Waarom heten zoveel Bachs Johann?

4x5 original

Johann Bach, Johann Ambrosius, Johann Andreas, Johann August, Johann Balthasar, Johann Bernard, Johann Christian, Johann Christoph, Johann Christoph Friedrich, Johann Egedius, Johann Elias, Johann Ernst, Johann Friedrich, Johann Gottfried Bernard, Johann Günther, Johann Heinrich, Johann Jacob, Johann Jonas, Johann Lorenz, Johann Ludwig, Johann Michael, Johann Nicolaus, Johann Philipp, Johann Sebastian, Johann Stephan, Johann Valentin… allemaal met de achternaam Bach.

Bekijk achterin een goede Bachbiografie het namenregister en zie hoe vaak de naam ´Johann´ als eerste naam wel niet voorkomt. Niet alleen bij de Bachs maar ook bij tal van andere Duitse families.
Die eerste naam was nooit de roepnaam. Dat was doorgaans de laatste naam.
Johann was eigenlijk een erenaam. Oorspronkelijk zelfs een protestnaam.
Zoals bij katholieken het gebruikelijk was om de naam van Maria als één van de doopnamen op te nemen (ook wel bij mannen), zo gingen na de reformatie de Lutheranen Johann (of Johanna) in hun naam zetten en wel vooraan. Johann verwijst dan naar Johannes de Doper, de prediker of profeet die opriep tot bekering omdat het Koninkrijk van God nabij was gekomen. Mensen die zich bekeerden doopte hij in de Jordaan.  Uiteindelijk liet ook Jezus zich door hem dopen. Johannes de Doper zei over hem: ‘zie het lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt’ en ‘ik ben zelfs niet goed genoeg om de riem van zijn sandalen los te maken’.

Voor de Lutheranen sprak Johannes de Doper met zijn felle prediking en zijn aankondiging van een nieuwe tijd tot de verbeelding. Zeker ook omdat Johannes er ook niet voor terugdeinsde het heersende gezag streng te bekritiseren. Dit leidde uiteindelijk tot zijn dood toen hij tijdens zijn gevangenschap bij koning Herodes onthoofd werd. Voor de Lutheranen werd Johannes de Doper, zeker in het begin van de reformatie, het symbool van de onverzettelijkheid. Ze spiegelden zich aan hem en zo werd Johann een soort geuzennaam, als alternatief voor het katholieke Maria.

En zo werd tijdens Bachs doop op 23 maart 1685 als eerste de naam Johann uitgesproken[1]. Niet naar zijn vader Johann Ambrosius zoals Christoph Wolff in zijn Bachbiografie suggereert. Ook niet naar zijn peetvader Johann Georg Koch, houtvester van de plaatselijke graaf waar Ambrosius blijkbaar een vriendschappelijke verhouding mee had en ook niet naar Johann Christoph Zerbst, de dominee die Johann Sebastian doopte. Ook zij heten allemaal Johann, naar Johannes de Doper.

Op 24 juni vierden de Lutheranen het Sint-Jansfeest. Dit zou de geboortedag van Johannes de Doper zijn, een half jaar voor de geboorte van Jezus. Bach componeerde twee cantates voor dit feest: Ihr Menschen, rühmet Gottes Liebe (BWV 167) en Christ unser Herr zum Jordan kam (BWV 7). De eerste regels van het openingskoor van de laatstgenoemde cantate:

Christ unser Heer zum Jordan kam
Nach seines Vaters Willen,
Von Sankt Johanns die Taufe nahm,
Sein Werk und Amt zu erfüllen.

[1] Sebastian is de naam van de andere peetvader, Sebastian Nagel, stadsmusicus van Gotha en vriend van Ambrosius.

Afbeelding: Johannes de Doper in de wildernis; José Leonardo (Spanje, 1601-1653)

Pasen is een hardloopfeest en Bach loopt mee!

Knipselpasen


Kommt, eilet und laufet

De hardloopkalender in het tijdschrift Runnersworld uit maart 2013, vermeldt op Eerste en Tweede Paasdag maar liefst zesendertig hardloopwedstrijden. Menig van die loopevenementen hebben ook toepasselijke namen als Paasloop, Paashaasloop en Paasjogging. Persoonlijk heb ik ook goede herinneringen aan hardlopen met Pasen: mijn eerste marathon liep ik in 2008 op Tweede Paasdag in Utrecht. In 2012 was ik weer van de partij.
Pasen staat synoniem voor het begin van de lente. Vanuit dat perspectief is het grote aantal hardloopwedstrijden goed te verklaren. De winter is voorbij, buiten wordt het zachter. Het blijft langer licht, dus je kunt ’s avonds weer het bos in. Voor de hardlopers breekt er weer een aangename tijd aan. Ook vanwege de trimlopen en  hardloopwedstrijden die georganiseerd worden; om te beginnen met Pasen!
Dat Pasen strikt genomen een christelijk feest is, zal aan veel deelnemers van deze Paaslopen voorbijgaan. Hier onderscheiden zij zich overigens weinig van al die anderen die na het nuttigen van een Paasbrunch meubelboulevards of pretparken bezoeken. Om over chocolade eieren en paashazen nog maar te zwijgen. Met het christelijke paasfeest heeft het allemaal weinig te maken. Hoewel? Het Bijbelse Paasverhaal blijkt nader beschouwd vol met hardloopelementen te zitten, en omdat Bach veel muziek heeft geschreven voor de Paasdagen wordt er in de muziek van Bach ook volop gerend! Vanuit dit perspectief past het dus heel goed om hard te gaan lopen op Pasen en blijkt de haas als snelrennend wezen toch een passend symbool te kunnen zijn op de Paasdagen.

In de Bijbel wordt in de evangeliën van Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes het leven van Jezus beschreven. Als leraar trekt hij door Israël met een boodschap van liefde, solidariteit en bevrijding. Sommigen zien hem als de Zoon van God die door zijn lijden en sterven de zonden zal dragen voor de mensheid. Anderen zien hem als de Messias die het volk Israel zal verlossen van de Romeinse overheersing. Hoe het ook zij, zijn boodschap roept vooral bij de gezagsdragers van het Joodse volk ergernis op wat uiteindelijk leidt tot zijn gevangenneming, berechting en kruisiging.  Deze laatste episode van zijn leven, het ‘lijdensverhaal’, is door Bach op indrukwekkende wijze op muziek gezet in zijn Matthäüs-  en Johannes-Passion. Het verhaal van Jezus eindigt echter niet met zijn dood. Zijn graf werd op de derde dag (de eerste dag van de week) leeg bevonden. Aan verschillende mensen zou hij zijn verschenen. Jezus is opgestaan en leeft! Dat wordt gevierd met Pasen. Bach schreef hierover verschillende cantates voor de eerste, tweede en de in die tijd ook nog bestaande derde Paasdag. Daarnaast componeerde Bach een uitgebreider Oster-Oratorium[1].

Acht hardloopscènes.

Zoals al genoemd wordt er in dit passie- en Paasverhaal en ook in de muziek van Bach daarover, opvallend veel hardgelopen. De eerste hardloopscène komen we tegen bij de gevangenneming van Jezus die plaatsvindt in de hof van Gethsemane. Zijn afvallige discipel Judas verraadt hem met een kus. Van de andere discipelen wordt door Mattheüs verteld: Daarop lieten alle leerlingen hem in de steek en vluchten weg[2].  Ze gingen er als een haas vandoor. Als de evangelist in de Matthäus-Passion deze scène zingend verhaalt (‘Da verliessen ihn alle Jünger, und flohen’) zou je misschien verwachten dat Bach dit woord met snelle noten accentueert, maar dat doet hij niet. De dramatiek klinkt wel door in de dalende toonsprong op ‘flohen’, en de kwart rust die hierna valt om de maat vol te maken. Een uitbeelding om even te voelen dat Jezus nu echt door zijn vrienden alleen gelaten is? Hierna volgt dan ook direct de instrumentale opening van het slotkoor van het eerste deel: ’O Mensch bewein dein Sünden gross’.
De tweede hardloopscène wordt alleen  door Markus verhaald. Hij geeft nog een vervolg op de bovengenoemde scène uit Mattheüs. Markus maakt er een spannende beschrijving van: Een jongeman, die alleen een linnen kleed aan had, probeerde bij hem te blijven, maar toen ook hij werd vastgegrepen, liet hij het kleed in hun handen achter en vluchtte naakt weg[3]. Het is zo’n mysterieus stukje uit de Bijbel. Je zou willen weten wie deze jongen was, wat er van hem geworden is, maar het blijft in nevelen gehuld. Zo is het trouwens ook met Bachs Markus-Passion (BWV 248), die Bach op Goede Vrijdag 1731 heeft uitgevoerd. Weliswaar keurig een BWV-nummer, maar er is alleen maar een tekst beschikbaar, want de muziek is verloren gegaan. Men neemt aan dat verschillende koren en aria’s hun oorsprong hebben in de Trauerode Lass, Fürstin, lass noch einen Strahl’ (BWV 198)[4]. De muziek van de evangelietekst is echter volledig onbekend, wat dus ook betekent dat het gissen blijft hoe Bach het tekstgedeelte over de naakt wegrennende jongen op muziek heeft gezet. Van de Markus-Passion bestaan verschillende reconstructies. Ton Koopman maakte er ook één. Hiervoor componeerde hij zelf de recitatieven in de stijl van Bach. In tegenstelling tot in Bachs Matthäus-Passion componeert hij het ‘flohen’ van de leerlingen met een hele reeks van stijgende korte nootjes, en beeldt hij het woord inderdaad treffend uit. Als een lettergreep op meerdere noten wordt gezongen, dan wordt dat een melisme genoemd. Hetzelfde woord ‘flohen’ wordt bij de wegvluchtende naakte jongeman echter maar op drie nootjes gezet. Alsof Koopman als componist even verlegen is met de penibele situatie…
De hardloopscènes drie en vier staan niet in de Bijbel maar komen uit de Johannes-Passion (BWV 245). In het Bijbelverhaal blijkt dat Petrus en een andere discipel Jezus uiteindelijk toch volgen naar de plek hij wordt voorgeleid. Na het recitatief waarin dit wordt gezongen volgt de sopraan-aria ‘Ich folge dich gleichfalls mit freudigen Schritten’. Zoals bekend zijn de aria’s persoonlijke reacties of toepassingen op het gebeuren, want natuurlijk volgde Petrus Jezus niet met een vrolijke tred. Hij was doodsbenauwd, even later zou hij warempel tot drie maal ontkennen dat hij bij Jezus hoorde. De aria wil blijkbaar meegeven dat ondanks alles het volgen van Jezus uiteindelijk vreugdevol mag zijn. Bach zet de aria daarom in een dansachtige 3/8 maatvorm, en de woorden ‘folge’ en ‘freudigen’ worden achtereenvolgens met stijgende en dalende notenreeksen uitgebeeld. In een huppelpas achter Jezus aan!
De vierde hardloopscène heeft een heel ander karakter. Als verderop in het verhaal Jezus het kruis op zijn rug moet dragen en naar Golgotha moet lopen waar de kruisiging plaats zal vinden voegt Bach in de Johannes-Passion een beschouwende aria toe: ‘Eilt, ihr angefochten Seelen’. In een vlot tempo wordt gezongen dat gelovigen zich moeten haasten om naar Golgotha te gaan. ‘Flieht’  wordt zelfs gezongen. Ga vliegensvlug, ijlings, want op Golgotha is het heil te vinden. Bach componeert deze aria op het vlugge, ietwat onrustige ritme van een courante. In een snel loopje van stijgende noten wordt de start van de run uitgebeeld. Deze oude Franse hofdans is vanwege zijn snelle ritme heel geschikt voor deze tekst, beter nog dan de snelle gigue die meer een huppelend karakter heeft. In de Matthäus-Passion wordt bij dit tekstgedeelte niet hardgelopen. Integendeel, de zware gang met het kruis op de rug wordt door Bach treffend uitgebeeld met de instrumentele omlijsting van de bas-aria ‘Komm süsses Kreuz’. De aria bezingt de vraag aan Jezus om als het lijden van de mens te zwaar wordt, of hij dan wil helpen dat kruis te dragen. Het stroeve ritme  van de aria met de stotende, zware streken van de gamba symboliseren het pijnlijke zwoegen van degene die het kruis moet dragen.

