Inleiding BWV 47 – Bachcantates Utrecht, 5 okt. 2025
Cantate 47, Wer sich selbst erhöhet, der soll erniedriget werden, schreef Bach voor de 17e zondag na Trinitatis en werd voor het eerst uitgevoerd op 13 oktober 1726. De cantate is gebaseerd op de evangelielezing voor die zondag uit Lucas 14. Die gaat als volgt: Hij (Jezus) vertelde de genodigden een gelijkenis, want Hij had gezien hoe ze ereplaatsen voor zichzelf kozen. Hij zei tegen hen: ‘Wanneer u door iemand wordt uitgenodigd voor een bruiloft, kies dan niet de ereplaats, want misschien is er wel iemand uitgenodigd die voornamer is dan u, en dan moet de gastheer tegen u zeggen: “Sta uw plaats aan hem af”. Dan zult u beschaamd de minste plaats moeten innemen. Als u wordt uitgenodigd, kies dan de minste plaats, zodat uw gastheer tegen u zal zeggen: “Vriend, kom toch dichterbij”. Dan wordt u eer betoond ten overstaan van iedereen die samen met u aanligt. Want wie zichzelf verhoogt zal worden vernederd, en wie zichzelf vernedert zal worden verhoogd.’
Deze laatste zin vormt de tekst van het magistrale openingskoor. Want hoewel de tekst oproept om de hoogste bescheidenheid in acht te nemen, muzikaal gezien doet Bach dat zeker niet. We horen een uitgebreide instrumentale opening waarbij violen en hobo’s met elkaar concerteren. In het koorgedeelte wat hier op volgt lijkt Bach alle muzikale middelen uit te buiten om de tekst weer te geven. Zoals zo vaak neemt hij de fuga als uitgangspunt, beginnend met de tenoren. Als ook de alten, sopranen en bassen zijn ingehaakt neemt de hobosectie nog een vijfde stem op zich. Natuurlijk wordt het ‘erhöhet’ getoonzet met opgaande lijnen en het ‘erniedriget’ met dalende. Maar Bach maakt het nog fraaier als hij de zinsneden tegelijk laat zingen waardoor je tegelijk stijgende en dalende muzieklijnen hoort. De fugatische delen worden steeds beëindigd met de woorden nog een keer gelijktijdig harmonisch getoonzet waardoor de boodschap nog een keer goed hoorbaar is en in de oren van de luisteraars kunnen worden geknoopt.
Wat volgt zijn drie delen waarvan de tekst afkomstig is van ene Johann Friedrich Helbig. Het is een oproep om nederig te zijn en de duivelse hoogmoed en trots ver achter je te laten. In het recitatief krijgen we een ouderwetse donderpreek over ons heen over de slechtheid van de mens. De mens is Kot, Staub, Asch und Erde. Stront, stof, as, zand. Ga je schamen, trots schepsel, doe boete!
Je kan je afvragen of Bach blij is geweest met deze uitwerking van de Bijbeltekst. Friedrich Helbig schreef een jaargang cantate libretto’s maar Bach heeft na deze ene keer nooit meer teksten van hem gebruikt. Wellicht kon hij zich toch niet zo in zijn teksten vinden.
De muziek die Bach bij deze delen heeft geschreven zijn gelukkig van honing, goud, saffraan en kristal om maar even in aardse metaforen te blijven. In de eerste aria zingt de sopraan ingetogen en liefdevol dat een ware Christen deemoed moet nastreven en dat deemoed is steeds laag getoonzet. De sfeer van de aria slaat even om als de hoogmoed aan de orde komt. Het ritme veranderd en er klinken koude, hoge noten op Hoffart/hoogmoed en de viool klinkt met z’n felle nootjes ook afkeurend. Knap hoe Bach deze twee eigenschappen herkenbaar verklankt. De aria wordt kunstig omspeeld door de viool met voor- tussen- en naspel. De organist zal vanavond misschien teleurgesteld zijn, want bij de eerste uitvoering van de cantate koos Bach bij deze partij voor het orgel. Voor onze organist vanavond is dit dan een les in nederigheid. En laten we hopen dat onze eerste violist zal waken voor hoogmoed.
