Aus der Tiefen rufe ich, Herr, zu dir (BWV 131)
Wat is het toch verleidelijk om te fantaseren over Bachs jonge jaren. Op zijn tiende verloor hij zijn ouders. Hij ging inwonen bij zijn oudere broer in Ohrdruf. Vanaf dat moment komt er hier en daar wat informatie over zijn leven en ontwikkeling als musicus naar boven. Maar die eerste tien jaar. Behalve zijn naam op afwezigheidslijsten van de Latijnse school, is er niets bekend over Bachs vroege jeugd. Die regelmatige afwezigheid (van halve dagen) wordt wel uitgelegd dat hij zijn vader zou hebben moeten assisteren bij muziekuitvoeringen. Zijn eerste muzieklessen zal hij hebben gehad van zijn vader, Ambrosius. Hij was stadsmuzikant, maar geen componerend musicus. Zijn vaders volle neef, Johann Christoph was dat wel. Hij was organist in de Georgenkirche te Eisenach waar Johann Sebastian gedoopt werd.
In deze kerk hoorde Bach voor het eerst grote orgelwerken. Van zijn oudoom zelf en van Buxtehude. En hij hoorde door zijn oom gecomponeerde motetten. Hij zong ze zelf mee in het kerkkoor, toen hij wat ouder was. Muziek, nog in de oude barokstijl. Veel muziek van Johann Christoph Bach is vanwege Johann Sebastian Bach bewaard gebleven. Hij noemde zijn oudoom de ‘Profunde’ componist, de diepzinnige. Dat is bijzonder. Meestal noemen we teksten als diepzinnig. Maar muziek kan dat ook zijn. Het betekent dat er lagen schuilen onder datgene van wat je als eerste hoort. Dat er betekenis achter de noten zit. Dat de muziek iets verteld waarin je je eigen verhaal kan vinden.
De Profundis is ook de Latijnse titel van psalm 130. Uit de diepte roep ik tot U. Het is een Pelgrimslied, een gebed tot God om vergeving van zonden. Bach was tweeëntwintig jaar toen hij van een predikant in Mühlhausen, waar hij organist was, de opdracht kreeg om op deze psalm een motet te schrijven (het woord cantate was toen nog niet gangbaar). De aanleiding hiervan was waarschijnlijk een boetedienst nadat een brand een groot deel van de stad in de as had gelegd.
‘Aus der Tiefen’. Wat heeft de psalmdichter met deze aanduiding willen aangeven? Een diep dal, waar de pelgrim doorheen trok, zoals psalm 121 spreekt over een berg: ‘ik hef mijn ogen naar de bergen’? Meer gangbaar is de uitleg dat ‘de diepte’ staat voor de gemoedstoestand van de dichter. Psalmberijmingen maken er dan ook dikwijls ‘uit diepten van ellende van’ en dan worden woorden als angst en leed toegevoegd. De omdichting die Luther van deze psalm maakte: ‘Auf tiefer Not schrei ich zu dir’ heeft misschien wel aan de basis gestaan van deze interpretatie. Maar toch: woorden als angst, nood of jammerklacht komen niet letterlijk in psalm 130 voor.
Zou je er ook anders naar kunnen kijken? Dat ‘de diepte’ staat voor de diepgang die de pelgrim tijdens zijn pelgrimage bereikt in het kijken naar zichzelf en God? Dat hij zich realiseert hoe klein en kwetsbaar de mens is, hoe hij dikwijls faalt en fout zit. Maar dan ook tot het diepe besef komt hoe groot God is, groot van genade en liefde. Zou Bach ook zo naar deze tekst gekeken hebben? Als ik naar zijn muzikale bewerking van de psalm luister, hoor ik zeker geen angst en nood maar vooral vertrouwen en dankbaarheid. Dan is Bachs openingskoor van de koraalcantate van het Lutherlied Auf tiefer Not schrei ich zu dir (BWV 38) veel zwaarder van karakter.
