De Profundis

Aus der Tiefen rufe ich, Herr, zu dir (BWV 131)

Wat is het toch verleidelijk om te fantaseren over Bachs jonge jaren. Op zijn tiende verloor hij zijn ouders. Hij ging inwonen bij zijn oudere broer in Ohrdruf. Vanaf dat moment komt er hier en daar wat informatie over zijn leven en ontwikkeling als musicus naar boven. Maar die eerste tien jaar. Behalve zijn naam op afwezigheidslijsten van de Latijnse school, is er niets bekend over Bachs vroege jeugd. Die regelmatige afwezigheid (van halve dagen) wordt wel uitgelegd dat hij zijn vader zou hebben moeten assisteren bij muziekuitvoeringen. Zijn eerste muzieklessen zal hij hebben gehad van zijn vader, Ambrosius. Hij was stadsmuzikant, maar geen componerend musicus. Zijn vaders volle neef, Johann Christoph was dat wel. Hij was organist in de Georgenkirche te Eisenach waar Johann Sebastian gedoopt werd.
In deze kerk hoorde Bach voor het eerst grote orgelwerken. Van zijn oudoom zelf en van Buxtehude. En hij hoorde door zijn oom gecomponeerde motetten. Hij zong ze zelf mee in het kerkkoor, toen hij wat ouder was. Muziek, nog in de oude barokstijl. Veel muziek van Johann Christoph Bach is vanwege Johann Sebastian Bach bewaard gebleven. Hij noemde zijn oudoom de ‘Profunde’ componist, de diepzinnige. Dat is bijzonder. Meestal noemen we teksten als diepzinnig. Maar muziek kan dat ook zijn. Het betekent dat er lagen schuilen onder datgene van wat je als eerste hoort. Dat er betekenis achter de noten zit. Dat de muziek iets verteld waarin je je eigen verhaal kan vinden.

De Profundis is ook de Latijnse titel van psalm 130. Uit de diepte roep ik tot U. Het is een Pelgrimslied, een gebed tot God om vergeving van zonden. Bach was tweeëntwintig jaar toen hij van een predikant in Mühlhausen, waar hij organist was, de opdracht kreeg om op deze psalm een motet te schrijven (het woord cantate was toen nog niet gangbaar). De aanleiding hiervan was waarschijnlijk een boetedienst nadat een brand een groot deel van de stad in de as had gelegd.
‘Aus der Tiefen’. Wat heeft de psalmdichter met deze aanduiding willen aangeven? Een diep dal, waar de pelgrim doorheen trok, zoals psalm 121 spreekt over een berg: ‘ik hef mijn ogen naar de bergen’? Meer gangbaar is de uitleg dat ‘de diepte’ staat voor de gemoedstoestand van de dichter. Psalmberijmingen maken er dan ook dikwijls ‘uit diepten van ellende van’ en dan worden woorden als angst en leed toegevoegd. De omdichting die Luther van deze psalm maakte: ‘Auf tiefer Not schrei ich zu dir’ heeft misschien wel aan de basis gestaan van deze interpretatie. Maar toch: woorden als angst, nood of jammerklacht komen niet letterlijk in psalm 130 voor.
Zou je er ook anders naar kunnen kijken? Dat ‘de diepte’ staat voor de diepgang die de pelgrim tijdens zijn pelgrimage bereikt in het kijken naar zichzelf en God? Dat hij zich realiseert hoe klein en kwetsbaar de mens is, hoe hij dikwijls faalt en fout zit. Maar dan ook tot het diepe besef komt hoe groot God is, groot van genade en liefde. Zou Bach ook zo naar deze tekst gekeken hebben? Als ik naar zijn muzikale bewerking van de psalm luister, hoor ik zeker geen angst en nood maar vooral vertrouwen en dankbaarheid. Dan is Bachs openingskoor van de koraalcantate van het Lutherlied Auf tiefer Not schrei ich zu dir (BWV 38) veel zwaarder van karakter.

De cantate, of beter gezegd, het motet Aus der Tiefen schrei ich, Herr, zu dir  behoort tot de zogenaamde vroege cantates van Bach. Die zijn in de stijl die hij kende van werken van zijn oom Johann Christoph of van Dietrich Buxtehude die hij nog maar kort geleden in Lubeck had bezocht. Belangrijkste kenmerk is dat het vaak doorlopende werken zijn waarbij elke zin of tekstgedeelte een eigen, passende bewerking krijgt. Motet is dan ook afkomstig van het Franse woord ‘mot’ wat woord betekend. Nog geen Italiaans georiënteerde cantates dus met aria’s, recitatieven en een slotkoraal. Daar zou Bach later in Weimar mee beginnen.
We zien een voor Bach herkenbare gestructureerde opbouw: na een instrumentale opening volgt een vierstemmig koor, dan een combinatie van een solo en een koraal, dan weer een koor, wederom een solo samen met een koraal en tenslotte weer een koor.
Met een afdalende reeks noten zetten violen en hobo’s in de instrumentale opening direct een ingetogen sfeer neer. Het koor neemt dit over waardoor er werkelijk ‘uit de diepte’ wordt geroepen. Die roep gaat omhoog en klinkt steeds hoger boven de diepte uit. Deze maten, voor mij behoren ze tot het mooiste wat Bach heeft gecomponeerd.
Dan wordt plotseling het volume en het tempo opgevoerd. Het wordt menens. ‘Heer hoor mijn stem, luister naar mijn gesmeek’. De woorden klinken eerst meerstemmig en gaan dan over in een fuga, de stemmen volgen elkaar op, en komen op het laatst weer samen.
Wat volgt is een bekentenis over de zondigheid van de mens en de vergevingsgezindheid van God. Terwijl de bas dit zingt en de hobo de woorden steeds kunstig omspeelt, zingen de sopranen een couplet van een koraal uit het lied ‘Herr Jesu Christ, du höchstes Gut’ van Bartholomeus Ringwaldt. Vanuit het Oude Testament, waar de psalmen uit afkomstig zijn, wordt zo de lijn doorgetrokken naar het Nieuwe Testament waarin beschreven is dat Jezus door zijn lijden en sterven de zonden draagt van de mensen.
In het volgende deel reageert het koor hier op. Met ontzag en verlangen wordt uitgezien naar de Heer. Net als in het voorgaande deel wordt eerst meerstemmig gezongen en daarna in een fuga. Tussendoor blijft de hobo het geheel versieren.
Slechts begeleidt door klavecimbel en de cello, die voortdurend een zelfde thema herhaalt, zingt vervolgens de tenor over het wachten op de Heer. Het is een lang, geduldig wachten waarin ruimte is voor overdenking en verdieping. In de cantate wordt dat ingevuld door een tweede strofe uit het koraal mee te laten klinken. Ditmaal gezongen door de sopranen. Het eindigt met het noemen van Manasse en David. Zij waren koningen in Israël die tot inkeer kwamen nadat ze ernstig in de fout waren gegaan.
Het laatste deel opent met een tot drie keer toe luide oproep tot Israël. Voor Israël mag je theologisch gezien ook de wereld lezen. Iedere zin krijgt weer een eigen muzikale bewerking. Opvallend is dan het sobere ‘denn bei dem Herrn ist die Gnade’. Misschien vanwege de stille verwondering hierom? Of wil Bach nog iets anders uitdrukken: want ja, je kunt bevrijd worden, genade ontvangen; veel pijn of verlies zal daaraan vooraf zijn gegaan en dat kan blijvend worden gevoeld. Bach negeert dit niet.
Zo brengt Bach met zijn accenten steeds verdieping aan in de tekst.  De hele cantate door. En als de tekst van de psalm je om wat voor reden ook minder zegt, dan geeft Bach ook de gelegenheid de muziek voor zichzelf te laten spreken en er je eigen verhaal aan te koppelen.
Zo is Johann Sebastian Bach, net als zijn oudoom, zelf ook een ‘profunde’ componist. Misschien wel de meest diepzinnige.

Zeist, 2 november 2025. Bij de uitvoering in de NoorderLichtkerk door Barokensemble Zeist o.l.v. Paulien Kostense.

Dansen met Bach – derde druk!

Uitgelicht

Dansen met Bach, verschenen in 2013, is nu verkrijgbaar in een derde druk.
Verbeterd, aangevuld met nieuwe informatie en opgesierd met een nieuwe cover waarbij het lijkt of Bach zo de dansvloer opstapt.
Nu kan je niet meer om Bach heen!
Verkrijgbaar via de boekhandel, webwinkel of de uitgever.

zie verder:

Wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden

Uitgelicht

Inleiding BWV 47 – Bachcantates Utrecht, 5 okt. 2025

Cantate 47, Wer sich selbst erhöhet, der soll erniedriget werden, schreef Bach voor de 17e zondag na Trinitatis en werd voor het eerst uitgevoerd op 13 oktober 1726. De cantate is gebaseerd op de evangelielezing voor die zondag uit Lucas 14. Die gaat als volgt: Hij (Jezus) vertelde de genodigden een gelijkenis, want Hij had gezien hoe ze ereplaatsen voor zichzelf kozen. Hij zei tegen hen: ‘Wanneer u door iemand wordt uitgenodigd voor een bruiloft, kies dan niet de ereplaats, want misschien is er wel iemand uitgenodigd die voornamer is dan u, en dan moet de gastheer tegen u zeggen: “Sta uw plaats aan hem af”.  Dan zult u beschaamd de minste plaats moeten innemen. Als u wordt uitgenodigd, kies dan de minste plaats, zodat uw gastheer tegen u zal zeggen: “Vriend, kom toch dichterbij”. Dan wordt u eer betoond ten overstaan van iedereen die samen met u aanligt. Want wie zichzelf verhoogt zal worden vernederd, en wie zichzelf vernedert zal worden verhoogd.’
Deze laatste zin vormt de tekst van het magistrale openingskoor. Want hoewel de tekst oproept om de hoogste bescheidenheid in acht te nemen, muzikaal gezien doet Bach dat zeker niet. We horen een uitgebreide instrumentale opening waarbij violen en hobo’s met elkaar concerteren. In het koorgedeelte wat hier op volgt lijkt Bach alle muzikale middelen uit te buiten om de tekst weer te geven. Zoals zo vaak neemt hij de fuga als uitgangspunt, beginnend met de tenoren. Als ook de alten, sopranen en bassen zijn ingehaakt neemt de hobosectie nog een vijfde stem op zich. Natuurlijk wordt het ‘erhöhet’ getoonzet met opgaande lijnen en het ‘erniedriget’ met dalende. Maar Bach maakt het nog fraaier als hij de zinsneden tegelijk laat zingen waardoor je tegelijk stijgende en dalende muzieklijnen hoort. De fugatische delen worden steeds beëindigd met de woorden nog een keer gelijktijdig harmonisch getoonzet waardoor de boodschap nog een keer goed hoorbaar is en in de oren van de luisteraars kunnen worden geknoopt.
Wat volgt zijn drie delen waarvan de tekst afkomstig is van ene Johann Friedrich Helbig. Het is een oproep om nederig te zijn en de duivelse hoogmoed en trots ver achter je te laten. In het recitatief krijgen we een ouderwetse donderpreek over ons heen over de slechtheid van de mens. De mens is Kot, Staub, Asch und Erde. Stront, stof, as, zand. Ga je schamen, trots schepsel, doe boete!
Je kan je afvragen of Bach blij is geweest met deze uitwerking van de Bijbeltekst. Friedrich Helbig schreef een jaargang cantate libretto’s maar Bach heeft na deze ene keer nooit meer teksten van hem gebruikt. Wellicht kon hij zich toch niet zo in zijn teksten vinden.
De muziek die Bach bij deze delen heeft geschreven zijn gelukkig van honing, goud, saffraan en kristal om maar even in aardse metaforen te blijven. In de eerste aria zingt de sopraan ingetogen en liefdevol dat een ware Christen deemoed moet nastreven en dat deemoed is steeds laag getoonzet. De sfeer van de aria slaat even om als de hoogmoed aan de orde komt. Het ritme veranderd en er klinken koude, hoge noten op Hoffart/hoogmoed en de viool klinkt met z’n felle nootjes ook afkeurend. Knap hoe Bach deze twee eigenschappen herkenbaar verklankt. De aria wordt kunstig omspeeld door de viool met voor- tussen- en naspel. De organist zal vanavond misschien teleurgesteld zijn, want bij de eerste uitvoering van de cantate koos Bach bij deze partij voor het orgel. Voor onze organist vanavond is dit dan een les in nederigheid. En laten we hopen dat onze eerste violist zal waken voor hoogmoed.
Na het strenge recitatief volgt als reactie hierop de wat kortere slotaria waarin de gelovige zich tot Jezus richt. Buig mijn hart, laat mij deemoedig zijn. Wederom een vriendelijk gezongen aria met – zoals we van Bach gewend zijn – mooie toonschilderingen op ieder belangrijk woord. Opvallend is hoe de viool opent met het thema en vervolgens de hobo en daarna de bas dit thema overneemt. Zou Bach hiermee iets hebben willen uitdrukken van het navolgen van Jezus? Als Zoon van God vernederde Hij zichzelf tot mens. Hij wilde niet heersen maar dienen en zo waste hij bijvoorbeeld de voeten van zijn discipelen. In de cantate gaat het steeds om deemoed, een woord wat verwant is aan dienstbaar zijn. Zo roept Jezus op om hem in dienstbaarheid te volgen.
Met zijn muzikale uitwerking van de tekst lijkt Bach een veel mildere boodschap uit te dragen dan de dreigende teksten van Helbig letterlijk verklaren. Je voelt dat Bach iets anders wil zeggen: een mooi schepsel ben je. Kijk alleen al hoe schitterend je muziek kan maken of hoe je van mooie muziek kan genieten. En je bent nog het mooist als je niet jezelf voorop stelt, maar als je er wil zijn voor de ander.
 
Gisteren was het 4 oktober, Dierendag, gekozen vanwege de sterfdag van Franciscus van Assisi. De monnik die preekte voor de vogels. Hij brak met zijn rijkeluis leven en besloot zijn toekomstplannen om ridder te worden te wijzigen in het zo concreet mogelijk na gaan volgen van Jezus. Voor hem betekende dat in armoede gaan leven, het afleggen van bezittingen en dienstbaar te zijn aan armen, zieken en achtergestelden. Zijn beweging noemde hij de Minderbroeders. De Minrebroedersstraat bij het Janskerkhof herinnert nog aan het klooster van de Minderbroeders wat daar lang geleden heeft gestaan. Maar Franciscus had – in tegenstelling tot onze dichter Friedrich Helbig – zeker geen negatief mensbeeld. In zijn Zonnelied bezingt hij de lof op de Schepping waar de mens onderdeel van is. Alles en iedereen zag hij als zijn broeder en zuster. Broeder zon, zuster maan. Ook ieder mens zag hij als zijn broeder of zuster. Hij verpleegde melaatse mensen – de onaanraakbaren – en hij ging tijdens een van de kruistochten mee naar het Midden-Oosten om in gelijkwaardigheid het contact te zoeken met een Islamitische leider. Ook hem zag hij als zijn broeder. Vanuit wederzijds respect spraken ze over hun geloof en onderzochten ze wegen tot vrede. Holland Baroque brengt volgende maand een programma over deze geschiedenis: Franciscus en de Sultan.
Na zijn dood werd Franciscus snel heilig verklaard… ‘Wie zichzelf vernedert zal worden verhoogd’.

Ik wil eindigen met een sprookje wat ik Claudia de Breij eens hoorde vertellen.
In een kasteel moest de hofhouding heel hard werken voor de koning, koningin, prins en prinsessen.
Een dienstmeisje mocht een wens doen bij een toverfee en wenste ook een prinses te zijn. Dat gebeurde. Zo hoefde zij nooit meer te werken en werd ze in alles gediend.
Maar een volgend dienstmeisje mocht ook een wens doen, en wenste hetzelfde. Ook zij werd prinses en ze werd gediend door het personeel. Het overgebleven dienstpersoneel moest steeds harder werken, maar steeds was er de fee weer en kon er iemand een wens doen, en iedereen wenste ook prins of prinses te zijn om zo gediend te kunnen worden.
Op het laatst was er nog één dienstmeisje over maar gelukkig kwam ook de fee bij haar langs en ook zij wenste prinses te zijn en dat gebeurde.
Toen was er geen bedienend personeel meer over en werd het haat en nijd in het kasteel want iedereen eiste gediend te worden en men vond van de ander dat die dat moest doen. Er bleef niets van het kasteel over.
Het is een sprookje. Maar toch. Als iedereen koning is, is eigenlijk niemand koning en draait het uit op oorlog. Maar als iedereen dient is iedereen ook koning want iedereen wordt gediend en is het vrede.
Het is de boodschap van de cantate: wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden.
En of u nu op de beste plek vooraan zit of als laatkomer helemaal achterin, u wordt door het koor en orkest van Bachcantates Utrecht gelijkelijk bediend met deze prachtige cantate van Johann Sebastian Bach. Verhoogt u ze straks met een lovend applaus.

1. Koor
»Wer sich selbst erhöhet,Wie zichzelf verhoogt,
der soll erniedriget werden,die zal vernederd worden,
und wer sich selbst erniedriget,en wie zichzelf vernedert,
der soll erhöhet werden.«die zal verhoogd worden.
2. Aria (S)
Wer ein wahrer Christ will heißen,Wie een ware christen wil heten
muß der Demut sich befleißen,die moet deemoed nastreven,
Demut stammt aus Jesu Reich.deemoed stamt uit het rijk van Jezus.
Hoffart ist dem Teufel gleich.Hoogmoed is als de duivel,
Gott pflegt alle die zu hassen,God haat iedereen
so den Stolz nicht fahren lassen.die zijn trots niet wil opgeven.
3. Recitatief (B)
Der Mensch ist Kot, Staub, Asch und Erde;De mens is drek, stof, as en aarde,
ists möglich, daß vom Übermut,hoe is het mogelijk dat hij toch
als einer Teufelsbrut,door overmoed, dat product van de duivel,
er noch bezaubert werde?wordt betoverd?
Ach, Jesus, Gottes Sohn,Ach, Jezus, de Zoon van God,
der Schöpfer aller Dinge,schepper van alle dingen,
ward unsertwegen niedrig und geringe,is ter wille van ons laag en gering geworden,
er duld’te Schmach und Hohn;hij duldde smaad en hoon;
und du, du armer Wurm,en jij, arm schaap,
suchst dich zu brüsten?probeert een hoge borst op te zetten,
Gehört sich das vor einen Christen?past dat een christen?
Geh, schäme dich, du stolze Kreatur,Ga je schamen, trots schepsel,
tu Buß und folge Christi Spur;doe boete en volg het spoor van Christus;
wirf dich vor Gott im Geiste gläubig nieder!werp je in de geest gelovig voor Christus neer,
Zu seiner Zeit erhöht er dich auch wieder.op zijn tijd zal hij je ook weer verhogen.
4. Aria (B)
Jesu, beuge doch mein HerzeJezus, buig toch mijn hart
unter deine starke Hand,onder uw sterke hand,
daß ich nicht mein Heil verscherzezodat ik mijn heil niet vergooi
wie der erste Höllenbrand.zoals de eerste hellebrand dat heeft gedaan.
Laß mich deine Demut suchenLaat me naar uw deemoed streven
und den Hochmut ganz verfluchen.en de hoogmoed volledig vervloeken.
Gib mir einen niedern Sinn,Geef mij een nederige geest
daß ich dir gefällig bin!zodat ik u behaag!
5. Koraal
Der zeitlichen Ehrn will ich gern entbehrn,Ik geef tijdelijke eer graag op,
du wollst mir nur das Ewge gewährn,als u mij slechts het eeuwige wil schenken,
das du erworben hastdat u hebt verworven
durch deinen herben, bittern Tod.door uw harde, bittere dood.
Das bitt ich dich, mein Herr und Gott.Dat bid ik u, mijn Heer en God.
  
