haar burgers beschermt. In het bijzonder de kwetsbare mensen in de samenleving.
Zo mag de cantate wat mij betreft klinken bij de installatie van een nieuwe regering volgend jaar. Misschien helpt het.

Christ lag in Todes Banden

Waar moet je beginnen als je een Bach cantate moet toelichten. Waar de aandacht op vestigen. Er zijn zoveel invalshoeken: tekst, theologie, geschiedenis en natuurlijk de muziek zelf.

Met Christ lag in Todes Banden (BWV 4) zou je kunnen beginnen bij 1400 voor Christus. Globaal het jaartal waarin de uittocht van het volk Israël uit Egypte zou hebben plaatsgevonden. Daaraan refereert het zesde deel van de cantate met de woorden ‘Das Blut zeichnet unser Tür’. Als laatste plaag zullen alle eerstgeborenen in Egypte sterven. Dan zal de Farao Israël laten gaan. Het bloed van het geslachte paaslam op de deurposten van de Israëlieten is het teken voor de engel des doods om het huis voorbij te gaan. Bloed redt.

Beginnen kan je ook in het jaar 33, waarin Jezus’ lijden, sterven en opstanding heeft plaatsgevonden. Jezus wordt dan als het ware Paaslam gezien. Zijn bloed reinigt ons van onze zonden en redt ons van de dood. Zijn opstanding heeft ons het leven gebracht.

Of moeten we beginnen in de elfde eeuw omdat de melodie van de cantate teruggaat naar het Gregoriaanse misgezang ‘Victimae Paschali laudes’, ‘laten we lof brengen aan het Paaslam’. Het werd eeuwenlang in de oude kerk gezongen voorafgaand aan de evangelielezing en afgesloten met een ‘Halleluja’.

Ook kan ik beginnen in 1524. In dat jaar publiceert Maarten Luther zijn eerste bundel gezangen waaronder ‘Christ lag in Todes Banden’. Luther schreef 39 kerkliederen. Dikwijls hadden die een catechetisch doel, uitleg geven aan het vernieuwde Christelijk geloof. Dit is hier ook de functie. Vaak componeerde Luther een eigen melodie maar nu greep hij terug naar het oude misgezang wat hij als kind tijdens Pasen vaak gezongen zal hebben. In zeven strofen legt hij de Paastheologie uit: Christus die de dood overwint en ons het leven schenkt. Ingewikkelde kost en zeker voor de tegenwoordige niet-gelovige cantate-bezoeker moeilijk te bevatten.

Misschien moet ik daarom beginnen in 1707 als Johann Sebastian Bach in april van dat jaar als auditie voor een organistenpost in Mühlhausen naast een orgelbespeling een cantate moet afleveren. De net 22-jarige Bach kiest voor een bewerking van Luthers Paaslied wat hij als koorknaap vaak gezongen zal hebben. De vroege cantates van Bach volgen nog de oude motetstructuur die hij bijvoorbeeld kende van Buxtehude. Alle woorden en zinnen krijgen hun eigen muzikale verwerking. Nog geen recitatieven en expressieve aria’s naar Italiaans model die Bach later zou gaan componeren.

De cantate begint met een korte, zwaarmoedige sinfonia passend bij de eerste woorden van de tekst. De zeven delen die volgen plaats Bach in een symmetrisch geheel: een koor, een duet, een solo, centraal een koor, en dan weer terug: een solo, een duet en een slotkoor. Elk deel krijgt een specifieke bewerking passend bij het karakter van tekst waarbij de melodie van het koraal steeds het uitgangspunt is.
Je zou dan een lange inleiding kunnen houden over de talrijke plaatsen waar Bach de tekst muzikaal verbeeldt en de woorden nog meer zeggingskracht geeft. Vaak hoorbaar, maar soms ook niet. Op internet zijn diverse technische besprekingen te vinden. Ik beperk me tot een drietal voorbeelden. Als eerste het uitbundige Hallelujakoor aan het eind van de eerste strofe. Begon de cantate zwaarmoedig, met dit koor is de vrolijke toon voor Pasen gezet. Prachtig is ook de muzikale schildering in de derde strofe, met overigens een virtuoze viool partij. Na het ‘nichts’ valt er een stilte, want van de macht van de dood blijft niets over. En in de vijfde strofe wordt de dood nog een keer de afgrond in geduwd met een dalende sprong van twaalf noten tussen ‘dem’ en ‘Tode’ wat lang en diep aangehouden wordt.

