Die Kunst der Fuge

Knipsel

Het is rond 1740. Bach plaatst zijn ganzenveer terug in de pennenhouder. Bondiger dan deze twee maten kan ik het thema niet krijgen, denkt hij. Er zit melodie in, het biedt mogelijkheden tot harmonie en het heeft een ritmisch einde. ‘Hiermee ga ik het doen’.

Tientallen fuga’s heeft Bach al geschreven; van jongs af aan. Was een fuga niet dé compositievorm die de muziek het meeste recht deed omdat alle stemmen gelijkwaardig zijn aan elkaar? En kon je als componist je meesterschap niet het beste bewijzen door het schrijven van de perfecte fuga? Dat meesterschap had Bach trouwens al dikwijls getoond. Fuga’s in koorwerken, in orgel- en klavecimbelcomposities. Hij had zijn Wohltemperiertes Klavier geschreven, een verzameling van 24 preludes en fuga’s voor alle toonsoorten; zowel in majeur als in mineur. Maar nu staat hij voor de uitdaging om zijn kunsten rond slechts één kort thema te tonen. Alle denkbare mogelijkheden om dit thema fugatisch te verwerken wil hij oppakken. Hij gaat eenvoudig beginnen en dan de vierstemmige fuga’s steeds complexer maken. Het thema omkeren, of spiegelen. Variaties aanbrengen in ritme en tempo. Het zal een zoektocht worden, maar als het af is, zal blijken dat het een kunstwerk is. Een Kunst der Fuge.

*

Het is zomer, 2015. Tineke Steenbrink (met zus Judith artistiek leider van Holland Baroque) klapt haar laptop dicht, gaat achter haar klavecimbel zitten en speelt met haar rechterhand het thema van Die Kunst der Fuge. Ze laat het prachtige thema op haar inwerken. Het verbaast haar opnieuw. Bondiger kan het niet.
De orkestleden hadden met elkaar besproken dat ze meer van ‘contrapunt’ wilden leren. De leer van de harmonie, van ‘noot tegen noot’. En waar kom je dan op uit… Maar sindsdien was ze meer met vragen, meningen, mythes en studies rond Die Kunst der Fuge bezig geweest dan dat ze werkelijk de muziek er van gespeeld had. Voor musicologen is dit werk van Bach dan ook een dankbaar onderzoeksobject. Zijn bewaard gebleven handschrift van Die Kunst der Fuge dateert van 1742 en bevat twaalf fuga’s en twee canons. Na zijn dood verschijnt het werk in drukvorm. Deze versie bevat vier canons en veertien fuga’s, waarvan de laatste niet is voltooid. Hier kleeft meteen de eerste vraag aan: is deze laatste fuga werkelijk niet voltooid of is er een vel muziekpapier verloren gegaan? Of heeft Bach er bewust voor gekozen hem zo te beëindigen? Zeker is dat Bach in de late jaren veertig aan het werk is blijven sleutelen, ook gericht op een uitgave in drukvorm. Het manuscript van de eerste fuga’s heeft hij zelf nog verzorgd. Na zijn dood heeft zijn zoon Philipp Emanuel de gedrukte versie gecompleteerd. Een versie waarin naast nieuwe delen ook veel wijzigingen in de volgorde hebben plaatsgevonden. Musicologen discussiëren al een eeuw over de juistheid van deze drukversie waarbij het uiteindelijk gaat om de vraag: hoe heeft Bach het zelf gewild.
Hoe Die Kunst der Fuge dan uit te voeren? Je kan er je hoofd over breken. Je kan studies doorlezen uit Amerika tot Nieuw-Zeeland, gedownload in grote PDF-bestanden. Het levert alleen maar meer vragen op; en je vergeet bijna dat muziek ook nog gespeeld kan worden.
De laptop is dichtgeklapt, het besluit is genomen, de zoektocht gestaakt. Holland Baroque gaat de eerste versie spelen uit 1742. Die is korter, maar op en top Bach. Daar is geen discussie over. Tineke speelt nogmaals de eerste fuga. In de derde maat volgt de tweede stem in de linkerhand, dan de derde stem, de vierde… het denken stopt, de muziek tilt haar boven zichzelf uit in een beweging die oneindig lijkt.

*

Najaar 2015, voorjaar 2016. De bezoekers van het concert vouwen hun programmaboekjes dicht. Vier strijkers en een klaveciniste van Holland Baroque staan klaar. Op de tweede viool wordt het thema van Die Kunst der Fuge geëxposeerd. Dan volgt de eerste viool, de cello, de altviool. Tenslotte mengt het klavecimbel zich in het spel. Met welke verwachtingen is het publiek gekomen? Op welke manier moet je sowieso naar deze muziek luisteren? Kan je wel meerdere stemmen tegelijk volgen? Een enkeling misschien twee. Maar drie, vier stemmen? Hoofdbrekens zal het geven. Je kan gelezen hebben dat verderop het thema wordt omgekeerd, of zelfs gespiegeld, maar wie ‘hoort’ dat werkelijk? Het zijn vragen die er niet meer toe doen als je een paar maten naar Bachs meesterwerk hebt geluisterd en je je mee laat voeren in een vlucht van stemmen en samenklanken.

Knipsel

Fuga betekent letterlijk ‘vlucht’.
Illustraties: origineel handschrift van Bach.
Tekst is opgenomen in programma bij de concertreeks Die Kunst der Fuge van Holland Baroque, 2015 -2016.

