Ach! Ich sehe, itzt, da ich zur Hochzeit gehe (BWV 162)

Inleiding voor de Bachcantatedienst in de Geertekerk te Utrecht, 2 november 2014.

Bij het doornemen van de tekst van de cantate van vanavond moest ik denken aan die TV-programma’s waarin mensen een ‘totally make-over’ krijgen. Mensen, onzeker over hun figuur, vaak te dik en onverzorgd, een minderwaardigheidscomplex, een negatief zelfbeeld, worden ge-re-styled. Ze krijgen een ander kapsel, nieuwe kleren, make-up, en als ze tenslotte aan het eind van het programma over de catwalk paraderen lijkt het of ze een nieuw leven hebben, zijn ze een ander  mens geworden. Bovendien is iedereen enthousiast en wordt er feest gevierd.

Na de cantate Komm du süsse Todestunde van vorige maand, en vandaag het motet Der Gerechte kommt um, lijkt het of we met cantate 162 weer de vrolijke kant op gaan. We zijn uitgenodigd voor een feest, voor een bruiloft nog wel! En met feestmuziek wist Bach  wel raad. Maar laten we niet te snel gaan dansen, want alleen al het eerste woord van de cantate stemt niet bepaald vrolijk: Ach! Nota bene met een uitroepteken! Ach, je bent uitgenodigd voor een bruiloftsfeest, maar je vindt dat je daar helemaal niet thuis hoort. Je bent daar niet goed genoeg voor. Je cijfert je volledig weg en bent totaal niet in een feeststemming. Je mooie pak kun je nog wel in de kast laten hangen.
Nee voorlopig is het nog geen feest vanavond.

Cantate 162 werd voor het eerst uitgevoerd op 25 oktober 1716 in de Himmelsburg, de kapel van de Wilhelmsburg te Weimar (tussen haakjes: 25 oktober is mijn eigen trouwdag). Bach had als concertmeester van de hofkapel de opdracht iedere maand voor een cantate te zorgen. Deze cantates kenmerken zich door een kleine bezetting en een grote intimiteit. Het onderwerp van de cantate is direct afgeleid van de evangelielezing van deze zondag uit Mattheüs 22, waarin Jezus het Koninkrijk der Hemelen vergelijkt met een bruiloftsmaal wat een koning voor zijn zoon aanricht. Als tot twee maal toe genodigden niet bereid zijn te komen geeft de koning de opdracht om de mensen uit alle hoeken en gaten van de stad te halen. Als de bruiloftszaal dan eindelijk is volgestroomd met bruiloftsgasten blijkt er één geen bruiloftskleed aan te hebben. Hij wordt er uitgegooid waarop de conclusie is: velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

De tekstdichter van de cantate, Salomon Franck, verplaatst zich in iemand die uitgenodigd is, maar die zich niet goed genoeg vind om deel te nemen aan het feest. Hij identificeert zich met de gast die er wordt uitgegooid omdat die niet beschikt over de voorgeschreven kleding. Tegelijk  laat Franck  deze gang naar het bruiloftsfeest een metafoor van het leven zijn, met al zijn wel en wee, zoals dat in de eerste aria aan de orde komt. Een leven dat na de dood verder gaat in de hemel, daar waar het eeuwige bruiloftsfeest is. Als je daar tenminste binnen mag komen…

De hele cantate is in de ik-vorm geschreven. Op die manier wordt de boodschap naar de luisteraar zo persoonlijk mogelijk gemaakt. Bach accentueert dit nog eens door er een solistencantate van te maken. Ach, ich sehe, Itzt, da ich zu Hochzeit gehe. Dat gaan naar de bruiloft, die gang door het leven, beeldt Bach in de opening van de cantate uit met de basaria die een in een vierkwartsmaat staat, en een wandelend tempo heeft. Strijkers omspelen fraai het lied van de  bas die zingt over de hoogte- en dieptepunten van het leven. Bij een latere uitvoering zette Bach hier nog een corno di tirarsi (schuiftrompet) bij in. Treffende woordschilderingen past Bach toe: Himmel klinkt hoog, Hölle klinkt laag en de Höllenflammen wakkeren welig op de zestiende nootjes.
Jesu, hilf, daß ich bestehe! Hoe kan ik anders dit doorstaan.

In het tenorrecitatief voegt Salomon Franck nog een dimensie toe aan het thema van de tekst. De mens wordt niet alleen genodigd tot het bruiloftsfeest, hij of zij wordt zelfs ook ten huwelijk gevraagd. Dit valt terug op het Bijbelse beeld van Jezus als bruidegom en zijn gemeente als bruid. Denk maar aan het openingkoor van de Matthäus Passion  Sehet – wenn – die Brautigom. Maar ook hier voelt de ik-figuur zich veels te slecht en minderwaardig voor: Ist denn die arme Braut, die menschliche Natur, nicht viel zu schlecht und wenig, daß sich mit ihr der Sohn des Höchsten traut?  Salomon Franck  gebruikt het beeld uit Jesaja 62 om dat duidelijk te maken. God troont in de hemel  en gebruikt de aarde als zijn voetbank. Bach illustreert deze afstand door de hoge F voor het woord troon en de lage C voor het woord voeten te gebruiken. Maar ondanks die grote afstand wil de bruidegom zijn bruid kussen. En zalig ben je als je mag aanschuiven aan het bruiloftsmaal, maar vervloekt als je dit maal veracht, zo horen we aan het eind van het recitatief.

