De Profundis

Aus der Tiefen rufe ich, Herr, zu dir (BWV 131)

Wat is het toch verleidelijk om te fantaseren over Bachs jonge jaren. Op zijn tiende verloor hij zijn ouders. Hij ging inwonen bij zijn oudere broer in Ohrdruf. Vanaf dat moment komt er hier en daar wat informatie over zijn leven en ontwikkeling als musicus naar boven. Maar die eerste tien jaar. Behalve zijn naam op afwezigheidslijsten van de Latijnse school, is er niets bekend over Bachs vroege jeugd. Die regelmatige afwezigheid (van halve dagen) wordt wel uitgelegd dat hij zijn vader zou hebben moeten assisteren bij muziekuitvoeringen. Zijn eerste muzieklessen zal hij hebben gehad van zijn vader, Ambrosius. Hij was stadsmuzikant, maar geen componerend musicus. Zijn vaders volle neef, Johann Christoph was dat wel. Hij was organist in de Georgenkirche te Eisenach waar Johann Sebastian gedoopt werd.
In deze kerk hoorde Bach voor het eerst grote orgelwerken. Van zijn oudoom zelf en van Buxtehude. En hij hoorde door zijn oom gecomponeerde motetten. Hij zong ze zelf mee in het kerkkoor, toen hij wat ouder was. Muziek, nog in de oude barokstijl. Veel muziek van Johann Christoph Bach is vanwege Johann Sebastian Bach bewaard gebleven. Hij noemde zijn oudoom de ‘Profunde’ componist, de diepzinnige. Dat is bijzonder. Meestal noemen we teksten als diepzinnig. Maar muziek kan dat ook zijn. Het betekent dat er lagen schuilen onder datgene van wat je als eerste hoort. Dat er betekenis achter de noten zit. Dat de muziek iets verteld waarin je je eigen verhaal kan vinden.

De Profundis is ook de Latijnse titel van psalm 130. Uit de diepte roep ik tot U. Het is een Pelgrimslied, een gebed tot God om vergeving van zonden. Bach was tweeëntwintig jaar toen hij van een predikant in Mühlhausen, waar hij organist was, de opdracht kreeg om op deze psalm een motet te schrijven (het woord cantate was toen nog niet gangbaar). De aanleiding hiervan was waarschijnlijk een boetedienst nadat een brand een groot deel van de stad in de as had gelegd.
‘Aus der Tiefen’. Wat heeft de psalmdichter met deze aanduiding willen aangeven? Een diep dal, waar de pelgrim doorheen trok, zoals psalm 121 spreekt over een berg: ‘ik hef mijn ogen naar de bergen’? Meer gangbaar is de uitleg dat ‘de diepte’ staat voor de gemoedstoestand van de dichter. Psalmberijmingen maken er dan ook dikwijls ‘uit diepten van ellende van’ en dan worden woorden als angst en leed toegevoegd. De omdichting die Luther van deze psalm maakte: ‘Auf tiefer Not schrei ich zu dir’ heeft misschien wel aan de basis gestaan van deze interpretatie. Maar toch: woorden als angst, nood of jammerklacht komen niet letterlijk in psalm 130 voor.
Zou je er ook anders naar kunnen kijken? Dat ‘de diepte’ staat voor de diepgang die de pelgrim tijdens zijn pelgrimage bereikt in het kijken naar zichzelf en God? Dat hij zich realiseert hoe klein en kwetsbaar de mens is, hoe hij dikwijls faalt en fout zit. Maar dan ook tot het diepe besef komt hoe groot God is, groot van genade en liefde. Zou Bach ook zo naar deze tekst gekeken hebben? Als ik naar zijn muzikale bewerking van de psalm luister, hoor ik zeker geen angst en nood maar vooral vertrouwen en dankbaarheid. Dan is Bachs openingskoor van de koraalcantate van het Lutherlied Auf tiefer Not schrei ich zu dir (BWV 38) veel zwaarder van karakter.

De cantate, of beter gezegd, het motet Aus der Tiefen schrei ich, Herr, zu dir  behoort tot de zogenaamde vroege cantates van Bach. Die zijn in de stijl die hij kende van werken van zijn oom Johann Christoph of van Dietrich Buxtehude die hij nog maar kort geleden in Lubeck had bezocht. Belangrijkste kenmerk is dat het vaak doorlopende werken zijn waarbij elke zin of tekstgedeelte een eigen, passende bewerking krijgt. Motet is dan ook afkomstig van het Franse woord ‘mot’ wat woord betekend. Nog geen Italiaans georiënteerde cantates dus met aria’s, recitatieven en een slotkoraal. Daar zou Bach later in Weimar mee beginnen.
We zien een voor Bach herkenbare gestructureerde opbouw: na een instrumentale opening volgt een vierstemmig koor, dan een combinatie van een solo en een koraal, dan weer een koor, wederom een solo samen met een koraal en tenslotte weer een koor.
Met een afdalende reeks noten zetten violen en hobo’s in de instrumentale opening direct een ingetogen sfeer neer. Het koor neemt dit over waardoor er werkelijk ‘uit de diepte’ wordt geroepen. Die roep gaat omhoog en klinkt steeds hoger boven de diepte uit. Deze maten, voor mij behoren ze tot het mooiste wat Bach heeft gecomponeerd.
Dan wordt plotseling het volume en het tempo opgevoerd. Het wordt menens. ‘Heer hoor mijn stem, luister naar mijn gesmeek’. De woorden klinken eerst meerstemmig en gaan dan over in een fuga, de stemmen volgen elkaar op, en komen op het laatst weer samen.
Wat volgt is een bekentenis over de zondigheid van de mens en de vergevingsgezindheid van God. Terwijl de bas dit zingt en de hobo de woorden steeds kunstig omspeelt, zingen de sopranen een couplet van een koraal uit het lied ‘Herr Jesu Christ, du höchstes Gut’ van Bartholomeus Ringwaldt. Vanuit het Oude Testament, waar de psalmen uit afkomstig zijn, wordt zo de lijn doorgetrokken naar het Nieuwe Testament waarin beschreven is dat Jezus door zijn lijden en sterven de zonden draagt van de mensen.
In het volgende deel reageert het koor hier op. Met ontzag en verlangen wordt uitgezien naar de Heer. Net als in het voorgaande deel wordt eerst meerstemmig gezongen en daarna in een fuga. Tussendoor blijft de hobo het geheel versieren.
Slechts begeleidt door klavecimbel en de cello, die voortdurend een zelfde thema herhaalt, zingt vervolgens de tenor over het wachten op de Heer. Het is een lang, geduldig wachten waarin ruimte is voor overdenking en verdieping. In de cantate wordt dat ingevuld door een tweede strofe uit het koraal mee te laten klinken. Ditmaal gezongen door de sopranen. Het eindigt met het noemen van Manasse en David. Zij waren koningen in Israël die tot inkeer kwamen nadat ze ernstig in de fout waren gegaan.
Het laatste deel opent met een tot drie keer toe luide oproep tot Israël. Voor Israël mag je theologisch gezien ook de wereld lezen. Iedere zin krijgt weer een eigen muzikale bewerking. Opvallend is dan het sobere ‘denn bei dem Herrn ist die Gnade’. Misschien vanwege de stille verwondering hierom? Of wil Bach nog iets anders uitdrukken: want ja, je kunt bevrijd worden, genade ontvangen; veel pijn of verlies zal daaraan vooraf zijn gegaan en dat kan blijvend worden gevoeld. Bach negeert dit niet.
Zo brengt Bach met zijn accenten steeds verdieping aan in de tekst.  De hele cantate door. En als de tekst van de psalm je om wat voor reden ook minder zegt, dan geeft Bach ook de gelegenheid de muziek voor zichzelf te laten spreken en er je eigen verhaal aan te koppelen.
Zo is Johann Sebastian Bach, net als zijn oudoom, zelf ook een ‘profunde’ componist. Misschien wel de meest diepzinnige.

Zeist, 2 november 2025. Bij de uitvoering in de NoorderLichtkerk door Barokensemble Zeist o.l.v. Paulien Kostense.

Dansen met Bach – derde druk!

Uitgelicht

Dansen met Bach, verschenen in 2013, is nu verkrijgbaar in een derde druk.
Verbeterd, aangevuld met nieuwe informatie en opgesierd met een nieuwe cover waarbij het lijkt of Bach zo de dansvloer opstapt.
Nu kan je niet meer om Bach heen!
Verkrijgbaar via de boekhandel, webwinkel of de uitgever.

zie verder:

Wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden

Uitgelicht

Inleiding BWV 47 – Bachcantates Utrecht, 5 okt. 2025

Cantate 47, Wer sich selbst erhöhet, der soll erniedriget werden, schreef Bach voor de 17e zondag na Trinitatis en werd voor het eerst uitgevoerd op 13 oktober 1726. De cantate is gebaseerd op de evangelielezing voor die zondag uit Lucas 14. Die gaat als volgt: Hij (Jezus) vertelde de genodigden een gelijkenis, want Hij had gezien hoe ze ereplaatsen voor zichzelf kozen. Hij zei tegen hen: ‘Wanneer u door iemand wordt uitgenodigd voor een bruiloft, kies dan niet de ereplaats, want misschien is er wel iemand uitgenodigd die voornamer is dan u, en dan moet de gastheer tegen u zeggen: “Sta uw plaats aan hem af”.  Dan zult u beschaamd de minste plaats moeten innemen. Als u wordt uitgenodigd, kies dan de minste plaats, zodat uw gastheer tegen u zal zeggen: “Vriend, kom toch dichterbij”. Dan wordt u eer betoond ten overstaan van iedereen die samen met u aanligt. Want wie zichzelf verhoogt zal worden vernederd, en wie zichzelf vernedert zal worden verhoogd.’
Deze laatste zin vormt de tekst van het magistrale openingskoor. Want hoewel de tekst oproept om de hoogste bescheidenheid in acht te nemen, muzikaal gezien doet Bach dat zeker niet. We horen een uitgebreide instrumentale opening waarbij violen en hobo’s met elkaar concerteren. In het koorgedeelte wat hier op volgt lijkt Bach alle muzikale middelen uit te buiten om de tekst weer te geven. Zoals zo vaak neemt hij de fuga als uitgangspunt, beginnend met de tenoren. Als ook de alten, sopranen en bassen zijn ingehaakt neemt de hobosectie nog een vijfde stem op zich. Natuurlijk wordt het ‘erhöhet’ getoonzet met opgaande lijnen en het ‘erniedriget’ met dalende. Maar Bach maakt het nog fraaier als hij de zinsneden tegelijk laat zingen waardoor je tegelijk stijgende en dalende muzieklijnen hoort. De fugatische delen worden steeds beëindigd met de woorden nog een keer gelijktijdig harmonisch getoonzet waardoor de boodschap nog een keer goed hoorbaar is en in de oren van de luisteraars kunnen worden geknoopt.
Wat volgt zijn drie delen waarvan de tekst afkomstig is van ene Johann Friedrich Helbig. Het is een oproep om nederig te zijn en de duivelse hoogmoed en trots ver achter je te laten. In het recitatief krijgen we een ouderwetse donderpreek over ons heen over de slechtheid van de mens. De mens is Kot, Staub, Asch und Erde. Stront, stof, as, zand. Ga je schamen, trots schepsel, doe boete!
Je kan je afvragen of Bach blij is geweest met deze uitwerking van de Bijbeltekst. Friedrich Helbig schreef een jaargang cantate libretto’s maar Bach heeft na deze ene keer nooit meer teksten van hem gebruikt. Wellicht kon hij zich toch niet zo in zijn teksten vinden.
De muziek die Bach bij deze delen heeft geschreven zijn gelukkig van honing, goud, saffraan en kristal om maar even in aardse metaforen te blijven. In de eerste aria zingt de sopraan ingetogen en liefdevol dat een ware Christen deemoed moet nastreven en dat deemoed is steeds laag getoonzet. De sfeer van de aria slaat even om als de hoogmoed aan de orde komt. Het ritme veranderd en er klinken koude, hoge noten op Hoffart/hoogmoed en de viool klinkt met z’n felle nootjes ook afkeurend. Knap hoe Bach deze twee eigenschappen herkenbaar verklankt. De aria wordt kunstig omspeeld door de viool met voor- tussen- en naspel. De organist zal vanavond misschien teleurgesteld zijn, want bij de eerste uitvoering van de cantate koos Bach bij deze partij voor het orgel. Voor onze organist vanavond is dit dan een les in nederigheid. En laten we hopen dat onze eerste violist zal waken voor hoogmoed.
Na het strenge recitatief volgt als reactie hierop de wat kortere slotaria waarin de gelovige zich tot Jezus richt. Buig mijn hart, laat mij deemoedig zijn. Wederom een vriendelijk gezongen aria met – zoals we van Bach gewend zijn – mooie toonschilderingen op ieder belangrijk woord. Opvallend is hoe de viool opent met het thema en vervolgens de hobo en daarna de bas dit thema overneemt. Zou Bach hiermee iets hebben willen uitdrukken van het navolgen van Jezus? Als Zoon van God vernederde Hij zichzelf tot mens. Hij wilde niet heersen maar dienen en zo waste hij bijvoorbeeld de voeten van zijn discipelen. In de cantate gaat het steeds om deemoed, een woord wat verwant is aan dienstbaar zijn. Zo roept Jezus op om hem in dienstbaarheid te volgen.
Met zijn muzikale uitwerking van de tekst lijkt Bach een veel mildere boodschap uit te dragen dan de dreigende teksten van Helbig letterlijk verklaren. Je voelt dat Bach iets anders wil zeggen: een mooi schepsel ben je. Kijk alleen al hoe schitterend je muziek kan maken of hoe je van mooie muziek kan genieten. En je bent nog het mooist als je niet jezelf voorop stelt, maar als je er wil zijn voor de ander.
 