Libretto: Johann Friedrich HelbigVertaling: Ria van Hengel

Cantates voor de zondag vóór – en voor Hemelvaartsdag

NoorderLichtkerk Zeist, 25 mei 2025

Vanmiddag luisteren we naar twee cantates die Bach voor dezelfde week componeerde: Wahrlich, wahrlich ich sage euch (BWV 86), voor de zondag vóór Hemelvaart en Wer da gläubet und getauft wird (BWV 37) voor Hemelvaartsdag zelf. De eerste uitvoeringen waren respectievelijk op 14 en 18 mei 1724.
Bij twee cantates in één week kunnen er verbanden in beeld komen die een verhaal vertellen. Zo zien we dat Bach gebruik gemaakt heeft van precies dezelfde instrumentale bezetting: naast het continuo van cello en klavecimbel de strijkers en twee hobo ‘d amore. Voor een feestdag als Hemelvaart was dat trouwens een wat magere bezetting. Maar hij wilde het deze week blijkbaar met deze muziekgroep doen.
En dan het verhaal van de eerste violist. Wat een prachtige solo-partij kreeg hij bij de eerste aria ‘Ich will doch wohn Rosen brechen’. Met snelle prikkende vioolstreken werd de tekst uitgebeeld. Maar bij de volgende cantate blijkt de solo-viool partij bij de tenor-aria verloren. Je zou het verhaal hierachter willen weten. De violist moest in een paar dagen opnieuw een virtuoze partij instuderen. Zou het hem misschien niet gelukt zijn?
Of het verhaal van de sopraan. Natuurlijk een jongetje van de Thomasschool. In deze serie cantates zie je dat de moeilijkheidsgraad van zijn aria’s steeds iets hoger ligt.  Zou Bach een nieuwe sopraan aan het opleiden zijn?
Het grotere verhaal van de 38 jarige Bach zelf is dat hij deze week precies een jaar geleden begon als Thomascantor wat ook betekent dat hij zijn eerste jaargang cantates bijna rond heeft. Een paar weken eerder voerde hij zijn eerste Johannes-Passion uit. In februari was zijn vijfde kind geboren. Johann Gottfried. Het tweede kind van Anna Magdalena.

De eerste cantate van vanmiddag behandeld afscheidswoorden van Jezus die staan in Johannes 16. De gekozen woorden passen ook precies bij de naam van deze zondag: Rogate wat betekent: ‘bidt’. ‘Werkelijk, wat je de Vader ook vraagt in mijn naam – Hij zal het je geven’. Troostende, bemoedigende woorden met een belofte. Bedenk: drie jaar heeft Jezus intensief met zijn discipelen opgetrokken. En nu moet hij ze loslaten. Welke belangrijke dingen wil je dan nog meegeven?  Bedenk het eens voor jezelf: welke dingen zou jij nog mee willen geven aan je geliefden als je voorgoed afscheid neemt?
Zoals zo vaak zingt de bas als de zogenaamde Vox Christi, de stem van Christus, de woorden van Jezus. Kalm en geruststellend. Omlijst door strijkers en hobo’s die dezelfde woorden instrumentaal lijken te verklanken.
Ontvang je altijd wat je vraagt? Zo is het natuurlijk niet. Maar de boodschap is denk ik dat je altijd op God kan terugvallen. Ook als het leven, als zelfs geloven pijnlijk is, zo zingt de alt in de eerste aria. En dat ‘stechen’ klinkt echt stekelig.
In het derde deel zingt de sopraan de melodie van een koraal. De woorden bevestigen dat je op God mag vertrouwen. Is de partij voor de sopraan redelijk eenvoudig te zingen, de hoboïsten moeten in deze aria vol aan de bak met talloze zestiende nootjes die op en neer vliegen. Beelden zij die engelenschaar uit die indien nodig te hulp zal schieten?
Ook het volgende recitatief en de aria behandelen het thema dat je op Gods belofte mag vertrouwen, al kan het zijn dat die hulp er niet is op het voor jouw verwachte moment. De tenor-aria is uiteindelijk één en al optimisme met strijkers die heerlijk om de woorden ‘Gott hilft gewiβ’ heen concerteren.
De strekking van de cantate wordt nog een keer samengevat in het afsluitende koraal. De kerkelijke gemeente kon dit destijds beamend meezingen. Op God mag je altijd vertrouwen. Wij mogen er bezinnend naar luisteren.

*

En toen was het maandag 15 mei. Nog maar drie dagen voor de volgende cantate op Hemelvaartsdag. En dan weer één voor de volgende zondag. En in het verschiet de cantates voor 1e, 2e en 3e Pinksterdag. Ja, het leven van een Thomascantor gaat niet altijd over rozen…
Ik had het eerder over de verschillende verhalen die je bij deze cantates kan vertellen. Maar het verhaal wat je zou verwachten in de komende cantate wordt juist gemist: de hemelvaart van Jezus. In het kort: Volgens het Bijbelboek Handelingen verscheen Jezus na zijn dood en opstanding veertig dagen aan zijn volgelingen. Op die veertigste dag sprak hij zijn laatste woorden tot zijn apostelen waarna hij ‘voor hun ogen werd omhoog geheven en opgenomen in een wolk zodat ze hem niet meer zagen’. In de cantate dus geen verslag van dit wonderlijke verhaal. Luister hiervoor naar Bachs ‘Himmelfahrt-Oratorium’ Lobet Gott in Seinen Reichen.

Ook de cantate Wer da gläubet und getauft wird opent met woorden van Jezus. Ditmaal uit het laatste hoofdstuk van Marcus. Het volgt op het zogenaamde zendingsbevel om de wereld in te gaan en het goede nieuws bekend te maken. Maar opnieuw klinkt een belofte. Als je gelooft en gedoopt bent, dan ben je gered bent zoals het in de nieuwe Bijbelvertaling staat. Andere vertalingen spreken over ‘zalig worden’ zoals het ook in het Duits klinkt. Wat niet gezongen wordt in de cantate is het vervolg: ‘maar wie niet gelooft zal worden veroordeeld’. In deze cantate gaat het over de kern van de Lutherse theologie en die is: je kan alleen door het geloof gerechtvaardigd worden. Goede werken helpen daar niets bij. Laat staan het kopen van aflaten zoals in de tijd van Luther en Bach nog gebruikelijk was in de Rooms-Katholieke kerk.

Ditmaal worden de woorden van Jezus door het vierstemmige koor gezongen al neemt de bas na de instrumentale opening wel de eerste stem voor zijn rekening. In een soort canon volgen de andere stemmen één voor één. Bach componeert zo met instrumenten en stemmen een prachtig meerstemmig geheel. Het woord ‘Glaube’ klinkt vaak op lang aangehouden noten waarbij standvastigheid wordt uitgedrukt, terwijl ‘Taube’ juist vaak klinkt op een dalende reeks van korte nootjes. De doop gaat immers middels besprenkeling van waterdruppels.

Nu kun je natuurlijk de vraag stellen: wat moet je precies geloven? In het Bijbelgedeelte doelt Jezus op het geloof dat hij is opgestaan uit de dood. De cantate behandelt meer het algemene dogma: Jezus heeft geleden en is gestorven en droeg de straf die wij verdienden. Het staat kernachtig  in de laatste woorden van het slotkoraal. Als je dat gelooft ben je gered. Zal je zalig worden. De doop is dan een bezegeling hiervan.
En als je niet geloofd. Ben je dan veroordeeld?
Ben je niet gelovig, dan zal je misschien je schouders ophalen bij dergelijke woorden. Maar ook gelovige christenen kunnen vaak moeilijk uit de voeten met een dergelijke tekst. Misschien Bach ook wel die het tweede deel van de tekst niet opnam in zijn openingskoor.

In de eerste twee aria’s staat Gods liefde voor de mensen centraal. De tenor wordt in de eerste aria bijgestaan door de eerste violist die een reconstructie speelt van de verloren vioolpartij. De volgende aria is net als in de vorige cantate een bewerking van een koraal. Het beeld van Christus als bruidegom en zijn gemeente als bruid komt hierin terug. Om die reden wordt het wellicht als duet uitgevoerd met natuurlijk mooie muzikale woordschilderingen. Als je de tekst meeleest vallen ze vanzelf op. De instrumentale omspeling van de cello en fagot geeft het geheel een optimistische vibe. En de sopraan krijgt weer een moeilijker rol dan in de vorige cantate!