Adriaan Willaert, Claudio Monteverdi, Johann Sebastian Bach en de San Marco

download

San Marco-plein, toren van het Dogepaleis en San Marco Basiliek

Honderden mensen staan ´s ochtends in lange rijen te wachten op het San Marcoplein om de basiliek te bezichtigen. Als ze eenmaal binnen zijn kunnen ze zich vergapen aan het goud wat er blinkt, de eindeloze gewelven met de mooiste mozaïeken van marmer. De San Marco is sprookjesachtig. Gebouwd in 1060 rond de overblijfselen van de evangelist Marcus is deze basiliek qua exterieur en interieur één van de mooiste in de wereld. Maar  hebben die talloze bezoekers ook weet van het feit dat dit godshuis een cruciale rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van de klassieke muziek? Dat bijvoorbeeld de muziek van Bach wezenlijk anders was geweest als hij hier geen kennis van had gehad? En dat een Nederlander hier een prominente rol in heeft gespeeld?
Bij dit belangrijke stuk muziekgeschiedenis speelden twee beïnvloedende factoren een rol. Als eerste was daar de cultuur van de stad Venetië zelf. Als handelsstad heeft de stad altijd open gestaan voor invloeden van buitenaf, zeker voor die vanuit het oosten. Venetië ontwikkelde zich tot een vrije stadstaat met een eigen politiek systeem, met de democratisch gekozen Doge als staatshoofd. De vrije geest die in de stad leefde maakte ook dat men het in de kerk minder nam met de conservatieve regels uit Rome. Dit leidde onder andere ook tot nieuwe muzikale vormen. Ten tweede was daar de architectuur van de San Marco zelf. Opgebouwd vanuit een Grieks kruis (een kruis met vier gelijke zijden met op elke zijde, en in het midden een grote koepel), maakten dat de transepten (de zijarmen van het kruis) ook grote ruimten werden. In de verschillende delen van het gebouw bevonden zich balkons waar musici en koren konden worden opgesteld. Niet gemakkelijk was het om koorzang in deze grote ruimten tot zijn recht te laten komen. Het was de Vlaams-Nederlandse componist Adriaan Willaert (1490 – 1562) die als kapelmeester van de San Marco voor het eerst bewust gebruik ging maken van de ruimtelijke indeling en de akoestische mogelijkheden van de basiliek. Hij componeerde muziek voor twee koren en twee orgels, die hij liet uitvoeren vanuit de verschillende balkons.  Giovanni Gabrielli (1555 – 1612), organist van de San Marco en kapelmeester Claudio Monteverdi (1567 – 1643), ontwikkelden deze dubbelkorigheid (cori spezzati) verder tot een unieke compositievorm waarin er niet alleen sprake was van bijvoorbeeld beurtzang of echo-effecten, maar ze ook contrastwerking bewerkstelligden door de koren verschillende rollen te geven. Dit werd nog eens extra geaccentueerd doordat de klank onder elke koepel bleef ´hangen´. Feitelijk ligt hier de oorsprong van het latere concert voor orkest en solo-instrumenten waarin ook ‘gewedijverd’ wordt (concerteren) tussen groepen instrumentalisten. De Matthäus-Passion van Bach is opgebouwd vanuit de dubbelkorigheid: twee koren en twee orkesten. In het openingskoor klinkt er bijvoorbeeld een vraag en antwoordspel: ‘Sehet!’, ‘Wen?’, ‘die Brautigom’.

                  basilique-saint-marc                                    Plattegrond San Marco                                  Interieur met balkons

De periode rond het begin van de zeventiende eeuw kan gekenmerkt worden als het begin van de barok. Zeker voor wat betreft de muziek wordt de première van Monteverdi´s opera Orfeo (1607) hiervan als een ijkpunt gezien. Voor het eerst een opera met een instrumentale opening en voor het eerst één waarin het verhaal  niet alleen reciterend wordt gezongen, maar waarbij ook lyrische liederen gaan klinken. Met andere woorden: ruimte voor emotie en ruimte voor virtuositeit. Contrasten, klankkleuren, versieringen; het zijn allemaal kenmerken van de barok. En de instrumenten: die kregen een toenemend zelfstandige rol. Tot dan toe hadden ze slechts een begeleidende en dienende rol gehad, zowel in de kerk, bij de begeleiding van de zang, als aan het hof, bij de begeleiding van de dans. Instrumentale muziek, alleen om naar te luisteren, bestond feitelijk nog nauwelijks. Daar kwam na Orfeo verandering in. Opera’s kregen een ouverture, er ontstonden muzikale tussenspelen en bij de steeds extravaganter wordende aria’s werden solo-instrumenten ingezet als tegenpartij. Degenen die bekend zijn met de cantates en passies van Bach zullen direct de vormen herkennen die in deze periode ontstonden: de sinfonia, het secco- of acompagnato recitatief en de da capo-aria met een obligaat solo-instrument. Het komt allemaal uit Italië, en dikwijls uit Venetië.  In deze stad werd in 1637 het eerste publieke operahuis geopend. Vele zouden daarna volgen in de steden binnen en buiten Italië. Opera  werd ook toegankelijk voor, werd ook van de gewone burgerij (al was het dikwijls nog wel de gegoede). Het duurde vervolgens niet lang voordat instrumentale werken helemaal werden ontkoppeld van de opera. Naast de sonates, voor kleiner verband, ontstonden de concerto grossi waarbij het orkest (het tutti, of ripieno) een samenspel aanging met een kleinere groep uit het orkest (het concertino).  Concerteren betekent letterlijk wedijveren, en zoals al genoemd, deze muziekvorm vond zijn oorsprong in de dubbelkorigheid van de San Marco. Razend populair werden deze concerten. Arcangelo Corelli (1653 – 1713) mag gezien worden als degene die de vorm van het concerto-grosso heeft geperfectioneerd. Zo kwam er een vast stramien van afwisselend langzame en snelle delen. Bachs Brandenburgse concerten zijn direct een afgeleide van deze concerto grossi.