Gisteren was het 4 oktober, Dierendag, gekozen vanwege de sterfdag van Franciscus van Assisi. De monnik die preekte voor de vogels. Hij brak met zijn rijkeluis leven en besloot zijn toekomstplannen om ridder te worden te wijzigen in het zo concreet mogelijk na gaan volgen van Jezus. Voor hem betekende dat in armoede gaan leven, het afleggen van bezittingen en dienstbaar te zijn aan armen, zieken en achtergestelden. Zijn beweging noemde hij de Minderbroeders. De Minrebroedersstraat bij het Janskerkhof herinnert nog aan het klooster van de Minderbroeders wat daar lang geleden heeft gestaan. Maar Franciscus had – in tegenstelling tot onze dichter Friedrich Helbig – zeker geen negatief mensbeeld. In zijn Zonnelied bezingt hij de lof op de Schepping waar de mens onderdeel van is. Alles en iedereen zag hij als zijn broeder en zuster. Broeder zon, zuster maan. Ook ieder mens zag hij als zijn broeder of zuster. Hij verpleegde melaatse mensen – de onaanraakbaren – en hij ging tijdens een van de kruistochten mee naar het Midden-Oosten om in gelijkwaardigheid het contact te zoeken met een Islamitische leider. Ook hem zag hij als zijn broeder. Vanuit wederzijds respect spraken ze over hun geloof en onderzochten ze wegen tot vrede. Holland Baroque brengt volgende maand een programma over deze geschiedenis: Franciscus en de Sultan.
Na zijn dood werd Franciscus snel heilig verklaard… ‘Wie zichzelf vernedert zal worden verhoogd’.

Ik wil eindigen met een sprookje wat ik Claudia de Breij eens hoorde vertellen.
In een kasteel moest de hofhouding heel hard werken voor de koning, koningin, prins en prinsessen.
Een dienstmeisje mocht een wens doen bij een toverfee en wenste ook een prinses te zijn. Dat gebeurde. Zo hoefde zij nooit meer te werken en werd ze in alles gediend.
Maar een volgend dienstmeisje mocht ook een wens doen, en wenste hetzelfde. Ook zij werd prinses en ze werd gediend door het personeel. Het overgebleven dienstpersoneel moest steeds harder werken, maar steeds was er de fee weer en kon er iemand een wens doen, en iedereen wenste ook prins of prinses te zijn om zo gediend te kunnen worden.
Op het laatst was er nog één dienstmeisje over maar gelukkig kwam ook de fee bij haar langs en ook zij wenste prinses te zijn en dat gebeurde.
Toen was er geen bedienend personeel meer over en werd het haat en nijd in het kasteel want iedereen eiste gediend te worden en men vond van de ander dat die dat moest doen. Er bleef niets van het kasteel over.
Het is een sprookje. Maar toch. Als iedereen koning is, is eigenlijk niemand koning en draait het uit op oorlog. Maar als iedereen dient is iedereen ook koning want iedereen wordt gediend en is het vrede.
Het is de boodschap van de cantate: wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden.
En of u nu op de beste plek vooraan zit of als laatkomer helemaal achterin, u wordt door het koor en orkest van Bachcantates Utrecht gelijkelijk bediend met deze prachtige cantate van Johann Sebastian Bach. Verhoogt u ze straks met een lovend applaus.

1. Koor
»Wer sich selbst erhöhet,Wie zichzelf verhoogt,
der soll erniedriget werden,die zal vernederd worden,
und wer sich selbst erniedriget,en wie zichzelf vernedert,
der soll erhöhet werden.«die zal verhoogd worden.
2. Aria (S)
Wer ein wahrer Christ will heißen,Wie een ware christen wil heten
muß der Demut sich befleißen,die moet deemoed nastreven,
Demut stammt aus Jesu Reich.deemoed stamt uit het rijk van Jezus.
Hoffart ist dem Teufel gleich.Hoogmoed is als de duivel,
Gott pflegt alle die zu hassen,God haat iedereen
so den Stolz nicht fahren lassen.die zijn trots niet wil opgeven.
3. Recitatief (B)
Der Mensch ist Kot, Staub, Asch und Erde;De mens is drek, stof, as en aarde,
ists möglich, daß vom Übermut,hoe is het mogelijk dat hij toch
als einer Teufelsbrut,door overmoed, dat product van de duivel,
er noch bezaubert werde?wordt betoverd?
Ach, Jesus, Gottes Sohn,Ach, Jezus, de Zoon van God,
der Schöpfer aller Dinge,schepper van alle dingen,
ward unsertwegen niedrig und geringe,is ter wille van ons laag en gering geworden,
er duld’te Schmach und Hohn;hij duldde smaad en hoon;
und du, du armer Wurm,en jij, arm schaap,
suchst dich zu brüsten?probeert een hoge borst op te zetten,
Gehört sich das vor einen Christen?past dat een christen?
Geh, schäme dich, du stolze Kreatur,Ga je schamen, trots schepsel,
tu Buß und folge Christi Spur;doe boete en volg het spoor van Christus;
wirf dich vor Gott im Geiste gläubig nieder!werp je in de geest gelovig voor Christus neer,
Zu seiner Zeit erhöht er dich auch wieder.op zijn tijd zal hij je ook weer verhogen.
4. Aria (B)
Jesu, beuge doch mein HerzeJezus, buig toch mijn hart
unter deine starke Hand,onder uw sterke hand,
daß ich nicht mein Heil verscherzezodat ik mijn heil niet vergooi
wie der erste Höllenbrand.zoals de eerste hellebrand dat heeft gedaan.
Laß mich deine Demut suchenLaat me naar uw deemoed streven
und den Hochmut ganz verfluchen.en de hoogmoed volledig vervloeken.
Gib mir einen niedern Sinn,Geef mij een nederige geest
daß ich dir gefällig bin!zodat ik u behaag!
5. Koraal
Der zeitlichen Ehrn will ich gern entbehrn,Ik geef tijdelijke eer graag op,
du wollst mir nur das Ewge gewährn,als u mij slechts het eeuwige wil schenken,
das du erworben hastdat u hebt verworven
durch deinen herben, bittern Tod.door uw harde, bittere dood.
Das bitt ich dich, mein Herr und Gott.Dat bid ik u, mijn Heer en God.
  
Libretto: Johann Friedrich HelbigVertaling: Ria van Hengel

Cantates voor de zondag vóór – en voor Hemelvaartsdag

NoorderLichtkerk Zeist, 25 mei 2025

Vanmiddag luisteren we naar twee cantates die Bach voor dezelfde week componeerde: Wahrlich, wahrlich ich sage euch (BWV 86), voor de zondag vóór Hemelvaart en Wer da gläubet und getauft wird (BWV 37) voor Hemelvaartsdag zelf. De eerste uitvoeringen waren respectievelijk op 14 en 18 mei 1724.
Bij twee cantates in één week kunnen er verbanden in beeld komen die een verhaal vertellen. Zo zien we dat Bach gebruik gemaakt heeft van precies dezelfde instrumentale bezetting: naast het continuo van cello en klavecimbel de strijkers en twee hobo ‘d amore. Voor een feestdag als Hemelvaart was dat trouwens een wat magere bezetting. Maar hij wilde het deze week blijkbaar met deze muziekgroep doen.
En dan het verhaal van de eerste violist. Wat een prachtige solo-partij kreeg hij bij de eerste aria ‘Ich will doch wohn Rosen brechen’. Met snelle prikkende vioolstreken werd de tekst uitgebeeld. Maar bij de volgende cantate blijkt de solo-viool partij bij de tenor-aria verloren. Je zou het verhaal hierachter willen weten. De violist moest in een paar dagen opnieuw een virtuoze partij instuderen. Zou het hem misschien niet gelukt zijn?
Of het verhaal van de sopraan. Natuurlijk een jongetje van de Thomasschool. In deze serie cantates zie je dat de moeilijkheidsgraad van zijn aria’s steeds iets hoger ligt.  Zou Bach een nieuwe sopraan aan het opleiden zijn?
Het grotere verhaal van de 38 jarige Bach zelf is dat hij deze week precies een jaar geleden begon als Thomascantor wat ook betekent dat hij zijn eerste jaargang cantates bijna rond heeft. Een paar weken eerder voerde hij zijn eerste Johannes-Passion uit. In februari was zijn vijfde kind geboren. Johann Gottfried. Het tweede kind van Anna Magdalena.

De eerste cantate van vanmiddag behandeld afscheidswoorden van Jezus die staan in Johannes 16. De gekozen woorden passen ook precies bij de naam van deze zondag: Rogate wat betekent: ‘bidt’. ‘Werkelijk, wat je de Vader ook vraagt in mijn naam – Hij zal het je geven’. Troostende, bemoedigende woorden met een belofte. Bedenk: drie jaar heeft Jezus intensief met zijn discipelen opgetrokken. En nu moet hij ze loslaten. Welke belangrijke dingen wil je dan nog meegeven?  Bedenk het eens voor jezelf: welke dingen zou jij nog mee willen geven aan je geliefden als je voorgoed afscheid neemt?
Zoals zo vaak zingt de bas als de zogenaamde Vox Christi, de stem van Christus, de woorden van Jezus. Kalm en geruststellend. Omlijst door strijkers en hobo’s die dezelfde woorden instrumentaal lijken te verklanken.
Ontvang je altijd wat je vraagt? Zo is het natuurlijk niet. Maar de boodschap is denk ik dat je altijd op God kan terugvallen. Ook als het leven, als zelfs geloven pijnlijk is, zo zingt de alt in de eerste aria. En dat ‘stechen’ klinkt echt stekelig.
In het derde deel zingt de sopraan de melodie van een koraal. De woorden bevestigen dat je op God mag vertrouwen. Is de partij voor de sopraan redelijk eenvoudig te zingen, de hoboïsten moeten in deze aria vol aan de bak met talloze zestiende nootjes die op en neer vliegen. Beelden zij die engelenschaar uit die indien nodig te hulp zal schieten?
Ook het volgende recitatief en de aria behandelen het thema dat je op Gods belofte mag vertrouwen, al kan het zijn dat die hulp er niet is op het voor jouw verwachte moment. De tenor-aria is uiteindelijk één en al optimisme met strijkers die heerlijk om de woorden ‘Gott hilft gewiβ’ heen concerteren.
De strekking van de cantate wordt nog een keer samengevat in het afsluitende koraal. De kerkelijke gemeente kon dit destijds beamend meezingen. Op God mag je altijd vertrouwen. Wij mogen er bezinnend naar luisteren.

*

En toen was het maandag 15 mei. Nog maar drie dagen voor de volgende cantate op Hemelvaartsdag. En dan weer één voor de volgende zondag. En in het verschiet de cantates voor 1e, 2e en 3e Pinksterdag. Ja, het leven van een Thomascantor gaat niet altijd over rozen…
Ik had het eerder over de verschillende verhalen die je bij deze cantates kan vertellen. Maar het verhaal wat je zou verwachten in de komende cantate wordt juist gemist: de hemelvaart van Jezus. In het kort: Volgens het Bijbelboek Handelingen verscheen Jezus na zijn dood en opstanding veertig dagen aan zijn volgelingen. Op die veertigste dag sprak hij zijn laatste woorden tot zijn apostelen waarna hij ‘voor hun ogen werd omhoog geheven en opgenomen in een wolk zodat ze hem niet meer zagen’. In de cantate dus geen verslag van dit wonderlijke verhaal. Luister hiervoor naar Bachs ‘Himmelfahrt-Oratorium’ Lobet Gott in Seinen Reichen.

Ook de cantate Wer da gläubet und getauft wird opent met woorden van Jezus. Ditmaal uit het laatste hoofdstuk van Marcus. Het volgt op het zogenaamde zendingsbevel om de wereld in te gaan en het goede nieuws bekend te maken. Maar opnieuw klinkt een belofte. Als je gelooft en gedoopt bent, dan ben je gered bent zoals het in de nieuwe Bijbelvertaling staat. Andere vertalingen spreken over ‘zalig worden’ zoals het ook in het Duits klinkt. Wat niet gezongen wordt in de cantate is het vervolg: ‘maar wie niet gelooft zal worden veroordeeld’. In deze cantate gaat het over de kern van de Lutherse theologie en die is: je kan alleen door het geloof gerechtvaardigd worden. Goede werken helpen daar niets bij. Laat staan het kopen van aflaten zoals in de tijd van Luther en Bach nog gebruikelijk was in de Rooms-Katholieke kerk.

