Ich freue mich in dir

Inleiding BWV 133 – Bachcantates Utrecht, 5 jan. 2025

Van aangezicht tot aangezicht

Op de eerste zondag van het nieuwe jaar luisteren we naar een cantate voor de Derde Kerstdag. Ich freue mich in dir werd voor het eerst uitgevoerd op 27 december 1724. 27 december was tevens de naamdag van de evangelist Johannes. Waren de cantates voor Eerste en Tweede Kerstdag uitbundig van toon, met pauken en trompetten, deze cantate heeft een meer ingetogen karakter en een kleinere instrumentale bezetting. De vorige cantates waren in de wij-vorm geschreven (op 2e Kerstdag nog Christum wir sollen loben schon), deze cantate staat in de ik-vorm: ‘Ich freue mich’. Het maakt dat de cantate een meer bezinnend karakter heeft. De luisteraar wordt uitgenodigd om wat afstand te nemen van alle feestelijkheden en tot zich door te laten dringen wat het kerstgebeuren voor hem of haar persoonlijk betekent.
Het past bij de kijk van de evangelist Johannes op het gebeuren. Hij wordt vaak afgebeeld met een adelaar. De vogel die van een afstand het geheel overziet en toch de details onderscheid. Bij Johannes gaat het direct om de essentie. Hij mijdt daarom het verhaal. Bij hem geen kindje in de stal, geen herders, geen Wijzen uit het Oosten. Hij begint zijn evangelie met grote woorden ‘In het begin was het Woord’. Een echo op het scheppingsverhaal uit Genesis. Dat hier op Jezus wordt gedoeld blijkt verderop: ‘Het Woord is mens geworden en heeft onder ons gewoond’. In de cantate komen deze beelden letterlijk terug.

De cantate is één van de koraalcantates die Bach voor zijn tweede jaargang in Leipzig componeerde. De tekst van het koraal is van Caspar Ziegler. Bach hanteerde het vertrouwde concept: de eerste en laatste strofe blijven tekstueel onveranderd waarbij de eerste strofe een muzikaal fantasierijke bewerking krijgt. De laatste strofe blijft een gewoon vierstemmig slotkoraal. Ich freue mich in dir heeft vier strofen. De tweede en derde strofe zijn door een onbekende tekstdichter omgewerkt tot tweemaal een aria en recitatief.
De boodschap van de cantate is kortgezegd: je mag blij zijn met de geboorte van Jezus. God is naar ons toegekomen. Dan hoef je niet bang te zijn voor de dood. Maar je moet hem wel in je hart toelaten. Zeker de helft van de cantates van Bach hebben dit zo’n beetje als thema. Een theoloog zou hier een hele verhandeling over kunnen houden maar daar waag ik me niet aan. Dan kijk ik liever als die adelaar op afstand naar de cantate zoekend naar de details. Wat heeft de tekstdichter aangevuld bij het origineel en wat heeft Bach met zijn muziek onderstreept.