1. Monteverdi                                                          Claudio Monteverdi

De volgende stap, die zo halverwege de zeventiende eeuw werd gezet, was de ontwikkeling van het soloconcert. Immers, één solist kon nog meer virtuositeit bereiken! Bedacht moet worden dat in deze periode ook ‘de Verlichting’ begon, waarin niet alleen de rede, maar ook het individu steeds meer centraal kwam te staan. Giuseppe Torelli (1658 – 1709) was één van de eersten die soloconcerten voor viool, maar bijvoorbeeld ook voor trompet schreef. Velen zouden hem navolgen. De ontwikkeling stond zeker ook in verband met de steeds betere kwaliteit en verbeterde mogelijkheden van de instrumenten zelf. Niet voor niets werden er in dezelfde tijd de beste violen gebouwd, bijvoorbeeld die van Antonio Stradivari (1644 – 1737) uit Cremona. Zeker in een rijke stad als Venetië stonden componisten op die niet meer verbonden waren aan een hof of aan een kerk, maar slechts voor hun plezier muziek componeerden, vrij van regels of opdrachten.  Ze noemden zich dilettanten. Dit leidde tot nog meer creativiteit. Componisten als Tomasso Albinoni,  Benedetto Marcello (1686 – 1739) en Allesandro Marcello (1673 – 1747) genoten grote populariteit en ze schreven vooral soloconcerten, voor viool, hobo en fluit. En Bach, hij bewerkte later hun concerten tot eigen orgel- of klavecimbeltransscripties, bijvoorbeeld het Adagio uit het Hobo-concert in d klein van Allesandro Marcello, waar hij een klaviertransscriptie van maakte (BWV 974). En vooral deed Bach dat van concerten van de bekendste Venetiaanse componist die we kennen, die ook niet in de kerk werkte, maar leider was van een meisjesorkest in een weeshuis: Antonio Vivaldi (1678 – 1741), die naast opera’s en cantates honderden soloconcerten schreef, ook voor twee, drie of vier violen. Maar liefst negen concerten van hem bewerkte Bach voor orgel of klavecimbel.

Met Orfeo van Monteverdi  begon in 1607 de barok. Met het sterven van Bach in 1750 houdt men in het algemeen het einde van de barok aan. Bach, die met zijn Concert voor twee violen in d klein, misschien wel het geniaalste vioolconcert uit de barok heeft geschreven. Met een perfecte combinatie van harmonie, lyriek, contrasten en virtuositeit. Maar hij had het niet kunnen doen zonder de ontwikkeling die ooit twee eeuwen eerder begon bij die Vlaamse Nederlander in de San Marco.

download (2)

 


Adriaan Willaert

In ‘Johann Sebastian Bach en de Italiaanse barok’ (‘Alla maniera Italiana’) veel meer over Bach en Italiaanse componisten.