Ditmaal worden de woorden van Jezus door het vierstemmige koor gezongen al neemt de bas na de instrumentale opening wel de eerste stem voor zijn rekening. In een soort canon volgen de andere stemmen één voor één. Bach componeert zo met instrumenten en stemmen een prachtig meerstemmig geheel. Het woord ‘Glaube’ klinkt vaak op lang aangehouden noten waarbij standvastigheid wordt uitgedrukt, terwijl ‘Taube’ juist vaak klinkt op een dalende reeks van korte nootjes. De doop gaat immers middels besprenkeling van waterdruppels.

Nu kun je natuurlijk de vraag stellen: wat moet je precies geloven? In het Bijbelgedeelte doelt Jezus op het geloof dat hij is opgestaan uit de dood. De cantate behandelt meer het algemene dogma: Jezus heeft geleden en is gestorven en droeg de straf die wij verdienden. Het staat kernachtig  in de laatste woorden van het slotkoraal. Als je dat gelooft ben je gered. Zal je zalig worden. De doop is dan een bezegeling hiervan.
En als je niet geloofd. Ben je dan veroordeeld?
Ben je niet gelovig, dan zal je misschien je schouders ophalen bij dergelijke woorden. Maar ook gelovige christenen kunnen vaak moeilijk uit de voeten met een dergelijke tekst. Misschien Bach ook wel die het tweede deel van de tekst niet opnam in zijn openingskoor.

In de eerste twee aria’s staat Gods liefde voor de mensen centraal. De tenor wordt in de eerste aria bijgestaan door de eerste violist die een reconstructie speelt van de verloren vioolpartij. De volgende aria is net als in de vorige cantate een bewerking van een koraal. Het beeld van Christus als bruidegom en zijn gemeente als bruid komt hierin terug. Om die reden wordt het wellicht als duet uitgevoerd met natuurlijk mooie muzikale woordschilderingen. Als je de tekst meeleest vallen ze vanzelf op. De instrumentale omspeling van de cello en fagot geeft het geheel een optimistische vibe. En de sopraan krijgt weer een moeilijker rol dan in de vorige cantate!

In het aansluitende recitatief krijgen we toch een soort ‘Vox Christi’ van de bas. Goede werken zijn belangrijk. Maar denk niet dat je daarmee je ziel kan redden.
Het is maar goed ook. Want hoezeer we ook ons best kunnen doen iets goed te doen, geloof me, tegelijk kunnen we daarin ook gigantisch falen. Geloven is daarom genoeg. Geloven dat de weg die Jezus is voorgegaan een heilzame weg is. Dienstbaar zijn, naastenliefde, barmhartigheid tonen, verzoening brengen en gelijkwaardigheid nastreven. Zo geloven en leven, met vallen en opstaan, maakt dat Jezus blijft voortleven in deze wereld al is hij niet meer lijfelijk aanwezig.
Zo geloven maakt dat je vleugels krijgt zoals gezongen wordt in de laatste aria. Het bourrée-achtige ritme van het orkest accentueert een soort vliegbewegingen. In de eerste cantate vlogen de engelen. Nu zijn wij aan de beurt. Niet alleen om de hemel in te vliegen maar in de eerste plaats om bevlogen je leven te leven.

Barokensemble Zeist. o.l.v. Paulien Kostense

Ich freue mich in dir

Inleiding BWV 133 – Bachcantates Utrecht, 5 jan. 2025

Van aangezicht tot aangezicht

Op de eerste zondag van het nieuwe jaar luisteren we naar een cantate voor de Derde Kerstdag. Ich freue mich in dir werd voor het eerst uitgevoerd op 27 december 1724. 27 december was tevens de naamdag van de evangelist Johannes. Waren de cantates voor Eerste en Tweede Kerstdag uitbundig van toon, met pauken en trompetten, deze cantate heeft een meer ingetogen karakter en een kleinere instrumentale bezetting. De vorige cantates waren in de wij-vorm geschreven (op 2e Kerstdag nog Christum wir sollen loben schon), deze cantate staat in de ik-vorm: ‘Ich freue mich’. Het maakt dat de cantate een meer bezinnend karakter heeft. De luisteraar wordt uitgenodigd om wat afstand te nemen van alle feestelijkheden en tot zich door te laten dringen wat het kerstgebeuren voor hem of haar persoonlijk betekent.
Het past bij de kijk van de evangelist Johannes op het gebeuren. Hij wordt vaak afgebeeld met een adelaar. De vogel die van een afstand het geheel overziet en toch de details onderscheid. Bij Johannes gaat het direct om de essentie. Hij mijdt daarom het verhaal. Bij hem geen kindje in de stal, geen herders, geen Wijzen uit het Oosten. Hij begint zijn evangelie met grote woorden ‘In het begin was het Woord’. Een echo op het scheppingsverhaal uit Genesis. Dat hier op Jezus wordt gedoeld blijkt verderop: ‘Het Woord is mens geworden en heeft onder ons gewoond’. In de cantate komen deze beelden letterlijk terug.

De cantate is één van de koraalcantates die Bach voor zijn tweede jaargang in Leipzig componeerde. De tekst van het koraal is van Caspar Ziegler. Bach hanteerde het vertrouwde concept: de eerste en laatste strofe blijven tekstueel onveranderd waarbij de eerste strofe een muzikaal fantasierijke bewerking krijgt. De laatste strofe blijft een gewoon vierstemmig slotkoraal. Ich freue mich in dir heeft vier strofen. De tweede en derde strofe zijn door een onbekende tekstdichter omgewerkt tot tweemaal een aria en recitatief.
De boodschap van de cantate is kortgezegd: je mag blij zijn met de geboorte van Jezus. God is naar ons toegekomen. Dan hoef je niet bang te zijn voor de dood. Maar je moet hem wel in je hart toelaten. Zeker de helft van de cantates van Bach hebben dit zo’n beetje als thema. Een theoloog zou hier een hele verhandeling over kunnen houden maar daar waag ik me niet aan. Dan kijk ik liever als die adelaar op afstand naar de cantate zoekend naar de details. Wat heeft de tekstdichter aangevuld bij het origineel en wat heeft Bach met zijn muziek onderstreept.

Het openingskoor wordt ingezet met een schijnbaar eenvoudig thema wat Bach uitpluist tot een weelderig en vrolijk concerto voor strijkers waarbij twee hobo’s d’amore de tweede- en de altviool ondersteunen. Met flinke tussenpozen zingt het koor de regels van het couplet getoonzet als het gewone koraal. Op deze Derde Kerstdag gunde Bach zijn koorzangers blijkbaar een gemakkelijker partituur. Tweemaal spint hij het koor uit en accentueert hij de woorden. Natuurlijk bij de zinsnede: ‘Ach wie ein süßer Ton!’ en op de laatste regel: ‘der große Gottessohn’.
In de alt-aria mogen de twee hobo d’amores het voortouw nemen. Met gepunteerde noten die doen denken aan een Franse ouverture (ta-dáá!) wordt niet de aandacht gevraagd voor een Lodewijk de zoveelste die binnen schrijdt maar voor God zelf die als mens de wereld binnenkomt. Hoe onbegrijpelijk dit is accentueert Bach met lange melismes op het woord ‘unbegreiflich’.
De laatste zin van de aria ‘Ach! Meine Seele muß genesen’ is eigenlijk al de opmaat voor het tenor-recitatief die gaat over de neiging van de mens om God te ontwijken terwijl God de mens juist opzoekt. Om het persoonlijker te maken heeft de tekstschrijver het ‘Unsere’ veranderd in ‘Meine Seele’. Als in het recitatief tweemaal letterlijk regels van het originele vers terugkomen worden die meer melodieus dan reciterend gezongen. Bach noteerde het woord ‘adagio’ erbij.
De sopraan-aria is inhoudelijk het hart van de cantate. Centraal staan hier de woorden ‘Dies Wort’ die de tekstschrijver heeft toegevoegd en duidelijk een verwijzing zijn naar de opening van het evangelie van Johannes, ‘het Woord is mens geworden’. ‘Dies Wort’ wordt telkens driemaal steeds lager gezongen gevolgd door het meer ééntonig ‘Mein Jesu ist geboren’. Het lijkt me een muzikale uitbeelding van het afdalen naar de wereld. De aria wordt omlijst door prachtig vioolspel. Let vooral op de korte vioolsolo direct na de herhaling van de eerste zin ‘Wie lieblich klingt es in den Ohren’. Graag citeer ik hierover Gert Oost, jarenlang organist hier bij de Bachcantates en al vijftien jaar geleden overleden. Hij schreef in zijn mooie boek ‘Aan de hand van Bach’ over dit korte tussenspel: ‘En even buigt de eerste violiste met haar viool voorover naar dat kind in de kribbe en speelt een van de aangrijpendste maten die Bach ooit voor viool heeft geschreven’. Mocht u dit nou missen, na het, passend bij de tekst, mager getoonzette B-gedeelte van de aria heeft u nog een kans bij de herhaling van het A-gedeelte.
Het basrecitatief leidt met een nieuw thema het slotkoraal in: als je in Jezus gelooft zal je sterven een leven in de hemel betekenen. Natuurlijk toonzet Bach de woorden hemel hoog en sterven laag. Het mooi vierstemmig geharmoniseerde slotkoraal roept nogmaals op om niet bezorgd te zijn. Als splijt de wereld in duizend stukken, bij Jezus ben je veilig.

Misschien zijn het wel deze laatste woorden van het slotkoraal die mij als luisteraar met een onbevredigend gevoel laten zitten. Zeker, genoten heb ik van de muziek. Bach verrast altijd. Maar de tekst van de cantate levert mij zoveel onbeantwoorde vragen, ook voor wat betreft de tijd waarin we nu leven. ‘De wereld in duizend stukken gespleten’ bijvoorbeeld. Is dat al niet aan de orde van de dag? Dagelijks worden we via de media geconfronteerd met zoveel geweld in de wereld. En geeft het geloof in Jezus daarbij rust? Zoals het kinderliedje van vroeger: ‘Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw’?
Wanneer ik nogmaals van afstand de cantate bekijk springt er één zin uit: ‘Ich habe Gott von Angesicht zu Angesicht gesehen’. Het is ‘unbegreiflich’. Dat vond Bach ook. Misschien moet je het ook niet willen begrijpen en moet je er op een andere manier naar kijken. Bij het ‘van aangezicht tot aangezicht zien’ moest ik denken aan de filosoof Emanuel Levinas. Ook iemand die met afstand kijkt naar het dagelijkse gebeuren en dan juist de zin der dingen helder krijgt. Voor Levinas openbaart God zich uitsluitend in het gelaat van de Ander. Bewust geschreven met een hoofdletter. Het leven van de mens krijgt zijn waarde als hij in relatie treedt met de Ander. Wanneer je het appèl van de kwetsbare Ander beantwoord kun je God zien in het gelaat van de Ander en kun je iets waarnemen van het mysterie van God. Bijzonder vind ik ook deze stelling: ‘Het ontwijken van de blik van de Ander is het begin van alle geweld’. Ligt hier uiteindelijke niet de sleutel tot het opheffen van alle oorlog, geweld en ongelijkheid in de wereld?

‘Ik heb God van aangezicht tot aangezicht gezien’ zingt de alt in de eerste aria als de pasgeboren Jezus wordt aanschouwt. Ik herinnerde me dat mijn vader 36 jaar geleden vertelde over het in de ogen zien van zijn pasgeboren kleinzoon. Vorige week vroeg ik hem erna. Mijn vader, bijna 93, wist het nog precies. ‘Zijn pupillen waren groot en donker en ik kon er heel ver, diep in kijken. En wat ik zag was de eeuwigheid. Een ver verleden waar hij vandaan kwam en een oneindige toekomst’.
Ik denk dat mijn vader God gezien heeft.

De aanbidding van de herders, Gerrit van Honthorst.

De dochters van Bach

De dochters van Johann Sebastian Bach

Van Bachs zonen die de volwassen leeftijd hebben bereikt weten we redelijk veel. Allen kregen betrekkingen als organist of klavecinist, hoewel de één meer succesvol was dan de ander. Verschillende zonen hebben ook prachtige composities nagelaten. Er zijn boeken over ze geschreven. Er staat er één in mijn kast: ‘Bachs zonen’. Maar Bachs dochters? We weten nauwelijks iets van ze. Het zijn voetnoten in de muziekgeschiedenis. Toch maakten ze deel uit van het meest muzikale gezin aller tijden en kan het bijna niet anders dan dat zij ook muzikaal begaafd zijn geweest. Bach heeft twintig kinderen gekregen. Daarvan waren er negen een meisje. Vier van hen bereikten de volwassen leeftijd: Catharina Dorothea, Elisabeth Juliane Friederica, Johanna Caroline en Regina Susanne. Wat weten we van deze vier?

