Bach en Vivaldi

‘Van Vivaldi’s muziek leerde Bach de cruciale principes van de compositie, samenhang en harmonie.’ Zo omschreef Bachbiograaf Johann Nikolaus Forkel de betekenis van Vivaldi voor de ontwikkeling van Bach als componist. Maar liefst negen vioolconcerten van Vivaldi heeft Bach tijdens zijn periode in Weimar bestudeerd en bewerkt tot zes concerten voor klavecimbel en drie concerten voor orgel. Rond 1730 kwam daar nog het Concert voor vier klavecimbels en orkest in a-klein (BWV 1065) bij voor een uitvoering met zijn Collegium Musicum . Wat moet dat een happening geweest zijn in Café Zimmerman waar Bach zijn wekelijkse concerten gaf. Vier klavecimbels! Maar zou dat niet anders geweest zijn toen Vivaldi dit werk als concert voor vier violen voor het eerst uitvoerde met zijn meisjesorkest? Vast zal hij zelf één van de solisten geweest zijn, maar de andere drie waren, net als de overige leden van het orkest, kinderen en jonge vrouwen van het meisjesweeshuis Pio Ospedale Pietà te Venetië . Het was Vivaldi gelukt om met de muzikaalste meisjes van dit huis een uitmuntend orkest te smeden dat een reputatie kreeg tot ver buiten de landsgrenzen. Het meeste van zijn werk heeft hij geschreven voor dit orkest, en voor de beste violisten als solist. Het is opmerkelijk dat Vivaldi met zijn muzikale talent het nooit tot een hoge positie heeft gebracht binnen de kerk of aan een hof. De titel van concertmeester van de San Marco had hem toch niet misstaan. Wellicht heeft hij het zelf nooit geambieerd; zijn functie binnen de Pietà bood hem de maximale creatieve vrijheid.
Vivaldi werd geboren in 1678. Zijn vader, die kapper van beroep was, werkte wél in de San Marco, als violist. Van hem kreeg hij zijn eerste muzieklessen en van Legrenzi, de kapelmeester van de San Marco. In eerste instantie leek Vivaldi niet te kiezen voor een muzikale loopbaan. Hij werd in 1703 tot priester gewijd wat hem vanwege zijn rode haar de bijnaam ´il prete rosso´ (de rode priester) opleverde. Om verschillende onduidelijke redenen bleek het priesterschap in de kerk niet aan hem besteed. Zo wordt verteld dat hij eens de mis uitliep om een muzikaal idee dat bij hem opgekomen was op te schrijven. Vivaldi kreeg een leidinggevende functie in het weeshuis waarbij het muziekonderwijs tot zijn voornaamste taak behoorde. Op enkele onderbrekingen na bleef Vivaldi tot aan zijn dood in 1741 aan de Pietà verbonden.
In zijn tijd was Vivaldi ‘wereldberoemd’ vanwege zijn vioolspel en vanwege zijn talrijke composities. Over zijn spel werd geschreven dat het een ‘kolossale invloed had op de tere en gevoelige ziel van de Venetianen’. Hij maakte concertreizen naar Wenen en Praag. Naast opera’s en geestelijke vocale werken schreef hij een groot oeuvre aan instrumentale muziek bij elkaar, waaronder meer dan vijfhonderd concerten. Hieronder bevinden zich ruim tweehonderd concerten voor viool. Vivaldi’s concerten werden gebundeld uitgegeven, onder andere via de Amsterdamse uitgever Estienne Roger die hij in 1725 bezocht. De beroemde Vier jaargetijden maken bijvoorbeeld deel uit van Violin concerti opus 8, Il Cimento dell’armonia e dell’inventione. Kenmerkend voor zijn muziek zijn de frisse, expressieve melodieën die gecombineerd worden met heldere harmonische contrasten.
Bach kreeg de muziek van Vivaldi onder ogen doordat Prins Johann Ernst van Saksen-Weimar die in Amsterdam aanschafte tijdens zijn studietijd in Nederland. Bach, die toen aan het hof van Weimar werkzaam was, kon zijn hart ophalen aan deze vernieuwende muziek. De opbouw van het concert met de drie delen snel-langzaam-snel werd de standaard, ook voor Bach. Door Vivaldi’s muziek te bewerken voor orgel en klavecimbel leerde Bach hoe te komen tot afgeronde delen waarbij er steeds sprake is van het ‘concerterend’ principe: de solist die de ‘strijd’ aangaat met de rest van het orkest.
Het heeft onder andere de basis gelegd voor Bachs meesterwerken; zijn viool- en klavecimbelconcerten en de Brandenburgse concerten.
Vreemd genoeg raakte Vivaldi’s muziek in de vergetelheid. Zeker ook doordat duidelijk werd hoe groot zijn invloed is geweest op Bach, werd zijn muziek in de twintiger jaren van de vorige eeuw ‘herontdekt’ en is zijn belangrijke plek in de muziekgeschiedenis duidelijk geworden en wordt hij tegenwoordig dikwijls in één adem genoemd met Bach en Händel.

‘Bach en Vivaldi’ staat ook in het boek ‘Johann Sebastian Bach en de Italiaanse barok’, met onder andere 19 portretten van Italiaanse componisten waar Bach werk van heeft bewerkt of uitgevoerd.