In het aansluitende recitatief krijgen we toch een soort ‘Vox Christi’ van de bas. Goede werken zijn belangrijk. Maar denk niet dat je daarmee je ziel kan redden.
Het is maar goed ook. Want hoezeer we ook ons best kunnen doen iets goed te doen, geloof me, tegelijk kunnen we daarin ook gigantisch falen. Geloven is daarom genoeg. Geloven dat de weg die Jezus is voorgegaan een heilzame weg is. Dienstbaar zijn, naastenliefde, barmhartigheid tonen, verzoening brengen en gelijkwaardigheid nastreven. Zo geloven en leven, met vallen en opstaan, maakt dat Jezus blijft voortleven in deze wereld al is hij niet meer lijfelijk aanwezig.
Zo geloven maakt dat je vleugels krijgt zoals gezongen wordt in de laatste aria. Het bourrée-achtige ritme van het orkest accentueert een soort vliegbewegingen. In de eerste cantate vlogen de engelen. Nu zijn wij aan de beurt. Niet alleen om de hemel in te vliegen maar in de eerste plaats om bevlogen je leven te leven.

Barokensemble Zeist. o.l.v. Paulien Kostense

Even rust op Bachs 44ste verjaardag? Of: wat allemaal uit een brief valt op te maken.

Op 21 maart 1729 werd Bach 44 jaar. Dat viel dat jaar op een maandag. Omdat het vastentijd was hoefde Bach geen cantate uit te voeren die komende zondag. Geen componeeractiviteiten dus op zijn verjaardag. Maar of Bach zijn verjaardag die dag rustig heeft gevierd? Ik vraag het me af. Een dag eerder schreef Bach een brief aan een voormalige leerling van hem en daar staat een schat aan informatie in die getuigt van een druk bezet leven die weken.

Aan Monsieur, Mon Tres Honoré Amy,

U zult het niet verkeerd opvatten dat een afwezigheid van drie weken mij heeft belet uw vriendelijke brief eerder te beantwoorden. Uit de brief maak ik op dat de goede God uw voetstappen lijkt te leiden in de richting van een positie. Daarin wens ik u een goddelijk fiat toe, en het zou mij verheugen, indien mijn bescheiden getuigenis, dat u hierbij wordt aangeboden, daartoe iets zou bijdragen. Met de door U gevraagde passiemuziek zou ik U gaarne van dienst zijn, indien ik die zelf dit jaar niet nodig zou hebben. Verder ben ik u erkentelijk voor de moeite die u zich getroost hebt in verband met de Hauckwitz-schuld, die mij nog tegoed staat, en zoek daarom elke gelegenheid (vooral als het tot daadwerkelijke betaling zou komen) om mijzelf oprecht dankbaar te tonen. Als u nog iets vindt, waarin ik u van dienst kan zijn, smeek ik u mij dat mede te delen; ik zal met alle vaardigheid laten zien, dat ik altijd op te roepen ben,

Monsieur, mon tres honoré Amy, votre tres sedié serviteur

JOH. SEB. BACH, Leipzig, 20 maart 1729

P.S. Het laatste bericht is dat de lieve Heer nu ook voor de integere heer Schott heeft gezorgd, en hem de post van Cantor in Gotha heeft geschonken; daarom zal hij volgende week afscheid nemen, daar ik bereid ben zijn Collegium over te nemen.[1]

De brief is gericht aan Christoph Gottlob Wecker, een voormalig leerling van Bach, traverso-speler en cantor. Wecker (1700 – 1774) was op dat moment cantor in Mertschütz en opteerde voor een zelfde functie in Schweidnitz. Beide gelegen in Silezië, het huidige zuidwest Polen. Voor deze sollicitatie had Bach een aanbevelingsbrief geschreven die hij samen met de hier bovenstaande brief aan Wecker heeft gestuurd.
Bach excuseert zich dat de brief lang op zich heeft moeten wachten. Hij is blijkbaar drie weken van huis geweest. In het ‘Kalendarium zur Lebensgeschichte J.S. Bach’ staat dat dat misschien was vanwege deelname aan feestelijkheden in verband met de geboortedag van Hertog Christian von Sachsen-Weissenfels. Bach had vriendschappelijke betrekkingen met dit hof. Hij droeg sinds kort de eretitel van Hofkapelmeester van het hof van Weissenfels. Toch lijkt het me sterk dat Bach daar drie weken heeft vertoefd. De geboortedag van de hertog was 23 februari en op die dag zal Bach daar muziek hebben uitgevoerd[2]. Wellicht was Bach Zondag 27 februari al weer in Leipzig om de laatste cantate voor de vastentijd te verzorgen: Sehet, wir gehn hinauf gen Jerusalem (BWV 159). Mij lijkt dat de drie weken afwezigheid hierna pas ingaan. Van maandag 28 februari tot 20 maart is ook precies drie weken. De bestemming is ons echter niet bekend.

Een tweede opmerkelijke zinsnede is Bachs antwoord op de vraag van Wecker of hij zijn passiemuziek mag lenen voor blijkbaar een eigen uitvoering. Deze vraag wordt als één van de bewijsvoeringen opgevoerd dat Bach zijn eerste Matthäus-Passion niet in 1729 uitvoerde maar in 1727. Wecker verbleef toen namelijk in Leipzig, hij speelde wellicht mee op zijn traverso en wilde er als kersverse cantor in 1729 zelf mee aan de slag. Voor Bach stond echter een uitvoering op Goede Vrijdag 15 april gepland. Hij kon zijn partituren dus niet missen. En in die tijd bestonden er nog geen kopieermachines… Bovendien moet Bach met deze partituren deze periode intensief bezig geweest in verband met de Trauermusic rond de begrafenis van Prins Leopold van Anhalt-Cöthen. Als oud-hofkapelmeester mocht Bach daar voor zorgen. Bach bewerkte onder andere tien delen uit de Matthäus-Passion voor de treurmuziek die als Klagt, Kinder, klagt es aller Welt (BWV 244a) bekend staat. De prins, die al overleed op 19 november 1728, werd op woensdag 23 maart bijgezet in een crypte van de St. Jacobskirche in Cöthen. De herdenkingsdienst vond de volgende dag plaats. Het is aannemelijk dat Bach een deel van de Trauermusic al bij de bijzetting heeft uitgevoerd. Uit een aantekening in de kasboeken van het hof van Cöthen blijkt dat Bach zowel familie als verschillende musici uit omliggende steden heeft ingezet en ook één of meer overnachtingen heeft gehad:

Aan kapelmeester Bach, zijn vrouw en zoon uit Leipzig, hierheen geroepen, ook aan de musici uit Halle, Merseburg, Zerbst, Dessau en Gusten, die hebben geholpen bij het verzorgen van de begrafenismuziek voor Zijne Wijlen Doorluchtige Hoogheid Leopold, ter gelegenheid van de teraardebestelling, 23 maart 1729, en de begrafenisrede, 24 maart 1729, als afrekening inclusief kostgeld, 230 thlr.

Het bedrag van 230 Thaler is fors. Voorzichtig geschat zou dit nu zo’n € 20.000,- zijn. [3] Voor de kosten van verblijf en honorering van het hele gezelschap dus.

We gaan verder met de brief van Bach aan Wecker en nu het toch over geld gaat is de passage over de ‘Hauckwitz-schuld’ interessant. Blijkbaar heeft Bach diensten verleend aan ene Hauckwitz maar de betalingen daarvoor nog niet ontvangen. Wecker zou dan als tussenpersoon een rol zou hebben gespeeld. Waar dit over gaat is zover ik kan nagaan niet bekend. De naam ‘Hauckwitz’ kom je in combinatie met Bach verder nergens tegen. Wat internet-speurwerk leverde wel op dat er een adellijk geslacht ‘Haugwitz’ in Silezië verbleef, waar ook Wecker vandaan kwam. Carl Georg von Haugwitz (1664 – 1745) beheerde landgoederen in Liegnitz wat vlakbij Mertschütz lag, de plaats waar Wecker werkzaam was. Zou Bach bij deze von Haugwitz een concert hebben verzorgd, mogelijk met Wecker?

Zo blijft het vaak fantaseren vanwege de summiere informatie die we concreet over Bach hebben. Vanwaar de drie weken afwezigheid? Is hij langs Halle, Merseburg, Zerbst, Dessau en Gusten gereisd om de Trauermusic voor te bereiden? Is hij in Liegnitz geweest om te spelen voor Carl Georg von Haugwitz? Of heeft hij toch een paar weken gelogeerd in Weissenfels?
Wat tenslotte wel weer een concreet feit is, wat we ook weer te danken hebben aan de brief aan Wecker, is dat Bach per 25 maart de functie van leider van het Collegium Musicum overneemt van Georg Balthasar Scott. Wekelijks zal Bach met dit gezelschap op dinsdagavond in Café Zimmerman gaan optreden. Natuurlijk zal Bach op 25 maart in het café aanwezig zijn geweest om het stokje van Scott over te nemen.
Al met al kunnen we zo wel stellen dat Bach rond zijn 44ste verjaardag niet stil heeft gezeten. Zou hij op zijn verjaardag toch even achterover hebben kunnen leunen?
Ik betwijfel het.

Overzicht genoemde data 1729:

Woensdag 23 februari           – Feestmuziek voor Christian von Sachsen-Weissenfels
Zondag 27 februari                – Uitvoering cantate Sehet, wir gehn hinauf gen Jerusalem
Maandag 28 februari             – Drie weken ‘afwezig’
Zondag 20 maart                    – Brief aan Georg Gottlob Wecker
Maandag 21 maart                – Bach jarig
Dinsdag 22 maart                  – Naar Cöthen?
Woensdag 23 maart              – Begrafenis Prins Leopold
Donderdag 24 maart              – Uitvoering Trauermusic
Dinsdag 29 maart                  – Naar Café Zimmerman voor afscheid Georg Balthasar Schott
Vrijdag 15 april                      – Uitvoering Matthäus-Passion


[1] Vertalingen door Derk van Veen

[2] Voor het eerst deed hij dat daar al in 1713 met de uitvoering van de jachtcantate Was mir behagt, ist nur die muntre Jagt (BWV 208).