Catharina Dorothea

Johann Sebastian en Maria Barbara trouwden op 17 oktober 1707 in Dornheim. Ruim een jaar later kregen ze in Weimar hun eerste kind, Catharina Dorothea. Ze werd gedoopt op 29 december 1708 wat betekent dat ze waarschijnlijk een dag eerder geboren zal zijn.
Tot haar dood in 1774 bleef Catharina deel uitmaken van het gezin waarin ze werd geboren, maar daar leefde ze wel vier verschillende levens.
Tot haar elfde was dat een redelijk beschermd bestaan in Weimar en Köthen. Plotseling kwam daar een einde aan in de zomer van 1720 toen plotseling haar moeder overleed. Tot overmaat van ramp was haar vader op reis naar Karlsbad met vorst Leopold. Hij kreeg het bericht van overlijden pas bij thuiskomst. Een geluk was dat Friedelina Bach, de oudste zus van Maria Barbara, die al sinds 1707 bij het gezin inwoonde, de zorg voor de kinderen kon overnemen. Naast Catharina waren dat Wilhelm Friedemann, toen negen jaar, Carl Philipp Emanuel, zes jaar en Johann Gottfried Bernhard, vijf jaar.
Catharina was bijna dertien toen haar vader hertrouwde met de twintig jarige Anna Magdalena. De indruk bestaat dat Catherina een goede verstandhouding met haar stiefmoeder ontwikkelde. Vanwege het geringe leeftijdsverschil zal de relatie al snel gelijkwaardig zijn geworden. Zeker vanaf 1729 toen tante Friedelina overleed moet ze een stabiele factor zijn geworden in het gezinsleven. Op dat moment waren er bij Anna Magdalena al zeven kinderen geboren. Over het gezinsleven schrijft Bach een jaar later aan zijn oude schoolvriend Georg Erdmann: ‘de kinderen uit het andere huwelijk (met Anna Magdalena) zijn nog klein en de oudste is een jongen van zes jaar. Maar het zijn allemaal geboren musici en ik kan u verzekeren dat ik al een vocaal en instrumentaal concert met mijn gezin kan geven, temeer daar mijn huidige vrouw een zuivere sopraanstem heeft en ook mijn oudste dochter geen slecht figuur slaat’. En dan heeft hij het dus over Catharina Dorothea. Overigens wijst niets erop dat Bach zijn dochters muzikaal liet opleiden gericht op een professionele functie. Die waren in die tijd voor vrouwen ook nauwelijks voorhanden.
Catharina bleef ongehuwd. In de ‘literatuur’ wordt ze wel een (oude) vrijster genoemd, of in het Engels ‘spinster’. Ze was drieëndertig toen haar jongste zusje werd geboren: Regina Susanna. Het dertiende kind van Anna Magdalena van wie er zeven vroegtijdig overleden. Catharina maakte het van dichtbij mee…
Op 28 juli 1750 overleed ook haar vader. Vijf kinderen woonden toen nog thuis. Naast Catharina (inmiddels 41) Gottfried Heinrich, Johann Christian, Johanna Carolina en Regina Susanna. De laatste drie waren nog minderjarig. Van hen werd Johann Gottlieb Görner, organist van de Thomaskirche en huisvriend van de Bachs tot voogd benoemd. Na een half jaar moest het gezin de Thomasschule verlaten en werd het gezin gesplitst. Catharina bleef met haar stiefmoeder en twee jonge zusjes Johanna Carolina (13) en Regina Susanna (8) in Leipzig.  Ze gingen wonen in een etage van het grote huis van Friedrich Heinrich Graff, een rechter en huisvriend van de familie die ook peetvader was van Gottfried Heinrich en Regina Susanna. De geestelijk minder begaafde Gottfried Heinrich (24) ging wonen bij zijn zuster in Naumburg. Johann Christian (15) ging bij Carl Philipp Emanuel wonen in Berlijn.
Het werden zware jaren voor het viertal. Van het stadsbestuur ontving Anna Magdalena nog tweemaal een rechtmatige schenking en daarnaast had ze haar erfenis. Toch moet het geldelijke bezit snel opgeraakt zijn getuige het feit dat ze de muziek van vierenveertig cantates verkocht aan de Thomasschule (voor een luttel bedrag) en exemplaren van Die Kunst der Fuge aan het stadsbestuur.
We weten niet of Catharina nog een eigen inkomen vanuit een eigen baan had.
Anna Magdalena stierf op 27 februari 1760, negenenvijftig jaar oud. In het begrafenisregister word genoemd dat ze een Almosenfrau was, wat zoveel wil zeggen dat ze leefde van ‘aalmoezen’, collectegelden van de kerk en liefdadigheden van het stadsbestuur. Het duidt erop dat het gezin in elk geval onvoldoende inkomen had.
Over de laatste levensfase die nu aanbrak, samen met haar jonge zusters weten we helemaal niets. Er wordt vanuit gegaan dat de drie zusters in armoede leefden ondanks het feit dat Carl Philipp Emanuel vanuit Hamburg wel geld stuurde.
Catharina Dorothea stierf op 14 januari 1774, vijfenzestig jaar oud, net zo oud als haar vader is geworden.


Elisabeth Juliana Friederica

Op 5 april 1726 werd Elisabeth Juliana Friederica gedoopt. Het vierde kind van Anna Magdalena. Vermeld moet worden dat haar geboorte een paar maanden plaatsvond na het overlijden van de driejarige Christiane Sophia Henriette, het eerste kind van Anna Magdalena.
Over de jonge jaren van Elisabeth Juliana is niets bekend. Op 20 januari 1749 trouwt ze met Johann Christoph Altnikol (1719 – 1759), een talentvolle en geliefde leerling van Bach. Op voorspraak van hem wordt hij organist in de Wenzelkirche te Naumburg, zo’n 30 kilometer ten westen van Leipzig. In november 1748 schrijft Bach een brief aan zijn neef Elias Bach in Schweinfurt. Dat is nogal ver van Leipzig. Anders, zo schrijft Bach ‘zou ik wel zo vrij zijn geweest om mijn geëerde neef uit te nodigen voor het huwelijk van mijn dochter Lieschen met de nieuwe organist in Naumburg Mr. Altnikol, dat de komende maand, in januari 1749, zal plaatsvinden’. ‘Lieschen’, wellicht de roepnaam van Elisabeth Juliana, of misschien wel een koosnaam van haar vader. Het is in elk geval de enige keer dat een dochter van Bach in zijn brieven bij name wordt genoemd. Wellicht niet toevallig is dat in de zogenaamde koffie-cantate ‘Schweicht stille, plaudert nicht’ (BWV 211) de aan koffie verslingerde dochter de naam Lieschen kreeg. De echte Lieschen was bij het uitkomen van de cantate in 1734 pas acht jaar oud, dus in werkelijkheid zal het niet over haar zijn gegaan. (Of zou Bach zijn ongetrouwde dochter Dorothea op het oog hebben gehad voor deze rol. Zij was toen 26 jaar). 
Op 4 oktober 1749 wordt er een zoontje geboren: Johann Sebastian, vernoemd naar zijn grootvader. Helaas leefde het kind maar zeventien dagen.
Dan, in het najaar van 1750 wordt er een belangrijk besluit genomen. Na het overlijden van vader Bach wordt haar broer Gottfried Heinrich in hun huis opgenomen. Gottfried had een geestelijke beperking, al zou hij – zoals Carl Philipp Emanuel schreef – een muzikaal genie zijn geweest. Hij kon niet voor zichzelf zorgen en in het gezin bij Anna Magdalena met de drie dochters blijven wonen was blijkbaar geen optie. 
In 1751 krijgt Elisabeth Juliana een dochter: Augusta Magdalena, vernoemd dus naar haar moeder. In 1754 volgt opnieuw een dochter, Juliana Wilhelmina. Ofschoon de laatste wel huwt, blijven beide dochters kinderloos.
Dan overlijd in 1759, pas veertig jaar oud, haar man en breekt voor haar ook een zware tijd aan. Tot 1763 blijft het gezin in Naumburg wonen. In dat jaar sterft Gottfried Heinrich. Elisabeth Juliana keert dan met haar twee jonge dochters terug naar Leipzig. Via brieven van Carl Philipp Emanuel weten we dat hij geregeld geld stuurde naar zijn zuster Lieschen. Misschien waren deze betalingen ook bedoeld voor zijn ander zussen Catherina, Caroline en Susanna. Of de zussen misschien met elkaar hebben samengewoond in  één huis is niet bekend.
Elisabeth Juliana Friederica overleed op 24 augustus 1781, 55 jaar oud.

Johanna Carolina

Johanna Carolina was het een na jongste kind van het gezin, gedoopt op 30 oktober 1737, wellicht ook een dag eerder geboren. Van haar is helemaal niets bekend.
Johanna Carolina overleed, ongehuwd, op 16 augustus 1781. Die datum moet als opvallend gezien worden. Acht dagen later zou haar zuster Lieschen overlijden. Zou er sprake zijn geweest van een epidemie in Leipzig?

Regina Susanna

Regina Susanna werd gedoopt op 22 februari 1742 en zal ook een dag eerder geboren zijn.
Ook over het leven van Bachs jongste dochter is nauwelijks iets bekend. Ook zij huwde niet. Er kan vanuit gegaan worden dat er voor haar in augustus 1781 een ramp voltrok. Haar zusters Johanna Caroline en Elisabeth Juliana Friederica overleden kort na elkaar en zij bleef alleen achter in Leipzig. In het begin zal ze nog financieel ondersteund zijn door haar oudere broer Carl Philipp Emanuel. Toen deze in 1788 overleed was zij nog het enige levende kind van Johann Sebastian Bach en kon ze dus niet meer op haar familie terugvallen. Op 58 jarige leeftijd was ze niet meer in staat om te werken en kon ze niet meer in haar onderhoud voorzien. Een oud-leerling van de Thomas-school, Friedrich Rochlitz, was begaan met haar lot. Hij was redacteur van een muziektijdschrift en plaatste daar in mei 1800 een oproep in om de laatst levende dochter van de ‘grote Sebastian’ te steunen: ‘deze dochter is de hongerdood nabij. Weinigen weten het, want zij kan – en mag – niet om aalmoezen bedelen… Wanneer iedereen die iets van de Bachs leerde slechts een kleinigheid gaf, dan zouden de laatste jaren van deze goede vrouw zorgeloos kunnen zijn’.  In eerste instantie leverde deze actie een kleine opbrengst op waarvoor Regina Susanna in het blad haar dank ‘met vreugdetranen’ betuigde. Beethoven las deze dank in het tijdschrift en was getroffen door de geringe opbrengst en liet in zijn eigen kring een inzameling houden georganiseerd door de pianobouwer Andreas Streicher. Deze inzameling was succesvol waardoor Regina Susanna tot haar dood  bestaanszekerheid had. Ze stierf op 14 december 1809. Met haar stierf ook het nageslacht van Johann Sebastian Bach uit, want ook zijn enkele kleinkinderen waren reeds gestorven.

Vier dochters van Bach

Laat je het verhaal van Catharina Dorothea, Elisabeth Juliane Friederica, Johanna Caroline en Regina Susanne op je inwerken dan wordt je stil van de tragiek die uiteindelijk het gezin van Johann Sebastian trof.
Hoe dan ook, tegelijk hebben deze vier vrouwen voluit deel gemaakt van het gezin van Bach. En hoewel ze geen muzikale nalatenschap hebben achtergelaten, ze hebben meegeholpen, meegezongen en meegespeeld met alle activiteiten van het gezin en hebben wellicht zo ook een bijdrage gehad bij het tot stand komen van de mooiste muzikale composities die ooit zijn gemaakt.

Overzicht kinderen van Bach.

(Dochters vetgedrukt en degene uit dit artikel onderstreept, kinderen vroegtijdig overleden cursief).

Bij Maria Barbara:

  1. Catharina Dorothea (1708 – 1777).
  2. Wilhelm Friedemann (1710 – 1784).
  3. Johann Christoph (1713 – 1713).
  4. Maria Sophia (1713 – 1713).
  5. Carl Philipp Emanuel (1714 – 1788).
  6. Johann Gottfried Bernhard (1715 – 1739).
  7. Leopold Augustus (1718 – 1719.

Bij Anna Magdalena:

  • Christiane Sophia Henriette (1723 – 1726)
  • Gottfried Heinrich (1724 – 1763)
  • Christian Gottlieb (1725 – 1728)
  • Elisabeth Juliana Friederica (1726 – 1781)
  • Ernestus Andreas (1727 – 1727)
  • Regina Johanna (1728 – 1733)
  • Christiana Benedicta (1729 – 1730)
  • Christiana Dorothea (1731 – 1732)
  • Johann Christoph Friedrich (1732 – 1795)
  • Johann August Abraham (1733 – 1733)
  • Johann Christian (1735 – 1782)
  • Johanna Carolina (1737 – 1781)
  • Regina Susanna (1742 – 1809)

Tönet ihr Pauken 

Inleiding bij het Weihnachts-Oratorium uitgevoerd door Passieprojecten op 21 december 2024 in de Dominicuskerk te Amsterdam.

Opgedragen aan paukenist Tom Ruigrok die 63 jaar geleden al meespeelde in het Weihnachts-Oratorium.