Met zijn cantate en fabuleuze orgelspel begint Bach in Mühlhausen een nieuw en succesvol hoofdstuk in zijn carrière. De cantate zou hij pas een jaar later uitvoeren en ook in Leipzig stond hij in elk geval in 1724 weer op de lessenaar. 200 jaar nadat Luther de tekst ervan schreef.

Zo klinkt het Halleluja telkens opnieuw.
De Israëlieten zongen het na hun uittocht uit Egypte.
De leerlingen van Jezus, toen ze begrepen dat hun Heer was opgestaan.
De monniken in de elfde eeuw met hun ‘Victimae Paschali laudes’.
Maarten Luther met zijn nieuwe lied.
Johann Sebastian Bach met zijn cantate in Mühlhausen en Leipzig.
En vandaag hier in Amersfoort. Want de boodschap van Pasen is dat het leven altijd door gaat. Dat er na elk einde altijd weer een nieuw begin is. En hoe kan je dat wonder beter vieren dan met muziek. Nog beter, Bachs muziek.

Inleiding bij de uitvoering door ‘Rondom de cantates’ o.l.v. Bas van Ramselaar in de Franciscus Xaviriuskerk te Amersfoort. 10 juni 2023.

Jesus schläft, was soll ich hoffen                         

De cantate Jesus schläft, was soll ich hoffen (BWV 81) schreef Bach voor de vierde zondag na Epifanie en werd voor het eerst uitgevoerd op zondag 30 januari 1724. De schriftlezing was uit Mattheüs 8, het verhaal van de storm op het meer. Terwijl de discipelen denken dat het schip in het noodweer vergaat, slaapt Jezus.
De vierde zondag na Driekoningen. Dat is het vandaag ook. Kerst lijkt al weer een mensenheugenis geleden. Jezus kwam als Licht van de wereld op aarde. Er was hoop op vrede! Maar wat is er over van al dat optimisme? Het harde leven heeft zijn keer genomen. Waar is God? Slaapt hij? De kortgeleden overleden Margriet Eshuis zong het al: ‘The morningpaper is staring at my face, the headlines still the same. God is asleep, leaving the world to our trust’.
Jezus slaapt, terwijl de dood ons tegemoet snelt. Wat moet ik hopen?
Cantate 81 is een Blue-Monday cantate van het zuiverste soort…

Bij de opening van de cantate voel je direct de onrust en wanhoop. Een klagend, zelfs dreigend motief wat door de klank van de blokfluiten nog wordt versterkt. De slapende Jezus wordt door de alt muzikaal uitgebeeld met een laag en lang aanhoudend ‘Schläft’. En om het nog erger te maken: ook het woord ‘offen’ klinkt lang en doordringend. De open afgrond van de dood gaapt ons werkelijk aan en de steeds terugkerende afdalende loopjes van de cello wijzen ons precies in die richting.
‘God is asleep, and he has no time for us’.
Je vraagt je af hoe deze muziek tegelijk zo mooi kan zijn…

Met een sprong van een lage e naar een hoge f op ‘ferne’ maakt de tenor in het eerste recitatief duidelijk hoe ver God voor zijn gevoel van hem afstaat. Het zijn woorden uit psalm 10 wat ook duidelijk maakt dat dit een gevoel van alle tijden kan zijn. Nog even wordt herinnerd aan de ster die de Wijzen uit het Oosten de richting wees en is er de vraag om het licht van Gods’ ogen. Maar hij heeft zijn ogen toch gesloten?

En voor er een antwoord komt op deze vraag breekt het noodweer dan echt los. Code rood. Het wordt alle hens aan dek. Niet alleen voor de discipelen, maar zeker ook voor de dirigent en de orkestleden om in dit geweld koers te houden. Belial, de duivel himself, laat met pompende bastonen de golven tegen de wand van het schip beuken terwijl de strijkers met korte nootjes de schuimkoppen over de reling laten schieten. Ja, je moet sterk staan om dit geweld te trotseren.
In mijn werk in de psychiatrie maak ik regelmatig mee dat patiënten in een diepe depressie of psychose alle zeilen moeten bijzetten om hun hoofd boven water te houden.
Wat het dan nog moeilijker maakt is dat steun en betrokkenheid van familie of hulpverlening, die er wel is, moeilijk ervaren kan worden. En als het geloof in God altijd een steunende factor was, kan dat opeens helemaal weg zijn. Dan is het wel heel donker.