100 minuten met Bach in Köthen

SAMSUNG DIGITAL CAMERA Al twee maal reed ik voor een weekend Leipzig, Köthen per trein voorbij. Ik besloot een volgende keer een vroegere trein te pakken en dan ´s middags dit Bachstadje aan te doen voor een kort bezoek. Er zit twee uur tussen de vertrekkende treinen naar Leipzig, de wandeling naar het centrum en het slotpark is zo´n tien minuten, wat betekent dat je ruim anderhalf uur hebt om de Bachplekken in het stadje te bezoeken. Dat moet genoeg zijn. Wat me bij het langsrijden van  Köthen (en veel andere Oost-Duitse steden) al was opgevallen, waren de vele fabrieksruïnes langs het spoor. Ik wil niet beweren dat deze verroeste gebouwen symbool staan voor de rest van de stad, toch maakt Köthen op deze vrijdagmiddag in maart een uitgebluste indruk. Om half twee loop ik het centrum binnen. Op het grote marktplein, bij de Sankt Jacobskirche staan twee verkoopkarren, maar klanten zijn in geen velden of wegen te bekennen. De monumentale kerk (waar Bach zelf ter kerke ging, en zo nu en dan een gelegenheidscantate uitvoerde) was gesloten. Dan maar direct naar het slotpark, een paar minuten noordwaarts. Ook hier oogt het verlaten, en wat erger is, het slot ziet er verwaarloosd uit. Het lijkt ook voor 80% leeg te staan. Hier en daar staat een steiger tegen een hoge muur, maar er wordt niet gewerkt. Het valt me mee dat het museum met de ‘Bachgedankstätte’ open is. Via een zware deur treed ik een kleine hal binnen. Twee dames zitten achter de balie. Nadat ik een kaartje heb gekocht gaat één van de twee mij voor op een stenen wenteltrap naar boven. Voor de ingang van de eerste zaal liggen in een mand grote stoffen sloffen om met je schoenen in te stappen. Ter bescherming van de parketvloeren. Vervolgens doet de vrouw de verlichting van de zalen aan en verdwijnt ze weer naar beneden.  Ik had al een vermoeden, maar ik bevind me als enige in het Köthener Bachmuseum! In drie opeenvolgende zalen wordt de geschiedenis verbeeldt van Bachs verblijf in Köthen (1717 – 1723), als hofkapelmeester aan het hof van Leopold von Anhalt-Köthen.  In vitrines liggen oude muziekinstrumenten bij partituren van in Köthen gecomponeerde muziek. Ik heb niet de indruk dat dit de originele handschriften van Bach zijn. Aan de wanden hangen verschillende documenten van de stad, zoals het overlijdens- en begrafenisbericht van Maria Barbara. Alleen de datum van de begrafenis wordt genoemd. Dit alles heeft buiten Bachs weten plaatsgevonden: hij was met Leopold mee naar het kuuroord Karlsbad. Met een kwartiertje ben ik door de zalen heen. Op bordjes zie ik nog staan dat er in elke zaal een muziekwerk uit Köthen klinkt. Blijkbaar heeft de vrouw vergeten om dit spectaculaire onderdeel in werking te stellen. Het is vooral de wetenschap dat Bach hier zes jaar heeft gewerkt, en er zijn mooiste instrumentale muziek heeft gemaakt die het bezoek aan dit slot boeiend maken. Even rond te lopen waar Bach zes jaar heeft rondgelopen. Om deze reden is het vooral jammer dat de spiegelzaal niet te bezoeken is vanwege de restauratie. In deze zaal heeft Bach met zijn uitstekende hoforkest zijn wekelijkse concerten gegevens. Wel nog te bezichtigen is de kleine hofkapel. Hier had de Lutherse Bach echter weinig te zoeken. Het hof was gereformeerd, en dat betekende sobere kerkdiensten, met alleen orgelmuziek als begeleiding bij de gemeentezang.

SAMSUNG DIGITAL CAMERA SAMSUNG DIGITAL CAMERA

Al met al maakte het Slot van Köthen een troosteloze indruk op me. Buiten gekomen is een fotograaf bezig mooie plaatjes te schieten van een bruidspaar. Vanwege de kou heb ik medelijden met het bruidje met haar blote schouders. Ik loop langs de muziekschool ‘Johann Sebastian Bach Schule’ het slotpark uit richting de Schulstrasse. Aan het eind van deze straat, op de T-splitsing met de Wallstrasse is de Bachplatz met het Bachmonument. Een hoge sokkel met een buste van Bach. Het ziet er oud en vuil uit. Het is ook oud: opgericht ter gelegenheid van de tweehonderdste geboortedag van Bach; 21 maart 1885. Schuin tegenover het ‘Denkmall’ valt aan de Wallstrasse 25/26 op een perspex bordje te lezen dat Bach op die plek woonde van 1719 tot 1723. Het oorspronkelijke huis staat er echter niet meer. Dan loop ik over de Schulstrasse terug naar  het marktplein, en ga ik op zoek naar Bachs eerste woning in Köthen. Die bevindt zich in een winkelstraat, de Schlalaunischestrasse 29. Bijna onopvallend, op een vierkante pilaar voor een glazen pui bevindt zich een zelfde bordje: hier woonde Bach van 1717 tot 1719. Ook hier is het Bachhaus reeds lang geleden afgebroken. Hoe wrang: op deze plek staat nu een filiaal van een bakkerijketen: Backhaus. SAMSUNG DIGITAL CAMERA Enigzins gedesillusioneerd wandel ik het centrum van Köthen uit. Bachs naam kwam ik nog het meest tegen op de aanplakbiljetten aan de winkeldeuren: de aankondiging van een uitvoering van de Markus-Passion door het Bachchor uit Köthen op 3 april. Bij de Markus-Passion gaat het overigens altijd om een reconstructie, want het originele werk is verloren gegaan. Ook dus een soort restauratiewerk… Was ik de enige Bachbezoeker op deze maartse dag? Heeft Köthen sowieso toeristisch iets te bieden? Al in Bachs tijd deed men minderwaardig over dit stadje: koeien-Köthen werd het genoemd, een plattelandsstadje met weinig aanzien. Wat dat betreft was Bachs verhuizing naar Leipzig, wat destijds een metropool was, een zeer grote overgang. Ondertussen bestaat Köthen dit jaar wel negenhonderd jaar, zo valt te lezen op de andere aanplakbiljetten die overal hangen. Of het de stad extra aanzien zal geven valt te betwijfelen. Illustratief is misschien wel een beschildering van een houten aftimmering van een gebouw dat rijp is voor de sloop: ‘900 jahre Coethe-Anhalt’ staat er in koeienletters te lezen. Enkele prominente figuren en gebouwen zijn er op afgebeeld. In het midden, en het grootst: Bach. Van de negenhonderd jaar hebben de zes dat Bach er heeft gewoond de stad wel wereldberoemd gemaakt. Ik loop de binnenstad uit richting het station. Over vijftien minuten vertrekt te trein naar Leipzig. SAMSUNG DIGITAL CAMERA

Ach! Ich sehe, itzt, da ich zur Hochzeit gehe (BWV 162)

Inleiding voor de Bachcantatedienst in de Geertekerk te Utrecht, 2 november 2014.