Hardloopscène vijf begint op paasmorgen, en  is een meidenrun. Op de eerste dag van week gaan Maria van Magdala en een andere Maria in alle vroegte naar het graf. Ze zien de steen weggerold en ontmoeten een engel die tegen hen zegt dat Jezus is opgestaan. De engel maant de vrouwen snel naar de leerlingen te gaan om dit nieuws te melden. Ontzet en opgetogen verlieten ze haastig het graf[5]  schrijft Mattheüs. Terug in de stad vertellen de vrouwen het nieuws buiten adem aan de leerlingen. In de cantate voor Eerste Paasdag Der Himmel lacht! Die Erde jubilieret (BWV 31) wordt dit rennen als metafoor gebruikt voor het achterlaten van het oude zondige leven. De opstanding van Jezus mag de gelovige ertoe aan zetten een nieuw leven te beginnen. In het recitatief (van het vijfde deel) worden in dit kader onder andere de volgende regels gezongen: ‘Tritt an den neuen Lebenslauf!’ en even later: ‘Ein Christe flieht, ganz eilend von dem Grabe’. Begin je nieuwe levensloop, en wel zo snel als je kunt. Weg van dat graf; opstaan en rennen maar! Bach laat de tenor de woorden ‘Lebenslauf’,  ‘flieht’ en ‘eilend’ in razendsnelle zestiende nootjes zingen. De laatste twee woorden eerst stijgend, dan weer dalend.
Dan volgt de zesde hardloopscéne die uitmondt in een ware wedstrijd. Er zijn verschillende versies: Lucas vertelt dat de leerlingen het verhaal van de vrouwen maar kletspraat vonden. Behalve Petrus. Lucas schrijft: Petrus echter stond op en rende naar het graf[6].  De evangelist Johannes vertelt dat er nog iemand anders naar het graf rende. Als een echte sportverslaggever verslaat hij deze hardloopscène: Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf[7]. Petrus verliest de run van de andere leerling die blijkbaar over een goede eindsprint beschikte. Johannes zelf?
Al dit rennen op de eerste Paasdag komt treffend terug in het Oster-Oratorium (BWV 249). De cantate opent met een vrolijke sinfonia. Trompetten dragen bij aan de feestvreugde. In tegenstelling tot de ‘Eilt-aria’ uit de Johannes-Passion heeft hier de muziek wel het aan de gigue verwante ritme. Dansend en huppelend wordt de opstanding van Christus gevierd en omdat het hier om feestmuziek gaat, wordt het ritme ondersteund door paukenslagen. Maar dan wordt er even een pas op de plaats gemaakt. In een adagio klinkt de stille verwondering door; je moet ook wel even stilstaan om te beseffen wat er is gebeurd; heb je wel in de gaten hoe groot dit wonder is? Hierna zet echter het orkest de sinfonia opnieuw in en kort daarop volgt het koor met de volgende tekst: Kommt, eilet und laufet ihr flüchtige Füsse wat vertaald kan worden als: Komt, loop in ijltempo gij vliegensvlugge voeten. Ren naar de plek waar het wonder is geschied. Prachtig hoe Bach de sfeer van het rennen en vliegen op die vroege Paasmorgen in zijn muziek verbeeldt. Het snelle tempo van de gigue, de melismes op ‘eilet’ en ‘laufet’. Bach maakt er echt een hardloopfeest van.

De eerste hardloopscènes waren als gevolg van het wegvluchten te typeren als echte sprinten. De laatste hardloopscènes zijn te duiden als middenafstandlopen. De afstand tussen de stad Jeruzalem en de graftuin buiten de stadspoort zal zo´n anderhalf tot twee kilometer geweest zijn. Ten slotte kan er ook nog een lange afstandsloop hebben plaatsgevonden en dat wordt dan hardloopscène zeven.  Lucas vertelt over de zogenoemde Emmaüsgangers, enkele leerlingen van Jezus die, nog onder de indruk van wat er zich in Jeruzalem allemaal heeft afgespeeld, ´s middags terugwandelen naar hun woonplaats Emmaüs. Lucas noemt een exacte afstand: zestig stadia, wat ongeveer twaalf kilometer is. Dan voegt Jezus zich bij hen, maar zij herkennen hem niet. Jezus wandelt met hen op en ze spreken over datgene wat er in Jeruzalem is geschied de afgelopen dagen. Aangekomen in Emmaüs nodigen ze Jezus bij hen thuis, want het is bijna avond. Als Jezus aan tafel het brood breekt, herkennen ze hem pas, maar dan verdwijnt Jezus ook plots uit hun zicht. Lucas vertelt dan verder: Ze stonden op en gingen meteen terug naar Jeruzalem, waar ze de elf en de anderen aantroffen[8]. Het wordt niet expliciet vermeld, maar het kan haast niet anders dan dat deze leerlingen hardlopend terug zijn gegaan want het was al avond en ze wilden zo snel mogelijk hun ervaring delen met de anderen. In de lutherse kerk werd dit verhaal op de Tweede Paasdag gelezen. Bach componeerde hierbij de cantate Bleib bei uns, denn es will Abend werden (BWV 6). In deze cantate, met het overigens magistrale openingskoor op het ritme van de sarabande, wordt niet hardgelopen. Wellicht toch meer passend bij het Bijbelverhaal wordt er echter wel gewandeld, en dat is dan loopscène acht. In de cantate gaat het over de zondige mens die wandelt in de duisternis, maar die door het licht van Christus’ woord op het rechte pad kan gaan. In het bas-recitatief van deel vier klinkt het woord ‘gewandelt’ op driemaal een gelijke G als kwartnoot. Je ziet als het ware de stappen: recht vooruit. Dan volgt de tenor-aria met de tekst die het thema van de cantate samenvat:

Jesu, lass uns auf dich sehen,
Dass wir nicht auf den Sündenwegen gehen.
Laß das Licht deines Worts uns heller scheinen,
Und dich jederzeit treu meinen.

Violen omlijsten de aria  met motieven die de tekst kracht bij zetten. Van Hengel omschrijft het als volgt: ‘Motieven die – blijkens de teksten van de tenor – vooral de zware stappen in beeld brengen van de vermoeide reiziger die, onzeker struikelend langs een kronkelig pad, dreigt af te glijden op de ‘Sündenwegen.’

Pasen en hardlopen. Ze horen bij elkaar. En niet alleen vanwege het aangename hardloopweer, maar zeker ook omdat het Paasverhaal zelf een hardloopverhaal is. In dit opzicht past de snelle haas dus uitstekend bij dit feest. En Bach loopt onmiskenbaar mee!
Dat het de vele lopers en zeker de hazen[9] op de Paaslopen mag inspireren.
Kommt, eilet und laufet!

[1] Ostern is Pasen.

[2] Mattheüs 26:56b.

[3] Markus 14:51-52.

[4] Zie ook hoofdstuk ‘Bach in de hemel (in h-Moll)’.

[5] Mattheüs 28:8.

[6] Lucas 24:12a.

[7] Johannes 20:4.

[8] Lucas 24:33.

[9] Een haas is in de hardloopwereld iemand die in een wedstrijd wordt ingehuurd om een tempo aan te geven.

BWV 333 op Bachs 333ste geboortedag

Herr Jesu Christ, du hast bereit’t

Op 21 maart 2018 is het 333 jaar geleden dat Johann Sebastian Bach het levenslicht zag. Vanwege dit bijzondere getal en misschien ook omdat het nog zo lang duurt voordat we weer van een echt Bachjaar mogen spreken (2035, Bachs 350ste geboortedag of 2050, Bachs 300ste sterfdag) wordt zijn geboortedag dit jaar aangegrepen om iets bijzonders te doen. Het TV-programma Podium Witteman organiseert een uitvoering van het Derde Brandenburgse concert gespeeld door maarliefst 333 strijkers. Een leuk idee, wat je er verder ook van vindt. In elk geval zeker passend bij het getal 333, want Bach schreef dit concert voor 3 violen, 3 altviolen en 3 cello’s (en continuo). In dit geval is 3 + 3 + 3 dus geen 9 maar 333! Hoe dit spektakel ook moge klinken, Bach krijgt er in elk geval weer de verdiende aandacht mee.
Het bracht mij op een ander idee: welke compositie van Bach is BWV 333?
In 1950 zijn alle Bachwerken door Wolfgang Schmieder gerangschikt en hebben een BWV-nummer gekregen (Bach Werke Verzeichnis). Na de cantates, motetten, missen en oratoria en passies volgen een groot aantal vierstemmige koralen waarvan BWV 333 er één van is. Het gaat dan om het koraal Herr Jesu Christ, du hast bereit’t. Op internet zijn tekst, notenschriften en uitvoeringen van dit koraal te vinden en je hoeft geen musicoloog of musicus te zijn om na het beluisteren ervan te concluderen dat Bachs vierstemmige harmonisatie een juweeltje is.