Centraal in de cantate komt dan eindelijk de bas aan het woord met woorden uit het evangelie van de inmiddels opgestane Christus. De vraag uit het recitatief ‘waarom bent u zover weg’ wordt beantwoord met een tegenvraag: ‘waarom ben je zo bevreesd?’. Twaalf keer klinkt het woord ‘warum’, voor elk van de twaalf discipelen in het schip. De vraag krijgt zo een heel persoonlijk karakter.

Nog voor we een antwoord op deze vraag kunnen bedenken treedt Jezus op tegen het duivelse geweld. Weer horen we de golven torenhoog op ons afkomen; in de zangpartij prachtig uitgebeeld met eerst een hoge g op ‘Meer’, (zee) en de tweede keer op een lage g. Maar daar tussendoor klinken nu ook strijdbare hobo’s die de gebiedende zang van de bas ondersteunen: ‘Schweig, aufgetürmtes Meer!’
Hoewel het misschien mooi zou zijn maakt Bach er niet echt opera van door de aria te laten eindigen in een kalme zee. Conform het stramien van de da-capo aria eindigt dit deel dan ook weer zoals het begon.

Dat de storm is gaan liggen blijkt uit het laatste recitatief. De alt, in de eerste aria nog vol wanhoop, heeft de rust en het vertrouwen hervonden.

Dit vertrouwen klinkt ook door in het slotkoraal, een strofe uit het bekende koraal Jesu meine Freude van Johann Franck.  De tekst maakt duidelijk: in het leven van de mens kunnen stormen hevig woeden. Dat is onze tijd niet anders. Zeker ook bij jonge mensen. Maar je kan het volhouden en er door heen komen door verbinding te houden met God en/of met mensen om je heen.
Laat je bijstaan, laat je beschermen.

Ik wil afsluiten met het slot van het lied wat Claudia de Breij zong op oudejaarsavond, waarin ze suïcidale jongeren toezingt:

Het is nog nooit
Nog nooit zo donker geweest
Of ’t werd altijd wel weer licht

Het is nog nooit
Nog nooit zo donker geweest
Of ’t werd altijd wel weer licht

x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x

Nederlandse vertaling (Ria van Hengel)

1. Aria (A)

Jezus slaapt, wat moet ik hopen?
Zie ik niet met doodsbleek gezicht
de afgrond van de dood al open?

2. Recitatief (T)

Heer, Waarom blijft u zo ver weg?
Waarom verbergt gij u in de tijd van de nood, nu alles mij dreigt met een ellendig einde?
Ach, raakt mijn nood uw ogen niet, die anders toch nooit sluimeren?
U wees destijds toch met een ster de pasbekeerde wijzen de goede weg te nemen.
Ach, leid mij met behulp van het licht van uw ogen omdat deze weg een en al gevaar belooft.

3. Aria (T)

De schuimende golven van Belials beken verdubbelen het woeden.
Een christen moet wel als een bolwerk staan als winden van tegenspoed om hem heen gieren,
maar de aanstormende vloed probeert de krachten van het geloof te verzwakken.

4. Arioso (B)

Gij kleingelovigen, waarom zijt gij zo bevreesd?

5. Aria (B)

Zwijg, torenhoge zee! Verstom, storm en wind!
Laat het afgelopen met je zijn, opdat geen ongeluk ooit mijn uitverkoren kind verwondt.

6. Recitatief (A)

Gelukkig, mijn Jezus spreekt een woord mijn helper is ontwaakt,
dan moeten de storm van de golven, de nacht van het ongeluk en alle smart verdwijnen.

7. Koraal

Onder uw hoede
ben ik vrij tegenover de stormen
van alle vijanden.
Laat de satan woeden,
laat de vijand  tieren,
Jezus staat mij bij.
Of het nu dondert en bliksemt,
of zonde en hel mij nu angst aanjagen,
Jezus wil mij beschermen.

