Ich elender Mensch, wer wird mich erlösen (BWV 48)

Inleiding uitgesproken tijdens de Bachcantate Utrecht, Geertekerk, 7 oktober 2018

 

Ich elender Mensch, wer wird mich erlösen vom Leibe dieses Todes?

Het openingskoor van de cantate van vanavond bestaat uit slechts één zin. En wat voor één.
Ik ellendig mens, wie verlost mij van dit lichaam van de dood?
Tot treurens toe horen we de stemmen deze zin herhalen in klagende dalende notenreeksen. Achtentwintig keer. Elke stem zeven maal.
Voor de koorleden moet het bijna een kwelling geweest zijn om dit ingestudeerd te krijgen. Dat er na de repetitie van vrijdag niemand is afgehaakt vind ik bijna een wonder.
Ich elender Mensch. Het wordt er ingewreven. De muziek laat het je voelen. Je gaat het bijna geloven.

De cantate werd voor het eerst uitgevoerd op 3 oktober 1723 en staat in de context van de evangelielezing over de genezing van de verlamde man. Door vrienden wordt hij op een matras bij Jezus gebracht. Die zegt tegen hem: ‘je zonden worden je vergeven’ en vervolgens:  ‘sta op, neem je bed op en wandel’.
In de Lutherse theologie van die tijd lag de overtuiging besloten dat het lijden van de mens het gevolg was van begane zonden. Het mensbeeld daarbij  was ook niet echt hoopvol:  ‘onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad’. Vandaar dat de (onbekende) tekstdichter voor het openingskoor woorden heeft gekozen uit Romeinen 7: Ik ellendig mens, wie verlost mij van dit lichaam van de dood?

Ik heb in twijfel gestaan wat ik met deze inhoud aanmoest voor mijn inleiding. Zou ik hem moeten vertalen naar een hedendaags kader zodat het voor iedereen toegankelijk wordt? Of de tekst gewoon buiten beschouwing laten. Maar doe ik Bach daarmee recht? De bedoeling van de cantate was toch echt dat de luisteraar zich verwant zou moeten voelen met de ik-persoon. Of zou Bach met zijn muziek de teksten zelf becommentariëren? Laten we eerst vanuit dat perspectief de cantate eens nader beschouwen.

Op pulserende bastonen openen de strijkers met steeds herhalende motiefjes de cantate. De beweging is stijgend, alsof er een weg wordt gezocht naar God.
Dan zetten als eerste de sopranen en alten hun klaagzang in met steeds de mismoedige dalende noten op ‘elender Mensch’. Vervolgens voegen de tenoren en bassen in en vlecht Bach kunstig een vierstemmige fuga. Tussen de regels door keren de motiefjes van de strijkers voortdurend terug.

Door dit alles heen klinkt de trompet met een koraal, direct daarna in canon gevolgd door de hobo’s, een paar tonen lager. En wat blijkt? Het is de melodie van het slotkoraal van de cantate wat volgens mij niets anders betekent dan dat Bach gelijktijdig met de vraag: ‘Ik ellendig mens, wie verlost mij?’ het antwoord al geeft: Herr Jesu Christ, einiger Trost.

Zo is dit prachtige openingskoor te vergelijken met een schilderij waarin verschillende taferelen die in tijd na elkaar komen tegelijk op één doek worden afgebeeld. Bach laat in het vragende openingskoor het antwoord al doorklinken en zo blijkt het begin van de cantate veel minder zwaar dan het lijkt. Al zullen de koorleden na het intensief instuderen van de fuga op ‘Ich elender Mensch’ dit nog niet zo beleefd hebben.

Tussen openingskoor en slotkoraal wordt het gegeven van de zondige mens die alleen verlost kan worden door Jezus’ verzoende werk verder uitgewerkt.
‘Laat mij maar lijden op de aarde, dat is verdiend, als straks mijn ziel maar in de hemel komt’ is de strekking van het drieluik alt-recitatief, koraal en altaria. De laatste overigens prachtig ingeleid en omspeeld door de hobo. En warempel, de muziek wordt al opgewekter.
Uiteindelijk komt het helemaal goed als de gelovige zich kan overgeven aan het verlossende werk van Jezus. De tenor kondigt dit in zijn recitatief als een wonder aan en in de afsluitende aria klinkt de vreugde en dankbaarheid om deze verlossing door. Violen en hobo’s zetten een hoopvol thema neer waarop de tenor kan zingen:  ‘Als hij mijn zonden vergeeft, dan zullen mijn lichaam en ziel gezond worden’. Dit geloof is met het verstand haast niet te volgen. Is het daarom dat het ritme van de aria ook moeilijk te volgen is? Is het nou een twee- of drievoudige maat? De maataccenten lijken zich steeds te verplaatsen doordat Bach noten van de laatste tel van de maat aan de eerste tel verbindt. Een hemels dansje wordt het op die manier.
Wat jammer dat de twee wonderschone aria’s uit de cantate zo kort zijn. Ze missen de herhaling van het eerste deel. Tekstueel is dit begrijpelijk, maar muzikaal is het zonde!

*

‘Ik ellendig mens, wie verlost mij?’
‘Jezus Christus!’.
Mocht het zo zijn dat u niks met deze cantatetekst kan, dat u zich niet kan identificeren met de ik-persoon,  laat ik u dan een handreiking doen om op een andere manier naar de tekst te kijken.

