Ich glaube, lieber Herr, hilf meinem Unglauben (BWV 109)

Bij zijn aantreden als Thomascantor in Leipzig, eind mei 1723, begon voor Bach een periode van zeker vier, vijf jaar waarin hij bijna wekelijks een cantate componeerde. Tijdens de advent- en veertigdagentijd hoefde dat niet, maar juist dan had Bach tijd nodig voor het componeren van zijn kerstcantates en passiemuziek. Het is eigenlijk niet te geloven hoe Bach dit alles voor elkaar heeft gekregen. Maandag de start met het componeren van een nieuwe cantate. Dinsdag eind van de dag moest die dan klaar zijn. Woensdag en donderdag moesten alle partijen voor de stemmen en de instrumenten uitgeschreven worden en daarna gekopieerd voor de zangers en musici. Daar kreeg hij natuurlijk hulp bij. En dan de repetities op vrijdag en zaterdag. Op zondagochtend kon dan de nieuwe cantate uitgevoerd worden, en vaak ’s middags nog eens in een andere kerk. En zo ging dat, week op, week af. En tussendoor moest hij dan nog lesgeven op de Thomasschool.
Gelukkig kon Bach zo nu en dan eens teruggrijpen op één van de ongeveer vijfentwintig cantates die hij had geschreven in de periode dat hij in Weimar werkte. Dan was er de mogelijkheid om even op adem te komen. Of toch niet? De cantate die een week voor de cantate van vandaag werd uitgevoerd was een heruitvoering van een cantate uit Weimar (Ach! Ich sehe, itzt, da ich zur Hochzeit gehe (BWV 162). Het lijkt er echter op dat Bach geen korte herfstvakantie heeft opgenomen maar dat hij twee weken de tijd heeft genomen voor de cantate van vandaag. Want wat krijgen we veel te horen! Een machtig openingskoor ingeweven in een concerto voor strijkers en hobo’s, twee schitterende aria’s en in plaats van een gewoon slotkoraal een verheven koraalfantasie voor koor en orkest.
De cantate Ich glaube, lieber Herr, hilf meinem Unglauben werd voor het eerste uitgevoerd op zondag 17 oktober 1723, de 21e zondag na Trinitatis. De tekstdichter van de cantate is onbekend maar veel van de tekst is afkomstig van bijbelgedeeltes uit het oude en nieuwe testament. De tekst van het openingskoor komt uit Markus 9 waarin het verhaal verteld wordt van een vader die Jezus vraagt om de genezing van zijn zoon[1]. Jezus zegt dat alles mogelijk is voor degene die gelooft waarop de vader zegt: Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp’ (vers 24).
Het openingskoor begint met een instrumentaal deel wat op zichzelf al als een volwaardig concerto klinkt. Strijkers brengen het thema in waarop even later de hobo’s gaan variëren waarna nog weer verderop de eerste viool en de hobo een duet met elkaar lijken aan te gaan. Het concerto is al bijna anderhalve minuut onderweg als het koor invalt. Steeds neemt één stem het voortouw en vallen daarna de andere stemmen bij terwijl tussendoor het concerto zijn alsmaar voortgaat. Op allerlei wijzen krijgen de woorden ‘Ich glaube, lieber Herr, hilf meinem Unglauben’ een plek in dit openingskoor want iedereen zal deze woorden op een eigen wijze kunnen ervaren. De spanning tussen geloof en ongeloof, of tussen zelfvertrouwen en twijfel is voor iedereen herkenbaar.
Met het rustig wandelende tempo lijkt het gevoel wat het openingskoor oproept in eerste instantie toch vertrouwen te zijn; dat de bede om geloof gehoord zal worden. Maar dan neemt toch de vertwijfeling toe. Je ziet het al in de tekst. Vier maal het woordje ‘ach’ in het recitatief. En je hoort het in de muziek. ‘Hoe lang moet ik nog bang zijn dat er geen troost komt?’ Heel lang denkt de wanhopige gelovige vertolkt de tenor. Luister maar naar het woordje ‘lang’. En dan neemt de onrust, de paniek nog meer toe. In de tenoraria hoor je hoe scherpe vioolstreken de gelovige ziel aan het wankelen brengen. De woorden ‘zweifelhaftig’ en ‘wanket’ worden onzeker getoonzet en ook het ‘Schmerz’ duurt pijnlijk lang… Een moeilijke aria voor de tenor. Hij zal de twijfel zelf gevoeld hebben: gaat me dit wel lukken?
De onbestemde ziel laat zich door zijn of haar gevoel meeslepen. Zo gaat dat vaak als we het (even) niet meer zien zitten. Maar dan is er gelukkig de stem van buiten die hem tot bedaren brengt. Zo’n stem heb je nodig als je in een vicieuze cirkel naar beneden zakt. Je wordt weer terug gezet in de realiteit. Je wordt gewezen op je kracht, op je mogelijkheden, op je geloof wat je altijd had.  De toon van de alt in het recitatief is direct hoopgevend en optimistisch. En dan kan in de aria, geflankeerd met huppelend hobo-spel, uiteindelijk bijna dansend gezongen worden dat het geloof toch heeft overwonnen.
Ja, en dan mag een slotkoor over herwonnen Godsvertrouwen (en wat mij betreft mag het ook herwonnen zelfvertrouwen zijn) omvangrijk en groots klinken en kwam het uitermate goed uit dat Bach daar extra de tijd voor kon nemen!

Bij de uitvoering in de NoorderLichtkerk te Zeist op 20 oktober 2024 door Bachensemble Zeist o.l.v. Paulien Kostense.


[1] De officiële lezing was uit Johannes 4. Een vergelijkbaar verhaal.

Plaats een reactie