Schwingt freudig euch empor

Tijdens advent klonken er in Leipzig geen cantates. De periode gold als een tijd van inkeer en daar paste soberheid bij. Alleen op de eerste zondag van advent, wat ook de eerste zondag van het kerkelijk jaar is, klonk er een cantate. En juist deze waren ver van sober. Ook cantate 36 stroomt over van vreugde en levendigheid. Je wordt al vrolijk van de eerste woorden, vrij vertaald: ‘dans vrolijk omhoog’. De hele cantate, zowel tekstueel als muzikaal zit vol beweging en muziek.
Bach heeft de muziek van de cantate oorspronkelijk geschreven als een gelukwenscantate voor een collega van de Thomasschool en later heeft hij hem nog weer gebruikt voor andere gelukswenscantates. Uiteindelijk bewerkte hij de compositie voor een adventscantate. Bachs tekstschrijver schreef nieuwe teksten op het openingskoor en de twee aria’s, terwijl de recitatieven werden vervangen door kerkliederen die passen bij de adventstijd.  De enigszins luchtige toon die bij een gelukwenscantate past bleef bestaan, en dat past zeker ook bij advent: de gelovigen worden gelukgewenst met de komst van hun redder.
De cantate mag beluisterd worden met de schriftlezing van de zondag in het achterhoofd. Het verhaal van Jezus’ intocht in Jeruzalem waarbij omstanders hem met ‘Hosanna in de hemel’ begroeten en daarbij zwaaiden met palmtakken. ‘Schwingt freudig euch empor’ laat zich moeilijk letterlijk vertalen. Gangbaar is de vertaling: ‘Verhef je vol blijdschap’, ‘zu der erhebnen Sternen’, naar de verheven sterren’. Hier wordt dan het woord ‘schwingen’ echter genegeerd, terwijl dit toch ook de betekenis heeft van heen en weer bewegen en dat sluit mooi aan bij het zwaaien met palmtakken. In een Engelse vertaling wordt ‘Schwingt’ met ‘soar’ vertaald, zweven. Hoe dan ook, het orkest speelt en het koor zingt in vrolijk stijgende lijnen omhoog richting de sterren. Tussendoor wordt er met een ‘Haltet ein’ even ingehouden. Wij hoeven niet richting Jezus te gaan, hij komt zelf naar ons toe. Daarna wordt het ‘Swingt freudig’ herhaald.

In een mooi arrangement, zoals we dat tegenwoordig noemen, klinkt in deel twee de eerste strofe van ‘Nun komm der Heiden Heiland’, een lied wat zijn oorsprong heeft in de middeleeuwen en door Luther in het Duits is hertaald. Bach zet hier alleen sopranen en alten in. We horen telkens eerst een zin die daarna meerstemmig wordt uitgewerkt tot een prachtig vlechtwerk waar ook de hobo’s zich als derde stem in mengen.

In deel drie wordt een nieuw beeld ingebracht: de bruid die wacht op haar bruidegom en door zijn liefde naar hem toegetrokken wordt.  De bruid moet dan gezien worden als de Christelijke gemeente en de bruidegom als Christus zelf. De tenor zingt dit liefelijke, dansante lied begeleid door – hoe kan het ook anders – een hobo d’amore.

Met de vierde strofe van het adventslied ‘Wie schön leucht die Morgenstern’ eindigt het eerste deel van de cantate. Een loflied op de bruidegom en op het leven met hem. Speel op de snaren, jubel en juich, zing en spring. Alhoewel het koraal muzikaal eigenlijk gedragen is getoonzet, klinkt uit de tekst een en al swing!

Na de preek wordt dan het tweede deel van de cantate uitgevoerd. De bas, die hier model staat voor de gelovige, verwelkomd Jezus in zijn hart. Strijkers omlijsten met vergelijkbare muzikale lijnen als in het openingskoor deze aria.

Met de tenoraria komt er even een andere toon in de cantate en wordt er ook nog een nieuw beeld geïntroduceerd. Christus die als overwinnaar uit de strijd komt en ons zondige mensen van het ‘zieke vlees’ heeft gered. Het is het zesde couplet van ‘Nun komm der heiden Heiland’ en passend bij de tekst wordt dit nu krachtig en strijdlustig gebracht. De twee hobo’s spelen triomfantelijk en beelden de overwinning al uit. Er wordt nu niet gezwaaid met palmtakken maar met de overwinningsvlag!