Die ‘elender Mensch’, dat bent u niet zelf, maar dat is een ander.
U hoeft de vraag niet te stellen, maar de vraag wordt aan u gesteld.
Bedenk daarbij dat ‘ellendig’ oorspronkelijk ‘uit-landig’ betekent. Iemand dus die vaste, veilige grond onder z’n voeten verloren heeft. Letterlijk of figuurlijk. Het zou een asielzoeker kunnen zijn, een bijstandsmoeder diep in de schulden, een chronisch psychiatrisch patiënt door iedereen ontweken. En ja, dat is inderdaad zonde. Want zo is de mens niet bedoeld. Dat is namelijk de letterlijke betekenis van het woord zonde: ‘je doel voorbij schieten’. En is die verslaafde, die werkloze die depressief is geworden daar zelf schuldig aan? Of staat dat in een groter perspectief waarin je zou kunnen zeggen dat onze welvaartsmaatschappij daar een deelverantwoordelijkheid in heeft. Ga eens in gesprek met een verkoper van de daklozenkrant. Die zal u zijn eigen persoonlijke verhaal vertellen.

Zo kan de vraag ‘Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen’ op allerlei manieren persoonlijk naar ons toekomen. Wat mij betreft neemt u iemand in gedachten die die vraag stelt. Herhalend wellicht. Iemand die u misschien wel wekelijks tegenkomt.

‘Wie?’
‘Ik?’, kan je dan afvragen. Kan ik wat doen? Kan ik het lijden doen verzachten?
Het antwoord daarop zal u zelf moeten bedenken. Maar wat zou het mooi zijn als die mens na eerst zijn vragende klaaglied gezongen te hebben later de woorden van het tenorrecitatief over u kan zingen:

Er weiß im geistlich Schwachen
den Leib gesund, die Seele stark zu machen.

Anders gezegd: met jouw hulp ben ik van zwak weer gezond en sterk geworden.
Om je daarna met een vrolijk, dansant lied als de tenoraria te bedanken.

 

Tekst:

1  Koor

 

Ich elender Mensch,
wer wird mich erlösen
vom Leibe dieses Todes?

 

 

Ik ellendig mens,
wie zal mij verlossen
van dit lichaam van de dood?


2    Recitatief (alt)
O Schmerz, o Elend, so mich trifft,
indem der Sünden Gift
bei mir in Brust und Adern wütet:
Die Welt wird mir ein Siech- und Sterbehaus,
der Leib muß seine Plagen
bis zu dem Grabe mit sich tragen.
Allein die Seele fühlet den stärksten Gift,
damit sie angestecket;
drum, wenn der Schmerz
den Leib des Todes trifft,
wenn ihr der Kreuzkelch bitter schmecket,
so treibt er ihr ein brünstig Seufzen aus.
O smart en ellende, waardoor ik word getroffen,
doordat het gif van de zonde
in mijn borst en aderen woedt:
De wereld wordt voor mij een plek van ziekte en dood,
mijn lichaam moet zijn kwellingen
tot aan het graf met zich meedragen.
Maar mijn ziel voelt het gif
waarmee ze is besmet het sterkst;
daarom, wanneer de pijn
het sterfelijke lichaam treft,
wanneer de beker van het kruis mijn ziel bitter smaakt,
dan ontlokt dit lijden haar een vurig zuchten.

3    Koraal
Solls ja so sein, daß Straf und Pein
auf Sünde folgen müssen,
so fahr hie fort
und schone dort
und laß mich hie wohl büßen.
Wanneer het zo moet zijn, dat straf en pijn
op de zonde moeten volgen,
ga dan hier vandaan
en ontzie mij daarginds
en laat mij hier boeten

4    Aria (alt)
Ach lege das Sodom der sündlichen Glieder,
wofern es dein Wille, zerstöret darnieder!
Nur schone der Seele und mache sie rein,
um vor dir ein heiliges Zion zu sein.
Ach, laat het Sodom van mijn zondig lichaam,
als dat Uw wil is, in puin terneerliggen!
Ontzie alleen mijn ziel en maak haar rein,
om voor U een heilig Sion te zijn

5    Recitatief (tenor)
Hier aber tut des Heilands Hand
auch unter denen Toten Wunder.
Scheint deine Seele gleich erstorben,
der Leib geschwächt und ganz verdorben,
doch wird uns Jesu Kraft bekannt.
Er weiß im geistlich Schwachen
den Leib gesund, die Seele stark zu machen.
Hier echter doet de hand van de Heiland
ook aan de doden wonderen:
Al lijkt je ziel gestorven,
je lichaam verzwakt en geheel te gronde gegaan,
toch leren wij Jezus´ kracht kennen.
Hij weet bij de geestelijk zwakke mens
het lichaam gezond en de ziel sterk te maken.

6    Aria (tenor)
Vergibt mir Jesus meine Sünden,
so wird mir Leib und Seel gesund.
Er kann die Toten lebend machen
und zeigt sich kräftig in den Schwachen;
er hält den längst geschloßnen Bund,
daß wir im Glauben Hilfe finden.
Wanneer Jezus mijn zonden vergeeft,
dan worden mijn lichaam en mijn ziel gezond.
Hij kan de doden tot leven wekken
en toont Zijn kracht in de zwakke mensen;
Hij houdt vast aan het sedert lang gesloten verbond,
zodat wij in het geloof hulp vinden
7    Koraal
Herr Jesu Christ, einiger Trost,
zu dir will ich mich wenden;
mein Herzleid ist dir wohl bewußt,
du kannst und wirst es enden.
In deinen Willen seis gestellt,
machs, lieber Gott, wie dirs gefällt:
Dein bin und will ich bleiben.
Heer Jezus Christus, mijn enige troost,
tot U wil ik mij wenden;
mijn diepe smart is u bekend,
U kunt en wilt daaraan een einde aan maken.
Ik laat het over aan Uw wil,
doe, lieve Heer, zoals het U belieft:
ik ben van u en wil dat blijven.