Na het strenge recitatief volgt als reactie hierop de wat kortere slotaria waarin de gelovige zich tot Jezus richt. Buig mijn hart, laat mij deemoedig zijn. Wederom een vriendelijk gezongen aria met – zoals we van Bach gewend zijn – mooie toonschilderingen op ieder belangrijk woord. Opvallend is hoe de viool opent met het thema en vervolgens de hobo en daarna de bas dit thema overneemt. Zou Bach hiermee iets hebben willen uitdrukken van het navolgen van Jezus? Als Zoon van God vernederde Hij zichzelf tot mens. Hij wilde niet heersen maar dienen en zo waste hij bijvoorbeeld de voeten van zijn discipelen. In de cantate gaat het steeds om deemoed, een woord wat verwant is aan dienstbaar zijn. Zo roept Jezus op om hem in dienstbaarheid te volgen.
Met zijn muzikale uitwerking van de tekst lijkt Bach een veel mildere boodschap uit te dragen dan de dreigende teksten van Helbig letterlijk verklaren. Je voelt dat Bach iets anders wil zeggen: een mooi schepsel ben je. Kijk alleen al hoe schitterend je muziek kan maken of hoe je van mooie muziek kan genieten. En je bent nog het mooist als je niet jezelf voorop stelt, maar als je er wil zijn voor de ander.
Gisteren was het 4 oktober, Dierendag, gekozen vanwege de sterfdag van Franciscus van Assisi. De monnik die preekte voor de vogels. Hij brak met zijn rijkeluis leven en besloot zijn toekomstplannen om ridder te worden te wijzigen in het zo concreet mogelijk na gaan volgen van Jezus. Voor hem betekende dat in armoede gaan leven, het afleggen van bezittingen en dienstbaar te zijn aan armen, zieken en achtergestelden. Zijn beweging noemde hij de Minderbroeders. De Minrebroedersstraat bij het Janskerkhof herinnert nog aan het klooster van de Minderbroeders wat daar lang geleden heeft gestaan. Maar Franciscus had – in tegenstelling tot onze dichter Friedrich Helbig – zeker geen negatief mensbeeld. In zijn Zonnelied bezingt hij de lof op de Schepping waar de mens onderdeel van is. Alles en iedereen zag hij als zijn broeder en zuster. Broeder zon, zuster maan. Ook ieder mens zag hij als zijn broeder of zuster. Hij verpleegde melaatse mensen – de onaanraakbaren – en hij ging tijdens een van de kruistochten mee naar het Midden-Oosten om in gelijkwaardigheid het contact te zoeken met een Islamitische leider. Ook hem zag hij als zijn broeder. Vanuit wederzijds respect spraken ze over hun geloof en onderzochten ze wegen tot vrede. Holland Baroque brengt volgende maand een programma over deze geschiedenis: Franciscus en de Sultan.
Na zijn dood werd Franciscus snel heilig verklaard… ‘Wie zichzelf vernedert zal worden verhoogd’.

Ik wil eindigen met een sprookje wat ik Claudia de Breij eens hoorde vertellen.
In een kasteel moest de hofhouding heel hard werken voor de koning, koningin, prins en prinsessen.
Een dienstmeisje mocht een wens doen bij een toverfee en wenste ook een prinses te zijn. Dat gebeurde. Zo hoefde zij nooit meer te werken en werd ze in alles gediend.
Maar een volgend dienstmeisje mocht ook een wens doen, en wenste hetzelfde. Ook zij werd prinses en ze werd gediend door het personeel. Het overgebleven dienstpersoneel moest steeds harder werken, maar steeds was er de fee weer en kon er iemand een wens doen, en iedereen wenste ook prins of prinses te zijn om zo gediend te kunnen worden.
Op het laatst was er nog één dienstmeisje over maar gelukkig kwam ook de fee bij haar langs en ook zij wenste prinses te zijn en dat gebeurde.
Toen was er geen bedienend personeel meer over en werd het haat en nijd in het kasteel want iedereen eiste gediend te worden en men vond van de ander dat die dat moest doen. Er bleef niets van het kasteel over.