Vierstemmige koralen, BWV 253 – 438

Bach heeft een groot aantal Lutherse koralen van een vierstemmige zetting voorzien. Op welke manier hij deze verzameling zelf ordende is niet bekend. Wellicht verzamelde hij ze in speciale mappen die hij bewaarde in zijn komponierstube. Hij componeerde de koraalzettingen voor zijn cantates en passies, maar vast ook voor het zingen van koralen in de eredienst. Tussen 1784 en 1787 (dus meer dan 34 jaar na zijn dood) verzamelden muziektheoreticus Johann Philipp Kirnberger en Bachs zoon Carl Philipp Emanuel maarliefst 371 koraalzettingen en gaven die in vier bundels uit. Een groot gedeelte van deze koralen hebben de BWV-nummers 253 – 438 gekregen. Veel minder dus dan de genoemde 371, want 162 zettingen die ook in cantates en passies voorkwamen en 23 koralen met een gelijke melodie of (gedeeltelijk) gelijke tekst hebben geen eigen BWV-nummer gekregen. Hoe dan ook, Kirnberger en Bachs zoon hebben blijkbaar de grote rijkdom ingezien van al deze koraalzettingen van Bach en hebben ervoor gezorgd dat al dit werk bewaard is gebleven; en dat is zeker van belang geweest voor al die koraalzettingen die niet in cantates terecht zijn gekomen. Die hadden anders zomaar verloren kunnen gaan. Eén zo’n losse koraalzetting is Herr Jesu Christ, du hast bereit’t.

BWV 333

https://www.youtube.com/watch?v=ivPlIT2OQWM

Image_BWV_0333

Het koraal is een avondmaalslied en stamt uit 1638. Het telt acht strofen. De strekking van het lied is dat de mens als arme zondaar door Christus in genade wordt aangenomen en van hem brood en wijn ontvangt als teken van zijn lichaam en bloed wat hij heeft gegeven ter vergeving van de zonden. De tekstschrijver is Samuel Kinner. Over wie deze persoon precies was bestaat geen zekerheid. Misschien was het een arts afkomstig uit Breslau. Dit koraal is ook het enige wat van hem bekend is. Wie de componist van de melodie is is niet duidelijk. Er wordt in elk geval niet vanuit gegaan dat die van Bach zelf is. Wel weten we dat er een dag is geweest dat Bach zijn ganzenveer in zijn inktpot doopte en een vierstemmige zetting van dit koraal aan het papier toevertrouwde. Hoe deed Bach dat? Kwam dat zomaar vanzelf uit zijn pen of was hij daar toch wel even mee bezig? Wat mij betreft is het duidelijk dat Bach bij dit koraal geen muzikale tekstuitbeelding wilde bewerkstelligen (zoals hij wel deed bij koraalzettingen in zijn Passionen en hij op die manier bepaalde woorden extra inhoud kon geven). Dan had in dit koraal bijvoorbeeld de harmonisatie op het woord ‘Sündenlasst’ een dissonant geklonken. Bachs zetting is dan ook niet alleen voor de eerste strofe maar ook voor de zeven die daar nog op volgen. Nee, wat Bach doet is eenvoudigweg een prachtig klinkende vierstemmige harmonisatie neerschrijven, misschien toch nog wel geinspireert door de mooie en diepzinnige tekst van het koraal. We weten immers – dat is vastgelegd in de analen van de kerk – dat hij regelmatig aan het avondmaal ging. En hoewel het koraal in g-klein staat krijgt het door de harmonisatie – en zeker door de tenorpartij – een opgetogen karakter. Bach sluit het koraal dan ook af in G-groot.
Beluister het koraal een paar maal of speel de muziek heel rustig op je klavecimbel, orgel of piano en je wordt gepakt door de prachtig vloeiende lijnen in de zich op elkaar volgende akkoorden.

Meesterwerken heeft Bach geschreven. De Matthäus Passion (BWV 244)  , de Chaconne (BWV 1004, vijfde deel), het Derde Brandenburgse concert (BWV 1048)… maar ook een kleine BWV 333 is een knap staaltje vakwerk in al zijn schijnbare eenvoud.

Bach, 333 jaar.
Nu toch ook benieuwd geworden naar Cantate 33 deel 3…

Dansen met Bach

9789461533722

Ten tijde van het koningschap van Lodewijk de Veertiende van 1643 (Lodewijk was toen vier jaar oud) tot aan zijn dood in 1715, werden balletten en opera’s waarin werd gedanst tomeloos populair aan het hof van Versailles. Was het dansen in eerste instantie voorbehouden aan geschoolde dansers en danseressen, en diende het dansen dus alleen om naar te kijken in het theater, al gauw wilden de edele dames en heren zelf ook de dansen leren uitvoeren. Lodewijk zelf ging hen hierbij voor, want hij was een fervent dansliefhebber. Hij danste als tiener al mee in balletten. Op deze manier ontstonden de pompeuze balfeesten in de rijkversierde balzalen van Versailles en Parijs. Dit had een grote uitstraling naar de gegoede burgerij zowel in binnen- als buitenland en zeker in Duitsland was men in de ban van de Franse hofdansen.
Zo’n ‘bal’ was altijd strak georganiseerd op grond van allerlei regels. Het stond vast waar je moest zitten of staan en welke plek je op de dansvloer kreeg. De voornaamste gasten kregen natuurlijk de beste plek. Ook de volgorde van wanneer men zich op de dansvloer mocht begeven was van te voren bepaald.
Er werd aan het hof natuurlijk niet ‘gevolksdanst’. De gebruikte dansritmes kwamen weliswaar voort uit de oorspronkelijke volksdansen, zoals het menuet en de gavotte, maar de dansvormen zelf, zoals de pasjes en de bewegingen, werden ontwikkeld vanuit de balletkunst. De door Lodewijk de Veertiende in 1661 gestichte ‘Koninklijke academie voor de Dans’ heeft daarbij een grote invloed gehad. Hieruit kregen de ‘hoofse dansen’ verder hun vorm en eigenlijk werd hier de basis van het moderne ballet gelegd.
Karakteristiek voor de ‘hoofse dansen’ was dat er gestileerd en elegant in groepjes werd gedanst. Dit gebeurde gewoonlijk in rijen of in kringen. Soms ook wel in paren, maar dan ging het niet om vaste paren zoals dat tegenwoordig gewoon is, maar steeds met afwisselende paren. Het is dus niet te vergelijken met het huidige stijldansen. Verder waren de dansen gebonden aan strenge regels en houdingsvormen. Zo moest de rug recht blijven en mochten bij het bewegen van de armen de schouders niet opgetrokken worden. Ten slotte waren de grondpatronen die op de dansvloer afgelegd moesten worden misschien wel net zo belangrijk als de lichaamsbewegingen zelf. In deze patronen vallen dezelfde barokelementen op (zoals symmetrie en versieringen) die we ook herkennen in de architectuur van paleizen met de daarbij horende tuinen uit die tijd (zie illustratie). Alles bij elkaar hadden deze hoofse dansen veel rituele kenmerken. Zaken als discipline, in balans zijn en het bezitten van een zekere waardigheid konden op deze manier uitgedrukt worden. Al deze zaken waren terug te voeren op het strenge hofleven onder Lodewijk de Veertiende; hoe beter je kon dansen hoe hoger je status was aan het hof.
Dit hoofse dansen bleef natuurlijk niet voorbehouden aan het hofleven. Ook de gegoede burgerij ging dit overnemen en op die manier ontstond er een nieuwe (dans)cultuur die zich verspreidde over West-Europa. Franse hoffelijkheid raakte zogezegd in de mode waarbij ook het taalgebruik werd beïnvloed. Een gezegde als ‘iemand het hof maken’ was afkomstig van het hof waar het oorspronkelijk de betekenis had van ‘in de gunst van de koning komen’. In de nieuwe betekenis ging dit meer de kant op van in de gunst van een meisje komen waar je je oog op hebt laten vallen. De hofdansen, waarbij  in rijen werd gedanst en je dus steeds een andere partner voor je kreeg, bleken uitermate geschikt bij het op zoek gaan naar een geschikte partner. Ook om deze reden waren deze georganiseerde bals erg populair.
Belangrijk voor de ontwikkeling en het aanleren van deze dansvormen waren de Franse dansmeesters. Deze kunstenaars waren daarnaast ook dikwijls musicus en componist. Jean Baptiste Lully was zo’n veelkunner, evenals verschillende van zijn leerlingen. Met twee van hen zullen we in dit hoofdstuk nader kennismaken omdat onder andere deze twee de Franse dans- en muziekkunsten binnen de Duitse hoven introduceerden. Omdat Bach vanwege zijn belangstelling en zijn werk in contact stond met deze hoven, leerde hij deze dansmeesters uit Parijs ook kennen. Zij fungeerden als een belangrijke inspiratiebron voor hem, zeker voor wat betreft de Franse muziek.

Voordat ik echter deze dansmeesters op de dansvloer laat verschijnen, wil ik eerst nog een prangende vraag aan de orde stellen.

Als nu al een aantal hoofdstukken lang geschreven wordt over Bach en de dansmuziek die hij heeft gecomponeerd, dan is het toch eigenlijk niet zo vreemd om de volgende vraag te stellen: danste Bach zelf ook? Was Bach een danser? Het is op zichzelf al een vreemd klinkende vraag. De vraag stellen is hem beantwoorden: want hoeveel muzikale kwaliteiten we Bach ook op allerlei gebieden toedichten, we kunnen ons een dansende Bach eigenlijk niet voorstellen. Dat past eenvoudigweg niet bij het beeld dat we nu van hem hebben. We zien hem als een statige, serieuze, zware en enigszins stijve man die in zijn vrije tijd het liefst ontspannen een pijp rookte met een goed glas wijn er bij. Misschien dat hij op een familiefeest meedeed met een rondedansje, maar of hij zich mee liet voeren in het hierboven beschreven Frans gedans? Ik kan het me eigenlijk niet voorstellen. Maar hiermee is op de zo juist gestelde vraag nog geen bevredigend antwoord gegeven.