Bij het doornemen van de tekst van de cantate van vanavond moest ik denken aan die TV-programma’s waarin mensen een ‘totally make-over’ krijgen. Mensen, onzeker over hun figuur, vaak te dik en onverzorgd, een minderwaardigheidscomplex, een negatief zelfbeeld, worden ge-re-styled. Ze krijgen een ander kapsel, nieuwe kleren, make-up, en als ze tenslotte aan het eind van het programma over de catwalk paraderen lijkt het of ze een nieuw leven hebben, zijn ze een ander  mens geworden. Bovendien is iedereen enthousiast en wordt er feest gevierd.

Na de cantate Komm du süsse Todestunde van vorige maand, en vandaag het motet Der Gerechte kommt um, lijkt het of we met cantate 162 weer de vrolijke kant op gaan. We zijn uitgenodigd voor een feest, voor een bruiloft nog wel! En met feestmuziek wist Bach  wel raad. Maar laten we niet te snel gaan dansen, want alleen al het eerste woord van de cantate stemt niet bepaald vrolijk: Ach! Nota bene met een uitroepteken! Ach, je bent uitgenodigd voor een bruiloftsfeest, maar je vindt dat je daar helemaal niet thuis hoort. Je bent daar niet goed genoeg voor. Je cijfert je volledig weg en bent totaal niet in een feeststemming. Je mooie pak kun je nog wel in de kast laten hangen.
Nee voorlopig is het nog geen feest vanavond.

Cantate 162 werd voor het eerst uitgevoerd op 25 oktober 1716 in de Himmelsburg, de kapel van de Wilhelmsburg te Weimar (tussen haakjes: 25 oktober is mijn eigen trouwdag). Bach had als concertmeester van de hofkapel de opdracht iedere maand voor een cantate te zorgen. Deze cantates kenmerken zich door een kleine bezetting en een grote intimiteit. Het onderwerp van de cantate is direct afgeleid van de evangelielezing van deze zondag uit Mattheüs 22, waarin Jezus het Koninkrijk der Hemelen vergelijkt met een bruiloftsmaal wat een koning voor zijn zoon aanricht. Als tot twee maal toe genodigden niet bereid zijn te komen geeft de koning de opdracht om de mensen uit alle hoeken en gaten van de stad te halen. Als de bruiloftszaal dan eindelijk is volgestroomd met bruiloftsgasten blijkt er één geen bruiloftskleed aan te hebben. Hij wordt er uitgegooid waarop de conclusie is: velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

De tekstdichter van de cantate, Salomon Franck, verplaatst zich in iemand die uitgenodigd is, maar die zich niet goed genoeg vind om deel te nemen aan het feest. Hij identificeert zich met de gast die er wordt uitgegooid omdat die niet beschikt over de voorgeschreven kleding. Tegelijk  laat Franck  deze gang naar het bruiloftsfeest een metafoor van het leven zijn, met al zijn wel en wee, zoals dat in de eerste aria aan de orde komt. Een leven dat na de dood verder gaat in de hemel, daar waar het eeuwige bruiloftsfeest is. Als je daar tenminste binnen mag komen…

De hele cantate is in de ik-vorm geschreven. Op die manier wordt de boodschap naar de luisteraar zo persoonlijk mogelijk gemaakt. Bach accentueert dit nog eens door er een solistencantate van te maken. Ach, ich sehe, Itzt, da ich zu Hochzeit gehe. Dat gaan naar de bruiloft, die gang door het leven, beeldt Bach in de opening van de cantate uit met de basaria die een in een vierkwartsmaat staat, en een wandelend tempo heeft. Strijkers omspelen fraai het lied van de  bas die zingt over de hoogte- en dieptepunten van het leven. Bij een latere uitvoering zette Bach hier nog een corno di tirarsi (schuiftrompet) bij in. Treffende woordschilderingen past Bach toe: Himmel klinkt hoog, Hölle klinkt laag en de Höllenflammen wakkeren welig op de zestiende nootjes.
Jesu, hilf, daß ich bestehe! Hoe kan ik anders dit doorstaan.

In het tenorrecitatief voegt Salomon Franck nog een dimensie toe aan het thema van de tekst. De mens wordt niet alleen genodigd tot het bruiloftsfeest, hij of zij wordt zelfs ook ten huwelijk gevraagd. Dit valt terug op het Bijbelse beeld van Jezus als bruidegom en zijn gemeente als bruid. Denk maar aan het openingkoor van de Matthäus Passion  Sehet – wenn – die Brautigom. Maar ook hier voelt de ik-figuur zich veels te slecht en minderwaardig voor: Ist denn die arme Braut, die menschliche Natur, nicht viel zu schlecht und wenig, daß sich mit ihr der Sohn des Höchsten traut?  Salomon Franck  gebruikt het beeld uit Jesaja 62 om dat duidelijk te maken. God troont in de hemel  en gebruikt de aarde als zijn voetbank. Bach illustreert deze afstand door de hoge F voor het woord troon en de lage C voor het woord voeten te gebruiken. Maar ondanks die grote afstand wil de bruidegom zijn bruid kussen. En zalig ben je als je mag aanschuiven aan het bruiloftsmaal, maar vervloekt als je dit maal veracht, zo horen we aan het eind van het recitatief.

