Bachs Derde Brandenburgse concert: kinderspel?

Uitgelicht

9200000014954274 (1)

 

Drie maal drie is negen, ieder zingt zijn eigen lied…
Dit vrolijke en speelse kinderliedje zou zomaar bij je naar boven kunnen komen als je luistert en kijkt naar een uitvoering van het Derde Brandenburgse concert. Zeker als een gezelschap zoals bijvoorbeeld Holland Baroque dit speelt (zie link onderaan). Bach laat de musici ook bijna letterlijk een spel met elkaar spelen. Drie violisten, drie altviolisten en drie cellisten, aangevuld met een klavecinist en een contrabassist die het continuo vormen, zetten in acht maten een vlot thema neer. Snelle drieklanken (tie-da die, tie-da die…) bepalen het karakter van het eerste deel. En dan begint het spel pas echt. De drie groepen gaan het tegen elkaar opnemen. Concerteren betekent letterlijk ook wedijveren. Om beurten gaan ze met het thema aan de haal en werken het verder uit. En dit is nog niet alles; elk individuele instrument heeft binnen zijn groep ook nog eens zijn eigen partij. Zo kan er nog meer harmonie klinken of worden solistische loopjes aan elkaar doorgegeven. Bach speelt met negen stemmen hoog spel.

Bach componeerde meestal functioneel. Hij moest muziek hebben om uit te voeren. Orgelwerken ontstonden toen hij organist was, cantates en passies tijdens zijn functie als cantor. De composities voor orkest zijn grotendeels ontstaan in de periode dat hij violist/organist en concertmeester in Weimar was of kapelmeester in Köthen. In Weimar maakte Bach kennis met een nieuwe muziekvorm afkomstig uit Italie: het concerto. Een solo-instrument of kleine instrumentengroep (het concertino) neemt het daarin op tegen het orkest (het ripieno). Bach kreeg onder andere de beschikking over vioolconcerten van Vivaldi. Hij voerde ze wellicht uit maar hij bewerkte ze ook voor orgel of klavecimbel. Op deze manier kreeg hij deze compositiekunst van strakke thema’s en virtuoze omspelingen, opgedeeld in drie delen (snel-langzaam-snel), onder de knie. En Bach zou Bach niet zijn als hij de muzikale spelregels niet wat ruimer op zou vatten.

Bach droeg zijn ‘Six concertos avec plusiers instruments’ op aan markgraaf Christian Ludwig van Brandenburg. Belangrijker dan vragen rondom het ontstaan en de bedoeling ervan is de vaststelling dat deze verzameling concerten een hoogtepunt vormen in het genre barokconcert. Alle facetten van de toenmalige muziek komen in deze concerten terug en Bach onderzoekt daarbij allerlei mogelijkheden met instrumentencombinaties waardoor klankkleuren ontstaan die nooit eerder geklonken hebben. Neem het concertino van het derde concert: drie violen, drie altviolen en drie celli terwijl het ripieno alleen gevormd wordt door het continuo. Een dergelijke combinatie was niet eerder vertoond. En zo zit elk van de zes concerten vol met verrassingen. Er klinkt een jachttafereel of een Poolse dans (eerste concert), dan weer een ongewoon concertino met trompet, blokfluit, hobo en viool (tweede concert), een klavecimbel die op een gegeven moment vrij spel krijgt en 65 maten mag soleren (vijfde concert, het ‘eerste klavierconcert’) of ‘oude’ vijfsnarige gamba’s die tegenover de ‘nieuwe’ viersnarige altviolen en celli’s worden geplaatst (zesde concert). Ieder concert is uniek in zijn soort.

Terug naar het Derde Brandenburgse concert. Het tweede deel is een Adagio van slechts twee maten. Het lijkt erop alsof Bach de musici even laat uitblazen en meteen weer diep laat inademen om genoeg lucht te hebben voor het derde deel. Bij dit Allegro kan je denken aan een schoolplein waarin kinderen heen en weer rennend een tikspelletje spelen. Je ziet het gebeuren: ‘tikkie, jij bent ‘m’. Zo vliegen de stemmen in een dansende 12/8 (drievoudige!) maat met stijgende en dalende loopjes om elkaar heen. Steeds neemt daarbij een andere stem de beurt over want in dit concert speelt geen enkel instrument de eerste viool. De cellisten en de contrabassist moeten net zo hard rennen als de violisten en gelukkig is er de klavecinist die met het verbindende spel alle partijen in het gareel houdt.
Zo zou je bijna  denken dat Bachs Derde Brandenburgse concert kinderspel is, maar dat is geenszins het geval.  Vakkundig is de compositie en van het hoogste nivo. Vernieuwend, inventief en vol vernuft. Maar vooral ook vrolijk. Zeker als het met een kinderlijke onbevangenheid wordt gespeeld, en er op die manier naar geluisterd wordt. Want dat mag. Ook bij Bach.