Het is woensdagmorgen, 25 december 1734. Eerste kerstdag.
De Nicolaikirche in Leipzig zit tjokvol. Op de galerij zit Thomas Zimmerman links van het orkest achter zijn twee pauken. Prachtige messing ketels overspannen met een vel van heel dun bewerkt kalfsleer. De dienst is al een tijd bezig. Om zeven uur begon hij al! Erg vroeg, zeker als je slecht hebt geslapen door de spanning die hij toch altijd heeft voor een uitvoering. Straks zal de cantate uitgevoerd worden en hij zal die openen met paukenslagen! Hoe bijzonder is dat. Nog nooit vertoond in de kerk. Vanmiddag zal de muziek ook nog klinken in de Thomaskirche.
Thomas hoort beneden predikant Deyling het evangelie voorlezen. Hij kan het nauwelijks verstaan. Het geeft niet. Hij kent het verhaal. Maria en Jozef op weg naar Bethlehem. De geboorte in een stal. Na de lezing zal het orgel spelen en hebben de musici de tijd om hun instrumenten te stemmen en nemen de koorleden hun plaatsen in. Dan zal hij ook klaar zitten voor zijn prominente openingsroffel!

Thomas droomt nog even weg. Vorig jaar speelde hij met Bach bijna dezelfde muziek. Dat was in zijn vaders Café Zimmerman aan de Katharinastrasse. Het was ter gelegenheid van de verjaardag van Keurvorstin Maria Josepha von Sachsen waarvoor Bach feestmuziek had geschreven. ‘Tönet ihr Pauken!’. En hij mocht hij de trommels bespelen. Voor deze kerst heeft Bach de muziek opnieuw gebruikt. En nog meer: Hij heeft een hele cyclus van cantates samengesteld voor zes kerkdiensten op een rij. Tot en met Driekoningen op 6 januari. Hij gaf het zelf de titel: Weihnachts-Oratorium. Veel van die muziek had ook al met andere teksten geklonken in het café waar Bach met zijn Collegium Musicum wekelijks concerten gaf. Veelal feestcantates voor leden van het hof in Dresden. Overmorgen, op Derde Kerstdag, en bij Driekoningen heeft Bach ook weer pauken voorgeschreven. Dan zal hij weer van de partij zijn al zullen zijn bijdrages daar minder toonaangevend zijn dan vandaag.

Ergens ver weg hoort Thomas het orgel preluderen. Zijn gedachten gaan nog even terug naar vroeger toen hij als kleine jongen ’s ochtends in het café, als er nog geen gasten waren, op de pauken speelde die opgesteld stonden op het podium. Zijn vader was daar altijd wat huiverig voor, bang dat hij er doorheen zou slaan. Sinds hij studeert aan de universiteit in Leipzig is hij Bachs vaste paukenist geworden. Gisteren heeft hij nog even in het café gerepeteerd, met  de paukenstokken uit de Nicolaikerk die hij straks zal gebruiken. Mooie stokken van pruimenhout die heel goed in de hand liggen.
Hij zoekt met zijn rechterhand naar de stokken in de leren koker die aan de kleine pauk hangt. En dan gaat er een schok door hem heen. De stokken zitten er niet in! En hij realiseert zich op het zelfde moment dat hij de stokken in het café heeft laten liggen. Het zweet breekt hem uit. Wat stom! Wat moet hij doen! Hij kijkt angstig om zich heen. Bach heeft zich al opgesteld voor het koor en orkest. Moet hij met zijn vuisten op de pauken slaan? Dat is toch geen geluid. Moet hij Bach informeren? Snel twee pollepels uit de keuken van de kerk halen?

Het orgelspel is gestopt. Thomas’ hartslagen gaan als paukenslagen door zijn lijf.
Dan voelt hij een ferme prik in zijn zij. Het is de strijkstok van de cellist die naast hem zit. ‘Thomas! Wakker worden. Je zit te slapen. We gaan beginnen!’.
In een schok realiseert Thomas zich dat hij in slaap was gevallen en aan het dromen was. Hij kijkt naar de koker. Zijn paukenstokken zitten er gewoon in. Godzijdank.
Hij kijkt naar Bach, die hem vragend en streng aankijkt. Had hij het door?
Thomas pakt zijn paukenstokken en toont ze aan Bach. Met een opgaand handgebaar laat Bach de koorleden staan. Even is er dan de spanning. Het is muisstil in de kerk. Bach gaat met zijn ogen het orkest rond. De strijkers, de fluitisten, de hoboïsten, de trompettisten, het continuo en hij eindigt bij Thomas.
‘Ja?’, vraagt Bach met zijn ogen.
Thomas geeft een nederig knikje.
Met zijn rechterarm slaat Bach dan een drieslag waarop de eerste paukenslagen van Thomas volgen:  Pom-pom-pom-pom-POM .
Fluiten en hobo’s reageren om de beurt met een versiering op de paukenslagen waarna direct een korte wervelwind volgt van de strijkers. Als ook de trompetten zich hier in mengen kan het orkest op volle sterkte het zangthema inzetten.
En dan: ’Jauchzet, Frohlocket’, direct ritmisch herhaald door Thomas zijn paukenslagen.
‘Auf, preiset die Tage’.
Bij Thomas is de ontspanning terug. Hij gaat op in het grote feest.

Luther en Bach

Stel dat Maarten Luther niet muzikaal was geweest. Dat hij niet van zingen hield; geen luit kon bespelen. Dat hij geen goede liedteksten of koralen kon schrijven. Misschien was het wat muziek betreft in de Lutherse kerk dan wel net zo gegaan als in de gereformeerde kerken die Calvijn navolgden: op de gezongen psalmen na  mocht er geen muziek klinken. In de zeventiende eeuw is er zelfs een periode geweest dat zelfs het orgel tijdens de kerkdienst niet bespeeld mocht worden.
Maar Maarten Luther was wel muzikaal, hij zong, hij speelde luit en hij dichtte. En hij vond dat muziek volop in de kerk ingezet moest worden. Inclusief instrumenten. Het evangelie moet je ‘fröhlich und mit lust davon singen und sagen’ was een uitspraak van hem en deze overtuiging heeft de basis gelegd voor de grote rijkdom aan kerkmuziek die onder andere vanuit zijn liederen zijn ontstaan: motetten, orgelbewerkingen, cantates en passies van tal van componisten als Schütz, Buxtehude, Pachelbel en vooral ook Bach.
Van Luther zijn negenendertig liederen bekend. Daarvan heeft hij zeker bij dertien teksten ook de melodie erbij gecomponeerd of bewerkt. Karakteristiek hierbij was de hoge inzet (de zogenaamde hoge octaaf) met een korte toon om daarna af te dalen naar de lage tonen. Luthers liederen hadden verschillende functies. Allereerst was die er van de propaganda. In een tijd zonder al de communicatiemiddelen die we tegenwoordig kennen was een lied een effectieve manier om je boodschap bekend te maken. Zo schreef Luther in 1523 na de terechtstelling van twee Augustijner monniken in Brussel die zijn leer volgden een ballade met maarliefst twaalf strofen over dit gebeuren[1]. Luthers liederen verschenen in kleine bundeltjes en werden populair onder het volk en droegen zo in belangrijke mate bij de verspreiding van de nieuwe leer.
Daarnaast boden de kerkliederen (koralen)  de mogelijkheid voor de kerkgangers de kerkdienst veel meer betrokken en actief mee te maken dit in tegenstelling tot de katholieke mis met alleen maar Latijnse teksten die voor de gewone kerkganger onverstaanbaar waren. Tenslotte hadden veel van Luthers liederen ook een catechetisch doel. In zijn liederen legde hij zijn theologie uit of zette hij een Bijbelverhaal op tekst, zoals het kerstlied Vom Himmel hoch da komm ich herr.
In het werk van Bach komen we Luthers koralen veelvuldig tegen. Als eerste in de vorm van de zogenaamde koraalcantates die Bach vooral in zijn tweede cantate jaargang componeerde[2]. Daarnaast vinden we ettelijke koralen terug in andere cantates, passies en in het Weihnachts-Oratorium (waaronder natuurlijk strofen uit het hierboven genoemde lied). Tenslotte componeerde Bach tal van orgelbewerkingen over Luthers koralen. Zo zijn er over Vom Himmel hoch da komm ich herr vijf bewerkingen bewaard gebleven[3] nog los van zijn kunststuk uit 1747 Einige canonische Veränderungen über das Weihnachtslied: Vom Himmel hoch da komm ich herr  waarin Bach zijn meesterschap op het gebied van contrapunt heeft getoond ter gelegenheid van zijn lidmaatschap van Mizlers muziekgezelschap . Dat Bach koos voor dit Lutherlied mag als een hommage aan de reformator gezien worden. Zonder zijn theologie, teksten en melodieën zal Bachs oeuvre er totaal anders hebben uitgezien.

De tekst is afkomstig uit het boek: Johann Sebastian Bach, zijn land, zijn tijdgenoten.


[1] Ein neu lied von den zwei Märtyrern Christi, zu Brussel von den Sophisten von Löven verbrannt (Een nieuw lied van de twee martelaren van Christus, door de Sofisten van Leuven in Brussel verbrand).

[2] BWV 2, 7, 10, 38, 96, 125, 126

[3] BWV 606,700,701,738, 769

Ich glaube, lieber Herr, hilf meinem Unglauben (BWV 109)

Bij zijn aantreden als Thomascantor in Leipzig, eind mei 1723, begon voor Bach een periode van zeker vier, vijf jaar waarin hij bijna wekelijks een cantate componeerde. Tijdens de advent- en veertigdagentijd hoefde dat niet, maar juist dan had Bach tijd nodig voor het componeren van zijn kerstcantates en passiemuziek. Het is eigenlijk niet te geloven hoe Bach dit alles voor elkaar heeft gekregen. Maandag de start met het componeren van een nieuwe cantate. Dinsdag eind van de dag moest die dan klaar zijn. Woensdag en donderdag moesten alle partijen voor de stemmen en de instrumenten uitgeschreven worden en daarna gekopieerd voor de zangers en musici. Daar kreeg hij natuurlijk hulp bij. En dan de repetities op vrijdag en zaterdag. Op zondagochtend kon dan de nieuwe cantate uitgevoerd worden, en vaak ’s middags nog eens in een andere kerk. En zo ging dat, week op, week af. En tussendoor moest hij dan nog lesgeven op de Thomasschool.
Gelukkig kon Bach zo nu en dan eens teruggrijpen op één van de ongeveer vijfentwintig cantates die hij had geschreven in de periode dat hij in Weimar werkte. Dan was er de mogelijkheid om even op adem te komen. Of toch niet? De cantate die een week voor de cantate van vandaag werd uitgevoerd was een heruitvoering van een cantate uit Weimar (Ach! Ich sehe, itzt, da ich zur Hochzeit gehe (BWV 162). Het lijkt er echter op dat Bach geen korte herfstvakantie heeft opgenomen maar dat hij twee weken de tijd heeft genomen voor de cantate van vandaag. Want wat krijgen we veel te horen! Een machtig openingskoor ingeweven in een concerto voor strijkers en hobo’s, twee schitterende aria’s en in plaats van een gewoon slotkoraal een verheven koraalfantasie voor koor en orkest.
De cantate Ich glaube, lieber Herr, hilf meinem Unglauben werd voor het eerste uitgevoerd op zondag 17 oktober 1723, de 21e zondag na Trinitatis. De tekstdichter van de cantate is onbekend maar veel van de tekst is afkomstig van bijbelgedeeltes uit het oude en nieuwe testament. De tekst van het openingskoor komt uit Markus 9 waarin het verhaal verteld wordt van een vader die Jezus vraagt om de genezing van zijn zoon[1]. Jezus zegt dat alles mogelijk is voor degene die gelooft waarop de vader zegt: Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp’ (vers 24).
Het openingskoor begint met een instrumentaal deel wat op zichzelf al als een volwaardig concerto klinkt. Strijkers brengen het thema in waarop even later de hobo’s gaan variëren waarna nog weer verderop de eerste viool en de hobo een duet met elkaar lijken aan te gaan. Het concerto is al bijna anderhalve minuut onderweg als het koor invalt. Steeds neemt één stem het voortouw en vallen daarna de andere stemmen bij terwijl tussendoor het concerto zijn alsmaar voortgaat. Op allerlei wijzen krijgen de woorden ‘Ich glaube, lieber Herr, hilf meinem Unglauben’ een plek in dit openingskoor want iedereen zal deze woorden op een eigen wijze kunnen ervaren. De spanning tussen geloof en ongeloof, of tussen zelfvertrouwen en twijfel is voor iedereen herkenbaar.
Met het rustig wandelende tempo lijkt het gevoel wat het openingskoor oproept in eerste instantie toch vertrouwen te zijn; dat de bede om geloof gehoord zal worden. Maar dan neemt toch de vertwijfeling toe. Je ziet het al in de tekst. Vier maal het woordje ‘ach’ in het recitatief. En je hoort het in de muziek. ‘Hoe lang moet ik nog bang zijn dat er geen troost komt?’ Heel lang denkt de wanhopige gelovige vertolkt de tenor. Luister maar naar het woordje ‘lang’. En dan neemt de onrust, de paniek nog meer toe. In de tenoraria hoor je hoe scherpe vioolstreken de gelovige ziel aan het wankelen brengen. De woorden ‘zweifelhaftig’ en ‘wanket’ worden onzeker getoonzet en ook het ‘Schmerz’ duurt pijnlijk lang… Een moeilijke aria voor de tenor. Hij zal de twijfel zelf gevoeld hebben: gaat me dit wel lukken?
De onbestemde ziel laat zich door zijn of haar gevoel meeslepen. Zo gaat dat vaak als we het (even) niet meer zien zitten. Maar dan is er gelukkig de stem van buiten die hem tot bedaren brengt. Zo’n stem heb je nodig als je in een vicieuze cirkel naar beneden zakt. Je wordt weer terug gezet in de realiteit. Je wordt gewezen op je kracht, op je mogelijkheden, op je geloof wat je altijd had.  De toon van de alt in het recitatief is direct hoopgevend en optimistisch. En dan kan in de aria, geflankeerd met huppelend hobo-spel, uiteindelijk bijna dansend gezongen worden dat het geloof toch heeft overwonnen.
Ja, en dan mag een slotkoor over herwonnen Godsvertrouwen (en wat mij betreft mag het ook herwonnen zelfvertrouwen zijn) omvangrijk en groots klinken en kwam het uitermate goed uit dat Bach daar extra de tijd voor kon nemen!