In de sopraanaria wordt Jezus dan ook deemoedig aanbeden. Vol overgave legt de arme ziel haar zwakheden bij Jezus neer en wil met Hem verenigt worden. Ook hier worden weer beelden van de maaltijd gebruikt: Labe mich elenden Gast (Laaf mij, arme gast) en: Ach! wie hungert mich nach dir, dass Lebensbrot  (Ik honger naar u, het Levensbrood). De aria staat in een 12/8 maat, een maatvorm die altijd borg staat voor een pastoraal, herderlijk karakter. De tekst roept dan ook herinneringen op aan psalm 23, de Heer is mijn herder, met woorden als: U nodigt mij aan tafel, mijn beker vloeit over. Bij deze aria is een obligate partij voor een solo-instrument verloren gegaan. Vanavond is een reconstructie te horen van Masaaki Suzuki, geschreven voor een blokfluit, maar uitgevoerd door de trompet!

Het aansluitende recitatief van de alt  is een vervolg op dit gebed. Mein Jesu, laß mich nicht zur Hochzeit unbekleidet kommen, daß mich nicht treffe dein Gericht. Laat mij niet ongekleed op het bruiloftsfeest komen. Ik ken mijn onwaardigheid.
Wat is dat toch, dat negatieve denken van de mens over zichzelf? Natuurlijk heeft de één hier meer last van dan de ander, maar hebben we niet allemaal die neiging? Het is nooit goed genoeg. Waarom ontbreekt het zoveel mensen aan gezonde eigenwaarde. Hebben ze als kind te weinig waardering gekregen? Ik ben werkzaam in de GGZ en kom dagelijks in aanraking met mensen die zeer  negatief over zichzelf denken. Bescheidenheid siert de mens, maar gevoelens van minderwaardigheid werken verlammend, werken depressies in de hand. Mensen moeten vaak leren, en soms is daar therapie voor nodig, dat je niet perfect hoeft te zijn, dat ieder mens zwakke, maar ook sterke kanten heeft. Dat je een compliment mag aannemen. Dat een speciale uitnodiging voor een huwelijksfeest verdiend is. Dit  leerproces van zelfacceptatie  is voor sommige mensen een lange weg en het helpt om jezelf te belonen of te laten belonen, om de ontwikkeling die je hebt doorgemaakt te markeren. En wat past daar beter bij dan een nieuw pak of een prachtige jurk, om nog eens extra te accentueren  dat je een nieuw mens bent geworden.

In de geloofswereld van Bach wordt deze ommekeer, het ontvangen van dit nieuwe leven vooral van God verwacht. Daarom ook het gebed: Gib mir zum Hochzeitkleide, den Rock des Heils, der Unschuld weiße Seide! Ach! laß dein Blut, den hohen Purpur, decken den alten Adamsrock und seine Lasterflecken. Schenk mij ’t bruiloftskleed van het geloof: de jas van het heil van witte zijde van onschuld, en purperkleuren om de zondevlekken te bedekken. Zo zal ik waardig aan het bruiloftsmaal kunnen aanzitten.
Het is alsof je in een pashokje staat en je nieuwe kleren worden aangereikt. Maar dan nog, je zal deze kleren wel aan moeten nemen om ze vervolgens ook aan te trekken. Of je ze nou van God ontvangt of dat het een medemens is die tegen je zegt: een mooi mens ben je, met jou wil ik verder gaan. Of dat je het zelf bent die kan zeggen: ik mag er zijn zoals ik ben.
Deze ommekeer, deze verkleedpartij, het ontvangen en aantrekken van Den Rock des Heils, der Unschuld weiße Seide, is een heilig moment in het recitatief, en het schakelmoment in de cantate. Achter de gordijnen van het paskamertje vindt het verkleden plaats. Het continuo valt tijdens dit gedeelte even helemaal stil. Het breekbare moment van de extreme make-over wordt zo treffend geaccentueerd.[1]

En dan wordt het toch nog echt feest en mag je aanschuiven aan de rijk gedekte dis. In meinem Gott bin ich erfreut! Ik heb de kleren der gerechtigheid aangetrokken gekregen, en straks in de hemel zal ik het witte bruiloftskleed dragen, zo horen we in de volgende aria. En dan mag er na het bruiloftsmaal  toch ook wel een dansje gemaakt worden. Een uitbundige gigue is misschien teveel van het goede, maar een elegante menuet moet toch kunnen. En zo’n menuet dans je natuurlijk op z’n minst met z’n tweeën, vandaar dat Bach van deze aria een duet maakte voor alt en tenor.
Tijdens het festival Oude Muziek heb ik nog meegedaan met een workshop barokdans. En dit is moeilijker dan het eruit ziet. Afwisselend loopt je je pasjes in driekwartsmaat, synchroon met je partner. En dan weer staat zij stil en draai jij om haar heen, of draait zij om jou heen. Zo gaat het precies in dit duet. Dan zingt de tenor zijn tekst en volgt de alt daar achteraan, dan weer zingen ze  tegelijk, twee stemmig.  Zo gaat het heen en weer in deze aria, en dansen de twee van geluk de hemel in. Met hun mooiste kleren aan.

