
Lezing bij de cantate Ich hatte viel Bekümmernis (BWV 21)
Bij het symposium Wanhoop & suïcidaliteit, een hoopvol perspectief – Kicg – TUA
Apeldoorn, 26 maart 2026
Bach voerde de cantate Ich hatte viel Bekümmernis voor het eerst uit in 1714 in de hofkapel van Weimar waar hij organist en concertmeester was. De cantate bestaat uit twee delen, een deel voor en een deel na de preek. De schrijver van de tekst was Salomon Franck, een plaatsgenoot van Bach die jurist, wetenschapper en dichter was. Bach vond dat de cantate niet bij een specifieke zondag hoorde met een vaste lezing. Hij schreef op het voorblad: per ogni tempore, voor verschillende gelegenheden.
De cantate kan ons dus elke dag iets te zeggen hebben. Geloofstwijfel is voor iedere gelovige herkenbaar. En de vraag: waar is God in het lijden van de wereld, in de pijn van het persoonlijke leven, wordt nog dagelijks gesteld.
DEEL ÉÉN
Sinfonia
De cantate opent met een instrumentaal deel.Van de ruim 200 cantates die we van Bach kennen hebben er slechts enkele een instrumentale opening. Blijkbaar wil Bach ons als luisteraar al voor de cantate begint op een weg zetten. En hier is het bijna letterlijk een weg. We horen de trage gang van een lopende bas, strijkers die lange lijnen spelen en de hobo die met de eerste viool in dialoog gaat met een zwaarmoedige melodie.
Wordt hier de levensweg van een mens uitgebeeld? Met een last die nauwelijks te dragen is?
De muziek stokt een enkele keer en komt uiteindelijk tot stilstand…
Ich hatte viel Bekümmernis – koor
Het kan zijn dat je denkt: op dit moment heb ik weinig zorgen. Deze cantate is vooral voor mensen die het moeilijk hebben.
Bach rekent direct af met die gedachte. Drie maal laat hij het ‘Ik’ klinken gevolgd door een echo van de strijkers. Zes keer dus eigenlijk. Ieder mens kent zijn of haar zorgen, pijn, twijfels, schuldgevoelens en ga zo maar door. In een droefgeestige vierstemmige fuga spint Bach dit verder uit.
Het lang aangehouden ‘aber’ vormt de overgang naar het tweede deel van het openingskoor. God troost, verkwikt onze ziel. Dat mag vreugdevol klinken. Ook de instrumenten krijgen even hun partijtje. Toch, op het laatst wordt op dezelfde tekst even gas teruggenomen. De bekommernissen mogen niet vergeten worden. Want het is nog maar het begin van de cantate.
Seufzer, Tränen, Kummer, Not – aria, sopraan
De cantate gaat verder, of eigenlijk begint pas, met deze intens droefgeestige aria. Het is het zuchten van de menselijke ziel, in de barok meestal vertolkt door de sopraan. In een duet met de hobo kan de zangstem alleen maar treurnis verwoorden. Met steeds halve-toons dalingen wordt het zuchten, de ellende en de pijn deerniswekkend uitgebeeld. En met diezelfde toonafstand komt het woord ‘Tot’ – als dat voor de tweede keer wordt gezongen – op een voor de sopraan één van de laagste noten uit.
Is dit de stem van een mens die diep en muurvast in een depressie zit? Geen licht ziet aan het einde van de tunnel omdat die tunnel volgens hem überhaupt geen einde heeft. En als er al een einde is dat dan de dood is waar hij misschien angstig op hoopt.
Als je dit niet zelf heb meegemaakt is het onmogelijk je in te leven in de nood van zo iemand.
Wie hast du dich, mein Gott in meiner Not – recitatief, tenor
In dit recitatief richt de wanhopige gelovige zich tot God. En het blijft niet bij de vraag ‘Waarom hebt u mij verlaten?’. God wordt aangeklaagd, zelfs wreedheid verweten. De begeleiding van de strijkers hebben vooral de functie om dissonanten aan te brengen die deze klachten onderstrepen. Even klinkt harmonie: ‘U was mijn vreugde’ maar in de volgende zin is de dissonant als wanklank nog scherper: ‘en nu bent u wreed geworden’.