De cantate, of beter gezegd, het motet Aus der Tiefen schrei ich, Herr, zu dir behoort tot de zogenaamde vroege cantates van Bach. Die zijn in de stijl die hij kende van werken van zijn oom Johann Christoph of van Dietrich Buxtehude die hij nog maar kort geleden in Lubeck had bezocht. Belangrijkste kenmerk is dat het vaak doorlopende werken zijn waarbij elke zin of tekstgedeelte een eigen, passende bewerking krijgt. Motet is dan ook afkomstig van het Franse woord ‘mot’ wat woord betekend. Nog geen Italiaans georiënteerde cantates dus met aria’s, recitatieven en een slotkoraal. Daar zou Bach later in Weimar mee beginnen.
We zien een voor Bach herkenbare gestructureerde opbouw: na een instrumentale opening volgt een vierstemmig koor, dan een combinatie van een solo en een koraal, dan weer een koor, wederom een solo samen met een koraal en tenslotte weer een koor.
Met een afdalende reeks noten zetten violen en hobo’s in de instrumentale opening direct een ingetogen sfeer neer. Het koor neemt dit over waardoor er werkelijk ‘uit de diepte’ wordt geroepen. Die roep gaat omhoog en klinkt steeds hoger boven de diepte uit. Deze maten, voor mij behoren ze tot het mooiste wat Bach heeft gecomponeerd.
Dan wordt plotseling het volume en het tempo opgevoerd. Het wordt menens. ‘Heer hoor mijn stem, luister naar mijn gesmeek’. De woorden klinken eerst meerstemmig en gaan dan over in een fuga, de stemmen volgen elkaar op, en komen op het laatst weer samen.
Wat volgt is een bekentenis over de zondigheid van de mens en de vergevingsgezindheid van God. Terwijl de bas dit zingt en de hobo de woorden steeds kunstig omspeelt, zingen de sopranen een couplet van een koraal uit het lied ‘Herr Jesu Christ, du höchstes Gut’ van Bartholomeus Ringwaldt. Vanuit het Oude Testament, waar de psalmen uit afkomstig zijn, wordt zo de lijn doorgetrokken naar het Nieuwe Testament waarin beschreven is dat Jezus door zijn lijden en sterven de zonden draagt van de mensen.
In het volgende deel reageert het koor hier op. Met ontzag en verlangen wordt uitgezien naar de Heer. Net als in het voorgaande deel wordt eerst meerstemmig gezongen en daarna in een fuga. Tussendoor blijft de hobo het geheel versieren.
Slechts begeleidt door klavecimbel en de cello, die voortdurend een zelfde thema herhaalt, zingt vervolgens de tenor over het wachten op de Heer. Het is een lang, geduldig wachten waarin ruimte is voor overdenking en verdieping. In de cantate wordt dat ingevuld door een tweede strofe uit het koraal mee te laten klinken. Ditmaal gezongen door de sopranen. Het eindigt met het noemen van Manasse en David. Zij waren koningen in Israël die tot inkeer kwamen nadat ze ernstig in de fout waren gegaan.
Het laatste deel opent met een tot drie keer toe luide oproep tot Israël. Voor Israël mag je theologisch gezien ook de wereld lezen. Iedere zin krijgt weer een eigen muzikale bewerking. Opvallend is dan het sobere ‘denn bei dem Herrn ist die Gnade’. Misschien vanwege de stille verwondering hierom? Of wil Bach nog iets anders uitdrukken: want ja, je kunt bevrijd worden, genade ontvangen; veel pijn of verlies zal daaraan vooraf zijn gegaan en dat kan blijvend worden gevoeld. Bach negeert dit niet.
Zo brengt Bach met zijn accenten steeds verdieping aan in de tekst. De hele cantate door. En als de tekst van de psalm je om wat voor reden ook minder zegt, dan geeft Bach ook de gelegenheid de muziek voor zichzelf te laten spreken en er je eigen verhaal aan te koppelen.
Zo is Johann Sebastian Bach, net als zijn oudoom, zelf ook een ‘profunde’ componist. Misschien wel de meest diepzinnige.
Zeist, 2 november 2025. Bij de uitvoering in de NoorderLichtkerk door Barokensemble Zeist o.l.v. Paulien Kostense.