Maar net als bij het ‘Haltet ein’ in het openingskoor wordt weer even gas teruggenomen. Advent is toch ook inkeer en verstilling. Zich bewust van haar zwakheid overdenkt de sopraan dat God ook geloofd kan worden met een zwakke, gedempte stem. Als het maar vervuld is van de Geest, dan wordt het in de hemel gehoord. Met allerlei echo-effecten is het een prachtig duet tussen viool en sopraanstem. Bachs tekstschrijver heeft er voor gezorgd (vast en zeker in opdracht van Bach) dat het woord ‘schallet’, wat ook in de gelukswenscantates voorkwam, op dezelfde plek bleef staan. Een mooie klankschildering kon zo blijven klinken.

Met het slotkoraal horen we de achtste en laatste strofe van ‘Nun komm der heiden Heiland’. ‘Lob sei Gott, dem Vater, ton’. Het laatste woordje moet eigenlijk ‘g’tan’ zijn, God zij lof gegeven, maar is vanwege de rijm aangepast.

Schwingt freudig euch empor.
Verhef je vol blijdschap.
Dans vrolijk omhoog.
Zweef opgetogen richting de sterren.
Hoe je het ook vertaald, met Bachs muziek worden we sowieso een beetje opgetild en lijkt het feest van kerst al op eerste advent te beginnen.

Inleiding gehouden op 20 november 2022 tijdens Cantatedienst in de NoorderLichtkerk te Zeist. Uitvoering door Barokensemble Zeist o.l.v. Paulien Kostense.

Ich elender Mensch, wer wird mich erlösen (BWV 48)

Inleiding uitgesproken tijdens de Bachcantate Utrecht, Geertekerk, 7 oktober 2018

Ich elender Mensch, wer wird mich erlösen vom Leibe dieses Todes?

Het openingskoor van de cantate van vanavond bestaat uit slechts één zin. En wat voor één.
Ik ellendig mens, wie verlost mij van dit lichaam van de dood?
Tot treurens toe horen we de stemmen deze zin herhalen in klagende dalende notenreeksen. Achtentwintig keer. Elke stem zeven maal.
Voor de koorleden moet het bijna een kwelling geweest zijn om dit ingestudeerd te krijgen. Dat er na de repetitie van vrijdag niemand is afgehaakt vind ik bijna een wonder.
Ich elender Mensch. Het wordt er ingewreven. De muziek laat het je voelen. Je gaat het bijna geloven.

De cantate werd voor het eerst uitgevoerd op 3 oktober 1723 en staat in de context van de evangelielezing over de genezing van de verlamde man. Door vrienden wordt hij op een matras bij Jezus gebracht. Die zegt tegen hem: ‘je zonden worden je vergeven’ en vervolgens:  ‘sta op, neem je bed op en wandel’.
In de Lutherse theologie van die tijd lag de overtuiging besloten dat het lijden van de mens het gevolg was van begane zonden. Het mensbeeld daarbij  was ook niet echt hoopvol:  ‘onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad’. Vandaar dat de (onbekende) tekstdichter voor het openingskoor woorden heeft gekozen uit Romeinen 7: Ik ellendig mens, wie verlost mij van dit lichaam van de dood?

Ik heb in twijfel gestaan wat ik met deze inhoud aan moest voor mijn inleiding. Zou ik het moeten vertalen naar een hedendaags kader zodat het voor iedereen toegankelijk wordt? Of de tekst gewoon buiten beschouwing laten. Maar doe ik Bach daarmee recht? De bedoeling van de cantate was toch echt dat de luisteraar zich verwant zou moeten voelen met de ik-persoon uit het openingskoor. Of zou Bach met zijn muziek de teksten zelf becommentariëren? Laten we eerst vanuit dat perspectief de cantate eens nader beschouwen.

Op pulserende bastonen openen de strijkers met steeds herhalende motiefjes de cantate. De beweging is stijgend, alsof er een weg wordt gezocht naar God.
Dan zetten als eersten de sopranen en alten hun klaagzang in met steeds de mismoedige dalende noten op ‘elender Mensch’. Vervolgens voegen de tenoren en bassen in en vlecht Bach kunstig een vierstemmige fuga. Tussen de regels door keren de motiefjes van de strijkers voortdurend terug.