In alle literatuur die ik over Bach heb gelezen, komt een ‘letterlijk’ dansende Bach niet voor. Toch is ook dit stilzwijgen hierover nog geen bewijs dat Bach zelf niet danste. Of hij dus van dansen hield of dat hij bijvoorbeeld in zijn jeugd zelf dansles heeft gehad, op deze vragen valt niet met zekerheid een antwoord te geven. De kans dat Bach in zijn jeugd dansles heeft gehad, lijkt me overigens niet zo groot. Bach woonde tot zijn negende jaar in zijn ouderlijk huis in Eisenach. Op die leeftijd, of de jaren nog daarvoor, ging men nog niet op dansles. In zijn tienertijd, toen hij danslessen zou kunnen gaan volgen, woonde Bach reeds bij zijn oudere broer Johann Christoff in Ohrdruf. Hij had zijn twee jongste broers, Johann Jacob en Johann Sebastian in zijn gezin opgenomen nadat beide ouders waren overleden. Deze plotselinge gezinsuitbreiding kostte Johann Christoff, die als organist niet erg bemiddeld was, veel extra uitgaven. Hij zorgde dan ook voor het hoognodige, en daar zullen danslessen vast en zeker niet bij gezeten hebben. Toen Bach vijftien jaar oud werd, moest hij dan ook zelf de kost gaan verdienen. Hij kwam toen in Lüneburg terecht. Hierover dadelijk meer.

Het zou kunnen dat Bach samen met zijn vrouw Maria Barbara dansles heeft gehad van Adam Immanuel Weldig. In 1708 vestigde het jonge paar zich in Weimar en ze betrokken een woning aan het marktplein die in bezit was van deze Weldig. Hij woonde zelf ook in dit pand. Bach en zijn vrouw kregen hier hun eerste kinderen. Weldig werkte net als Bach voor het hoforkest van de hertog. Hij was een falsettist, een mannensopraan. Tevens was hij de baas van de pages aan het hof en gaf hij ook nog danslessen. Bach en Weldig raakten bevriend met elkaar wat tot uiting kwam in het feit dat deze zanger en dansleraar de peetvader werd van Bachs derde kind Carl Philipp Emanuel (Georg Philipp Telemann was de andere peetvader). Het kan toch haast niet anders dat Weldig het één en ander aan dansvormen aan het jonge stel heeft geleerd.

Ook in de fase van Bachs leven dat hij thuis kinderen had zou hij gedanst kunnen hebben (en die fase heeft tot aan zijn dood geduurd). Tim Dowley schrijft hierover dat de eenvoudige muziekstukjes uit het Notenbüchlein für Anna Magdalena uitstekend geschikt zouden zijn om op te dansen. Ook in het gezin van de Thomascantor: ‘en het kan zijn dat hun zoons en dochters ze gebruikt hebben tijdens de traditionele danslessen’. Hij doelt hier dan op de menuetten, polonaises en marsen in Anna Magdalena’s notenboekje. Maar ook hier weer: ‘het kan zijn dat…’

Al die menuetjes heb ik vroeger ook geleerd, al was dat voor orgelles. (Dansles heb ik zelf ook nooit genoten. Dat paste niet in het milieu waar ik uitkom.) De stukjes stonden in het lesboekje: ‘Doremi van pruikentijd’. Allemaal makkelijke stukjes uit de barok. Mijn orgelleraar, Gert van Surksum, vertelde daar al bij dat men vroeger met die grote pruiken op heel deftig op deze muziek kon dansen.

Een menuet was een populaire dans die zijn oorsprong had in Frankrijk rond 1670. De dans heeft een driedelige maatsoort en een vrij rustig tempo. Oorspronkelijk is het menuet afkomstig uit de provincie Poitou-Charentes (midden-west Frankrijk). De naam is afgeleid van ‘pas menus’ dat ‘kleine stapjes’ betekent. Over rituelen gesproken: lange tijd had het grondpatroon van deze dans een S-vorm, verwijzend naar ‘soleil’ (zon), de Zonnekoning dus. Het menuet werd één van de meest populaire dansen uit de klassieke muziek. Zelfs Mahler verwerkte in 1894 nog een menuet in zijn tweede symfonie. Aanvankelijk werd het menuet individueel gedanst maar later vooral in groepjes van vier. Echt een dansje om thuis met de kinderen te doen zou je zeggen. Maar of Bach dat deed? Het lijkt erop dat hij toch voornamelijk zijn menuetjes en polonaises schreef voor de klavecimbellessen van zijn kroost, en natuurlijk voor zijn Anna Magdalena.

Wat wel een feit is, is dat Bach in zijn leven een aantal keren te maken heeft gehad met zeker voor die tijd bekende dansmeesters: Thomas de la Selle en Jean Baptiste Volumier. Beiden waren opgeleid aan het Franse hof en hebben wellicht ook de Dansacademie gevolgd.
Bach ging toen hij vijftien jaar was, naar Lüneburg in Noord-West Duitsland om te studeren aan het gymnasium aldaar. De jongens uit de minder bemiddelde gezinnen (en dat gold ook voor de familie Bach) werden op deze school aangenomen wanneer ze muzikaal onderlegd waren en over een goede sopraanstem beschikten. Ze konden dan zingen in het Mettenkoor van de Sankt Michaeliskerk. Hiervoor kregen ze zelfs een bescheiden salaris. Bachs broer Johann Christoff hoefde hem nu niet meer te onderhouden. Aan dit Gymnasium was ook de zogenaamde ‘Ritteracademie’ verbonden. Dit was een speciale afdeling voor de jongens van adellijke afkomst. Naast het gebruikelijke onderwijs kregen deze jongens les in de etiquette die bij hun stand behoorde. En zeker in die tijd was dat heel Frans georiënteerd. De jongens kregen les in de Franse taal en natuurlijk hoorden daar ook danslessen bij. En ook dit dansen ging op de Franse manier. Speciaal hiervoor had de school de Fransman Thomas de la Selle ingehuurd, een musicus en dansmeester die aangesteld was aan het ook zeer Frans georiënteerde hof Braunschweig-Lüneburg in Celle, zo’n tachtig kilometer van Lüneburg vandaan. Hertog Georg Wilhelm was namelijk getrouwd met een Franse Hugenote, Eléonore Desmier d’Olbreuse en deze Française zorgde er wel voor dat het er Frans aan toe kon gaan in het paleis. Zij maakte van het hof van Celle een ‘klein Versailles’. Het is zo goed als zeker dat Bach met deze Thomas de la Selle een aantal keren naar Celle heen en weer is gereisd waardoor Bach zich heeft kunnen verdiepen in de Franse muziek, de suites en de dansstijlen. Het zou goed kunnen dat deze De la Selle de vijftienjarige Sebastian de verschillende Franse dansstapjes heeft aangeleerd. Maar waarschijnlijk was Bach toch meer geïnteresseerd in de Franse muziek. Als hij zelf niet eens heeft meegespeeld met het hoforkestje van De la Selle, dan heeft hij vast wel de repetities bijgewoond. Thomas de la Selle zelf was ooit nog in de leer geweest bij de grote Jean Baptiste Lully, de hofcomponist van Lodewijk de Veertiende. Lully was naast musicus en componist ook dansmeester en had in zijn jeugd zelf ook in balletten gedanst, samen met Lodewijk de Veertiende.

Het is inmiddels een bekend gegeven: de invloeden van de Franse muziek zijn een vaste waarde geworden in het gehele werk van Bach. In cantates, in werken voor klavecimbel en andere werken voor solo-instrumenten; Franse invloeden komen steeds terug en dit zijn dan voornamelijk dansinvloeden. Ook in de orkestwerken zoals de vier Orkestsuites. De eerste suite heeft bijvoorbeeld een vorm die Lully ook al toepaste: na een dans kwam er een variatie op die dans om ten slotte de eerste dans weer te herhalen. De officiële titel die Bach aan zijn eerste suite gaf was: ‘C Dur Ouverture à 2 Hautbois 2 Violini Viola Fagotto con Cembalo di Johan Sebatian Bach’. Hij noemt dus de hele suite naar het openingsdeel en noemt daarbij de toonsoort (C-groot) en de benodigde instrumenten: twee hobo’s, twee violen, een altviool, een fagot en een klavecimbel. Een klein kamerorkestje dus. Bach schreef deze suite (BWV 1066) evenals zijn vierde (BWV 1070) toen hij aan het hof van Cöthen werkte, wellicht met het oog op een bal in het kasteel.

In die Cöthense jaren (1717 – 1723) begaf hij zich ook regelmatig in kringen van het hof van Dresden. Daar werkte voor het hoforkest ene Jean Baptiste Volumier die Bach tot zijn vriendenkring mocht rekenen. Deze Volumier was een bijzonder, en naar ik meen ook nogal excentriek persoon. Een kunstenaar die niet vies was van wat show. Naast componist en vermaard violist was hij ook dansmeester aan het hof, dat wil zeggen, hij schreef de balletten en leerde de dansen aan. Tegenwoordig noemen we zo iemand een choreograaf. Alweer dus een danser. Volumier was een Vlaming van geboorte. Zijn oorspronkelijk naam was de nu nog steeds Vlaams klinkende naam Woulmyer. Waarschijnlijk al tijdens zijn leerperiode aan het Franse hof veranderde deze naam in het Franse ‘Volumier’. Het was in die tijd niet ongewoon om je naam aan te passen aan de taal van het land waar je werkzaam was. Volumier is geen letterlijke vertaling van Woulmyer, het lijkt alsof er wat geschoven is met letters. De uitkomst van dit geschuif moet Volumier echter goed uitgekomen zijn omdat in het Frans volumier kan staan voor geluidsterkte. Een mooie naam dus voor een musicus en dansmeester!