Het openingskoor wordt ingezet met een schijnbaar eenvoudig thema wat Bach uitpluist tot een weelderig en vrolijk concerto voor strijkers waarbij twee hobo’s d’amore de tweede- en de altviool ondersteunen. Met flinke tussenpozen zingt het koor de regels van het couplet getoonzet als het gewone koraal. Op deze Derde Kerstdag gunde Bach zijn koorzangers blijkbaar een gemakkelijker partituur. Tweemaal spint hij het koor uit en accentueert hij de woorden. Natuurlijk bij de zinsnede: ‘Ach wie ein süßer Ton!’ en op de laatste regel: ‘der große Gottessohn’.
In de alt-aria mogen de twee hobo d’amores het voortouw nemen. Met gepunteerde noten die doen denken aan een Franse ouverture (ta-dáá!) wordt niet de aandacht gevraagd voor een Lodewijk de zoveelste die binnen schrijdt maar voor God zelf die als mens de wereld binnenkomt. Hoe onbegrijpelijk dit is accentueert Bach met lange melismes op het woord ‘unbegreiflich’.
De laatste zin van de aria ‘Ach! Meine Seele muß genesen’ is eigenlijk al de opmaat voor het tenor-recitatief die gaat over de neiging van de mens om God te ontwijken terwijl God de mens juist opzoekt. Om het persoonlijker te maken heeft de tekstschrijver het ‘Unsere’ veranderd in ‘Meine Seele’. Als in het recitatief tweemaal letterlijk regels van het originele vers terugkomen worden die meer melodieus dan reciterend gezongen. Bach noteerde het woord ‘adagio’ erbij.
De sopraan-aria is inhoudelijk het hart van de cantate. Centraal staan hier de woorden ‘Dies Wort’ die de tekstschrijver heeft toegevoegd en duidelijk een verwijzing zijn naar de opening van het evangelie van Johannes, ‘het Woord is mens geworden’. ‘Dies Wort’ wordt telkens driemaal steeds lager gezongen gevolgd door het meer ééntonig ‘Mein Jesu ist geboren’. Het lijkt me een muzikale uitbeelding van het afdalen naar de wereld. De aria wordt omlijst door prachtig vioolspel. Let vooral op de korte vioolsolo direct na de herhaling van de eerste zin ‘Wie lieblich klingt es in den Ohren’. Graag citeer ik hierover Gert Oost, jarenlang organist hier bij de Bachcantates en al vijftien jaar geleden overleden. Hij schreef in zijn mooie boek ‘Aan de hand van Bach’ over dit korte tussenspel: ‘En even buigt de eerste violiste met haar viool voorover naar dat kind in de kribbe en speelt een van de aangrijpendste maten die Bach ooit voor viool heeft geschreven’. Mocht u dit nou missen, na het, passend bij de tekst, mager getoonzette B-gedeelte van de aria heeft u nog een kans bij de herhaling van het A-gedeelte.
Het basrecitatief leidt met een nieuw thema het slotkoraal in: als je in Jezus gelooft zal je sterven een leven in de hemel betekenen. Natuurlijk toonzet Bach de woorden hemel hoog en sterven laag. Het mooi vierstemmig geharmoniseerde slotkoraal roept nogmaals op om niet bezorgd te zijn. Als splijt de wereld in duizend stukken, bij Jezus ben je veilig.

Misschien zijn het wel deze laatste woorden van het slotkoraal die mij als luisteraar met een onbevredigend gevoel laten zitten. Zeker, genoten heb ik van de muziek. Bach verrast altijd. Maar de tekst van de cantate levert mij zoveel onbeantwoorde vragen, ook voor wat betreft de tijd waarin we nu leven. ‘De wereld in duizend stukken gespleten’ bijvoorbeeld. Is dat al niet aan de orde van de dag? Dagelijks worden we via de media geconfronteerd met zoveel geweld in de wereld. En geeft het geloof in Jezus daarbij rust? Zoals het kinderliedje van vroeger: ‘Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw’?
Wanneer ik nogmaals van afstand de cantate bekijk springt er één zin uit: ‘Ich habe Gott von Angesicht zu Angesicht gesehen’. Het is ‘unbegreiflich’. Dat vond Bach ook. Misschien moet je het ook niet willen begrijpen en moet je er op een andere manier naar kijken. Bij het ‘van aangezicht tot aangezicht zien’ moest ik denken aan de filosoof Emanuel Levinas. Ook iemand die met afstand kijkt naar het dagelijkse gebeuren en dan juist de zin der dingen helder krijgt. Voor Levinas openbaart God zich uitsluitend in het gelaat van de Ander. Bewust geschreven met een hoofdletter. Het leven van de mens krijgt zijn waarde als hij in relatie treedt met de Ander. Wanneer je het appèl van de kwetsbare Ander beantwoord kun je God zien in het gelaat van de Ander en kun je iets waarnemen van het mysterie van God. Bijzonder vind ik ook deze stelling: ‘Het ontwijken van de blik van de Ander is het begin van alle geweld’. Ligt hier uiteindelijke niet de sleutel tot het opheffen van alle oorlog, geweld en ongelijkheid in de wereld?

‘Ik heb God van aangezicht tot aangezicht gezien’ zingt de alt in de eerste aria als de pasgeboren Jezus wordt aanschouwt. Ik herinnerde me dat mijn vader 36 jaar geleden vertelde over het in de ogen zien van zijn pasgeboren kleinzoon. Vorige week vroeg ik hem erna. Mijn vader, bijna 93, wist het nog precies. ‘Zijn pupillen waren groot en donker en ik kon er heel ver, diep in kijken. En wat ik zag was de eeuwigheid. Een ver verleden waar hij vandaan kwam en een oneindige toekomst’.
Ik denk dat mijn vader God gezien heeft.

De aanbidding van de herders, Gerrit van Honthorst.

Plaats een reactie