[3] Wolff (2000): een Taler = € 71,50. Met de inflatie sinds 2000 zou die nu wel € 90,- waard zijn.

Ich freue mich in dir

Inleiding BWV 133 – Bachcantates Utrecht, 5 jan. 2025

Van aangezicht tot aangezicht

Op de eerste zondag van het nieuwe jaar luisteren we naar een cantate voor de Derde Kerstdag. Ich freue mich in dir werd voor het eerst uitgevoerd op 27 december 1724. 27 december was tevens de naamdag van de evangelist Johannes. Waren de cantates voor Eerste en Tweede Kerstdag uitbundig van toon, met pauken en trompetten, deze cantate heeft een meer ingetogen karakter en een kleinere instrumentale bezetting. De vorige cantates waren in de wij-vorm geschreven (op 2e Kerstdag nog Christum wir sollen loben schon), deze cantate staat in de ik-vorm: ‘Ich freue mich’. Het maakt dat de cantate een meer bezinnend karakter heeft. De luisteraar wordt uitgenodigd om wat afstand te nemen van alle feestelijkheden en tot zich door te laten dringen wat het kerstgebeuren voor hem of haar persoonlijk betekent.
Het past bij de kijk van de evangelist Johannes op het gebeuren. Hij wordt vaak afgebeeld met een adelaar. De vogel die van een afstand het geheel overziet en toch de details onderscheid. Bij Johannes gaat het direct om de essentie. Hij mijdt daarom het verhaal. Bij hem geen kindje in de stal, geen herders, geen Wijzen uit het Oosten. Hij begint zijn evangelie met grote woorden ‘In het begin was het Woord’. Een echo op het scheppingsverhaal uit Genesis. Dat hier op Jezus wordt gedoeld blijkt verderop: ‘Het Woord is mens geworden en heeft onder ons gewoond’. In de cantate komen deze beelden letterlijk terug.

De cantate is één van de koraalcantates die Bach voor zijn tweede jaargang in Leipzig componeerde. De tekst van het koraal is van Caspar Ziegler. Bach hanteerde het vertrouwde concept: de eerste en laatste strofe blijven tekstueel onveranderd waarbij de eerste strofe een muzikaal fantasierijke bewerking krijgt. De laatste strofe blijft een gewoon vierstemmig slotkoraal. Ich freue mich in dir heeft vier strofen. De tweede en derde strofe zijn door een onbekende tekstdichter omgewerkt tot tweemaal een aria en recitatief.
De boodschap van de cantate is kortgezegd: je mag blij zijn met de geboorte van Jezus. God is naar ons toegekomen. Dan hoef je niet bang te zijn voor de dood. Maar je moet hem wel in je hart toelaten. Zeker de helft van de cantates van Bach hebben dit zo’n beetje als thema. Een theoloog zou hier een hele verhandeling over kunnen houden maar daar waag ik me niet aan. Dan kijk ik liever als die adelaar op afstand naar de cantate zoekend naar de details. Wat heeft de tekstdichter aangevuld bij het origineel en wat heeft Bach met zijn muziek onderstreept.

Het openingskoor wordt ingezet met een schijnbaar eenvoudig thema wat Bach uitpluist tot een weelderig en vrolijk concerto voor strijkers waarbij twee hobo’s d’amore de tweede- en de altviool ondersteunen. Met flinke tussenpozen zingt het koor de regels van het couplet getoonzet als het gewone koraal. Op deze Derde Kerstdag gunde Bach zijn koorzangers blijkbaar een gemakkelijker partituur. Tweemaal spint hij het koor uit en accentueert hij de woorden. Natuurlijk bij de zinsnede: ‘Ach wie ein süßer Ton!’ en op de laatste regel: ‘der große Gottessohn’.
In de alt-aria mogen de twee hobo d’amores het voortouw nemen. Met gepunteerde noten die doen denken aan een Franse ouverture (ta-dáá!) wordt niet de aandacht gevraagd voor een Lodewijk de zoveelste die binnen schrijdt maar voor God zelf die als mens de wereld binnenkomt. Hoe onbegrijpelijk dit is accentueert Bach met lange melismes op het woord ‘unbegreiflich’.
De laatste zin van de aria ‘Ach! Meine Seele muß genesen’ is eigenlijk al de opmaat voor het tenor-recitatief die gaat over de neiging van de mens om God te ontwijken terwijl God de mens juist opzoekt. Om het persoonlijker te maken heeft de tekstschrijver het ‘Unsere’ veranderd in ‘Meine Seele’. Als in het recitatief tweemaal letterlijk regels van het originele vers terugkomen worden die meer melodieus dan reciterend gezongen. Bach noteerde het woord ‘adagio’ erbij.
De sopraan-aria is inhoudelijk het hart van de cantate. Centraal staan hier de woorden ‘Dies Wort’ die de tekstschrijver heeft toegevoegd en duidelijk een verwijzing zijn naar de opening van het evangelie van Johannes, ‘het Woord is mens geworden’. ‘Dies Wort’ wordt telkens driemaal steeds lager gezongen gevolgd door het meer ééntonig ‘Mein Jesu ist geboren’. Het lijkt me een muzikale uitbeelding van het afdalen naar de wereld. De aria wordt omlijst door prachtig vioolspel. Let vooral op de korte vioolsolo direct na de herhaling van de eerste zin ‘Wie lieblich klingt es in den Ohren’. Graag citeer ik hierover Gert Oost, jarenlang organist hier bij de Bachcantates en al vijftien jaar geleden overleden. Hij schreef in zijn mooie boek ‘Aan de hand van Bach’ over dit korte tussenspel: ‘En even buigt de eerste violiste met haar viool voorover naar dat kind in de kribbe en speelt een van de aangrijpendste maten die Bach ooit voor viool heeft geschreven’. Mocht u dit nou missen, na het, passend bij de tekst, mager getoonzette B-gedeelte van de aria heeft u nog een kans bij de herhaling van het A-gedeelte.
Het basrecitatief leidt met een nieuw thema het slotkoraal in: als je in Jezus gelooft zal je sterven een leven in de hemel betekenen. Natuurlijk toonzet Bach de woorden hemel hoog en sterven laag. Het mooi vierstemmig geharmoniseerde slotkoraal roept nogmaals op om niet bezorgd te zijn. Als splijt de wereld in duizend stukken, bij Jezus ben je veilig.

Misschien zijn het wel deze laatste woorden van het slotkoraal die mij als luisteraar met een onbevredigend gevoel laten zitten. Zeker, genoten heb ik van de muziek. Bach verrast altijd. Maar de tekst van de cantate levert mij zoveel onbeantwoorde vragen, ook voor wat betreft de tijd waarin we nu leven. ‘De wereld in duizend stukken gespleten’ bijvoorbeeld. Is dat al niet aan de orde van de dag? Dagelijks worden we via de media geconfronteerd met zoveel geweld in de wereld. En geeft het geloof in Jezus daarbij rust? Zoals het kinderliedje van vroeger: ‘Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw’?
Wanneer ik nogmaals van afstand de cantate bekijk springt er één zin uit: ‘Ich habe Gott von Angesicht zu Angesicht gesehen’. Het is ‘unbegreiflich’. Dat vond Bach ook. Misschien moet je het ook niet willen begrijpen en moet je er op een andere manier naar kijken. Bij het ‘van aangezicht tot aangezicht zien’ moest ik denken aan de filosoof Emanuel Levinas. Ook iemand die met afstand kijkt naar het dagelijkse gebeuren en dan juist de zin der dingen helder krijgt. Voor Levinas openbaart God zich uitsluitend in het gelaat van de Ander. Bewust geschreven met een hoofdletter. Het leven van de mens krijgt zijn waarde als hij in relatie treedt met de Ander. Wanneer je het appèl van de kwetsbare Ander beantwoord kun je God zien in het gelaat van de Ander en kun je iets waarnemen van het mysterie van God. Bijzonder vind ik ook deze stelling: ‘Het ontwijken van de blik van de Ander is het begin van alle geweld’. Ligt hier uiteindelijke niet de sleutel tot het opheffen van alle oorlog, geweld en ongelijkheid in de wereld?

‘Ik heb God van aangezicht tot aangezicht gezien’ zingt de alt in de eerste aria als de pasgeboren Jezus wordt aanschouwt. Ik herinnerde me dat mijn vader 36 jaar geleden vertelde over het in de ogen zien van zijn pasgeboren kleinzoon. Vorige week vroeg ik hem erna. Mijn vader, bijna 93, wist het nog precies. ‘Zijn pupillen waren groot en donker en ik kon er heel ver, diep in kijken. En wat ik zag was de eeuwigheid. Een ver verleden waar hij vandaan kwam en een oneindige toekomst’.
Ik denk dat mijn vader God gezien heeft.

De aanbidding van de herders, Gerrit van Honthorst.