Bij de uitvoering in de NoorderLichtkerk te Zeist op 20 oktober 2024 door Bachensemble Zeist o.l.v. Paulien Kostense.


[1] De officiële lezing was uit Johannes 4. Een vergelijkbaar verhaal.

Fietstocht naar Assisi

5 mei – 2 juni 2024

Dag 1: Roermond – Düren, 75 kilometer

Vijftien jaar na mijn fietstocht naar Rome (toen vijftig jaar oud) ben ik opnieuw op de fiets gestapt voor een langere solo-fietstocht. Wederom met de routeboekjes van Hans Reitsma. De route door Duitsland is anders (na Heidelberg) en in Italië ga ik de oostelijke route volgen. Genoeg afwisseling dus vergeleken met de vorige keer. Einddoel is dit keer Assisi. Over vier weken hoop ik gezond en wel met de Cycletour bus vanuit Tuoro del Trasimeno terug naar Nederland te rijden.

De etappes door Nederland hou ik dit keer voor gezien. Met de trein reis ik naar Roermond waar ik de route van Reitsma oppak. Tot Eindhoven zijn er veel PSV-supporters die het landskampioenschap vanmiddag gaan vieren. Vanwege de regenval de afgelopen dagen kies ik voor de zogenaamde ‘asfaltroute’ en vermijdt ik de waarschijnlijk modderige route langs de rivier de Rur waarvan het fietspad onverhard is. Minder mooi, maar wel zo prettig. Het is zondagmiddag en het is zeer rustig in de dorpjes en op het platteland. Zo nu en dan moest ik afremmen voor wandelende gezinnen met kleine kinderen maar dat deed ik graag. Het fietsen deed ik rustig aan. De conditie is goed, maar de marathon van Hamburg, een week geleden gelopen, zit nog in m’n benen merkte ik. Sowieso heb ik vanwege de training voor de marathon weinig gefietst, laat staan getraind, voor deze lange fietstocht. De ‘fietsconditie’ gaat vanzelf wel komen.
Maar het was een mooie dag. Het werd steeds zonniger en op de camping Echtzer Badesee, even buiten Düren, hadden ze een goed glas bier waar een grote hamburger met ‘Pommes’ bij werd geserveerd. Hier ontmoette ik ook de eerste twee Rome-gangers. Twee dames met elektrische fietsen en elk een tent.

Echtzer Badesee

Dag 2: Düren – Remagen, 106 kilometer

Vandaag van Düren naar Re(ma)gen. Het was een dag dat de regen lang duurde. Tot Zülpich was het lichte motregen (waar je ook behoorlijk nat van wordt) maar vanaf daar tot aan Remagen regende het onophoudelijk flink. Deze etappe is op zichzelf al niet zo spectaculair, door de regen viel hij helemaal in het water. Je scant de omgeving, maar een prettige beleving erbij ontbreekt. Opvallend waren de vele akkers met nieuw ingeplante asperges. De tweede lichting dit jaar naar ik meen. Het gele koolzaad bloeide daarentegen volop op de vele andere akkers. In Euskirchen een kamertje in Remagen geboekt vanuit het boekje van Reitsma. De kamer bleek over een keukenblokje te beschikken dus na een warme douche en droge kleren nog boodschappen gedaan (het was inmiddels droog!) om een eigen potje te koken.

De verrassing vandaag was in het Kottenforst, het grote woud onder Bonn. Elf jaar geleden fietste ik daar in tegenovergestelde richting met Cisca doorheen na een ronde Eifel – Moezel – Rijn. Op een open plek in he bos waren we getuige van het ophalen van houten altaarstukken voor een kerk in Bonn. Een kunstenaar had ze daar ter plekke gemaakt van de stam van een omgevallen historische eik. Een deel van de eik is blijven liggen als ‘Denkmall Die dicke Eiche’. Over deze gebeurtenis heb ik een verhaal geschreven ( Der dicke Eiche | Wim Faas ). Een paar jaar geleden toen ik nog eens door het Kottenforst fietste kon ik dat Denkmall op de open plek niet vinden. Ondanks de regen viel mijn oog er nu wel op; een stukje verderop, twintig meter links van het fietspad. Natuurlijk een selfie gemaakt!

Denkmall Der dicke Eiche, Kottenforst

Dag 3: Remagen – St. Goar, 84 kilometer.

De route langs de Rijn van Remagen naar St. Goar heb ik meerdere malen in verschillende richtingen gefietst. Fietsen langs de Rijn blijft mooi. Al zijn de fietspaden hier en daar niet al te best. Het was vandaag bewolkt. De regendampen hingen nog tegen de hellingen wat het aanzicht van het Rijndal wat mysterieus maakte. De zon deed zijn uiterste best om er doorheen te komen maar toen ik Koblenz uitreed gooide hij de handdoek in de ring toen het weer begon te regenen. Voor Koblenz moest ik even van de route afwijken om in Muhlheim Campingcenter Berger te bezoeken. In Düren bleek mijn opblaaskussentje lek.
Bij de imposante Marksburg kon ik stoppen om mijn regenkleding weer uit te doen en ook deze keer weer een foto te maken van het indrukwekkende kasteel aan de overkant van de Rijn. Vanaf Boppard gaat het fietspad in ruime bochten langs de rivier en gaat het fietsen bijna vanzelf. Vanwege de nattigheid die bleef dreigen toch maar gekozen voor een overnachting in de Jeugdherberg waar dit keer wel heel veel jeugd verbleef. Op mijn kamer was het rustig. Ik had nog energie over voor een klim naar de burcht zo’n beetje recht boven de jeugdherberg. Op het menu van de jeugdherberg stond pasta. Dat kon ik goed gebruiken!

Sankt Goar

Dag 4: St. Goar – Leeheim, 98 kilometer.

Vandaag scheen de zon weer! Dus het onderste deel van de broek afgeritst. Eerst langs de legendarische Lorelei en dan verder langs de Rijn tot Bingen. Het water staat erg hoog op het moment en dat geeft weidse blikken. Onderweg zag ik denk ik net zoveel cruiseschepen als fietsers!
Ieder stadje heeft z’n eigen burcht of bijzondere toren. In Bingen de St. Martinus basiliek bezocht. Veel oude kunst is er te zien maar een beeld van Hildegard kon ik niet ontwaren.
Het tweede deel van de etappe gaat door glooiend landschap waarin vooral akkerbouw plaatsvindt. Hier en daar een steilere heuvel die wat inspanning vergde. Een goede training voor als het straks echt menens wordt denk ik. Bij Nierstein steek ik de Rijn over en fiets ik nog een paar kilometer door naar de camping aan de Riedsee bij Leeheim. Op een mooi trekkersveld aan het meer zet ik mijn tentje weer op. Ik ontmoet een Zwitser die vanuit Zwitserland de Rijn afdaalt. De camping wordt overigens niet genoemd in het boekje van Reitsma.

De Rijn voor Bingen

Dag 5: Leeheim – Schlierbach (bij Heidelberg), 93 kilometer.

Heerlijk ontspannen gefietst vandaag. Een grotendeels vlakke etappe. Vanwege de vrije Hemelvaartsdag waren er veel mensen op de weg. Wandelende of fietsende gezinnen. In de dorpjes worden voorbereidingen getroffen voor een feest later op de dag. Uitgezonderd een paar stukken bos gaat de route door akkerbouwland. De mais staat nog laag, het koren al hoger. Aardbeien worden al geplukt. De nog lege kisten staan naast de bedden. Maar vandaag wordt er niet geplukt en ik ben niet zo vrij om er een paar te proeven met zoveel Duitsers op het fietspad.
Langzamerhand komen de heuvels langs het Neckardal in het zicht. Het laatste deel van de etappe voert langs deze rivier. Bij Heidelberg liggen er brede grasstroken langs het water. Honderden mensen brengen daar hun dag door want het is prachtig zonnig weer. Er klinkt muziek, er wordt bier gedronken en ijs geschept. Op de Alte Brücke is het een drukte van jewelste. Jonge mediterrane en Japanse meisjes laten zich fotograferen door hun geliefde. Ik moet nog een paar kilometer verder naar de camping, maar ik ga vanavond zeker nog even weer terug naar de stad!

Heidelberg

Dag 6: Schlierbach – Oedheim (bij Bad Wimpfen), 89 kilometer.

Vandaag ging de route verder langs de Neckar. Het is een rustige rivier met weinig scheepvaart. Ook vandaag mooi weer met veel fietsers op de fietspaden vanwege het vrije weekend. De meeste Duitsers fietsen elektrisch. Ook de ATB’s zijn meestal elektrisch. Regelmatig worden schilderachtige dorpjes gepasseerd met vakwerkhuizen. Hoger op de heuvels pronken burchten of ruïnes daarvan. De Neckar is een belangrijke naamgever geweest voor de stadjes. Ik noem ze: Neckargemünd, Neckar-Steinbach, Neckarhausen, Neckarhausenhof, Neckarwimmersbach, Neckargerach, Neckarelz, Neckarzimmern, Neckarmühlbach, Neckarsulm. Tien stuks!
Het stadje Bad Wimpfen ga ik natuurlijk even bezoeken. Zo’n mooie naam. Op een terras drink ik een koude alcoholvrije bier en ben ik getuige van een foto-shoot van een bruidspaar. Ik overnacht op de camping van Oedheim. Het trekkersveld is erg vol en ik krijg op mijn verzoek een mooi plekje bij het water toegewezen op een ruim veld waar ook caravans staan. Van mijn Duitse buurman krijg ik spontaan een stoel en een aangesloten stekkerdoos te leen. Van de kwakende kikkers ga ik denk ik vannacht het meeste last krijgen!

Wim bij Bad Wimpfen

Dag 7: Oedheim – Ellwangen, 119 kilometer.

Vandaag een dubbele etappe gefietst. Dat kon best. De route volgde steeds kleine riviertjes maar dat betekende niet dat het een vlakke rit was. Verschillende vervelende hellinkjes moesten overwonnen worden. Ik ben daarbij erg tevreden met mijn nieuwe Santos met Rohlofnaaf. Het schakelen gaat altijd goed. Met een derailleur met zeven achter- en drie voorbladen ging het schakelen in het verleden regelmatig mis omdat ik me bijvoorbeeld vergiste met links en rechts schakelen en ik op een steile helling zowat stil kwam te staan. Maar dat is nu verleden tijd.
Het landschap wordt vooral bepaald door graslanden waar de boeren gemaaid hebben en het gras ligt te drogen. Het zal maandag binnengehaald worden. Het riviertje de Kocher gaat nog door een diep dal waar tegen de westelijke heuvel wijngaarden zijn geplant. Daarna volgen de de rivieren Brühl en de Jagt die door het heuvelachtige boslandschap kronkelen. De fietspaden kunnen de riviertjes niet altijd volgen waardoor je verschillende keren uit het dal moet klimmen. Als de route een oud spoorweg tracé volgt is de route even lekker vlak. 
De camping in Ellwangen is dit jaar gesloten vanwege een grote renovatie. Speciaal voor Reitsma-fietsers is een strook vrij gelaten met basic-faciliteiten. Ik ontmoet een echtpaar dat onderweg is naar Rome maar ik sluit me aan bij een groep Duitsers die hier normaal hun caravan hebben staan en vanavond gaan barbecueën.

Alternatieve ‘Reitsma-camping’ bij Ellwangen

Dag 8: Ellwangen – Dillingen an der Donau, 80 kilometer.