Deze Volumier was in 1717 (toen Bach nog in Weimar werkte) degene die in Dresden de ‘klavier- wedstrijd’ organiseerde tussen Bach en de Franse organist Louis Marchand, die ook nog voor Lodewijk de Veertiende heeft gewerkt. Wat nu precies de toedracht van dit gebeuren was, is nooit duidelijk geworden. Moest de als arrogant bekend staande Marchand een lesje geleerd worden? Of wilde Volumier juist de Franse suprematie bewijzen? Het zou ook kunnen dat het Volumier ging om zijn eigen status; dat hij het voor elkaar kreeg deze twee grootheden met elkaar te laten strijden.[1] Het past overigens ook helemaal bij zijn persoonlijkheid dat hij voor het eerst in de geschiedenis de musici en dansers een gelijktijdige buiging liet maken voor het applaudisserende publiek.
Volumier bleef tot aan zijn dood in 1728 in Dresden werkzaam en Bach heeft nog regelmatig contact gehad met hem, ook in de jaren dat Bach in Leipzig werkte (vanaf 1723). Het is heel goed mogelijk dat Volumier ook één of meer van Bachs Orkestsuites heeft uitgevoerd. Dit vermoeden kan beargumenteerd worden met het feit dat Bach, ook in de periode dat hij in Leipzig verbleef, zich nog steeds bezighield met dansmuziek. In 1724 en 1725 zijn er nieuw geschreven versies van de hierboven genoemde Eerste Orkestsuite gemaakt. Dat moet natuurlijk met de bedoeling geweest zijn om uitgevoerd te kunnen worden, en wie weet was dat wel voor uitvoeringen door Volumier in Dresden. En vast en zeker kon erop deze muziek stijlvol gedanst worden op een choreografie van Volumier himself! Zeker het menuet, de vijfde beweging uit deze Orkestsuite, is typisch zo’n werkje om op te dansen. Bij het beluisteren ervan kun je je gemakkelijk inbeelden hoe de deftige dames met hoge pruiken en wit bepoederde gezichten en hun edele heren, ook bepruikt, in kleine stapjes elegant in S-vormen om elkaar heen draaiden. Op de rustige driekwartsmaat van het menuet spelen de violen een toegankelijke melodie. Na dit korte menuet volgt dan een variatie (‘alternativement’) die wat zachter wordt gespeeld. Hierna wordt het eerste deel nog een keer herhaald. Precies volgens het voorbeeld van Lully in Versailles.

1725 werd genoemd. Bachs tweede jaar in Leipzig. Hij is inmiddels veertig jaar. Op de toppen van zijn kunnen. Hij heeft zich gestort op het wekelijks componeren van een cantate. Hij is begonnen met het schrijven van zijn grote Passionen. Maar in dit jaar komt hij ook met zijn tweede Notenbüchlein für Anna Magdalena met eenvoudige menuetten en polonaises. Het jaartal wordt genoemd op het titelblad van de officiële uitgave. Ook schrijft Bach zijn oude Orkestsuites over in het net en componeert hij nieuwe. Al zullen we nooit weten of Bach zelf een danser was, zeker is wel dat het maken van dansmuziek in zijn bloed zat.

*

De balzaal in het kasteel van Cöthen. In gedachten zien we het kleine orkest aan de zijkant van de dansvloer het menuet uit de suite uitvoeren. Bach dirigeert, dit keer spelend vanachter zijn klavecimbel. Violen en hobo’s spelen hun strakke melodielijnen begeleid door een staccato lopend continuo van cello, fagot en klavecimbel. Bach beziet het deftig dansende gezelschap vanuit zijn ooghoeken. De dansmeester trippelt opgewonden heen en weer om alles in goede banen te leiden. Het menuet is niet makkelijk met dat S-patroon op de dansvloer! Horen de dames en heren wel hoe prachtig de muziek van deze dans eigenlijk is? Bach schudt zijn hoofd, hij moet glimlachen. ‘Het is toch allemaal wat verwijfd, dat Franse gedoe’, denkt hij bij zichzelf.

‘Laat mij maar gewoon muziek maken’.

[1] Lees verder over deze geschiedenis  in het hoofdstuk Musette.

‘Mit Verlangen’, een homo-erotische aria van Bach

hyacinth-by-Nicolas-Rene-Jollain

Zijn lier liet hij links liggen.
Apollo, de god van de muziek, van het boogschieten, van de geneeskunde, van het licht.
Zijn pijl en boog liet hij schieten.
Ál zijn goddelijke aspiraties liet hij varen. Zolang hij maar bij Hyacinthus kon zijn. De jonge, mooie Spartaan. Nog nooit had hij iemand zo lief.
Tijdens wandelingen over heuvels en door dalen droeg hij zelfs zijn spullen en hoe langer ze samen waren hoe groter zijn hartstocht werd.
En als jongens samen zijn willen ze spelen.
‘Wie van ons twee kan een discus het hoogst in de lucht werpen?’.
Iedere dag deden ze het tijdens het middaguur.
En de mannensport werd naakt beoefend. Ze ontdeden zich van hun kleding en smeerden zich in met vette olijfolie zodat hun lichamen glommen in de  zon.
Met een kunstige zwier wierp Apollo als eerste met volle kracht de discus de lucht in. Hij leek maar te blijven stijgen. Hij doorkliefde zelfs de wolken!
Uiteindelijk daalde de discus weer terug naar de aarde. Hyacinthus kon bijna niet wachten. Nu was het zijn beurt! Geestdriftig rende hij naar de plek waar de discus neer zou komen. Daar trof hem echter het noodlot. De discus, op de grond geland, stuiterde met dezelfde vaart terug omhoog, recht in zijn gezicht, een gapende wond achterlatend.
Apollo was meteen ter plekke. Net als Hyacinthus trok hij wit weg. Hij nam zijn gehavende lichaam in zijn schoot. Hij hield hem warm, depte zijn wond, probeerde met kruiden Hyacinthus’ wegvluchtende geest tegen te houden. Het mocht niet baten. Al was hij de god van de geneeskunde, hij kon niet voorkomen dat Hyacinthus’ hoofd boog, zoals viooltjes of zelfs sterke lelies in de tuin hun kopjes laten bengelen als het takje geknakt is.

Apollo is ten einde raad. ‘Hyacinthus, je sterft!’ schreeuwt hij uit. ‘En ik ben de oorzaak van jou dood. Maar waar ligt mijn schuld? Kan het discusspel schuldig zijn? Of dat we elkaars minnaars waren?’.
Het liefst was Apollo samen met Hyacinthus gestorven. Maar zijnde een onsterfelijke god was dat niet mogelijk. Daarom belooft Apollo: ‘ik zal je nooit vergeten, je naam zal altijd op mijn lippen zijn, ik zal je bezingen met mijn lier. Je zal een bloem worden die ieder jaar weer verschijnt en mijn verdriet zal in de blaadjes van de bloem geschreven staan’.
Apollo had deze woorden nog niet uitgesproken of het bloed van Hyacinthus wat op de grond lag verdween in de aarde en op diezelfde plek kwam een glanzende purperkleurige bloem omhoog. In de bladeren schreef Apollo de woorden die uiting gaven aan zijn verdriet: Ai Ai.
Zo werd Hyacinthus nooit vergeten. Door de bloem die ieder voorjaar kleurrijk bloeit. Kort helaas, net als het leven van Hyacinthus.

*

Dat lied, wat Apollo zong voor Hyacinthus, hoe zou daarvan de tekst zijn geweest? Hoe zou de muziek er van geklonken hebben? En de melodie? Niemand minder dan Johann Sebastian Bach en zijn tekstdichter Picander hebben een poging gewaagd Apollo zijn lied te laten zingen. Het lied is als aria opgenomen in de cantate Geschwinde ihr wirbelnde Winde (BWV 201), ook bekent als de ‘dramma per musica’ Der Streit zwischen Phoebus und Pan. Phoebus (de stralende) is de tweede of andere naam van Apollo. Deze wereldlijke cantate behandelt een andere Griekse mythe, namelijk de muzikale strijd tussen Phoebus en Pan. De sater Pan (met zijn fluit) daagt de god Phoebus Apollo met zijn lier uit. Wie zal de mooiste muziek maken? In deze strijd zingt Pan ‘Zu Tanze, zu Sprunge so wackelt das Herz’ een nogal platvloers lied, terwijl  Phoebus het lied ‘Mit Verlangen’ ten gehore brengt. Hij wint hiermee glansrijk:

Mit Verlangen
drück ich deine zarten Wangen
holder, schöner Hyazinth.
Und dein’ Augen küß ich gerne,
weil sie meine Morgensterne
Und der Seele Sonne sind.

Dat Bach ervoor gekozen heeft om Phoebus over Hyacinthus te laten zingen mag als zeer opmerkelijk gezien worden want hoe je het ook wendt of keert, het gaat in deze mythe over een homo-erotische relatie[1]. In toelichtingen op deze aria in de Bach literatuur krijgt dit aspect echter niet op nauwelijks de aandacht. Dan gaat het alleen over de compositie en de instrumentatie. Op zichzelf is dit zwijgen ook weer bijzonder want de aria is misschien wel het eerste expliciet homo-erotische lied uit de westerse klassieke muziekgeschiedenis. En dat nog wel van Johann Sebastian Bach!
Een nog jonge Mozart schreef later ook een mini-opera over Apollo en Hyacinthus, maar zijn tekstdichter paste de tekst behoorlijk aan. Er werd een vrouwspersoon genaamd Melia (een nimf) aan het verhaal toegevoegd en daar werd Apollo verliefd op in plaats van op Hyacinthus.
Bachs tekstschrijver Picander (1700 – 1764) heeft zich wel aan het oorspronkelijke verhaal gehouden.
Het verhaal van Apollo en Hyacinthus zal zeker ook bekend geweest zijn bij Bach. Nota bene, vijf jaar voor het verschijnen van de cantate, in 1724, werd in Leipzig de ‘Gründliches Lexicon Mythologicum’ uitgegeven. Een soort encyclopedie met een beschrijving van alle mythologische figuren. Auteur Benjamin Hederich schrijft daarin over Hyacinthus dat hij een uitzonderlijk knappe jongen was die bij Apollo (en ook andere goden) liefde opwekte die ‘tegennatuurlijk’ was.
Homoseksualiteit was zeker in Bachs tijd nog een relatievorm die zich buiten het openbare leven afspeelde. Bovendien werd het door de kerk veroordeeld. In de Griekse oudheid werd homoseksualiteit ook afgewezen, behalve  in één vorm: die tussen een volwassen man en een adolescent, dus met een leeftijd van zestien tot achttien jaar en dit is precies het beeld van wat over Apollo en Hyacinthus geschetst wordt.