In de sopraanaria wordt Jezus dan ook deemoedig aanbeden. Vol overgave legt de arme ziel haar zwakheden bij Jezus neer en wil met Hem verenigt worden. Ook hier worden weer beelden van de maaltijd gebruikt: Labe mich elenden Gast (Laaf mij, arme gast) en: Ach! wie hungert mich nach dir, dass Lebensbrot  (Ik honger naar u, het Levensbrood). De aria staat in een 12/8 maat, een maatvorm die altijd borg staat voor een pastoraal, herderlijk karakter. De tekst roept dan ook herinneringen op aan psalm 23, de Heer is mijn herder, met woorden als: U nodigt mij aan tafel, mijn beker vloeit over. Bij deze aria is een obligate partij voor een solo-instrument verloren gegaan. Vanavond is een reconstructie te horen van Masaaki Suzuki, geschreven voor een blokfluit, maar uitgevoerd door de trompet!

Het aansluitende recitatief van de alt  is een vervolg op dit gebed. Mein Jesu, laß mich nicht zur Hochzeit unbekleidet kommen, daß mich nicht treffe dein Gericht. Laat mij niet ongekleed op het bruiloftsfeest komen. Ik ken mijn onwaardigheid.
Wat is dat toch, dat negatieve denken van de mens over zichzelf? Natuurlijk heeft de één hier meer last van dan de ander, maar hebben we niet allemaal die neiging? Het is nooit goed genoeg. Waarom ontbreekt het zoveel mensen aan gezonde eigenwaarde. Hebben ze als kind te weinig waardering gekregen? Ik ben werkzaam in de GGZ en kom dagelijks in aanraking met mensen die zeer  negatief over zichzelf denken. Bescheidenheid siert de mens, maar gevoelens van minderwaardigheid werken verlammend, werken depressies in de hand. Mensen moeten vaak leren, en soms is daar therapie voor nodig, dat je niet perfect hoeft te zijn, dat ieder mens zwakke, maar ook sterke kanten heeft. Dat je een compliment mag aannemen. Dat een speciale uitnodiging voor een huwelijksfeest verdiend is. Dit  leerproces van zelfacceptatie  is voor sommige mensen een lange weg en het helpt om jezelf te belonen of te laten belonen, om de ontwikkeling die je hebt doorgemaakt te markeren. En wat past daar beter bij dan een nieuw pak of een prachtige jurk, om nog eens extra te accentueren  dat je een nieuw mens bent geworden.

In de geloofswereld van Bach wordt deze ommekeer, het ontvangen van dit nieuwe leven vooral van God verwacht. Daarom ook het gebed: Gib mir zum Hochzeitkleide, den Rock des Heils, der Unschuld weiße Seide! Ach! laß dein Blut, den hohen Purpur, decken den alten Adamsrock und seine Lasterflecken. Schenk mij ’t bruiloftskleed van het geloof: de jas van het heil van witte zijde van onschuld, en purperkleuren om de zondevlekken te bedekken. Zo zal ik waardig aan het bruiloftsmaal kunnen aanzitten.
Het is alsof je in een pashokje staat en je nieuwe kleren worden aangereikt. Maar dan nog, je zal deze kleren wel aan moeten nemen om ze vervolgens ook aan te trekken. Of je ze nou van God ontvangt of dat het een medemens is die tegen je zegt: een mooi mens ben je, met jou wil ik verder gaan. Of dat je het zelf bent die kan zeggen: ik mag er zijn zoals ik ben.
Deze ommekeer, deze verkleedpartij, het ontvangen en aantrekken van Den Rock des Heils, der Unschuld weiße Seide, is een heilig moment in het recitatief, en het schakelmoment in de cantate. Achter de gordijnen van het paskamertje vindt het verkleden plaats. Het continuo valt tijdens dit gedeelte even helemaal stil. Het breekbare moment van de extreme make-over wordt zo treffend geaccentueerd.[1]

En dan wordt het toch nog echt feest en mag je aanschuiven aan de rijk gedekte dis. In meinem Gott bin ich erfreut! Ik heb de kleren der gerechtigheid aangetrokken gekregen, en straks in de hemel zal ik het witte bruiloftskleed dragen, zo horen we in de volgende aria. En dan mag er na het bruiloftsmaal  toch ook wel een dansje gemaakt worden. Een uitbundige gigue is misschien teveel van het goede, maar een elegante menuet moet toch kunnen. En zo’n menuet dans je natuurlijk op z’n minst met z’n tweeën, vandaar dat Bach van deze aria een duet maakte voor alt en tenor.
Tijdens het festival Oude Muziek heb ik nog meegedaan met een workshop barokdans. En dit is moeilijker dan het eruit ziet. Afwisselend loopt je je pasjes in driekwartsmaat, synchroon met je partner. En dan weer staat zij stil en draai jij om haar heen, of draait zij om jou heen. Zo gaat het precies in dit duet. Dan zingt de tenor zijn tekst en volgt de alt daar achteraan, dan weer zingen ze  tegelijk, twee stemmig.  Zo gaat het heen en weer in deze aria, en dansen de twee van geluk de hemel in. Met hun mooiste kleren aan.

De cantate eindigt gewoontegetrouw met een koraal. Weliswaar ook in de ik-vorm geschreven, wordt dit slotdeel wel vierstemmig door het koor gezongen. Het bezingt nogmaals het hemelse visioen. De arme, ellendige sterveling staat in zijn witte hemelse hemd voor de troon van God, en viert het feest wat geen einde kent. En als je trouwt met de zoon van de koning ben je toch een prins of prinses geworden? Dan mag je ook nog een Güldnen Ehrenkrone, een gouden kroon opzetten.
Het lijkt wel een sprookje.
Totally make-over.
En Bach maakte de muziek voor bij het verkleden.

 

[1] Een mooie interpretatie van de dirigent. In de partituur wordt het continuo aangegeven met één lang,  ononderbroken akkoord die ook de  Extreme-make-over onderstreept.