Het is een sprookje. Maar toch. Als iedereen koning is, is eigenlijk niemand koning en draait het uit op oorlog. Maar als iedereen dient is iedereen ook koning want iedereen wordt gediend en is het vrede.
Het is de boodschap van de cantate: wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden.
En of u nu op de beste plek vooraan zit of als laatkomer helemaal achterin, u wordt door het koor en orkest van Bachcantates Utrecht gelijkelijk bediend met deze prachtige cantate van Johann Sebastian Bach. Verhoogt u ze straks met een lovend applaus.
| 1. Koor | |
|---|---|
| »Wer sich selbst erhöhet, | Wie zichzelf verhoogt, |
| der soll erniedriget werden, | die zal vernederd worden, |
| und wer sich selbst erniedriget, | en wie zichzelf vernedert, |
| der soll erhöhet werden.« | die zal verhoogd worden. |
| 2. Aria (S) | |
| Wer ein wahrer Christ will heißen, | Wie een ware christen wil heten |
| muß der Demut sich befleißen, | die moet deemoed nastreven, |
| Demut stammt aus Jesu Reich. | deemoed stamt uit het rijk van Jezus. |
| Hoffart ist dem Teufel gleich. | Hoogmoed is als de duivel, |
| Gott pflegt alle die zu hassen, | God haat iedereen |
| so den Stolz nicht fahren lassen. | die zijn trots niet wil opgeven. |
| 3. Recitatief (B) | |
| Der Mensch ist Kot, Staub, Asch und Erde; | De mens is drek, stof, as en aarde, |
| ists möglich, daß vom Übermut, | hoe is het mogelijk dat hij toch |
| als einer Teufelsbrut, | door overmoed, dat product van de duivel, |
| er noch bezaubert werde? | wordt betoverd? |
| Ach, Jesus, Gottes Sohn, | Ach, Jezus, de Zoon van God, |
| der Schöpfer aller Dinge, | schepper van alle dingen, |
| ward unsertwegen niedrig und geringe, | is ter wille van ons laag en gering geworden, |
| er duld’te Schmach und Hohn; | hij duldde smaad en hoon; |
| und du, du armer Wurm, | en jij, arm schaap, |
| suchst dich zu brüsten? | probeert een hoge borst op te zetten, |
| Gehört sich das vor einen Christen? | past dat een christen? |
| Geh, schäme dich, du stolze Kreatur, | Ga je schamen, trots schepsel, |
| tu Buß und folge Christi Spur; | doe boete en volg het spoor van Christus; |
| wirf dich vor Gott im Geiste gläubig nieder! | werp je in de geest gelovig voor Christus neer, |
| Zu seiner Zeit erhöht er dich auch wieder. | op zijn tijd zal hij je ook weer verhogen. |
| 4. Aria (B) | |
| Jesu, beuge doch mein Herze | Jezus, buig toch mijn hart |
| unter deine starke Hand, | onder uw sterke hand, |
| daß ich nicht mein Heil verscherze | zodat ik mijn heil niet vergooi |
| wie der erste Höllenbrand. | zoals de eerste hellebrand dat heeft gedaan. |
| Laß mich deine Demut suchen | Laat me naar uw deemoed streven |
| und den Hochmut ganz verfluchen. | en de hoogmoed volledig vervloeken. |
| Gib mir einen niedern Sinn, | Geef mij een nederige geest |
| daß ich dir gefällig bin! | zodat ik u behaag! |
| 5. Koraal | |
| Der zeitlichen Ehrn will ich gern entbehrn, | Ik geef tijdelijke eer graag op, |
| du wollst mir nur das Ewge gewährn, | als u mij slechts het eeuwige wil schenken, |
| das du erworben hast | dat u hebt verworven |
| durch deinen herben, bittern Tod. | door uw harde, bittere dood. |
| Das bitt ich dich, mein Herr und Gott. | Dat bid ik u, mijn Heer en God. |
| Libretto: Johann Friedrich Helbig | Vertaling: Ria van Hengel |