Even rust op Bachs 44ste verjaardag? Of: wat allemaal uit een brief valt op te maken.

Op 21 maart 1729 werd Bach 44 jaar. Dat viel dat jaar op een maandag. Omdat het vastentijd was hoefde Bach geen cantate uit te voeren die komende zondag. Geen componeeractiviteiten dus op zijn verjaardag. Maar of Bach zijn verjaardag die dag rustig heeft gevierd? Ik vraag het me af. Een dag eerder schreef Bach een brief aan een voormalige leerling van hem en daar staat een schat aan informatie in die getuigt van een druk bezet leven die weken.

Aan Monsieur, Mon Tres Honoré Amy,

U zult het niet verkeerd opvatten dat een afwezigheid van drie weken mij heeft belet uw vriendelijke brief eerder te beantwoorden. Uit de brief maak ik op dat de goede God uw voetstappen lijkt te leiden in de richting van een positie. Daarin wens ik u een goddelijk fiat toe, en het zou mij verheugen, indien mijn bescheiden getuigenis, dat u hierbij wordt aangeboden, daartoe iets zou bijdragen. Met de door U gevraagde passiemuziek zou ik U gaarne van dienst zijn, indien ik die zelf dit jaar niet nodig zou hebben. Verder ben ik u erkentelijk voor de moeite die u zich getroost hebt in verband met de Hauckwitz-schuld, die mij nog tegoed staat, en zoek daarom elke gelegenheid (vooral als het tot daadwerkelijke betaling zou komen) om mijzelf oprecht dankbaar te tonen. Als u nog iets vindt, waarin ik u van dienst kan zijn, smeek ik u mij dat mede te delen; ik zal met alle vaardigheid laten zien, dat ik altijd op te roepen ben,

Monsieur, mon tres honoré Amy, votre tres sedié serviteur

JOH. SEB. BACH, Leipzig, 20 maart 1729

P.S. Het laatste bericht is dat de lieve Heer nu ook voor de integere heer Schott heeft gezorgd, en hem de post van Cantor in Gotha heeft geschonken; daarom zal hij volgende week afscheid nemen, daar ik bereid ben zijn Collegium over te nemen.[1]

De brief is gericht aan Christoph Gottlob Wecker, een voormalig leerling van Bach, traverso-speler en cantor. Wecker (1700 – 1774) was op dat moment cantor in Mertschütz en opteerde voor een zelfde functie in Schweidnitz. Beide gelegen in Silezië, het huidige zuidwest Polen. Voor deze sollicitatie had Bach een aanbevelingsbrief geschreven die hij samen met de hier bovenstaande brief aan Wecker heeft gestuurd.
Bach excuseert zich dat de brief lang op zich heeft moeten wachten. Hij is blijkbaar drie weken van huis geweest. In het ‘Kalendarium zur Lebensgeschichte J.S. Bach’ staat dat dat misschien was vanwege deelname aan feestelijkheden in verband met de geboortedag van Hertog Christian von Sachsen-Weissenfels. Bach had vriendschappelijke betrekkingen met dit hof. Hij droeg sinds kort de eretitel van Hofkapelmeester van het hof van Weissenfels. Toch lijkt het me sterk dat Bach daar drie weken heeft vertoefd. De geboortedag van de hertog was 23 februari en op die dag zal Bach daar muziek hebben uitgevoerd[2]. Wellicht was Bach Zondag 27 februari al weer in Leipzig om de laatste cantate voor de vastentijd te verzorgen: Sehet, wir gehn hinauf gen Jerusalem (BWV 159). Mij lijkt dat de drie weken afwezigheid hierna pas ingaan. Van maandag 28 februari tot 20 maart is ook precies drie weken. De bestemming is ons echter niet bekend.

Een tweede opmerkelijke zinsnede is Bachs antwoord op de vraag van Wecker of hij zijn passiemuziek mag lenen voor blijkbaar een eigen uitvoering. Deze vraag wordt als één van de bewijsvoeringen opgevoerd dat Bach zijn eerste Matthäus-Passion niet in 1729 uitvoerde maar in 1727. Wecker verbleef toen namelijk in Leipzig, hij speelde wellicht mee op zijn traverso en wilde er als kersverse cantor in 1729 zelf mee aan de slag. Voor Bach stond echter een uitvoering op Goede Vrijdag 15 april gepland. Hij kon zijn partituren dus niet missen. En in die tijd bestonden er nog geen kopieermachines… Bovendien moet Bach met deze partituren deze periode intensief bezig geweest in verband met de Trauermusic rond de begrafenis van Prins Leopold van Anhalt-Cöthen. Als oud-hofkapelmeester mocht Bach daar voor zorgen. Bach bewerkte onder andere tien delen uit de Matthäus-Passion voor de treurmuziek die als Klagt, Kinder, klagt es aller Welt (BWV 244a) bekend staat. De prins, die al overleed op 19 november 1728, werd op woensdag 23 maart bijgezet in een crypte van de St. Jacobskirche in Cöthen. De herdenkingsdienst vond de volgende dag plaats. Het is aannemelijk dat Bach een deel van de Trauermusic al bij de bijzetting heeft uitgevoerd. Uit een aantekening in de kasboeken van het hof van Cöthen blijkt dat Bach zowel familie als verschillende musici uit omliggende steden heeft ingezet en ook één of meer overnachtingen heeft gehad:

Aan kapelmeester Bach, zijn vrouw en zoon uit Leipzig, hierheen geroepen, ook aan de musici uit Halle, Merseburg, Zerbst, Dessau en Gusten, die hebben geholpen bij het verzorgen van de begrafenismuziek voor Zijne Wijlen Doorluchtige Hoogheid Leopold, ter gelegenheid van de teraardebestelling, 23 maart 1729, en de begrafenisrede, 24 maart 1729, als afrekening inclusief kostgeld, 230 thlr.

Het bedrag van 230 Thaler is fors. Voorzichtig geschat zou dit nu zo’n € 20.000,- zijn. [3] Voor de kosten van verblijf en honorering van het hele gezelschap dus.

We gaan verder met de brief van Bach aan Wecker en nu het toch over geld gaat is de passage over de ‘Hauckwitz-schuld’ interessant. Blijkbaar heeft Bach diensten verleend aan ene Hauckwitz maar de betalingen daarvoor nog niet ontvangen. Wecker zou dan als tussenpersoon een rol zou hebben gespeeld. Waar dit over gaat is zover ik kan nagaan niet bekend. De naam ‘Hauckwitz’ kom je in combinatie met Bach verder nergens tegen. Wat internet-speurwerk leverde wel op dat er een adellijk geslacht ‘Haugwitz’ in Silezië verbleef, waar ook Wecker vandaan kwam. Carl Georg von Haugwitz (1664 – 1745) beheerde landgoederen in Liegnitz wat vlakbij Mertschütz lag, de plaats waar Wecker werkzaam was. Zou Bach bij deze von Haugwitz een concert hebben verzorgd, mogelijk met Wecker?

Zo blijft het vaak fantaseren vanwege de summiere informatie die we concreet over Bach hebben. Vanwaar de drie weken afwezigheid? Is hij langs Halle, Merseburg, Zerbst, Dessau en Gusten gereisd om de Trauermusic voor te bereiden? Is hij in Liegnitz geweest om te spelen voor Carl Georg von Haugwitz? Of heeft hij toch een paar weken gelogeerd in Weissenfels?
Wat tenslotte wel weer een concreet feit is, wat we ook weer te danken hebben aan de brief aan Wecker, is dat Bach per 25 maart de functie van leider van het Collegium Musicum overneemt van Georg Balthasar Scott. Wekelijks zal Bach met dit gezelschap op dinsdagavond in Café Zimmerman gaan optreden. Natuurlijk zal Bach op 25 maart in het café aanwezig zijn geweest om het stokje van Scott over te nemen.
Al met al kunnen we zo wel stellen dat Bach rond zijn 44ste verjaardag niet stil heeft gezeten. Zou hij op zijn verjaardag toch even achterover hebben kunnen leunen?
Ik betwijfel het.

Overzicht genoemde data 1729:

Woensdag 23 februari           – Feestmuziek voor Christian von Sachsen-Weissenfels
Zondag 27 februari                – Uitvoering cantate Sehet, wir gehn hinauf gen Jerusalem
Maandag 28 februari             – Drie weken ‘afwezig’
Zondag 20 maart                    – Brief aan Georg Gottlob Wecker
Maandag 21 maart                – Bach jarig
Dinsdag 22 maart                  – Naar Cöthen?
Woensdag 23 maart              – Begrafenis Prins Leopold
Donderdag 24 maart              – Uitvoering Trauermusic
Dinsdag 29 maart                  – Naar Café Zimmerman voor afscheid Georg Balthasar Schott
Vrijdag 15 april                      – Uitvoering Matthäus-Passion


[1] Vertalingen door Derk van Veen

[2] Voor het eerst deed hij dat daar al in 1713 met de uitvoering van de jachtcantate Was mir behagt, ist nur die muntre Jagt (BWV 208).

[3] Wolff (2000): een Taler = € 71,50. Met de inflatie sinds 2000 zou die nu wel € 90,- waard zijn.