Of het echt zo is weet ik niet, maar er wordt wel eens gezegd dat diep in een depressie zitten voor een gelovig iemand, die altijd op God heeft vertrouwd, nog zwaarder is. Als zelfs God zich van je heeft afgekeerd, God, waarop je altijd kon vertrouwen, dan heb je toch geen grond meer om op te staan?
Bäche von gezalznen Zähren – aria, tenor
De tranen uit de eerste aria zijn beken geworden en leiden uiteindelijk tot een zee van droefenis en smart. Als ook de mast en het anker breken is het einde nabij en komt de hel heel dichtbij. Het zijn allemaal barokke beelden, die in verschillende psalmen ook terugkomen.
Als in de derde regel de storm opsteekt verbeelden de strijkers onheilspellend golvend water, en gaat de mens in het muzikale geweld zelf kopje onder. Met de laagste noot van de aria bereikt hij de bodem.
44 jaar heb ik in de psychiatrie gewerkt. Begonnen als leerling verpleegkundige in het Sanatorium in Zeist en later in het GPZ te Bosch en Duin. Na de fusie tot Eleos lange tijd manager in de fontein en de laatste jaren weer terug als verpleegkundige in de klinische ouderenpsychiatrie op Den Eik, bij Altrecht. Nu met pensioen.
Drieëntwintig suïcides heb ik meegemaakt. Alle namen heb ik me herinnerd.
De eerste suïcide, ik was toen 22, was van een 19 jarig meisje uit Middelburg. Kerkelijk van de Gereformeerde Gemeente. Vanwege de identiteit kwamen destijds patiënten van reformatorische huize naar het Christelijke Sanatorium.
Het meisje was erg ziek. In een psychose dacht ze dat ze Maria was. Ze is van een hoge flat gesprongen.
Er volgde later een gesprek met de familie. Na afloop daarvan sprak ik een broer van haar. Hij worstelde met de overtuiging van zijn ouders dat zijn zusje nu in de hel was en hij vroeg naar mijn mening. Ik heb hem geantwoord dat ik geloofde dat ze in de hemel, bij God is. En dat geloof ik nog steeds.
DEEL TWEE
Bij de eerste uitvoering van de cantate werden er ook zorgen gedeeld. In de kerkdienst werd namelijk afscheid genomen van Prins Johann Ernst en zijn moeder Charlotte von Hessen-Homburg. Het is een dramatisch verhaal. Johann Ernst zijn vader was Hertog van Saksen-Weimar. Hij was alcoholist en was politiek buitenspel gezet. Toen overleed zijn vrouw, waarvan hij één zoon had. De 22 jarige Charlotte werd toen aan hem uitgehuwelijkt. Vier kinderen werden er geboren van wie alleen Johann Ernst, de babytijd overleefde. Ook haar drankzuchtige echtgenoot overleed. Zo bleef zij achter in het slot van Weimar bij haar stiefzoon, de nieuwe hertog, en met haar eigen zoon Johann Ernst. Het enige dierbare wat zij nog bezat. Het was een muzikaal begaafde jongen die les kreeg van Bach. Maar ook hij werd ziek. In 1714 besloot Charlotte met haar zoon naar Frankfurt te gaan voor de kuuroorden in die omgeving. ‘Ich hatte viel Bekümmernis’ klonk in deze afscheidsdienst. Hoe passend was deze cantate voor dat moment. Charlotte leefde tussen hoop en vrees.
Ze zijn nooit meer teruggekeerd in Weimar. Johann Ernst overleed een jaar later. 18 jaar.
Hopen op God is geen garantie dat alles goed komt.