Door dit alles heen klinkt de trompet met een koraal, direct daarna in canon gevolgd door de hobo’s, een paar tonen lager. En wat blijkt? Het is de melodie van het slotkoraal van de cantate wat volgens mij niets anders betekent dan dat Bach gelijktijdig met de vraag: ‘Ik ellendig mens, wie verlost mij?’ het antwoord al geeft: ‘Herr Jesu Christ, einiger Trost’.

Zo is dit prachtige openingskoor te vergelijken met een schilderij waarin verschillende taferelen die in tijd na elkaar komen tegelijk op één doek worden afgebeeld. Bach laat in het vragende openingskoor het antwoord al doorklinken en zo blijkt het begin van de cantate veel minder zwaar dan het lijkt. Al zullen de koorleden na het intensief instuderen van de fuga op ‘Ich elender Mensch’ dit nog niet zo beleefd hebben.

Tussen openingskoor en slotkoraal wordt het gegeven van de zondige mens die alleen verlost kan worden door Jezus’ verzoende werk verder uitgewerkt.
‘Laat mij maar lijden op de aarde, dat is verdiend. Als straks mijn ziel maar in de hemel komt’ is de strekking van het drieluik alt-recitatief, koraal en alt-aria. De laatste overigens prachtig ingeleid en omspeeld door de hobo. En warempel, de muziek wordt al opgewekter.
Uiteindelijk komt het helemaal goed als de gelovige zich kan overgeven aan het verlossende werk van Jezus. De tenor kondigt dit in zijn recitatief als een wonder aan en in de afsluitende aria klinkt de vreugde en dankbaarheid om deze verlossing door. Violen en hobo’s zetten een hoopvol thema neer waarop de tenor kan zingen:  ‘Als hij mijn zonden vergeeft, dan zullen mijn lichaam en ziel gezond worden’. Dit geloof is met het verstand haast niet te volgen. Is het daarom dat het ritme van de aria ook moeilijk te volgen is? Is het nou een twee- of drievoudige maat? De maataccenten lijken zich steeds te verplaatsen doordat Bach noten van de laatste tel van de maat aan de eerste tel verbindt. Een hemels dansje wordt het op die manier.
Wat jammer dat de twee wonderschone aria’s uit de cantate zo kort zijn. Ze missen de herhaling van het eerste deel. Tekstueel is dit begrijpelijk, maar muzikaal is het zonde!

*

‘Ik ellendig mens, wie verlost mij?’
‘Jezus Christus!’.
Mocht het zo zijn dat u niks met deze cantatetekst kan, dat u zich niet kan identificeren met de ik-persoon,  laat ik u dan een handreiking geven om op een andere manier naar de tekst te kijken.

Die ‘elender Mensch’, dat bent u niet zelf, maar dat is een ander.
U hoeft de vraag niet te stellen, maar de vraag wordt aan u gesteld.
Bedenk daarbij dat ‘ellendig’ oorspronkelijk ‘uit-landig’ betekent. Iemand dus die vaste, veilige grond onder z’n voeten verloren heeft. Letterlijk of figuurlijk. Het zou een asielzoeker kunnen zijn, een bijstandsmoeder diep in de schulden, een chronisch psychiatrisch patiënt door iedereen ontweken. En ja, dat is inderdaad zonde. Want zo is de mens niet bedoeld. Dat is namelijk de letterlijke betekenis van het woord zonde: ‘je doel voorbij schieten’. En is die verslaafde, die werkloze die depressief is geworden daar zelf schuldig aan? Of staat dat in een groter perspectief waarin je zou kunnen zeggen dat onze welvaartsmaatschappij daar een deelverantwoordelijkheid in heeft. Ga eens in gesprek met een verkoper van de daklozenkrant. Die zal u zijn of haar eigen persoonlijke verhaal vertellen.

Zo kan de vraag ‘Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen’ op allerlei manieren persoonlijk naar ons toekomen. Wat mij betreft neemt u iemand in gedachten die die vraag aan u stelt. Herhalend wellicht. Iemand die u misschien wel wekelijks tegenkomt.

‘Wie?’
‘Ik?’, kan je dan afvragen. Kan ik wat doen? Kan ik het lijden doen verzachten?
Het antwoord daarop zal u zelf moeten bedenken. Maar wat zou het mooi zijn als die mens na eerst zijn vragende klaaglied gezongen te hebben later de woorden van het tenorrecitatief over u kan zingen:

Er weiß im geistlich Schwachen
den Leib gesund, die Seele stark zu machen.