De dochters van Bach

De dochters van Johann Sebastian Bach

Van Bachs zonen die de volwassen leeftijd hebben bereikt weten we redelijk veel. Allen kregen betrekkingen als organist of klavecinist, hoewel de één meer succesvol was dan de ander. Verschillende zonen hebben ook prachtige composities nagelaten. Er zijn boeken over ze geschreven. Er staat er één in mijn kast: ‘Bachs zonen’. Maar Bachs dochters? We weten nauwelijks iets van ze. Het zijn voetnoten in de muziekgeschiedenis. Toch maakten ze deel uit van het meest muzikale gezin aller tijden en kan het bijna niet anders dan dat zij ook muzikaal begaafd zijn geweest. Bach heeft twintig kinderen gekregen. Daarvan waren er negen een meisje. Vier van hen bereikten de volwassen leeftijd: Catharina Dorothea, Elisabeth Juliane Friederica, Johanna Caroline en Regina Susanne. Wat weten we van deze vier?

Catharina Dorothea

Johann Sebastian en Maria Barbara trouwden op 17 oktober 1707 in Dornheim. Ruim een jaar later kregen ze in Weimar hun eerste kind, Catharina Dorothea. Ze werd gedoopt op 29 december 1708 wat betekent dat ze waarschijnlijk een dag eerder geboren zal zijn.
Tot haar dood in 1774 bleef Catharina deel uitmaken van het gezin waarin ze werd geboren, maar daar leefde ze wel vier verschillende levens.
Tot haar elfde was dat een redelijk beschermd bestaan in Weimar en Köthen. Plotseling kwam daar een einde aan in de zomer van 1720 toen plotseling haar moeder overleed. Tot overmaat van ramp was haar vader op reis naar Karlsbad met vorst Leopold. Hij kreeg het bericht van overlijden pas bij thuiskomst. Een geluk was dat Friedelina Bach, de oudste zus van Maria Barbara, die al sinds 1707 bij het gezin inwoonde, de zorg voor de kinderen kon overnemen. Naast Catharina waren dat Wilhelm Friedemann, toen negen jaar, Carl Philipp Emanuel, zes jaar en Johann Gottfried Bernhard, vijf jaar.
Catharina was bijna dertien toen haar vader hertrouwde met de twintig jarige Anna Magdalena. De indruk bestaat dat Catherina een goede verstandhouding met haar stiefmoeder ontwikkelde. Vanwege het geringe leeftijdsverschil zal de relatie al snel gelijkwaardig zijn geworden. Zeker vanaf 1729 toen tante Friedelina overleed moet ze een stabiele factor zijn geworden in het gezinsleven. Op dat moment waren er bij Anna Magdalena al zeven kinderen geboren. Over het gezinsleven schrijft Bach een jaar later aan zijn oude schoolvriend Georg Erdmann: ‘de kinderen uit het andere huwelijk (met Anna Magdalena) zijn nog klein en de oudste is een jongen van zes jaar. Maar het zijn allemaal geboren musici en ik kan u verzekeren dat ik al een vocaal en instrumentaal concert met mijn gezin kan geven, temeer daar mijn huidige vrouw een zuivere sopraanstem heeft en ook mijn oudste dochter geen slecht figuur slaat’. En dan heeft hij het dus over Catharina Dorothea. Overigens wijst niets erop dat Bach zijn dochters muzikaal liet opleiden gericht op een professionele functie. Die waren in die tijd voor vrouwen ook nauwelijks voorhanden.
Catharina bleef ongehuwd. In de ‘literatuur’ wordt ze wel een (oude) vrijster genoemd, of in het Engels ‘spinster’. Ze was drieëndertig toen haar jongste zusje werd geboren: Regina Susanna. Het dertiende kind van Anna Magdalena van wie er zeven vroegtijdig overleden. Catharina maakte het van dichtbij mee…
Op 28 juli 1750 overleed ook haar vader. Vijf kinderen woonden toen nog thuis. Naast Catharina (inmiddels 41) Gottfried Heinrich, Johann Christian, Johanna Carolina en Regina Susanna. De laatste drie waren nog minderjarig. Van hen werd Johann Gottlieb Görner, organist van de Thomaskirche en huisvriend van de Bachs tot voogd benoemd. Na een half jaar moest het gezin de Thomasschule verlaten en werd het gezin gesplitst. Catharina bleef met haar stiefmoeder en twee jonge zusjes Johanna Carolina (13) en Regina Susanna (8) in Leipzig.  Ze gingen wonen in een etage van het grote huis van Friedrich Heinrich Graff, een rechter en huisvriend van de familie die ook peetvader was van Gottfried Heinrich en Regina Susanna. De geestelijk minder begaafde Gottfried Heinrich (24) ging wonen bij zijn zuster in Naumburg. Johann Christian (15) ging bij Carl Philipp Emanuel wonen in Berlijn.
Het werden zware jaren voor het viertal. Van het stadsbestuur ontving Anna Magdalena nog tweemaal een rechtmatige schenking en daarnaast had ze haar erfenis. Toch moet het geldelijke bezit snel opgeraakt zijn getuige het feit dat ze de muziek van vierenveertig cantates verkocht aan de Thomasschule (voor een luttel bedrag) en exemplaren van Die Kunst der Fuge aan het stadsbestuur.
We weten niet of Catharina nog een eigen inkomen vanuit een eigen baan had.
Anna Magdalena stierf op 27 februari 1760, negenenvijftig jaar oud. In het begrafenisregister word genoemd dat ze een Almosenfrau was, wat zoveel wil zeggen dat ze leefde van ‘aalmoezen’, collectegelden van de kerk en liefdadigheden van het stadsbestuur. Het duidt erop dat het gezin in elk geval onvoldoende inkomen had.
Over de laatste levensfase die nu aanbrak, samen met haar jonge zusters weten we helemaal niets. Er wordt vanuit gegaan dat de drie zusters in armoede leefden ondanks het feit dat Carl Philipp Emanuel vanuit Hamburg wel geld stuurde.
Catharina Dorothea stierf op 14 januari 1774, vijfenzestig jaar oud, net zo oud als haar vader is geworden.


Elisabeth Juliana Friederica

Op 5 april 1726 werd Elisabeth Juliana Friederica gedoopt. Het vierde kind van Anna Magdalena. Vermeld moet worden dat haar geboorte een paar maanden plaatsvond na het overlijden van de driejarige Christiane Sophia Henriette, het eerste kind van Anna Magdalena.
Over de jonge jaren van Elisabeth Juliana is niets bekend. Op 20 januari 1749 trouwt ze met Johann Christoph Altnikol (1719 – 1759), een talentvolle en geliefde leerling van Bach. Op voorspraak van hem wordt hij organist in de Wenzelkirche te Naumburg, zo’n 30 kilometer ten westen van Leipzig. In november 1748 schrijft Bach een brief aan zijn neef Elias Bach in Schweinfurt. Dat is nogal ver van Leipzig. Anders, zo schrijft Bach ‘zou ik wel zo vrij zijn geweest om mijn geëerde neef uit te nodigen voor het huwelijk van mijn dochter Lieschen met de nieuwe organist in Naumburg Mr. Altnikol, dat de komende maand, in januari 1749, zal plaatsvinden’. ‘Lieschen’, wellicht de roepnaam van Elisabeth Juliana, of misschien wel een koosnaam van haar vader. Het is in elk geval de enige keer dat een dochter van Bach in zijn brieven bij name wordt genoemd. Wellicht niet toevallig is dat in de zogenaamde koffie-cantate ‘Schweicht stille, plaudert nicht’ (BWV 211) de aan koffie verslingerde dochter de naam Lieschen kreeg. De echte Lieschen was bij het uitkomen van de cantate in 1734 pas acht jaar oud, dus in werkelijkheid zal het niet over haar zijn gegaan. (Of zou Bach zijn ongetrouwde dochter Dorothea op het oog hebben gehad voor deze rol. Zij was toen 26 jaar). 
Op 4 oktober 1749 wordt er een zoontje geboren: Johann Sebastian, vernoemd naar zijn grootvader. Helaas leefde het kind maar zeventien dagen.
Dan, in het najaar van 1750 wordt er een belangrijk besluit genomen. Na het overlijden van vader Bach wordt haar broer Gottfried Heinrich in hun huis opgenomen. Gottfried had een geestelijke beperking, al zou hij – zoals Carl Philipp Emanuel schreef – een muzikaal genie zijn geweest. Hij kon niet voor zichzelf zorgen en in het gezin bij Anna Magdalena met de drie dochters blijven wonen was blijkbaar geen optie. 
In 1751 krijgt Elisabeth Juliana een dochter: Augusta Magdalena, vernoemd dus naar haar moeder. In 1754 volgt opnieuw een dochter, Juliana Wilhelmina. Ofschoon de laatste wel huwt, blijven beide dochters kinderloos.
Dan overlijd in 1759, pas veertig jaar oud, haar man en breekt voor haar ook een zware tijd aan. Tot 1763 blijft het gezin in Naumburg wonen. In dat jaar sterft Gottfried Heinrich. Elisabeth Juliana keert dan met haar twee jonge dochters terug naar Leipzig. Via brieven van Carl Philipp Emanuel weten we dat hij geregeld geld stuurde naar zijn zuster Lieschen. Misschien waren deze betalingen ook bedoeld voor zijn ander zussen Catherina, Caroline en Susanna. Of de zussen misschien met elkaar hebben samengewoond in  één huis is niet bekend.
Elisabeth Juliana Friederica overleed op 24 augustus 1781, 55 jaar oud.

Johanna Carolina

Johanna Carolina was het een na jongste kind van het gezin, gedoopt op 30 oktober 1737, wellicht ook een dag eerder geboren. Van haar is helemaal niets bekend.
Johanna Carolina overleed, ongehuwd, op 16 augustus 1781. Die datum moet als opvallend gezien worden. Acht dagen later zou haar zuster Lieschen overlijden. Zou er sprake zijn geweest van een epidemie in Leipzig?