Bach is akkoord gegaan met de tekst van Picander. Zijn idee om Apollo over Hyacinthus te laten zingen paste natuurlijk in de geschiedenis van Apollo en deed de Griekse mythologie dus geen geweld aan. Maar evenzo goed had Picander een tekst voor Apollo kunnen maken over zijn niet beantwoorde liefdes aan vrouwelijke godinnen als Daphne en Cassandra. En wat betreft het onderwerp van de cantate zou het misschien nog sterker geweest zijn om een tekst te schrijven over muziek. Over schone zang en zacht getokkel op lier. Dat zou dan ook een mooie tegenhanger van Pans lied geweest zijn. Die zong over dansen en springen ‘op’ muziek. Daar is de muziek dan eigenlijk ondergeschikt. Apollo kon dan zingen over waar echte muziek om gaat.
Maar Picander koos een ander onderwerp. Misschien omdat dat onderwerp hem wel aan het hart ging. Er is namelijk wel eens gesuggereerd dat Picander zelf homoseksueel was. Dit is dan afgeleid vanuit het feit dat hij pas op zesendertig jarige leeftijd trouwde, wat in die tijd voor een eerste huwelijk al vrij oud was en hij bij zowel zijn eerste vrouw (die jong overleed) en bij zijn tweede vrouw geen kinderen kreeg. Dat Picander een zekere mate van obsessie ten aanzien van seksualiteit had, is wel een feit. In 1721, tijdens zijn studententijd, gaf hij zijn eerste werk uit en dat waren erotisch getinte gedichten en toneelstukken.
Lettend op de tekst van de aria kun je je nog afvragen wanneer deze in de tijd van de mythe gesitueerd is: voor het ongeluk, tijdens Hyacinthus sterven of na zijn dood. Wat mij betreft komt de eerste mogelijkheid nog het meest in aanmerking. Er is geen sprake van dramatiek. Dit betekent dat de aria dus gewoon een liefdeslied is van man naar man.
Uiteindelijk kennen we niet de gedachte of de reden van de keuze voor de inhoud van het lied van Phoebus Apollo. Ook weten we niet hoe het ontvangen is. Het zal in elk geval geen rel hebben veroorzaakt want Bach heeft de cantate na 1729 nog minstens twee maal uitgevoerd. De Leipzigers zullen gedacht hebben ‘rare jongens, die Grieken’ en: ‘zó zijn wij toch niet’.
Al zullen enkele luisteraars misschien heimelijk andere gedachten hebben gehad…

*

De aria ‘Mit Verlangen’ is het vijfde deel van de cantate. En het is één van Bachs mooiste basaria’s qua schoonheid en sfeer vergelijkbaar met het veel bekendere ‘Ich habe genug’ uit de gelijknamige cantate (BWV 82).
De toonsoort is h-moll, de toonsoort waar Bach zijn mooiste muziek in heeft geschreven. De instrumentatie is breed: naast het continu spelen een viool 1, viool 2, altviool (allen ‘con sordino’, gedempt’) , traverso (fluit) en hobo d’amore (!). Gezamenlijk leiden deze instrumenten in een kalm en liefelijk samenspel de zangpartij in. Steeds neemt een ander instrument een versierinkje op zich, en zo gaat het de hele aria door. Heel anders dus dan in ‘Ich habe genug’ waar voortdurend de hobo concerteert.

Het is een aanrader om ‘Mit Verlangen’ via Youtube met een doorlopende partituur te beluisteren en te bekijken. Dan wordt nog beter zicht- en hoorbaar hoe Bach subtiel alle instrumenten laat samenwerken. Soms unisono dan weer aanvullend op elkaar of als echo en hoe ze uiteindelijk de stem van de bas de hele aria door omringen met warme klanken en eigen lijnen en soms muzikaal uitdrukken wat er letterlijk gezongen wordt. Zo wordt het ‘zacht tegen zich aandrukken’ uitgebeeld door achtereenvolgens de fluit, de hobo en de twee violen na elkaar steeds korte en dalende motiefjes te laten spelen die steeds lager klinken. Alsof de ander steeds dichter bij je komt (voorbeeld 1).
Prachtige woordschilderingen voor de bas krijgen natuurlijk de woorden Verlangen en in het tweede deel (op het laatst) Seelen Sonne in een lange notenrij van wel zeventien maten (voorbeeld 2). Als een warme gloed op je gezicht.
De aria eindigt met een herhaling (da capo) van het eerste deel.

Ik vraag me af: is het verlangen naar een liefdevol (homoseksueel) samenzijn ooit mooier bezongen?
Diepe bewondering voor Bach.

 

Voorbeeld 1
mit1

Voorbeeld 2
mit2

Schilderij: Hyacinthus veranderd in een bloem. Nicolas Rene Jolein, 1769

Het inleidende verhaal is een eigen waarheidsgetrouwe bewerking van de orginele tekst van Ovidius.

 

 

[1] De mythe van Appolo en Hyacinthus is ook nog in een iets andere versie overgeleverd. Hierin speelt Zephyrus (de god van de westenwind) ook een rol. Hij is ook verliefd op Hyacinthus. Omdat deze laatste voor Apollo kiest dood Zephyrus Hyacinthus uit jaloersheid. Als de discus daalt blaast hij deze uit de koers en velt hij  Hyacinthus.

De tweede viool bij het vioolconcert in E groot

9200000014954274 (1)

Maar drie vioolconcerten hebben we van Bach. Twee voor soloviool en één voor twee violen. Dikwijls staan ze gezamenlijk op één cd. Ik heb er althans verschillende.
Componisten als Telemann en Vivaldi hebben tientallen van dit soort concerten geschreven. Ook die heb ik in bezit, in boxjes verzameld. Soms zitten er werkelijk juweeltjes tussen, maar toch heb ik altijd het gevoel van: ‘het zijn er dertien in een dozijn’.
Wat maakt dan toch dat je steeds weer terug grijpt op die vioolconcerten van Bach, terwijl je haast iedere noot denkt te kennen. Waarom vervelen deze drie concerten nooit?
Musicologen en musici met de partituren op hun studeertafel zouden hier wellicht lange verhandelingen en verklaringen over kunnen geven. Ik moet het doen met wat ik hoor en wat ik ervaar.
Als eerste valt me dan op dat bij geen enkel concert één van de drie deeltjes minder mooi of minder aansprekend is. Stuk voor stuk blijft ieder deel elke keer weer boeien. Ten tweede hoor je bij Bach voortdurend dat de andere instrumenten volwaardig mee mogen doen. Ze vervullen niet slechts een begeleidende rol maar hebben steeds een belangrijke functie in de harmonie van het totaal, en die is bij Bach dikwijls verrassend mooi. Volg de partij van de tweede violen maar eens van het o zo bekende Air uit de tweede orkestsuite. Tenslotte is het denk ik de schijnbare eenvoud van de thema’s die Bach neerzet om vandaar uit virtuoos te variëren. Neem bijvoorbeeld de eerste maat van de soloviolen uit het dubbelconcert: gewoon een dalende toonladder in d-klein.

Nooit vervelen deze concerten en steeds vallen me weer nieuwe dingen op die me raken. Pas nog weer bij de uitvoering van het Vioolconcert in E-groot (BWV 1042) uitgevoerd door de Nederlandse Bachvereniging en als zodanig ook te zien op de website www.allofbach.com. Ook dit vioolconcert begint zo simpel als het maar kan: met de stijgende drieklank van het E-akkoord: E – Gis – B. Vervolgens wordt het thema uitgewerkt door het ‘orkest’ (tutti) om vervolgens plaats te maken voor de solist (concertino) die als het ware gaat wedijveren (= concerteren) met de eerste groep. Daarna gaat het heen en weer en speelt dikwijls het orkest zelfs ‘solo’ stukjes mee met solist.
Helemaal bijzonder wordt het als in het eerste deel de solist over gaat tot lange reeksen van dezelfde gebroken halve akkoorden en de tweede viool daarnaast een liefelijke melodielijn krijgt toebedeeld (maat 57, en in de opname van allofbach op 2 minuut 30).
Fabelachtig mooi.
Dit krijg je echt alleen maar van Bach.

http://allofbach.com/nl/bwv/bwv-1042/

Ihr werdet weinen und heulen: Het verdriet van Mariane von Ziegler

Uitgelicht

220px-Christiana_Mariana_von_Ziegler

Zondagmorgen 22 april 1725. De Thomaskerk zit stampvol. Elke week is dat het geval, maar dit weekend is de jaarlijkse Paasmarkt begonnen en dat trekt altijd een paar duizend bezoekers naar Leipzig. Soms van ver buiten de landgrenzen. Ook de Thomaskerk ontvangt dan vele gasten, zeker ook omdat de handel van de Paasmarkt op de zondag stil staat. Uit Pressburg (het huidige Bratislava)was Ján Francisci met een plaatselijke handelaar komen reizen. Een reis via Brno, Praag en Dresden van zo’n vijfhonderdzestig kilometer!
Francisci heeft nog net een plekje gevonden in een uithoek van de kerk, onder de galerij. Hij is zelf cantor en organist, dus toch in Leipzig, dan ga je naar de Thomaskerk om de beroemde Bach te horen. Het is een lange dienst. Er is veel geroezemoes in de kerk. Veel belangstellenden lijken toch  meer bezig met de handel, dan de wandel van het geloof. Van de preek vangt Francisci dan ook weinig tot niets op. Het gaat over woorden van Jezus die hij tot zijn discipelen sprak om ze voor te bereiden op de tijd dat hij er niet meer zal zijn: ‘Waarachtig, ik verzeker jullie: je zult huilen en weeklagen terwijl de wereld blij zal zijn. Je zult bedroefd zijn, maar je droefheid zal in vreugde veranderen’[1]. Na de preek volgt dan de ‘kerkmuziek’[2] gecomponeerd en gedirigeerd door Bach. Francisci spits zijn oren. Hij had de dag ervoor al lovende berichten over Bach gehoord, maar hij kende zijn muziek niet. Wat had hij graag op de galerij gezeten. Dan had hij de zangers, de spelers en Bach zelf aan het werk kunnen zien. Hij hoort hoe de violen en hobo’s starten met twee strakke openingsakkoorden en daarna in snelle en felle sprongen met elkaar gaan wedijveren. Daarbovenuit klinkt helder en hoog de flauto piccolo, de kleinste blokfluit, die samen klinkt met de eerste violen. Vanuit de plek waar Francisci zit is het concerteren van Bachs orkest moeilijk te volgen maar het spel van de hoge fluit dringt als een sirene tot in elke hoek van de kerk door. Francisci kan zijn oren niet geloven. Zoiets heeft hij nog nooit in een kerk gehoord. Dan vangen de stemmen hun zangpartij aan, te beginnen met de sopranen:

Ihr werdet weinen und heulen, aber die Welt wird sich freuen.

Gij zult huilen en weeklagen, maar de wereld zal zich verblijden.

Het openingskoor heeft de vorm van een aloude fuga. Na de sopranen volgen de alten, tenoren en bassen in een klagende zang. Bach past inderdaad muzikale woordschilderingen toe. Op ‘weinen’ als hij de noten op dat woord chromatisch (steeds een halve toon) naar beneden laat lopen[3] en verderop ook op ‘freuen’ dat gezongen wordt met vrolijk springende nootjes. Als om te benadrukken dat het hier om woorden van Jezus gaat wordt de koorzang halverwege onderbroken door een sologedeelte van de bas. De stem die altijd fungeert als de stem van Christus, de Vox Christi:

Ihr aber wirdet traurig sein.