Een heerlijke fietstocht vandaag van Ellwangen naar Dillingen an der Donau. Na Lauchheim even een fikse klim maar verder een makkelijke etappe. Veel dorpjes met barokke kerkjes. De torenspitsen hebben de vorm van een ui. In Dischingen zo’n kerkje bezocht. Wat een rijkdom aan beelden en schilderingen. Ook over het hele plafond.
Het landschap werd bepaald door glooiende heuvels en kleine riviertjes die er tussen stroomden. Het deed me een beetje denken aan Zuid-Limburg. Hele stukken door het land of het bos kwam ik niemand tegen. Het leek soms of ik in m’n eentje door Duitsland aan het fietsen was. Tot ik een grote weg over moest steken en wel vijf minuten moest wachten tot een colonne van motorrijders voorbij was gereden.
Ik was redelijk op tijd op de camping pal aan de Donau. Tijd genoeg om een wasje te doen en in de zon op te hangen en daarna nog de Altstadt te bezoeken. Naast de grote Basiliek  stapte ik een kleiner kerkje binnen waar net een vesper begon. Het bleek het ‘Mutterhaus der Franciscarinnen’ te zijn, het enige nonnenklooster van Franciscus van Assisi wat nog bestaat begreep ik. Dit moest zo zijn, zei de non die ik sprak. Als je naar Assisi fietst is dit geen toeval.
Terug op de camping heerlijk op het terras daar gegeten.

Mutterhaus der Franciscarinnen, Dillingen an der Donau

Dag 9: Dillingen an der Donau – Utting am Ammersee, 118 kilometer.

Vandaag weer een ‘dubbele’ etappe gefietst van Dillingen via Augsburg naar Utting am Ammersee. Het was een heerlijk zonnige dag met aan het eind van de middag dreigend onweer die net de camping aan de Ammersee voorbij ging.
De boeren haalden het gemaaide en opgedroogde gras op. Het werd in kolossale vrachttractors geblazen. Nooit gezien. Je ziet hier geen hooibalen verspreid over het land liggen.
Vanwege de lange etappe heb ik het centrum van Augsburg rechts laten liggen. Ik hoopte de stad vanaf het fietspad langs de Lech te kunnen aanschouwen maar dat viel erg tegen. Je reed voortdurend tussen bosschages. Een grote stuwdam met kapelletje was verrassend.

Na Augsburg begin je de Alpen te ruiken. Hier en daar al een typisch alpenhuis met karakteristiek houten balkon, een koe met een bel en de begroetingen die opeens ‘Gruß Gott’ zijn geworden. Dan kom ik aan de rand van een dorpje de straatnaam ‘Alpenblicke’ tegen. En jawel, als ik de hoek om het dorp uit fiets zie ik in de verte de eerste tekening van het gebergte.
Op de camping bij Utting ontmoet ik Stefan en Harriët uit Assen die onderweg zijn naar Rome en een Duitse vrouw die twee keer bij me komt praten en duidelijk meer van mij wil dan ik van haar.

De Ammersee

Dag 10: Utting – Garmisch Partenkirchen, 88 kilometer.

Wat een mooie fietsdag! Prachtig weer en heerlijke fietspaden met de Alpen letterlijk in het vooruitzicht.
Vanmorgen om half negen vertrokken. Het eerste stuk langs de Ammersee, helaas niet er vlak langs. Dan verder door rustig landelijk gebied met veel grazend vee. Ik haal twee Rome-gangers in (die echt al in de zeventig moeten zijn) die ik op mijn reis nog vaker tegen zal komen. Tweemaal werd een oude stad doorkruist. Weilheim en Murlau. De huizen van de stadjes zijn geschilderd in pasteltinten. In Murlau torent midden in de winkelstraat een Mariabeeld hoog uit boven het winkelende publiek. Een vriendelijke politieagente houdt me aan omdat ik (weliswaar) zachtjes fiets op het voetgangersgebied. Het heeft verder geen consequenties.
Het laatste deel van de etappe gaat bijna rakelings langs de voet van de Alpen. Bijzonder is het toch hoe hier het redelijk vlakke land in één keer over gaat in een stijl bergmassief.
De camping ligt een paar kilometer buiten Garmisch Partenkirchen en heeft een mooi uitzicht op de Zugspitze en andere nog witte bergtoppen.
Stefan en Harriët komen hier ook weer aan en gaan dankbaar gebruik maken van mijn waterkokertje.

Camping bij Garmisch-Partenkirchen

Dag 11: Garmisch Partenkirchen – Stamms, 67 kilometer.

Vandaag een spannende dag. De Alpen in! Twee fikse klimmen stonden op het programma met daar tussen in een vlakker gedeelte. Dan een lange steile afdaling.
Het klimmen ging prima. Ik merk dat ik de afgelopen week al flink wat fietsconditie heb opgebouwd. ’s Nachts wordt ik wakker van spierpijn in m’n bovenbenen. Sinds gisteren ben ik begonnen de spieren te masseren en te rekken. Dat had ik eerder moeten doen.
In het toeristische Mittenwald koffie gedronken en de van buiten kleurrijke kerk bezocht. Daarna de klim naar de Buchener Höhe die over een autoweg ging, dus dat was oppassen. Boven was het uitzicht over het dal spectaculair. Het meeste zag ik vandaag op tegen de afdeling van deze hoogte. Zes kilometer lang zo’n tien procent. Ik wilde niet harder gaan dan vijftig kilometer per uur en moest daarom voortdurend de remmen iets indrukken. Ondanks de spanning was het heerlijk zo naar beneden te vliegen. Met een minuut of tien reed ik Telfs binnen en heb ik mezelf getrakteerd op een Tiroler koek want inmiddels ben ik ook in Oostenrijk aangeland. Dan nog een stukje doorfietsen naar de camping bij Stamms van waar je een prachtig uitzicht hebt op de besneeuwde bergen. Nadat ik me heb gedoucht wandel ik nog even naar de iets lager gelegen abdij en de Stiftskirche. Veel barokke pracht.
Op de camping zijn mijn fietsmaatjes ook weer gearriveerd. We eten gezamenlijk en ik introduceer hen het gemak van de diepvries wokschotels in plastic zak die ik vaak onderweg al koop samen met een blikje bier. Die stop ik bij elkaar in de tas. Als ik ga koken is de maaltijd ontdooid en het blikje bier koud.

Uitzicht op Telfs

Dag 12: Stamms – Nauders, 94 kilometer.

De tocht ging vandaag van Stamms naar Nauders. Ik koos ervoor om de etappe te verlengen met het zwaarste deel van de beklimming naar de Reschenpas. De weersverwachting van morgen was slecht en ik had weinig zin om de beklimming in de regen te gaan doen. Helaas bleek voorbij Pfunds juist deze week het fietspad met haarspeldbochten omhoog gesloten. Door het extreme weer zijn er stenen op de weg gekomen die daarbij ook beschadigd is. Juist deze week zijn de herstelwerkzaamheden. Ik probeerde nog een stukje maar werd door een boer overtuigd dat het echt niet kon. Wat te doen? Met de bus naar Nauders (de fiets kan achter de bus worden opgehangen) of fietsen over de autoweg. Voor het laatste gekozen. Het leek me niet erg druk. Achteraf gezien was het niet de goede keus. Ik ben veilig in Nauders aangekomen, maar het was vooral in de tunnels doodeng. Daar waren wel fietspaden, maar eigenlijk te smal voor een fiets met volle fietstassen links en rechts. Om niet tegen de zijwand te komen moest ik tegen de linkerkant van het fietspad fietsen. Doodeng. Ik raad het iedereen af.
In Nauders was het regenachtig en vooral koud. Een kamer geboekt bij Haus Sigrid. De eigenaar heeft vroeger veel prijzen gewonnen met langlaufen. Het hele huis staat vol met bekers.
Was het laatste deel van de etappe hectisch, voor de rest was het prachtig fietsen langs de Inn die woest tussen de bergen door stroomt. Hier en daar bijzondere overdekte bruggen en bij wijdere gebieden prachtige uitzichten op bergmassieven en toppen. Het grasland is bloemrijk. Landbouw zie je nauwelijks meer. Wel zijn er veel houtbedrijven die boomstammen verwerken tot planken en brandhout.

Adige voor Pfunds

Dag 13: Nauders – Algund, 84 kilometer.

Van Nauders was het vanmorgen nog zo’n zeven kilometer klimmen om het hoogste punt van de Reschenpas te bereiken. Voor de fietsers is dat net wat hoger dan het bord wat bij de autoweg staat. Het is in de ochtend nog koud op deze hoogte dus voor het eerst op mijn fietstocht trek ik mijn handschoenen aan. Er hangen veel wolken tegen de bergen aan en ook hoog in de lucht drijven veel wolken. Zo nu en dan verschijnt er een streepje blauwe lucht. De Reschensee staat zo goed als droog. De kerktoren van Graun steekt nu boven het zand uit. Later bij de stuw zie ik dat men bezig is op de bodem van het meer. De leegstand is dus kunstmatig geregeld.
Bij het meer kun je kiezen om links of rechtsom te gaan. Vijftien jaar geleden heb ik de zwaardere route rechtsom genomen en ik neem me voor om nu linksom te gaan. Deze lichtere route blijkt echter gesloten dus toch rechtsom. Een mooi fietspad met veel hellingen op en neer. Voorbij St. Valentin begint dan de lange afdaling naar de Vinschau die ik in Burgeis even onderbreek voor m’n eerste Italiaanse koffie.
Ik verheug me op de route door de Vinschau met de mooie uitzichten op de Ortlergruppe. Het wolkendek verhinderd dit helaas. Soms zie ik een glimp van een witte bergtop.
Het fietsen gaat verder heerlijk. Het wordt elk uur warmer. Bovenin de lucht trekt het langzaam open maar de Ortlergruppe heb ik dan al achter me gelaten. De route gaat door kilometerslange appelboomgaarden. Bij Saturns stopt ik even omdat direct naast het fietspad een voetbalwedstrijd wordt gespeeld. Een jeugdteam jongens tegen een jeugdteam meisjes. Ze zijn aan elkaar gewaagd. Een doelpunt laat echter te lang op zich wachten.
De route eindigt vandaag op camping ‘Claudia Augusta’ in Algund, vernoemd naar de oude Romeinse handelsroute waarvan een deel van de fietsroute naar Rome over gaat.

Zicht op de Vinschau vanuit Burgeis

Dag 14: Algund – Nave S. Felice, 89 kilometer.

Ik ben op de helft wat betreft het aantal dagen van mijn reis! En qua kilometers er al over heen. Vandaag gefietst van Algund naar Nave S. Felice. Vlakbij de camping in Algund heb ik bij de fietsenmaker eerst mijn banden op de goede spanning laten brengen. In Meran was het even zoeken om op de goede route te blijven maar eenmaal buiten de stad richting Bozen liep alles gesmeerd. Voorbij Bozen was het weer klimmen geblazen (niet de lichte variant genomen) maar dan wordt je uiteindelijk beloond op een magnifiek uitzicht op het dal wat je achtergelaten hebt. De stad Bozen en vierkante kilometers vol met appelboomgaarden. Voorbij Kaltern gaat het weer naar beneden en kom je in de zogenaamde Süd-Tirolische Weinstraße. Steeds minder appelboomgaarden, steeds meer wijngaarden. Aan weerszijden van de route torenen hoge bergmassieven op. Soms komen ze dicht bij elkaar en ga je in lange bochten er tussendoor. Het weer was mooi maar de laatste twintig kilometer had ik een fikse tegenwind.
Nave S. Felice is een dorpje van niets. De camping behoort bij een oud hotel wat ligt tussen een autoweg en een spoorlijn. De treinen denderden op 50 meter afstand langs de tent. Wat een herrie! Gelukkig reden er ’s nachts geen treinen en heb ik nog best goed geslapen. Misschien kwam dat ook door het lekkere glas witte wijn wat ik voor het slapen nog op het terras van het hotel heb gedronken.

Zicht op Bozen en appelboomgaarden

Dag 15: Nave S. Felice – Bassano del Grappa, 127 kilometer.

Vandaag was weer zo’n dag dat alles anders liep (fietste) dan het plan was. Het plan: naar Trento fietsen, daar de trein naar Pérgine Valsugana nemen en vandaar rustig afdalen naar Bassano del Grappa. Het was zondag eerste Pinksterdag en ik vond dat ik het wel een keertje rustig aan mocht doen. De klim vanuit Trento is bijna 5 kilometer met steeds zo’n 6 tot 9% en een uitschieter van een stukje 13%. Die klim wilde ik aan me voorbij laten gaan. Rond negen uur kwam ik aan op het station van Trento en daar bleek de eerste trein naar Pérgine pas om 14.00 uur te vertrekken. Er gingen alleen bussen en daar kon de fiets niet mee mee. Het plan toen bijgesteld: toch maar klimmen en dan nog een kilometer of vijftien fietsen naar het Lago di Caldonazzo en daar m’n tentje op zetten en verder genieten van de dag en zwemmen in het meer.
De klim uit Trento was superzwaar. Het was ook warm! Ik moest een paar keer af stappen om even uit te puffen maar uiteindelijk kon ik vanaf Cognola rustig afzakken richting Lago di Caldonazzo. Ik kwam daar om twaalf uur aan. Een prachtig meer maar erg toeristisch. Het was vanwege het mooie weer het een drukte van jewelste met allemaal dagjesmensen. Daartussen voelde ik me helemaal niet thuis. Dus weer mijn plan bijgesteld: op naar Bassano del Grappa. Een prachtig stuk door het dal van de Brinta. Langzamerhand werd de rivier ruiger en de bergen aan weerszijden kwamen steeds dichter naast de rivier. Op een gegeven moment fiets je kilometers lang door een smalle kloof. Spectaculair. Dan worden de bergen om je heen lager en fiets je – letterlijk – voor Bassano de Alpen uit. In deze mooie stad – het was inmiddels tegen zessen – was het erg druk. Helaas was de camping aan de andere kant van de Brinta nog weer zeven kilometer de heuvels op fietsen (de minicamping bij de zorgboerderij was gesloten).
Zo had deze Pinksterdag veel verrassingen in petto. Gelukkig was er naast de camping een prima restaurant waar ik genoten heb van pizza en bier.