De cantate eindigt gewoontegetrouw met een koraal. Weliswaar ook in de ik-vorm geschreven, wordt dit slotdeel wel vierstemmig door het koor gezongen. Het bezingt nogmaals het hemelse visioen. De arme, ellendige sterveling staat in zijn witte hemelse hemd voor de troon van God, en viert het feest wat geen einde kent. En als je trouwt met de zoon van de koning ben je toch een prins of prinses geworden? Dan mag je ook nog een Güldnen Ehrenkrone, een gouden kroon opzetten.
Het lijkt wel een sprookje.
Totally make-over.
En Bach maakte de muziek voor bij het verkleden.

 

[1] Een mooie interpretatie van de dirigent. In de partituur wordt het continuo aangegeven met één lang,  ononderbroken akkoord die ook de  Extreme-make-over onderstreept.

De Matthäus Passion uitgelegd in 600 woorden

De Mattheüs Passie in 600 woorden uitgelegd op één A4tje.

De Matthäus Passion (MP) gaat over het lijden en sterven van Jezus Christus zoals dat is beschreven in de bijbel: het evangelie van Mattheüs hoofdstuk 26 en 27.
Passies werden traditioneel uitgevoerd in de lijdenstijd. Bach heeft dit  op het hoogste niveau gebracht met voor zijn tijd nieuwe stijlen o.a. uit de Italiaanse opera.
De rode draad is dus de Bijbeltekst die in gedeelten wordt gezongen door  ’de evangelist’, een tenor. Dit worden recitatieven genoemd.  Het is een soort voordragende manier van zingen.
Als in bepaalde tekstgedeelten  meerdere mensen iets zeggen of roepen dan maakt Bach hier een koorpartij van. Bijvoorbeeld als het volk schreeuwt:  “Lass ihn kreuzigen”.
Jezus’ woorden worden door een bas gezongen. Er klinkt dan altijd vioolmuziek ‘boven’.

Alles wat er verder om en tussen de evangelietekst te horen is zijn reacties, beschouwingen, reflecties en antwoorden op het gebeuren.  Het gaat dan om twee  vormen:
Ten eerste de koralen:  dit zijn de kerkliederen uit die tijd, die worden 4 stemmig door het koor gezongen. Bijvoorbeeld: als Jezus sterft  volgt het koraal: ‘Wenn ich einmal soll scheiden, so scheide nicht von mir’. Een ‘persoonlijke’ reactie dus. De MP heeft 14 koralen.
Ten tweede de Aria.  Dit is een lied, vaak met een prachtige instrumentale omlijsting. Ook hier gaat het om een reactie op de gebeurtenis. Als Jezus verraden wordt zingt de sopraan, om haar verdriet te uiten:  ‘Blute nur, du liebes Herz’ of als Petrus Jezus heeft verloochend zingt de alt: ‘Erbarme dich’.  Vaak is de instrumentatie beeldend, bijv. de aria ‘Komm süsses Kreuz’, die Jezus’ gang naar Golgotha verbeeld: in de scherpe tonen van de gamba hoor je het zwoegen van Jezus.

Dan zijn er nog  het groots opgezette openingskoor, en de afsluitende grote koorwerken van het eerste en tweede deel. In het openingskoor  ‘Kommt ihr Töchter, helft mir klagen’ komt nog een andere  structuur van de MP naar voren, namelijk de dubbelkorigheid (met dubbel orkest).  Het openingskoor is een vraag en antwoordspel.  Er zijn de ‘gelovigen’ en de ’toeschouwers’ (dochters van Jeruzalem).  Als een treurmars opent het orkest de passie, en de ‘gelovigen’ beginnen hun klaaglied te zingen en proberen de ‘toeschouwers’ daar bij te betrekken:  Ziet Hem – Wie? – de Bruidegom,  Ziet Hem – Hoe? – zoals een Lam….enz.
Helemaal ingewikkeld maakt Bach het als hij in dit openingskoor nog een derde koor (vaak jongenssopranen) het koraal ‘O Lamm Gottes unschuldig’ regel voor regel laat zingen. Dit jongenskoor komt aan het slot van deel 1 nog een keer terug met het breed instrumentaal uitgewerkte koraal:  ‘O Mensch bewein dein Sünde gross’ (over toepassing gesproken).
De MP wordt afgesloten met het grote slotkoor  ‘Wir setzen uns mit Tränen nieder’. Wederom een klaaglied, maar ook een wens voor Christus: “Ruhe sanfte, sanfte ruh”; rust zacht, in vrede.

De aria- en koorteksten zijn geschreven door Picander. In de theologie die op de achtergrond meespeelt wordt steeds uitgegaan van het feit dat Jezus moest lijden en sterven voor de zonden van de mensen en dat dus ook voor ons/mij heeft gedaan. Dus: Petrus kan wel om ‘erbarmen’ vragen, maar ‘ik’ had het net zo fout gedaan en ben dus ook schuldig. Ook komt er in de MP veel Bijbelse beeldtaal voor. Christus als bruidegom (de kerk is zijn bruid) of Christus als lam (wat geslacht wordt).
Tenslotte: boeken zijn er geschreven over verborgen getalsymbolieken, de kruisvorm van het gehele werk (de 2 delen als de 2 kruisbalken) en de muziekbehandeling van de tekst. Literatuur genoeg voor degene die zich verder wil verdiepen in dit mooiste muziekwerk wat er bestaat.