Gij zult bedroefd zijn.

Hierna herhaalt het koor haar fuga met nu de slotregels van de tekst uit Johannes 16. De stemmen zetten in omgekeerde volgorde in: eerst de bassen, dan de tenoren, alten en sopranen. Alsof er weer opgeklommen kan worden na het bereiken van het dieptepunt. En steeds, daarboven uit, danst de flauto picolo die duidelijk maakt dat de vreugde zal zegevieren op de droefheid:

Doch eure Traurigkeit soll in Freude verkehret werden.    

Maar uw droefheid zal in blijdschap veranderen.

Ján Francisci verbijt zich om de abominabele plek waar hij zit. Hij ziet niks en erger nog, hij hoort de muziek in flarden tot zich komen. Bovendien praten veel kerkgangers er gewoon doorheen! Na het slotakkoord van het openingskoor besluit hij dan ook: ik ga naar boven. Dan maar ergens staan. Maar die Bach wil ik zien en beter horen!

*

Bovenstaande schets is natuurlijk fantasierijk geschreven zoals wel meer gedeelten in het vervolg van dit verhaal. Feit is wel dat Ján Francisci Leipzig tijdens de Paasmarkt in 1725 heeft bezocht en dat hij kennis heeft gemaakt met Bach en zijn bekwaamheid heeft aanschouwd. Hij schrijft dat vijftien jaar later in zijn bewaard gebleven memoires. Het kan dus bijna niet anders dan dat hij aanwezig is geweest bij de Hauptgottesdienst op zondag 22 april.

Er zal tijdens deze dienst nog een ander persoon in de kerk hebben gezeten die vol spanning zeker het volgende deel van de cantate afwachtte: Mariane von Ziegler. Zij was namelijk de tekstschrijver van de cantate (behoudens het openingskoor en het slotkoraal). Het was de eerste keer dat ze met Bach heeft samengewerkt en dat één van haar teksten op zijn muziek tot klinken zou worden gebracht.
Christiane Mariane Romanus werd in 1695 geboren in Leipzig. Ze was afkomstig uit een invloedrijke familie. Haar vader was burgermeester van de stad. Mariane had een nogal turbulente jeugd. Toen ze elf jaar was werd haar vader afgezet vanwege het verduisteren van geld en hij zou veertig jaar gevangen gezet worden. Zou ze de gespannen situatie in haar ouderlijk huis ontvlucht hebben door op de zeer jonge leeftijd van zestien jaar al te trouwen? Het huwelijk was echter van korte duur, haar echtgenoot stierf een jaar later, maar liet haar wel een dochter na. In 1715, nog maar twintig jaar, huwde ze met Georg Friedrich von Ziegler en ook uit dit huwelijk werd een dochter geboren. Zeven jaar later sloeg echter opnieuw het noodlot toe. Ook haar tweede echtgenoot overleed en korte tijd later overleden ook haar beide dochters. Was er een pestepidemie in de stad waar zij woonde? Hoe dan ook, tweemaal weduwe en twee dochters verloren keerde Mariane von Ziegler in 1722 terug naar Leipzig en ging ze weer wonen in haar ouderlijk huis aan de Brühl.  Ze ging echter niet bij de pakken neerzitten. Als vermogende en kunstzinnig begaafde vrouw werd ze opgenomen in de intellectuele kringen van de stad. Zo ontving ze in haar huis ook Johann Sebastian Bach en de dichter Johann Christoph Gottsched. Deze laatste moedigde haar aan om ook te gaan dichten en dat ging von Ziegler ook doen, en niet onverdienstelijk zou later blijken. Een eerste erkenning van haar dichtkunst kreeg ze van de Thomascantor toen die haar vroeg een aantal cantateteksten te schrijven. En deze zondag werd daarvan de eerste cantate uitgevoerd. De eerste gedichte zinnen klinken in het recitatief van de tenor na het openingskoor. En als je de geschiedenis van Mariane von Ziegler kent kun je je niet voorstellen dat deze woorden niet ook van alles zeggen over haar persoonlijke leven. Alleen al de eerste zin…

Wer sollte nicht in klagen untergehn,
wenn uns der Liebste wird entrissen?
Der Seelen Heil,
sie Zuflucht kranker Herzen a
cht nicht auf unsre Schmerzen.Wie zou niet in klagen ten onder gaan,
wanneer onze liefste bij ons wordt weggerukt?
Het heil van onze ziel,
de toevlucht voor ons zieke hart let niet op onze smart.

 

Cantate 103, Ihr werdet weinen und heulen, schreef Bach voor de derde zondag na Pasen. De zondag die de naam Jubilate draagt. Je zou op deze zondag vrolijke en jubelende muziek verwachten, maar het tegendeel is het geval en dat heeft alles te maken met de hierboven al genoemde evangelietekst die traditioneel op deze zondag gelezen werd. Wir müssen durch viel Trübsal in das Reich Gottes eingehen (BWV 146) is een andere cantate voor deze zondag. Het leven van de gelovige gaat door diepe dalen maar wie volhoudt tot het einde zal rijkelijk beloond worden. Daarom eindigen deze cantates opgewekt en optimistisch.
In april 1725 was Bach bezig met de afronding van zijn tweede cantate-jaargang. Vanaf de eerste zondag na Trinitatis[4] 1724 componeerde hij wekelijks een zogenaamde koraalcantate waarbij de basis van de tekst steeds een bestaand kerklied is. Waarschijnlijk vanwege het overlijden van de tekstdichter Andreas Stübel maakte Bach deze jaargang niet af. Vanaf Pasen componeert hij weer ‘gewone’ cantates: met doorgaans een openingskoor op basis van een Bijbeltekst, daarna een uitwerking in recitatieven en aria’s en afsluitend een slotkoraal. Negen opeenvolgende cantates, van de derde zondag na Pasen tot en met Trinitatis, zijn qua tekst van de hand van Mariane von Ziegler. De teksten zijn van een hoge kwaliteit en getuigen van een religieuze diepgang. Het is daarom verwonderlijk dat Bach zijn samenwerking met von Ziegler na deze serie niet heeft voortgezet. Naar de reden hiervan kunnen we alleen gissen. Von Ziegler gaf in 1727 een tekstboekje met een volledige cantatejaargang uit onder de titel Versuch in gebundener Schreib=Art. Opvallend is dan dat Bach de teksten die hij gebruikte nogal eens heeft aangepast. Zou dat de reden zijn dat von Ziegler de samenwerking heeft gestopt? Het kan echter ook zijn dat ze de teksten later heeft aangepast. De negen cantates waarbij zij voor de teksten heeft gezorgd staan in elk geval als een huis.

De eerste aria, voor een alt,  gaat verder op het thema van het recitatief dat eindigt met de constatering dat mensen een ziek hart hebben. In de aria blijkt dit een metafoor voor de zondigheid van de mens. Wie zal het zieke hart genezen?

Kein Arzt ist außer dir zu finden,
ich suche durch ganz Gilead;
wer heilt die Wunden meiner Sünden,
weil man hier keinen Balsam hat?
Verbrigst du dich, so muss ich sterben.

Geen arts is buiten u te vinden,
ik zoek heel Gilead door;
wie heelt de wonden van mijn zonden,
omdat men hier geen balsem heeft.
Als Gij U verbergt, dan moet ik sterven.

 

Met een verwijzing naar een tekst uit Jeremia wordt de metafoor van het zieke hart uitgebreid met het zoeken naar een arts die de ziekte kan genezen. En dat moet uiteindelijk Jezus zelf zijn. Het is zeker een Bijbels beeld. Toch vind ik het opvallend dat von Ziegler juist dit beeld gebruikt. Twee echtgenoten verloren, twee dochters. Hoeveel artsen zijn er wel niet bij haar over de vloer geweest.
Bach componeert op deze tekst overigens wonderschone muziek. Zoals zo vaak het geval is met droevige en berouwvolle teksten kiest Bach een wiegende 6/8ste maatvorm wat een troostend effect bewerkstelligt. Denk aan het ‘Erbarme Dich’ uit de Matthäus Passion. Ook in de aria van de cantate zingt een alt in het vervolg:

Erbarme dich, ach, höre doch!
Du suchest ja nicht mein Verderben,
Wohlan, so hofft mein Herze noch.

Ontferm U, ach hoor toch!
Gij zoekt immers niet mijn verderfenis, 

welnu, daarom hoopt mijn hart nog.

Wat een bijzondere ervaring moet het voor een schrijver zijn als hij of zij  een eigen tekst voor het eerst gezongen hoort worden. De tekst krijgt een eigen, nieuw leven en helemaal in het geval van een aria van Bach als  een solo-instrument de inhoud of de gevoelswaarde van de tekst nog eens extra kracht bijzet of er juist iets aan toevoegt. In dit geval is dat weer de blokfluit uit het openingskoor die subliem de aria opent en verder begeleidt. Mariane von Ziegler zal geraakt zijn bij het horen van deze muziek.

En hoe zal het Jan Francisci vergaan? Hij is de galerij opgeklommen en kijkt staande tegen de muur naar het musiceren van Bach en zijn gezelschap. Hij telt twaalf zangers, drie jongenssopranen, en drie alten, tenoren en bassen. Vol overgave ziet hij één van de alten de aria zingen, met Bach achter het orgel die samen met de cellist de continuo-partij verzorgt. Zijn grootste bewondering gaat uit naar de fluitist met zijn kleine blokfluit in d[5]. Wat speelt hij fabuleus mooi. Op de Paasmarkt had hij al veel bijzondere dingen gezien. Koopwaar van handelaars en marskramers uit alle windstreken. Artiesten die op straat hun kunsten vertoonden. Doedelzakspelers. Een getemde beer! Maar nu, in die grote Thomaskerk, overkwam hem de grootste verrassing van zijn reis: Johann Sebastian Bach.

Ján Francisci. Het is een voetnoot in de muziekgeschiedenis. Zijn hits op Google gaan meer over het feit dat hij in Leipzig Bach ontmoet heeft dan over het gegeven dat hij zelf een cantor en organist was. Hij werd geboren in 1691 in Neusohl, het huidige Bansk Bystrica in Slowakije, indertijd horend bij het veel grotere Hongarije als tegenwoordig. Als achttienjarige volgde hij zijn vader op als cantor in de plaatselijke (Lutherse) kerk. Later verbleef hij enige tijd in Wenen en was hij een langere tijd kerkmusicus in Pressburg. In 1735 keerde hij terug naar zijn geboorteplaats waar hij tot aan zijn dood in 1758 zijn functie als organist en cantor weer uitvoerde. Franscisci was een autodidact. Hij ontwikkelde zich als componist door net als Bach de partituren van andere componisten te bestuderen. Zijn composities bestaan uit orgel-, koorwerken en liederen maar worden zelden tot nooit uitgevoerd. Er bestaat ook geen gedrukte badmuziek van. De kwaliteit zal middelmatig zijn kan men dan aannemen.