Bassano del Grappa

Dag 16: Bassano del Grappa – Oriago, 95 kilometer.

Vandaag dan eindelijk een makkelijke rit. Vanuit de camping weer afgedaald naar Bassano del Grappa. Een gedeelte ging over het parcours van de Giro die hier volgende week wordt gereden. Veel roze versieringen langs de weg en bij cafés.  In Bassano de route richting Venetië opgepakt. Vergeleken met gisteren een saaie etappe. Veel langs agrarisch gebied en door weinig opzienbare dorpjes. Opvallend zijn wel de hoge, ranke kerktorens die naast de kerk zelf staan. De stad Citadella, geheel ommuurd en met mooie poorten was eigenlijk het hoogtepunt van de etappe. Verder is het opvallend dat er veel boerderijen maar ook villa’s en kleine kastelen leegstaan, de kozijnen dichtgetimmerd. Tegelijk zie je heel veel moderne, nieuwe villa’s geheel omheind en met elektronische poorten en camera’s. Jammer dat de tegenwoordige rijken de bouwvallige kastelen en villa’s niet hebben gekocht en opgeknapt. Dat zou de omgeving zeer verfraaien.
Halverwege de middag kom ik op camping Serenissima aan. Ik kies een tentplek maar nog voor ik de tent opzet besluit is een cabin te huren (alleen een bed, open kast, stoel, tafel). Er komt een flinke bui aan zag ik op internet. Bovendien, ik blijf hier twee dagen want ik wil morgen met de bus naar Venetië. Dan staan mijn spullen meteen veilig.
Mijn buren op de camping zijn twee vrouwen die fietsend onderweg naar Rome zijn en vandaag Venetië hebben bezocht. In gesprek bleek al snel dat ik bij één van de twee in de klas op de middelbare school in Ede heb gezeten. Dus dat werd herinneringen ophalen.

Citadella

Dag 17: Oriago – Venetie – Oriago, met de bus. Een toeristisch dagje.

Regen op het San Marcoplein

Dag 18: Oriago – Baone, 78 kilometer.

Vanmorgen weer op de fiets gestapt van camping Serenissima naar Agriturismo camping Alba, tussen Monsélice en Este. Het was een makkelijke rit, veelal over dijken langs rustige riviertjes. Er was veel bewolking en links en rechts waren regelmatig onweersbuien zicht- en hoorbaar. Grotendeels ben ik er tussen door gefietst. Twee maal fietste ik door een buitje heen waar ik mijn regenjas haast niet voor aan hoefde te trekken. De omgeving is wijds en aan de westkant doemden de heuvels op gevormd door vulkanische activiteiten in het verre verleden. Onderweg groet ik Mariette en Joop die aan het lunchen zijn op een bankje. Ik ben ze al vaker tegengekomen. Later ontving ik foto’s die Joop van me heeft gemaakt terwijl ik aan kwam fietsen.
Het stadje Monsélice fiets ik door. Later in de middag, als ik me heb geïnstalleerd op de camping wil ik nog weer terug om de ‘Santuario delle sette Chiesa’ te bezoeken. Zeven kapellen die vroeger bezocht konden worden om aflaten te verdienen. Boven op de heuvel, waar de kapellen staan, is er een prachtig uitzicht over de omgeving. Tenslotte de moderne Duomo bezocht. Wat een ruimte. Bijzonder. Zelfs nog even op het orgel gespeeld.

Uitzicht bij Monsélice

Dag 19: Baone – Ferrara, 72 kilometer.

Vandaag weer naar een grote stad, Ferrara. Een zonnige dag en een etappe zo vlak als een strak gestreken laken. Ik moest denken aan een gedichtje wat ik vijftien jaar geleden schreef:

‘Fietsen langs de Po
Is dat niet saai ofzo?’
‘Het waren meer de bergen die mij pakten
Maar ik hou me nu maar even op de vlakte’.

Net als gisteren weer veel op dijkjes langs riviertjes gefietst. Dit gaf mooie uitzichten over het uitgestrekte landschap. Veel dieren zag ik: fazanten, zilverreigers, hagedissen en zelfs een bever die vlug het riet indook toen ik aan kwam fietsen. Hoogtepunt was een havik die vlak voor mijn neus een wegschietende hagedis probeerde te grijpen. De vogel hing al een tijdje boven me en wachtte blijkbaar op het moment dat een hagedis wegschoot. Dat zie je regelmatig gebeuren.
Het water in de Po stond erg hoog. Hele ‘uiterwaarden’ (heet dat in Italië ook zo?) stonden onder water.
In Fratta Polésine – het moest zo zijn – zaten op een terras Stephan en Harriët (die via Verona waren gefietst), Mariëtte en Joop en ook nog Ton. Allemaal fietsers onderweg naar Rome (of Assisi) maar vandaag naar Ferrara. We spreken af vanavond daar met elkaar ergens te gaan eten. Omdat er geen camping is in Ferrara boek ik een kamer in dezelfde B&B als waar Stephan en Harriët zijn. Een zeer luxe kamer! Het etentje was erg gezellig!

Ferrara ’s avonds

Dag 20: Ferrara – Quartiere, 26 kilometer.

Ferrara – Ravenna zou in één dag te doen zijn maar in Ferrara wil ik nog de tijd nemen om de basiliek San Francesco te bezoeken. Dat was zeer de moeite waard. Wat een rust in deze grote kerk die net buiten het drukke stadscentrum staat.
’s Middags dan een korte etappe naar Quartiere, een gehuchtje bij Porto Maggiore. De ontvangst op Agriturismo ‘Unicorno’ is echter groots. Een oude vrouw van 82 jaar leidt me rond. Ik ben de enige gast en kan mijn tent opzetten bij het gastenverblijf waar ik ook gebruik kan maken van de huiskamer en de keuken. De oude boerderij wordt nu gebruikt als verblijfplaats voor paarden van mensen uit de omgeving. Maar over het terrein lopen ook kippen, ganzen en pauwen. Leuk!

Basiliek San Francisco, Ferrara

Dag 21: Quartiere – Ravenna, 89 kilometer.

Vanmorgen werd ik tijdens het inpakken verrast door de eigenares van de Agriturimo met twee sneetjes geroosterd brood met daarop twee spiegeleitjes. Hoe lief! Ik heb haar bij het afrekenen een flinke fooi gegeven. Ook heb ik één van mijn bidons achtergelaten, maar dat was niet de bedoeling.
Het fietsen door deze streek is na een dag of vijf niet meer zo spannend. Alleen de steden en kleine stadjes geven nog wat bekijks. De camping bij Ravenna ligt zo’n vier kilometer voorbij de stad. Vanwege het mindere weer huur ik een kamer. Eind van de middag fiets ik terug naar de stad. De Basiliek San Francesco bezocht op het gelijknamige piazza. Een oude Romaanse kerk met veel schilderijen. (Hoe dichter je bij Assisi komt, hoe meer je San Franciscus tegen komt). Naast de basiliek staat de tombe van Dante, die hier heeft gewerkt en is overleden. Voor de beroemde mozaïeken in de stad had ik helaas te weinig tijd. Het ging me ook vooral om de sfeer te proeven. Die vond ik overigens wat matjes. Weinig volk op de pleinen terwijl het toch zaterdagavond was. Ook geen straatmuzikanten die vaak voor wat sfeer zorgen. Alleen op het Piazza del Populi leek het gezellig.
Morgen gauw verder. De Po-vlakte uit.

Vleugel mozaïek in Ravenna

Dag 22: Ravenna – Porta Messa, 100 kilometer.

Drie weken ben ik nu onderweg en het einddoel komt in zicht. Wat een heerlijke dag vandaag. Lekker weer en een prachtige etappe. Dat had ik wel nodig na vier dagen fietsen door de Po-vlakte. Het eerste deel gaat door een bijzonder bos met veel zogenaamde paraplubomen die je ook veel in Ravenna ziet. Naaldbomen met een hoge, brede kruin. Vervolgens langs toeristische kustplaatsen aan de Adriatische zee. Het was er vrij druk vanwege de combinatie zondag en strandweer. Na Cesenatico rustig gefietst richting de Apennijnen die steeds dichterbij komen. Op een weg is kilometers lang de naam van Pantani geschilderd. De legendarische wielrenner komt uit deze omgeving en is begraven in Cesenatico. Langzaam gaat de etappe dan licht omhoog. Ik genoot van de mooie uitzichten, de vele bloeiende planten en struiken en de bijzondere vogels die ik zag. Bij de rivier de Rubicon kon ik nog een bever fotograferen. Die zijn hier toch niet heel schuw. Het laatste deel van de etappe was onverhard. Langs de Rubicon waren hele stukken van het oorspronkelijk fietspad ingestort en moesten er korte omleidingen worden gemaakt. Dat was even opletten.
In Porta Messa, aan de voet van de Apennijnen, kon ik mijn tent opzetten op een strak groen gazon. Dat zie je niet veel. Samen gegeten met een jong Belgisch stel (net afgestuurde huisarts en tandarts) die een rondrit maken door Europa.
Morgen weer klimmen.

Weg bij Cesenatico

Dag 23: Porta Messa – Sansepolcro, 58 kilometer.

De één-na-laatste dag van de fietstocht naar Assisi gaat over de Apennijnen. Eerst een paar kilometer vlak en dan grosso modo vijfentwintig kilometer omhoog en dan vijfentwintig kilometer weer omlaag. Het was warm vandaag en de klim was op een paar stukken na erg zwaar. Ik heb de tijd genomen en een paar keer gerust. Halverwege de klim koffiegedronken in Badia Tedalda. Daar kwam ik Ton weer tegen (zie dag 19). De uitzichten waren prachtig, vooral bij de lange afdaling. Een paar keer afgestapt om hier van te genieten. Anders ben je immers zo beneden.
Vanuit Sansepolcro naar de camping gefietst, even buiten de stad. Een oude herenboerderij met zelfs een kapelletje waar in het voorportaal zwaluwen hun jongskens voerden (Psalm 84!). Ook hier weer verschillende fietsers ontmoet die naar Rome fietsen of daar vandaan kwamen.
Eind van de middag het oude centrum van de ommuurde stad bezocht. De moeite waard! In de Dom was niemand. In het koor stond een groot orgel wat ik aan kon zetten. Het pijpwerk bevond zich links en rechts hoog in het koor. Natuurlijk weer even gespeeld, zelfs even met het volle werk. Heerlijk!

Brug over de Rubicon

Dag 24: Sansepolcro – Assisi, 95 kilometer.

Al drieënhalve week fiets ik naar Assisi, maar vandaag fiets ik er echt heen! Het einddoel van mijn tocht. Een etappe met nog veel klim- en daalwerk. De meters kunnen tegen elkaar weggestreept worden. De benen kunnen het onderhand wel aan. Het eerste stuk gaat langs de Tiber, de rivier die verder stroomopwaarts ook door Rome stroomt. Qua omgeving is het eerste deel van de etappe niet heel bijzonder. De ommuurde stad Citadella komt voor de koffie eigenlijk te vroeg maar lijkt te mooi om zo maar voorbij te fietsen. Dus toch maar door één van de stadspoorten gefietst en het centrale plein opgezocht. Om de hoek daarvan staat een grote kerk die gewijd is aan San Francisco. Deze natuurlijk bezocht. In het gelijknamige koffietentje er tegenover drink ik mijn Latte Machiato.
Zoals Hans Reitsma beschrijft wordt de route halverwege mooier. Glooiende landschappen, wijngaarden, vergezichten. Mooi om doorheen te fietsen.
En dan komt Assisi in zicht. Eerst nog Santa Maria del Angeli met haar grote gelijknamige kathedraal (die grotendeels in de steigers staat), dan nog een paar kilometer stijgen om de tegen een heuvel opgebouwde stad te bereiken. Zij schittert in de zon. De stad van Franciscus. Ik rijd via de Porta San Pietro Assisi binnen. Over de kasseien moet ik nog een stukje klimmen om de Citalla Ospetalità te bereiken. Hier zal ik vier nachten vertoeven om dan zaterdag via Perugia naar het meer van Trasimeno te fietsen vanwaar ik met de cyclebus terug reis naar Nederland.

2000 kilometer gefietst.
Het zit er op.