‘Wer weiβ, wie nahe mir mein Ende’ (BWV 27)

De cantate Wer weiβ, wie nahe mir mein Ende voerde Bach voor het eerst uit op 6 oktober 1726. Het is een groots opgezet werk met een uitgebreid instrumentarium. Bedacht moet worden dat juist deze zondag ook het begin was van de najaarsmarkt, de zogenaamde Michaelsmesse. Leipzig liep dan vol met kooplieden, straatartiesten en marktbezoekers die van heinde en verre de stad bezochten. Het is opvallend dat Bach tijdens de drie jaarmarkten die er waren, zich muzikaal vaak van zijn beste kant liet zien.
De lezing voor deze zondag was het verhaal van de jongeling uit Naïn uit Lukas 7. Als Jezus met zijn discipelen dit stadje nadert komt er juist een begrafenisstoet de poort uit. Een weduwe moet haar enige zoon begraven. Een directe ramp was dat voor haar. Geen man meer en geen zoon. Op haar oude dag zal ze moeten leven van aalmoezen. Lukas schreef dat een groot aantal mensen haar vergezelde. Daar kon ze misschien nog iets van troost uit putten.
Maar dan verschijnt Jezus bij de baar. Hij is geraakt. En raakt de lijkbaar aan. En blijkbaar gebeurd dan het ongelofelijke: hij wekt de jongen op!
Mocht dit een historische gebeurtenis zijn geweest, dan is het niet moeilijk om voor te stellen wat een feest er in Naïn los barstte. Iets ervan lazen we ook in de tekst. Allen loofden God!
Een prachtig uitgangspunt dus voor een feestelijke cantate zou je zeggen. Maar nee. De onbekende tekstdichter geeft een draai aan het verhaal. De mens mag verlangend uitzien naar de dood. Want we leven op planeet pijn. De dood is slechts het portaal naar de hemel waar alles goed is. Eigenlijk zou het dus de cantate kunnen zijn van de weduwe die naast de baar van haar overleden zoon loopt. Zou zij in haar dood niet met hem verenigt willen worden? En met haar man?

Met de trage gang van lopende bastonen en zuchtende figuren van de strijkers wordt de cantate geopend. Daarboven klinken klagende motieven van de hobo’s. Dan zet het koor het koraal ‘Wer weiβ, wie nahe mir mein Ende’ in op de bekende melodie van het lied ‘Wer nur den lieben Gott laβt walten’. Een hoorn speelt mee met de melodie van het koraal. Woorden als ‘Tot’ en ‘Todesnot’ worden geaccentueerd door ze lang aan te houden.
Tussen de regels van het koraal door volgen reacties van achtereenvolgens de sopraan, alt en tenor. Reikhalzend wordt uitgezien naar een goed einde. Bij de tenor kan dat nog het meest gevoeld worden als zijn ‘bet ich’, zijn bidden, bijna drie maten wordt aangehouden.

Het daaropvolgende recitatief eindigt met de bekende uitdrukking ‘Eind goed, al goed’. ‘Ende gut, macht alles gut’. Dat goede is in dit geval het sterven. Kunnen wij ons nog iets bij een dergelijke levenshouding voorstellen? Als alles goed gaat, en je gezond bent, willen we toch zo lang mogelijk leven? De medische wereld is daar op ingesteld. Maar als je ernstig ziek bent, veel pijn moet lijden en genezing niet mogelijk is? Of als je weet dat je de ziekte van Alzheimer hebt. Of je kampt al jaren met suïcidale gedachten omdat je depressie zwaarder voelt dan het leven zelf. Nee, ook in onze tijd zijn er veel mensen die verlangen naar de dood en hopen dat het daarna goed is. Steeds meer mensen kiezen tegenwoordig voor euthanasie. En, opmerkelijk genoeg betekent dat letterlijk: goede dood.
Let wel: dit is geen pleidooi voor euthanasie. Het is een oproep om mededogen. Een verlangen naar de dood kan in ieders leven ontstaan. Wat is het dan belangrijk dat er mensen om je heen staan.

In de eerste aria wordt de dood door de alt een hartelijk welkom geheten. En de man met de zeis wordt vrolijk gevolgd. De hobo da caccia speelt een opgewekte melodie die de alt in haar zang overneemt. En door alles heen omspeelt de klavecinist met snelle nootjes het geheel. Wellicht speelde Bach zelf deze partij en kon hij zo zijn kunsten vertonen aan de vele kerkbezoekers van buitenaf.
Op het laatst klinken nog enige zuchtende figuren als de kwellingen mee genomen worden naar het graf. Maar ook die worden begraven en blijven daar achter als de ziel naar de hemel vertrekt.

En wie zou er niet in de hemel willen zijn, bij Jezus zelf, het lam, de bruidegom. In het recitatief zingt de sopraan dat ze vleugels zou willen hebben om er direct heen te vliegen. En die vleugels krijgt ze. Twee stuks. Van de eerste viool!

In de tweede aria neemt de bas met een ‘Gute Nacht’ afscheid van het ‘Weltgetümmel’. Van alle wereldellende. De gevonden rust van het ‘goede nacht’ wordt getoonzet op het rustige ritme van de sarabande die we ook kennen van het ‘Ruhet wohl’, het slotkoor van de Matthäus Passion. Het ‘Weltgetümmel’ klinkt daarentegen gejaagd en geagiteerd. Deze twee affecten wisselen elkaar steeds af waarbij de aria natuurlijk eindigt in de gevonden rust.

Zoals gebruikelijk eindigt de cantate met een slotkoraal waarin de thematiek nog een keer wordt samengevat. Als koraal is het feitelijk ook de instemming van de toehorende gemeente in de kerk. Maar Bach heeft voor deze zondag nog een verrassing in petto. Voor het oorspronkelijke begrafeniskoraal gebruikt hij een vijfstemmige zetting van Johann Rosemüller, uit 1682. Rosemüller was ooit cantor en organist in de Thomaskerk en dus een voorganger van Bach. Zijn zetting blinkt uit in mooie harmonieën. Voor de twee laatste zinnen gaat hij over van een vier- naar een dansante en vrolijke driekwartsmaat. Bach laat alle instrumenten meespelen. ‘In dem Himmel allezeit, Friede, Freud und Seligkeit’.

Zeker de najaarsmarkt bezoekers die speciaal voor Bach de Thomaskerk hebben bezocht zullen onder de indruk zijn geweest van de muzikale schoonheid en creativiteit in Bachs muziek. Hoe iedereen de tekst van de cantate nou precies beleefde, dat blijft voor mij de vraag. Die zondagmiddag kon de markt al bezocht worden met alle wereldse afleidingen en geneugten die je maar kan verzinnen, dat is toch heel wat anders dan uitzien naar de dood.

En die weduwe uit Naïn, die naast de baar van haar overleden zoon liep? Zij zou zich sowieso niet hoeven te verenigen met een verlangen naar de dood. Zij liep immers Jezus tegen het lijf, en die gaf de jongen terug aan zijn haar. ‘God heeft zich over mij bekommerd’ zal ze uitgeroepen hebben, samen met de omstanders, zoals Lukas beschrijft.

Inleiding bij de Bachcantatedienst op 20 september 2026 in de NoorderLichtkerk in Zeist.