Was betrübst du dich, meine Seele – Koor
Met woorden uit Psalm 42 wordt het tweede deel van de cantate geopend. ‘Mijn ziel, waarom ben je onrustig in mij’. Bach behandeld de teksten muzikaal op basis van de oude motetstijl. Elke zin krijgt daarin, passend bij de inhoud daarvan, een eigen muzikale bewerking. Elke waar woord of zinsgedeelte wordt op die manier nog een keer onderstreept. ‘Waarom ben je bedroefd mijn ziel’ klinkt invoelend en pastoraal terwijl ‘en ben je zo onrustig’ weer rusteloos wordt toon gezet.
Het tweede deel werkt Bach uit als een fuga, maar de laatste woorden worden als een belijdenis nog een keer breed uitgezet. Hij is mijn God.
Ach Jesu, meine Ruh – Recitatief, sopraan en bas
In deel zes en zeven maakt Bach muzikaal gezien een sprong in de tijd. Van de oude motetstructuur van de Stile Antico naar de latere, galante barok. Let je niet op de tekst dan waan je je in een liefdesduet uit een Italiaanse opera. Deze delen voeren terug op het Bijbelboek Hooglied en het beeld van Jezus als bruidegom en zijn gemeente als bruid. Een liefdesrelatie dus.
In het recitatief wordt Jezus aangeroepen maar de mens bevindt zich nog in het donker.
Komm, mein Jesu, und erquikke – Aria, duet, sopraan en bas
In dit fraaie, theatrale duet zingen de twee stemmen in het begin nog totaal langs elkaar heen. De mens is overtuigd van zijn ondergang en bemerkt niet hoe dichtbij zijn redder eigenlijk is. En als halverwege Jezus dan toch in beeld komt volhard de mens dat hij niet meer te redden is.
Een bijzonder Ja-Nee spel volgt dan. Pas op het laatst, als het ritme veranderd, geeft de ziel zich over.
Naar het Italiaanse model van de da-capo-aria eindigt het duet toch met een korte herhaling van het begin. Of wil Bach er mee aangeven: terugval ligt altijd op de loer.
In de jaren 90 heb ik in de kliniek en in de deeltijdbehandeling verschillende keren een kleuterjuf in zorg gehad. Een geweldige creatieve vrouw en een superjuf. Maar ze had een bipolaire stoornis. In haar manische periodes ging ze volledig door het lint en deed ze dingen waar ze normaal van zou gruwen. Tijdens depressies kon ze zo diep wegzakken dat ze alleen de dood als oplossing zag. Dat waren ook intensieve worstelingen met God. Met behulp van medicatie, zelfacceptatie, signaleringsplannen en aanpassingen in werk- en privéleven lukte het haar om uiteindelijk – zij het een wankel – stabiel leven te krijgen.
Tijdens één van die opnames hebben we samen ‘Ich hatte viel Bekümmernis’ beluisterd en bij haar ontslag heb ik het haar op een cassettebandje meegegeven.
Ik geloof er heilig in dat God ook via muziek – en zeker muziek van Bach – troost, vertrouwen en heling kan bewerkstelligen.
Sei nun wieder zufrieden – Koor (met koralen)
Het volgende koormotet combineert de tekst van psalm 116 vers 7 met twee strofen van het oude kerklied Wie nur die lieben Gott lässt walten. Opmerkelijk: het zijn juist twee coupletten die in de gangbare Nederlandse vertaling niet voorkomen.
Kalm, geruststellend en begripvol zingen de stemmen, steeds variërend op de woorden van de psalmtekst. ‘Kom nu weer tot rust, mijn ziel’. En daar tussendoor, op lange, hele noten zingen eerst de tenoren en daarna de sopranen hun strofe.
Bedacht moet worden dat het koraal van Georg Neumark geschreven is tijdens de dertig jarige oorlog in de eeuw daarvoor. Een tijd van grote verschrikkingen met dood en verderf waar vooral het gewone volk ernstig onder leed. Deze liederen hielpen de mensen, door alle ellende heen, de hoop op God vast te houden.