Regina Susanna

Regina Susanna werd gedoopt op 22 februari 1742 en zal ook een dag eerder geboren zijn.
Ook over het leven van Bachs jongste dochter is nauwelijks iets bekend. Ook zij huwde niet. Er kan vanuit gegaan worden dat er voor haar in augustus 1781 een ramp voltrok. Haar zusters Johanna Caroline en Elisabeth Juliana Friederica overleden kort na elkaar en zij bleef alleen achter in Leipzig. In het begin zal ze nog financieel ondersteund zijn door haar oudere broer Carl Philipp Emanuel. Toen deze in 1788 overleed was zij nog het enige levende kind van Johann Sebastian Bach en kon ze dus niet meer op haar familie terugvallen. Op 58 jarige leeftijd was ze niet meer in staat om te werken en kon ze niet meer in haar onderhoud voorzien. Een oud-leerling van de Thomas-school, Friedrich Rochlitz, was begaan met haar lot. Hij was redacteur van een muziektijdschrift en plaatste daar in mei 1800 een oproep in om de laatst levende dochter van de ‘grote Sebastian’ te steunen: ‘deze dochter is de hongerdood nabij. Weinigen weten het, want zij kan – en mag – niet om aalmoezen bedelen… Wanneer iedereen die iets van de Bachs leerde slechts een kleinigheid gaf, dan zouden de laatste jaren van deze goede vrouw zorgeloos kunnen zijn’.  In eerste instantie leverde deze actie een kleine opbrengst op waarvoor Regina Susanna in het blad haar dank ‘met vreugdetranen’ betuigde. Beethoven las deze dank in het tijdschrift en was getroffen door de geringe opbrengst en liet in zijn eigen kring een inzameling houden georganiseerd door de pianobouwer Andreas Streicher. Deze inzameling was succesvol waardoor Regina Susanna tot haar dood  bestaanszekerheid had. Ze stierf op 14 december 1809. Met haar stierf ook het nageslacht van Johann Sebastian Bach uit, want ook zijn enkele kleinkinderen waren reeds gestorven.

Vier dochters van Bach

Laat je het verhaal van Catharina Dorothea, Elisabeth Juliane Friederica, Johanna Caroline en Regina Susanne op je inwerken dan wordt je stil van de tragiek die uiteindelijk het gezin van Johann Sebastian trof.
Hoe dan ook, tegelijk hebben deze vier vrouwen voluit deel gemaakt van het gezin van Bach. En hoewel ze geen muzikale nalatenschap hebben achtergelaten, ze hebben meegeholpen, meegezongen en meegespeeld met alle activiteiten van het gezin en hebben wellicht zo ook een bijdrage gehad bij het tot stand komen van de mooiste muzikale composities die ooit zijn gemaakt.

Overzicht kinderen van Bach.

(Dochters vetgedrukt en degene uit dit artikel onderstreept, kinderen vroegtijdig overleden cursief).

Bij Maria Barbara:

  1. Catharina Dorothea (1708 – 1777).
  2. Wilhelm Friedemann (1710 – 1784).
  3. Johann Christoph (1713 – 1713).
  4. Maria Sophia (1713 – 1713).
  5. Carl Philipp Emanuel (1714 – 1788).
  6. Johann Gottfried Bernhard (1715 – 1739).
  7. Leopold Augustus (1718 – 1719.

Bij Anna Magdalena:

  • Christiane Sophia Henriette (1723 – 1726)
  • Gottfried Heinrich (1724 – 1763)
  • Christian Gottlieb (1725 – 1728)
  • Elisabeth Juliana Friederica (1726 – 1781)
  • Ernestus Andreas (1727 – 1727)
  • Regina Johanna (1728 – 1733)
  • Christiana Benedicta (1729 – 1730)
  • Christiana Dorothea (1731 – 1732)
  • Johann Christoph Friedrich (1732 – 1795)
  • Johann August Abraham (1733 – 1733)
  • Johann Christian (1735 – 1782)
  • Johanna Carolina (1737 – 1781)
  • Regina Susanna (1742 – 1809)

Tönet ihr Pauken 

Inleiding bij het Weihnachts-Oratorium uitgevoerd door Passieprojecten op 21 december 2024 in de Dominicuskerk te Amsterdam.

Opgedragen aan paukenist Tom Ruigrok die 63 jaar geleden al meespeelde in het Weihnachts-Oratorium.

Het is woensdagmorgen, 25 december 1734. Eerste kerstdag.
De Nicolaikirche in Leipzig zit tjokvol. Op de galerij zit Thomas Zimmerman links van het orkest achter zijn twee pauken. Prachtige messing ketels overspannen met een vel van heel dun bewerkt kalfsleer. De dienst is al een tijd bezig. Om zeven uur begon hij al! Erg vroeg, zeker als je slecht hebt geslapen door de spanning die hij toch altijd heeft voor een uitvoering. Straks zal de cantate uitgevoerd worden en hij zal die openen met paukenslagen! Hoe bijzonder is dat. Nog nooit vertoond in de kerk. Vanmiddag zal de muziek ook nog klinken in de Thomaskirche.
Thomas hoort beneden predikant Deyling het evangelie voorlezen. Hij kan het nauwelijks verstaan. Het geeft niet. Hij kent het verhaal. Maria en Jozef op weg naar Bethlehem. De geboorte in een stal. Na de lezing zal het orgel spelen en hebben de musici de tijd om hun instrumenten te stemmen en nemen de koorleden hun plaatsen in. Dan zal hij ook klaar zitten voor zijn prominente openingsroffel!

Thomas droomt nog even weg. Vorig jaar speelde hij met Bach bijna dezelfde muziek. Dat was in zijn vaders Café Zimmerman aan de Katharinastrasse. Het was ter gelegenheid van de verjaardag van Keurvorstin Maria Josepha von Sachsen waarvoor Bach feestmuziek had geschreven. ‘Tönet ihr Pauken!’. En hij mocht hij de trommels bespelen. Voor deze kerst heeft Bach de muziek opnieuw gebruikt. En nog meer: Hij heeft een hele cyclus van cantates samengesteld voor zes kerkdiensten op een rij. Tot en met Driekoningen op 6 januari. Hij gaf het zelf de titel: Weihnachts-Oratorium. Veel van die muziek had ook al met andere teksten geklonken in het café waar Bach met zijn Collegium Musicum wekelijks concerten gaf. Veelal feestcantates voor leden van het hof in Dresden. Overmorgen, op Derde Kerstdag, en bij Driekoningen heeft Bach ook weer pauken voorgeschreven. Dan zal hij weer van de partij zijn al zullen zijn bijdrages daar minder toonaangevend zijn dan vandaag.

Ergens ver weg hoort Thomas het orgel preluderen. Zijn gedachten gaan nog even terug naar vroeger toen hij als kleine jongen ’s ochtends in het café, als er nog geen gasten waren, op de pauken speelde die opgesteld stonden op het podium. Zijn vader was daar altijd wat huiverig voor, bang dat hij er doorheen zou slaan. Sinds hij studeert aan de universiteit in Leipzig is hij Bachs vaste paukenist geworden. Gisteren heeft hij nog even in het café gerepeteerd, met  de paukenstokken uit de Nicolaikerk die hij straks zal gebruiken. Mooie stokken van pruimenhout die heel goed in de hand liggen.
Hij zoekt met zijn rechterhand naar de stokken in de leren koker die aan de kleine pauk hangt. En dan gaat er een schok door hem heen. De stokken zitten er niet in! En hij realiseert zich op het zelfde moment dat hij de stokken in het café heeft laten liggen. Het zweet breekt hem uit. Wat stom! Wat moet hij doen! Hij kijkt angstig om zich heen. Bach heeft zich al opgesteld voor het koor en orkest. Moet hij met zijn vuisten op de pauken slaan? Dat is toch geen geluid. Moet hij Bach informeren? Snel twee pollepels uit de keuken van de kerk halen?

Het orgelspel is gestopt. Thomas’ hartslagen gaan als paukenslagen door zijn lijf.
Dan voelt hij een ferme prik in zijn zij. Het is de strijkstok van de cellist die naast hem zit. ‘Thomas! Wakker worden. Je zit te slapen. We gaan beginnen!’.
In een schok realiseert Thomas zich dat hij in slaap was gevallen en aan het dromen was. Hij kijkt naar de koker. Zijn paukenstokken zitten er gewoon in. Godzijdank.
Hij kijkt naar Bach, die hem vragend en streng aankijkt. Had hij het door?
Thomas pakt zijn paukenstokken en toont ze aan Bach. Met een opgaand handgebaar laat Bach de koorleden staan. Even is er dan de spanning. Het is muisstil in de kerk. Bach gaat met zijn ogen het orkest rond. De strijkers, de fluitisten, de hoboïsten, de trompettisten, het continuo en hij eindigt bij Thomas.
‘Ja?’, vraagt Bach met zijn ogen.
Thomas geeft een nederig knikje.
Met zijn rechterarm slaat Bach dan een drieslag waarop de eerste paukenslagen van Thomas volgen:  Pom-pom-pom-pom-POM .
Fluiten en hobo’s reageren om de beurt met een versiering op de paukenslagen waarna direct een korte wervelwind volgt van de strijkers. Als ook de trompetten zich hier in mengen kan het orkest op volle sterkte het zangthema inzetten.
En dan: ’Jauchzet, Frohlocket’, direct ritmisch herhaald door Thomas zijn paukenslagen.
‘Auf, preiset die Tage’.
Bij Thomas is de ontspanning terug. Hij gaat op in het grote feest.