Nun komm, der Heiden Heiland; Jesaja, Ambrosius, Luther en Bach.

Ambrosius                              Luther
                 Ambrosius                                                               Maarten Luther

 ‘Lob sei Gott, dem Vater, ton’. Zo begint de laatste strofe van het adventslied ‘Nun komm, der Heiden Heiland’. Een lied wat als ‘Veni, Redemptor gentium’ oorspronkelijk stamt uit de vierde eeuw en geschreven is door kerkvader Ambrosius. Maarten Luther heeft het lied opnieuw getoondicht, en zo kreeg Bach iedere advent weer met dit lied te maken. Hij schreef er verschillende orgelbewerkingen over en twee cantates. En bij elke bewerking horen we een andere ‘ton’*. En elke ‘ton’ vertelt ook weer iets over een aspect van advent.

(*Ik speel wat met het Duitse woordje ‘ton’, wat inderdaad ook ‘toon’ betekent. Dit is
echter niet wat bedoeld wordt met het woord in het laatste vers. Oorspronkelijk staat er:
‘g’tan’. Om het goed te laten rijmen is er ‘ton’ van gemaakt).

Eerst de volledige tekst (Nederlandse vertaling: zie Lied 433 uit het Liedboek) :

Nun komm, der Heiden Heiland,
Der Jungfrauen Kind erkannt!
Dass sich wundre alle Welt,
Gott solch’ Geburt ihm bestellt.

Er ging aus der Kammer sein,
Dem kön’glichen Saal so rein,
Gott von Art und Mensch ein Held,
Sein’n Weg er zu laufen eilt.

Sein Lauf kam vom Vater her
Und kehrt’ wieder zum Vater,
Fuhr hinunter zu der Hoell’
Und wieder zu Gottes Stuhl.

Dein’ Krippe glänzt hell und klar,
Die Nacht gibt ein neu Licht dar,
Dunkel mus nicht kommen drein,
Der Glaub’ bleibt immer im Schein.

Lob sei Gott dem Vater ton,
Lob sei Gott sein’m ein’gen Sohn,
Lob sei Gott dem Heil’gen Geist
Immer und in Ewigkeit!

Centraal in advent staat de verwachting naar de komst van Christus.  Jesaja  9 vers 1 tot 6 zou voor Bach een grote inspiratiebron geweest kunnen zijn bij zo verschillend toonzetten van dit adventslied. In dit hoofdstuk horen we de bekende woorden: “Het volk dat in duisternis wandelt ziet een groot licht“.  Verderop:  ‘het (volk) verheugt zich voor uw aangezicht als met de vreugde van de oogst’. En tenslotte: ‘Een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem  wonderbare raadsman, sterke God, eeuwige Vader, Vredevorst‘.

Licht.

Luister (bekijk op YouTube) naar de prachtige koraalbewerking voor orgel (BWV 659). Lage pedaalklanken zetten in met de eerste tonen van het gezang. Het is alsof het nog nacht is. Het is nog overal stil… Tegelijk is er een strak, lopend ritme. Het volk dat in de duisternis wandelt… Je ziet het bijna voor je. En dan: als een stralende ster is er ineens die wonderschone, ‘lichte’ improvisatie op de melodie, zoals alleen Bach dat kan laten klinken. Een licht dat schijnt in de duisternis. Een melodie die troost en rust geeft. De nacht is voorbij; het wordt dag!

Vreugde.

Cantate 62. Als je de cantate niet kent en je hoort de eerste klanken van het orkest en er wordt gezegd dat het een kerstcantate is, dan zou je het geloven. De instrumentale opening zou zo in het Weihnachts-Oratorium passen. Wat wil je ook: Advent is niet alleen verwachting, het is ook een weten dat Christus komt, of beter gezegd: is gekomen! De vreugde van kerst klinkt daarom al door in advent, en zeker ook in deze cantate! ‘Gott solch geburt bestellt’. God heeft het volk weer vreugde bezorgd. Bach gooit even alle remmen los. Feest!

Vredevorst.

Ten slotte. Denk eens terug: Prins Willem Alexander werd tot koning gekroond. Onder plechtige muziek schrijdt hij met Maxima de Amsterdamse Nieuwe Kerk binnen.  Het zou de muziek van Cantate 61 hebben kunnen zijn: een Franse ouverture. Zo’n ouverture was inderdaad bedoeld ter omlijsting van de binnenkomst van Lodewijk de veertiende. Bij het horen van Bach’s ouverture van Cantate 61 zie je in gedachten de koning de kathedraal binnen schrijden. ‘Sterke God, Vredevorst’. Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk”.
En dan de vocalen: ‘Nun komm, der Heiden Heiland’. Eerst afzonderlijk de sopranen, dan de alten, dan de tenoren en tenslotte de bassen. Alsof Bach wil benadrukken: iedereen, van hoog tot laag ziet er naar uit: ‘Des sich wundert alle Welt’.

Jesaja, Ambrosius, Luther en Bach. De eerste inspireerde de tweede en dat ging zo door. En daardoor is advent voor ons nog steeds een inspirerende tijd.  Licht in het donker. Vreugde om de komst van de koning. Met prachtige muziek van Bach.

‘Immer und in Ewigkeit’.

Wim Faas