Valt er iets te leren van de teksten en de muziek van deze cantate als het gaat om het omgaan met mensen die diep in crisis zitten en suïcidaal zijn? Ik denk het zeker!
Uit de cantate spreekt een liefdevolle en pastorale bewogenheid. Centraal staat het geduldig aanwezig zijn. Er zijn voor de ander. Niet oordelen, niet verklaren, niet met oplossingen komen of met Bijbelteksten overtuigen dat het goed komt. Er zijn voor de ander met luisteren, begrip tonen, serieus nemen. En bij dit alles: geloven in, en staan voor de hoop die er altijd is. Want God keert zich niet af van mensen, al kan dat soms wel zo gevoeld worden. Zoals Christus aanwezig is, moeten wij aanwezig zijn.
Erfreu dich, Seele, erfreu dich, Herze – Aria, tenor
Voor het eerst klinkt er vreugde in de cantate. De beken van zoute tranen mogen veranderen in klare wijn! Er is weer licht. Op een dansant ritme zingt de tenor zijn tekst. De begeleiding van de cello bestaat uit een zich steeds herhalend thema die wat mij betreft zekerheid verbeeld.
Waarom is de vreugde teruggekeerd? Omdat, volgens de tekst, Jezus troost met hemels genot. Het is het dikwijls terugkerende beeld in de cantates van Bach. Het leven in het aardse tranendal is alleen vol te houden door zicht te houden op de belofte van de hemel.
Vorig jaar kreeg ik op 18 mei een whatsappje van een ex-patiënt van de fontein. Via sociale media had ze me opgespeurd. Ze kwam terug op een gesprek wat ze elf jaar geleden met me had gehad. Dat gesprek vond plaats tijdens een heropname van haar en ging over haar schuldgevoelens rond een suïcide die drie jaar daarvoor op 18 mei had plaatsgevonden. Zij was een groepsgenoot van de overleden patiënt. Ze had een briefje onder mijn deur geschoven en gevraagd om een gesprek.
In ons whatsapp-contact schreef ze: Ik heb jaren geworsteld met schuldgevoelens, die niet terecht waren. En uiteindelijk was jij degene die mijn schuldgevoel kon afnemen door antwoorden te geven, en dat heeft zo veel betekend. Het heeft mijn leven dragelijker gemaakt. Ik mocht alles vragen had je gezegd.
Precies veertien jaar na de dag van de suïcide wilde ze dit met mij delen.
We hebben de chat afgesloten met de afspraak dat we op 18 mei dit jaar weer gaan whatsappen.
Das Lamm, das erwürget ist – Koor
Met een indrukwekkende hemelse hymne wordt de cantate afgesloten met woorden uit Openbaringen 5. In dat perspectief is dit slotkoor niet zomaar een lofzang op Christus want in het visioen van Johannes wordt het gezongen door een groot aantal engelen, wezens, samen met oneindig veel anderen. Tienduizend maal tienduizenden staat er.
Zo verbeeld het ook de troost en de hoop dat iedereen zich ooit hierbij mag aansluiten. Het is een hemels koor. Het eerste deel wordt krachtig éénstemmig gezongen. Voor het eerst voegen trompetten en pauken zich erbij. Het tweede deel wordt uitgewerkt als een fuga met achtereenvolgens de inzet van de bassen, tenoren, alten en sopranen. Elke stem, elk mens hoort erbij, mag meezingen. Op het laatst voegen ook de pauken en trompetten zich bij het gezang.
En omdat dit kerkmuziek is, en geen opera, en omdat het om Gods eer gaat en niet om de kunsten van de componist, sluit Bach zijn laatste Halleluja niet met indrukwekkende slotakkoorden, maar met een korte achtste noot abrupt af.
Tekst en vertaling: zie https://www.eduardvanhengel.nl/werken/BWV_21
Afbeelding: Uitsnede van ‘de dood van Maria’, Caravaggio.