Anders gezegd: met jouw hulp ben ik van zwak weer gezond en sterk geworden.
Om je daarna met een vrolijk, dansant lied als de tenoraria te bedanken.

Tekst:

1  Koor

Ich elender Mensch,
wer wird mich erlösen
vom Leibe dieses Todes?

Ik ellendig mens,
wie zal mij verlossen
van dit lichaam van de dood?


2    Recitatief (alt)
O Schmerz, o Elend, so mich trifft,
indem der Sünden Gift
bei mir in Brust und Adern wütet:
Die Welt wird mir ein Siech- und Sterbehaus,
der Leib muß seine Plagen
bis zu dem Grabe mit sich tragen.
Allein die Seele fühlet den stärksten Gift,
damit sie angestecket;
drum, wenn der Schmerz
den Leib des Todes trifft,
wenn ihr der Kreuzkelch bitter schmecket,
so treibt er ihr ein brünstig Seufzen aus.
O smart en ellende, waardoor ik word getroffen,
doordat het gif van de zonde
in mijn borst en aderen woedt:
De wereld wordt voor mij een plek van ziekte en dood,
mijn lichaam moet zijn kwellingen
tot aan het graf met zich meedragen.
Maar mijn ziel voelt het gif
waarmee ze is besmet het sterkst;
daarom, wanneer de pijn
het sterfelijke lichaam treft,
wanneer de beker van het kruis mijn ziel bitter smaakt,
dan ontlokt dit lijden haar een vurig zuchten.

3    Koraal
Solls ja so sein, daß Straf und Pein
auf Sünde folgen müssen,
so fahr hie fort
und schone dort
und laß mich hie wohl büßen.
Wanneer het zo moet zijn, dat straf en pijn
op de zonde moeten volgen,
ga dan hier vandaan
en ontzie mij daarginds
en laat mij hier boeten

4    Aria (alt)
Ach lege das Sodom der sündlichen Glieder,
wofern es dein Wille, zerstöret darnieder!
Nur schone der Seele und mache sie rein,
um vor dir ein heiliges Zion zu sein.
Ach, laat het Sodom van mijn zondig lichaam,
als dat Uw wil is, in puin terneerliggen!
Ontzie alleen mijn ziel en maak haar rein,
om voor U een heilig Sion te zijn

5    Recitatief (tenor)
Hier aber tut des Heilands Hand
auch unter denen Toten Wunder.
Scheint deine Seele gleich erstorben,
der Leib geschwächt und ganz verdorben,
doch wird uns Jesu Kraft bekannt.
Er weiß im geistlich Schwachen
den Leib gesund, die Seele stark zu machen.
Hier echter doet de hand van de Heiland
ook aan de doden wonderen:
Al lijkt je ziel gestorven,
je lichaam verzwakt en geheel te gronde gegaan,
toch leren wij Jezus´ kracht kennen.
Hij weet bij de geestelijk zwakke mens
het lichaam gezond en de ziel sterk te maken.

6    Aria (tenor)
Vergibt mir Jesus meine Sünden,
so wird mir Leib und Seel gesund.
Er kann die Toten lebend machen
und zeigt sich kräftig in den Schwachen;
er hält den längst geschloßnen Bund,
daß wir im Glauben Hilfe finden.
Wanneer Jezus mijn zonden vergeeft,
dan worden mijn lichaam en mijn ziel gezond.
Hij kan de doden tot leven wekken
en toont Zijn kracht in de zwakke mensen;
Hij houdt vast aan het sedert lang gesloten verbond,
zodat wij in het geloof hulp vinden
7    Koraal
Herr Jesu Christ, einiger Trost,
zu dir will ich mich wenden;
mein Herzleid ist dir wohl bewußt,
du kannst und wirst es enden.
In deinen Willen seis gestellt,
machs, lieber Gott, wie dirs gefällt:
Dein bin und will ich bleiben.
Heer Jezus Christus, mijn enige troost,
tot U wil ik mij wenden;
mijn diepe smart is u bekend,
U kunt en wilt daaraan een einde aan maken.
Ik laat het over aan Uw wil,
doe, lieve Heer, zoals het U belieft:
ik ben van u en wil dat blijven.