300 jaar Brandenburgse concerten

9200000014954274 (1)

Unieke klankcombinaties

Op 24 maart 1721, net na zijn 36ste verjaardag op 21 maart, droeg Bach  zijn ‘Six concertos avec plusiers instruments’ op aan markgraaf Christian Ludwig van Brandenburg. Belangrijker dan vragen rondom het ontstaan en de bedoeling ervan is de vaststelling dat deze verzameling concerten ‘op verschillende instrumenten’ een hoogtepunt vormen in het genre barokconcert. Alle facetten van de toenmalige muziek komen in deze concerten terug en Bach onderzoekt daarbij allerlei mogelijkheden met instrumentencombinaties waardoor klankkleuren ontstaan die nooit eerder geklonken hebben. Neem het concertino (solisten bezetting) van het derde concert: drie violen, drie altviolen en drie celli terwijl het ripieno alleen gevormd wordt door het continuo. Een dergelijke combinatie was niet eerder vertoond. En zo zit elk van de zes concerten vol met verrassingen. Er klinkt een jachttafereel of een Poolse dans (eerste concert), dan weer een ongewoon concertino met trompet, blokfluit, hobo en viool (tweede concert), een klavecimbel die op een gegeven moment vrij spel krijgt en 65 maten mag soleren (vijfde concert, het ‘eerste klavierconcert’) of ‘oude’ vijfsnarige gamba’s die tegenover de ‘nieuwe’ viersnarige altviolen en celli’s worden geplaatst (zesde concert). Ieder concert is uniek in zijn soort.

Het Derde Brandenburgse concert.

Drie maal drie is negen, ieder zingt zijn eigen lied…
Dit vrolijke en speelse kinderliedje zou zomaar bij je naar boven kunnen komen als je luistert en kijkt naar een uitvoering van het Derde Brandenburgse concert. Zeker als een gezelschap zoals bijvoorbeeld Holland Baroque dit speelt (zie link onderaan). Bach laat de musici ook bijna letterlijk een spel met elkaar spelen. Drie violisten, drie altviolisten en drie cellisten, aangevuld met een klavecinist en een contrabassist die het continuo vormen, zetten in acht maten een vlot thema neer. Snelle drieklanken (tie-da die, tie-da die…) bepalen het karakter van het eerste deel. En dan begint het spel pas echt. De drie groepen gaan het tegen elkaar opnemen. Concerteren betekent letterlijk ook wedijveren. Om beurten gaan ze met het thema aan de haal en werken het verder uit. En dit is nog niet alles; elk individuele instrument heeft binnen zijn groep ook nog eens zijn eigen partij. Zo kan er nog meer harmonie klinken of worden solistische loopjes aan elkaar doorgegeven. Bach speelt met negen stemmen hoog spel.

Concerto

Bach componeerde meestal functioneel. Hij moest muziek hebben om uit te voeren. Orgelwerken ontstonden toen hij organist was, cantates en passies tijdens zijn functie als cantor. De composities voor orkest zijn grotendeels ontstaan in de periode dat hij violist/organist en concertmeester in Weimar was of kapelmeester in Köthen. In Weimar maakte Bach kennis met een nieuwe muziekvorm afkomstig uit Italië: het concerto. Een solo-instrument of kleine instrumentengroep (het concertino) neemt het daarin op tegen het orkest (het ripieno). Bach kreeg onder andere de beschikking over vioolconcerten van Vivaldi. Hij voerde ze wellicht uit maar hij bewerkte ze ook voor orgel of klavecimbel. Op deze manier kreeg hij deze compositiekunst van strakke thema’s en virtuoze omspelingen, opgedeeld in drie delen (snel-langzaam-snel), onder de knie. En Bach zou Bach niet zijn als hij de muzikale spelregels niet wat ruimer op zou vatten.

Vernieuwend, vrolijk en vol vernuft

Terug naar het Derde Brandenburgse concert. Het tweede deel is een Adagio van slechts twee maten. Het lijkt erop alsof Bach de musici even laat uitblazen en meteen weer diep laat inademen om genoeg lucht te hebben voor het derde deel. Bij dit Allegro kan je denken aan een schoolplein waarin kinderen heen en weer rennend een tikspelletje spelen. Je ziet het gebeuren: ‘tikkie, jij bent ‘m’. Zo vliegen de stemmen in een dansende 12/8 (drievoudige!) maat met stijgende en dalende loopjes om elkaar heen. Steeds neemt daarbij een andere stem de beurt over want in dit concert speelt geen enkel instrument de eerste viool. De cellisten en de contrabassist moeten net zo hard rennen als de violisten en gelukkig is er de klavecinist die met het verbindende spel alle partijen in het gareel houdt.
Zo zou je bijna  denken dat Bachs Derde Brandenburgse concert kinderspel is, maar dat is geenszins het geval.  Vakkundig is de compositie en van het hoogste nivo. Vernieuwend, inventief en vol vernuft. Maar vooral ook vrolijk. Zeker als het met een kinderlijke onbevangenheid wordt gespeeld, en er op die manier naar geluisterd wordt. Want dat mag. Ook bij Bach.