Luther en Bach

Stel dat Maarten Luther niet muzikaal was geweest. Dat hij niet van zingen hield; geen luit kon bespelen. Dat hij geen goede liedteksten of koralen kon schrijven. Misschien was het wat muziek betreft in de Lutherse kerk dan wel net zo gegaan als in de gereformeerde kerken die Calvijn navolgden: op de gezongen psalmen na  mocht er geen muziek klinken. In de zeventiende eeuw is er zelfs een periode geweest dat zelfs het orgel tijdens de kerkdienst niet bespeeld mocht worden.
Maar Maarten Luther was wel muzikaal, hij zong, hij speelde luit en hij dichtte. En hij vond dat muziek volop in de kerk ingezet moest worden. Inclusief instrumenten. Het evangelie moet je ‘fröhlich und mit lust davon singen und sagen’ was een uitspraak van hem en deze overtuiging heeft de basis gelegd voor de grote rijkdom aan kerkmuziek die onder andere vanuit zijn liederen zijn ontstaan: motetten, orgelbewerkingen, cantates en passies van tal van componisten als Schütz, Buxtehude, Pachelbel en vooral ook Bach.
Van Luther zijn negenendertig liederen bekend. Daarvan heeft hij zeker bij dertien teksten ook de melodie erbij gecomponeerd of bewerkt. Karakteristiek hierbij was de hoge inzet (de zogenaamde hoge octaaf) met een korte toon om daarna af te dalen naar de lage tonen. Luthers liederen hadden verschillende functies. Allereerst was die er van de propaganda. In een tijd zonder al de communicatiemiddelen die we tegenwoordig kennen was een lied een effectieve manier om je boodschap bekend te maken. Zo schreef Luther in 1523 na de terechtstelling van twee Augustijner monniken in Brussel die zijn leer volgden een ballade met maarliefst twaalf strofen over dit gebeuren[1]. Luthers liederen verschenen in kleine bundeltjes en werden populair onder het volk en droegen zo in belangrijke mate bij de verspreiding van de nieuwe leer.
Daarnaast boden de kerkliederen (koralen)  de mogelijkheid voor de kerkgangers de kerkdienst veel meer betrokken en actief mee te maken dit in tegenstelling tot de katholieke mis met alleen maar Latijnse teksten die voor de gewone kerkganger onverstaanbaar waren. Tenslotte hadden veel van Luthers liederen ook een catechetisch doel. In zijn liederen legde hij zijn theologie uit of zette hij een Bijbelverhaal op tekst, zoals het kerstlied Vom Himmel hoch da komm ich herr.
In het werk van Bach komen we Luthers koralen veelvuldig tegen. Als eerste in de vorm van de zogenaamde koraalcantates die Bach vooral in zijn tweede cantate jaargang componeerde[2]. Daarnaast vinden we ettelijke koralen terug in andere cantates, passies en in het Weihnachts-Oratorium (waaronder natuurlijk strofen uit het hierboven genoemde lied). Tenslotte componeerde Bach tal van orgelbewerkingen over Luthers koralen. Zo zijn er over Vom Himmel hoch da komm ich herr vijf bewerkingen bewaard gebleven[3] nog los van zijn kunststuk uit 1747 Einige canonische Veränderungen über das Weihnachtslied: Vom Himmel hoch da komm ich herr  waarin Bach zijn meesterschap op het gebied van contrapunt heeft getoond ter gelegenheid van zijn lidmaatschap van Mizlers muziekgezelschap . Dat Bach koos voor dit Lutherlied mag als een hommage aan de reformator gezien worden. Zonder zijn theologie, teksten en melodieën zal Bachs oeuvre er totaal anders hebben uitgezien.

De tekst is afkomstig uit het boek: Johann Sebastian Bach, zijn land, zijn tijdgenoten.


[1] Ein neu lied von den zwei Märtyrern Christi, zu Brussel von den Sophisten von Löven verbrannt (Een nieuw lied van de twee martelaren van Christus, door de Sofisten van Leuven in Brussel verbrand).

[2] BWV 2, 7, 10, 38, 96, 125, 126

[3] BWV 606,700,701,738, 769

Ich glaube, lieber Herr, hilf meinem Unglauben (BWV 109)

Bij zijn aantreden als Thomascantor in Leipzig, eind mei 1723, begon voor Bach een periode van zeker vier, vijf jaar waarin hij bijna wekelijks een cantate componeerde. Tijdens de advent- en veertigdagentijd hoefde dat niet, maar juist dan had Bach tijd nodig voor het componeren van zijn kerstcantates en passiemuziek. Het is eigenlijk niet te geloven hoe Bach dit alles voor elkaar heeft gekregen. Maandag de start met het componeren van een nieuwe cantate. Dinsdag eind van de dag moest die dan klaar zijn. Woensdag en donderdag moesten alle partijen voor de stemmen en de instrumenten uitgeschreven worden en daarna gekopieerd voor de zangers en musici. Daar kreeg hij natuurlijk hulp bij. En dan de repetities op vrijdag en zaterdag. Op zondagochtend kon dan de nieuwe cantate uitgevoerd worden, en vaak ’s middags nog eens in een andere kerk. En zo ging dat, week op, week af. En tussendoor moest hij dan nog lesgeven op de Thomasschool.
Gelukkig kon Bach zo nu en dan eens teruggrijpen op één van de ongeveer vijfentwintig cantates die hij had geschreven in de periode dat hij in Weimar werkte. Dan was er de mogelijkheid om even op adem te komen. Of toch niet? De cantate die een week voor de cantate van vandaag werd uitgevoerd was een heruitvoering van een cantate uit Weimar (Ach! Ich sehe, itzt, da ich zur Hochzeit gehe (BWV 162). Het lijkt er echter op dat Bach geen korte herfstvakantie heeft opgenomen maar dat hij twee weken de tijd heeft genomen voor de cantate van vandaag. Want wat krijgen we veel te horen! Een machtig openingskoor ingeweven in een concerto voor strijkers en hobo’s, twee schitterende aria’s en in plaats van een gewoon slotkoraal een verheven koraalfantasie voor koor en orkest.
De cantate Ich glaube, lieber Herr, hilf meinem Unglauben werd voor het eerste uitgevoerd op zondag 17 oktober 1723, de 21e zondag na Trinitatis. De tekstdichter van de cantate is onbekend maar veel van de tekst is afkomstig van bijbelgedeeltes uit het oude en nieuwe testament. De tekst van het openingskoor komt uit Markus 9 waarin het verhaal verteld wordt van een vader die Jezus vraagt om de genezing van zijn zoon[1]. Jezus zegt dat alles mogelijk is voor degene die gelooft waarop de vader zegt: Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp’ (vers 24).
Het openingskoor begint met een instrumentaal deel wat op zichzelf al als een volwaardig concerto klinkt. Strijkers brengen het thema in waarop even later de hobo’s gaan variëren waarna nog weer verderop de eerste viool en de hobo een duet met elkaar lijken aan te gaan. Het concerto is al bijna anderhalve minuut onderweg als het koor invalt. Steeds neemt één stem het voortouw en vallen daarna de andere stemmen bij terwijl tussendoor het concerto zijn alsmaar voortgaat. Op allerlei wijzen krijgen de woorden ‘Ich glaube, lieber Herr, hilf meinem Unglauben’ een plek in dit openingskoor want iedereen zal deze woorden op een eigen wijze kunnen ervaren. De spanning tussen geloof en ongeloof, of tussen zelfvertrouwen en twijfel is voor iedereen herkenbaar.
Met het rustig wandelende tempo lijkt het gevoel wat het openingskoor oproept in eerste instantie toch vertrouwen te zijn; dat de bede om geloof gehoord zal worden. Maar dan neemt toch de vertwijfeling toe. Je ziet het al in de tekst. Vier maal het woordje ‘ach’ in het recitatief. En je hoort het in de muziek. ‘Hoe lang moet ik nog bang zijn dat er geen troost komt?’ Heel lang denkt de wanhopige gelovige vertolkt de tenor. Luister maar naar het woordje ‘lang’. En dan neemt de onrust, de paniek nog meer toe. In de tenoraria hoor je hoe scherpe vioolstreken de gelovige ziel aan het wankelen brengen. De woorden ‘zweifelhaftig’ en ‘wanket’ worden onzeker getoonzet en ook het ‘Schmerz’ duurt pijnlijk lang… Een moeilijke aria voor de tenor. Hij zal de twijfel zelf gevoeld hebben: gaat me dit wel lukken?
De onbestemde ziel laat zich door zijn of haar gevoel meeslepen. Zo gaat dat vaak als we het (even) niet meer zien zitten. Maar dan is er gelukkig de stem van buiten die hem tot bedaren brengt. Zo’n stem heb je nodig als je in een vicieuze cirkel naar beneden zakt. Je wordt weer terug gezet in de realiteit. Je wordt gewezen op je kracht, op je mogelijkheden, op je geloof wat je altijd had.  De toon van de alt in het recitatief is direct hoopgevend en optimistisch. En dan kan in de aria, geflankeerd met huppelend hobo-spel, uiteindelijk bijna dansend gezongen worden dat het geloof toch heeft overwonnen.
Ja, en dan mag een slotkoor over herwonnen Godsvertrouwen (en wat mij betreft mag het ook herwonnen zelfvertrouwen zijn) omvangrijk en groots klinken en kwam het uitermate goed uit dat Bach daar extra de tijd voor kon nemen!

Bij de uitvoering in de NoorderLichtkerk te Zeist op 20 oktober 2024 door Bachensemble Zeist o.l.v. Paulien Kostense.


[1] De officiële lezing was uit Johannes 4. Een vergelijkbaar verhaal.