Een wonder-aria van Fux

Melk is een stadje aan de Donau, zo’n vijfentachtig kilometer voor Wenen. Een klein stadje, maar met een kolossale barokke abdij hoog op de heuvel.
Op mijn fietstocht naar Budapest belandde ik op de camping van Melk en eind van de middag bezocht ik de Benedictijner abdij. Wat een schoonheid en een weelde.
Tot mijn verrassing vond er juist deze week een Barok-festival plaats en deze avond was er in de Kloosterkerk een concert verzorgd door de Academia Mellicencis uit Wenen. Uitgevoerd werd Il Fonte della salute  van Johann Joseph Fux. Een groot oratorium over de zondigheid van de mens en de verlossing door Christus. Met drie sopranen, een alt, tenor en bas die allen een allegorische figuur voorstelden: Misericordia (barmhartigheid), Grazia (genade), Giustizia (gerechtigheid), Peccatore contrito (berouwvolle zondaar), Peccatore ostinato (koppige zondaar) en tenslotte de Demonio, de demon, door de bas vertolkt.
Een groots opgezet werk met strijkers en hobo’s. Recitatieven, levendige aria’s en duetten over menselijke zielenroerselen als schuld, hoop, angst, liefde en troost.

Johann Joseph Fux (1660 – 1741) was hofkapelmeester aan het Keizerlijke hof in Wenen. Hij componeerde zowel vocale als instrumentale muziek. Zijn muziektheoretische geschrift Gradus et Parnassum behandeld de leer van het contrapunt en is lang een standaardwerk geweest voor musici. Ook Johann Sebastian Bach had dit werk in een vertaling in zijn bezit.

Maar nu terug naar de Stiftskirche in Melk. Wat een pracht en praal. Tientallen grote fresco’s, en daarom heen bijna alles goud(kleurig). Het concert was aanvankelijk uitverkocht, maar men had een rij stoelen langs de zijkant van de banken gezet en mijn plek was op de eerste rij, helemaal aan de zijkant dus.
Vlak voor mij zaten op het podium een jonge man met een baroktrombone en een vrouw met een klein houten instrument. Ik dacht een blokfluit. Bij de ouverture in Franse stijl hadden ze geen rol. En ook niet in de recitatieven en aria’s van het eerste deel. De jongen met de trombone hield zijn trombone stevig in zijn hand en bracht regelmatig het mondstuk naar zijn mond of schoof de schuif een paar keer heen en weer. Nu is hij aan de beurt dacht ik steeds, maar nee, er kwam weer een aria met strijkers, vaak ook nog twee-korig. Intussen was het me opgevallen dat zijn handen scheef stonden. Of was het door de greep om zijn instrument in zijn handen te houden. Ik kon het niet goed zien. De vrouw naast hem had haar instrument onder haar jasje. Soms haalde ze hem even tevoorschijn om vervolgens weer te verdwijnen. Al ver in het tweede deel werd ze opeens actief. Ze haalde haar instrument weer tevoorschijn en wikkelde toen met een touwtje een riet om haar mondstuk. Ze controleerde het verschillende keren, bevochtigde het met haar mond en wachtte vervolgens af. Intussen had ik gezien dat ook de trombonist ging verzitten…
Toen stond no. 34 (van de 42 delen) op het programma: ‘Vedi che Redemptor dal’ gezongen door sopraan ‘Grazia’ (zie wat de verlosser schenkt). De vrouw voor mij stond op en verhoogde haar lessenaar. Nog eenmaal bevochtigde ze het mondstuk. Nu gaat het gebeuren dacht ik. De jongeman bleef zitten. Zijn gezicht bleef voor mij deels onzichtbaar achter het muziekboek van zijn partner.
In mijn beleving gebeurde er toen een wonder. Alleen begeleid door pizzicato tonen van de cello begon de vrouw een thema te spelen wat direct herhaald werd door de trombone. Het instrument van de vrouw bleek geen fluit, maar een chalumeau (daar kwam ik later achter). Een voorloper van een klarinet, maar zeker de helft kleiner. Trombone en chalumeau speelden een prachtig duet wat later een terzet werd toen de sopraan mee ging zingen. Wat een rustpunt in dit oratorium met bijna steeds een tutti-orkest. Adembenemend mooi was het, en ik zat er met m’n neus bovenop.
Na dit deel volgden nog zeven delen waar ‘mijn’ muzikanten ook weer niet aan meededen. Zelf niet bij het slotkoor waar alle solisten hun bijdrage hadden. Nee, Fux had deze instrumenten alleen bewaard voor ‘Vedi che Redemptor’.
Na de finale brak er een luid en langdurig applaus los. Toen de dirigent de verschillende instrumentengroepen liet staan en ook bij het duo aan de zijkant uitkwam zwol het applaus nog even aan. De vrouw stond op, maar de jongen bleef zitten… In Oostenrijk is een staand applaus niet de gewoonte, maar ik ging staan voor mijn twee helden en daarbij had ik even oogcontact met de chalumeau-bespeelster.
Na het applaus stond uiteindelijk ook de trombonist op. Een kleine man met korte kromme benen die met twee krukken over het podium strompelde. Hij had misvormde handen. Iemand anders borg zijn trombone op in de koffer en klapte zijn muziekstandaard in elkaar.
Ernstig gehandicapt. Viool of fluit zou hij nooit kunnen spelen. Maar baroktrombone, een instrument wat je alleen blazend en schuivend bespeeld, dat past hem als gegoten. En dat is hij gaan doen.
Respect, diep respect voor deze jongen.
En voor Fux, die zo’n wonderschone aria componeerde met chalumeau en baroktrombone.