*

De smartelijke tonen van de blokfluit, het snelle loopje naar de hoge d, het leken wel noodsignalen van de gelovige ziel, zo zal Mariane von Ziegler gevoeld hebben. Bach heeft haar tekst goed begrepen. Wat zal hij gaan doen met de volgende aria waarin de vreugde de boventoon zal voeren?
Ján Francisci ziet hoe de fluitist zijn laatste droeve tonen uitblaast en hoe direct hierna de alt na zijn aria nog een recitatief toebedeeld krijgt, slechts begeleid door het continuo. Het valt meteen op: de stemming slaat om. Het recitatief staat in majeur. De bede om ontferming is gehoord, de balsem voor de geestelijke wonden heeft zijn helende werking gehad. De droefheid en angst gaan plaats maken voor vertrouwen en vreugde. Jezus is dan wel niet meer bij ons, maar hij leeft in de hemel, hij zorgt voor ons en zal uiteindelijk terugkomen:

Du wirst mich nach der Angst auch wiederum erquicken;
So will ich mich zu deiner Ankunft schicken,
Ich traue dem Verheißungswort,
Dass meine Traurigkeit in Freude soll verkehret werden.

Gij zult mij na de angst ook weer verkwikken;
daarom wil ik mij op uw komst schikken,
ik vertrouw het woord van uw belofte,
dat mijn droefheid in blijdschap veranderd zal worden.

De uitvoering van Ihr werdet weinen und heulen kan voor Mariane von Ziegler als symbolisch keerpunt gezien worden waarin een droeve periode langzaam omslaat naar een gelukkige periode.  Voor het eerst wordt een werk van haar in de openbaarheid gebracht. Je zou kunnen spreken van haar debuut. Zeker voor een vrouw was dit een belangrijke erkenning. Von Ziegler werd een graag geziene gast in de kringen van intellectuelen en kunstenaars in Leipzig. Zoals al genoemd, haar huis werd een plek waar men in huiskamerbijeenkomsten samen kwam om te praten over kunst, cultuur en wetenschap. Het monumentale Romanushuis staat nog steeds op de hoek van de Brühl en de Katharinenstrasse. Von Ziegler gaf zowel seculiere als geestelijke dichtkunst uit. In 1731 trad ze als eerste vrouw toe tot het ‘Deutscher Gesellschaft’, een genootschap rond de invloedrijke schrijver Johann Christoph Gottsched die in het kader van de verlichting vernieuwingen in de Duitse taal en literatuur probeerden te bewerkstelligen. Mijn indruk is dat von Zieglers intensieve omgang met deze elitaire groep gemaakt heeft dat Bach met haar uiteindelijk geen langdurige samenwerking is aangegaan. Waarschijnlijk voelde Bach zich toch minder bij thuis bij dit gezelschap, zeker nog rond 1725. Hij zag zichzelf toch vooral als een ambachtsman. Tekenend is dan ook dat Bach in deze zelfde periode een samenwerking aanging met de meer amateuristische dichter Picander die in het dagelijkse leven Henrici heette en postbeambte was. Picander zou vele teksten voor Bach schrijven, waaronder het libretto van de Matthäus Passion. Toch is in het algemeen de mening dat zijn teksten niet van hoge kwaliteit zijn. Stel je voor dat de samenwerking met von Ziegler zich had voortgezet. Dan hadden we een heel andere  Matthäus Passion gehad.
Von Ziegler vertrok in 1741 uit Leipzig vanwege een derde huwelijk. Velen hadden niet verwacht dat dit nog zou gebeuren. Een (vrouwelijke) tijdgenoot[6] schreef niet zonder ironie over haar in 1731: ‘Ze is nog steeds een jonge weduwe, maar zal waarschijnlijk moeilijkheden ervaren om opnieuw te huwen. ‘Haar optreden is niet zo als je van een vrouw verwacht (‘überweiblich’), haar geest is veels te levendig en slim, ze zal zich niet makkelijk willen onderwerpen aan mannen. Ze doet aan alles mee; speelt allerlei muziekinstrumenten, schiet met het geweer en met pijl en boog…’ Tien jaar later was het toch de negen jaar jongere hoogleraar Balthasar von Steinwehr die het met haar aandurfde. In 1741 voerde Bach twee huwelijkscantates uit[7], maar niet voor dit echtpaar. Waarschijnlijk trouwden ze in de universiteitskerk Sankt Pauli. Ze verhuisden later in het jaar naar Frankfurt an der Oder waar von Steinwehr als professor aan de universiteit een functie had gekregen.
Christiane Mariane von Zieglers literaire activiteiten kwamen op een laag pitje te staan. Ze overleed in 1760.

*

Ján Francisci ziet hoe tijdens het recitatief de trompettist van het orkest het mondstuk van zijn trompet warm blaast. In het recitatief is de toon al gezet: dit belooft een optimistische, vrolijke aria te worden. In het montere ritme van een bourrée speelt de trompettist het opgewekte thema met stijgende figuren (tada dá, tada dá) wat wordt overgenomen door de tenor:

Erholet euch, betrübte Sinnen,
Ihr tut euch selber allzu weh.
Laßt von dem traurigen Beginnen,
Eh ich in Tränen untergeh,
Mein Jesus lässt sich wieder sehen,
O Freude, der nichts gleichen kann!
Wie wohl ist mir dadurch geschehen,
Nimm, nimm mein Herz zum Opfer an!

Kom op, bedrukte gevoelens,
u doet uzelf al teveel pijn.
Begin niet te treuren,
voordat ik onderga in tranen,
laat mijn Jezus zich weer zien.
O vreugde, met niets te vergelijken!
Wat een weldaad is mij daardoor ten deel gevallen!
Neem, neem mijn hart als offer aan.

Bij deze dansante aria kun je bijna niet stilzitten. En het trompetthema blijft ook geheid na afloop van de cantate in je hoofd rondzingen. Het is precies de bedoeling van Bach. De aria is dan ook geen overwinningslied of lofgezang, maar een oproep om met het wenen en huilen te stoppen. En die oproep moet gehoord blijven worden. Want Jezus is niet dood, hij zal zich weer laten zien. Hij leeft! De smart kan definitief achter ons gelaten worden en plaatsmaken voor een vreugde die met niets te vergelijken is. Hoe zal Bach die woorden van von Ziegler eens toonzetten, in het bijzonder het woord Freude? Eerst tweemaal in melismen van achttien tot twintig noten. Dan tweemaal met dalende sprongetjes, eerst laag dan hoog (ook die blijft in je hoofd hangen), om dan af te sluiten met een notenrij op het woord Freude die inderdaad met geen andere notenrij te vergelijken valt: over zeven maten lang welgeteld vierennegentig noten. Misschien wel het langste melisme van Bach. Hoe kun je beter deze tekst uitbeelden…

Als antwoord van de gemeente wordt ter afsluiting van de cantate door iedereen het slotkoraal meegezongen, in dit geval een strofe uit het koraal Barmherziger, höchster Gott van Paul Gerhardt waarin het motto van de cantate in de laatste twee regels wordt samengevat. De blokfluit, symbool in deze cantate voor het weeklagen en de smart, is het enige instrument wat niet mee mag spelen.
Ján Francisci en zeker ook Mariane von Ziegler zullen vol overtuiging meegezongen hebben! Francisci enthousiast en uit volle borst, von Ziegler trots en instemmend:

Ich hab dich einen Augenblick,
O liebes Kind, verlassen;
Sieh aber, sieh, mit großem Glück
Und Trost ohn alle Maßen
Will ich dir schon die Freudenkron
Aufsetzen und verehren;
Dein kurzes Leid soll sich in Freud
Und ewig Wohl verkehren.

Ik heb u voor een ogenblik,
mijn geliefd kind, verlaten;
zie echter, met groot geluk
en mateloze troost
wil Ik u al de kroon der vreugde opzetten.
en u eer geven;
uw korte lijden zal in vreugde
en eeuwig geluk veranderen.

Na afloop van de dienst wacht Francisci op zijn beurt om Bach even te spreken. Hij ziet dat Bach in gesprek is met een chique dame. Uit de enkele woorden die hij opvangt maakt hij op dat zij de schrijfster is van de teksten van de cantate. Bijzonder! Als Bach met haar is uitgesproken loopt Francisci naar hem toe. Hij stelt zich beleefd voor en uit zijn waardering voor de prachtige muziek die Bach ten gehore heeft gebracht. Bach neemt de complimenten in ontvangst en neemt de tijd om Francisci te spreken. Een cantor en organist uit het verre Neusohl in Hongarije! Bach reageert enthousiast. Hij verteld Francisci dat zijn verre voorvader Veit Bach uit diezelfde omgeving kwam. Hij is een achter-achterkleinzoon van hem. Veit, geboren rond 1550 was een molenaar, en muzikaal, hij speelde op een soort luit. Vanwege de contra-reformatie vluchtte hij naar het Lutherse Thüringen waar hij zich vestigde in Wechmar, de stad waar Bach nog steeds veel familie heeft wonen.
Het vervulde Francisci met een soort van trots. De talentvolle Bachfamilie heeft zijn herkomst in zijn vaderland!

*

  1. Vijftien jaar later na deze memorabele ‘Hauptgottesdienst’ noteert Ján Francisci in
    zijn memoires over zijn verblijf in Leipzig:

‘In het jaar 1725 had ik opnieuw een groot verlangen om het beroemde Leipzig te bezichtigen. Om die reden ben ik,  terwijl ik daarvoor toestemming heb gekregen, toen daarheen gereisd, in gezelschap van een handelaar van hier en arriveerde daar tijdens de Paasmarkt. Ik had het grote geluk kennis te mogen maken met de befaamde kapelmeester Bach en had het profijt zijn bekwaamheid te mogen aanschouwen’.

 

 

[1] Johannes 16:23.

[2] Het begrip ‘cantate’ werd nog niet gebruikt.

[3] Weinen in recitatief JP

[4] De zondag na Pinksteren.

[5] Sopranino.

[6] Christian Gabriel Fischer.

[7] De muziek hiervan is verloren gegaan.